Belang van wetenschappelijk onderzoek bij het emeritaat van dr. Thomas D'Hooghe
Dezer Dagen
Een
bijzonder academisch ritueel :
Het afscheid van de leerstoel ofwel
Het emeritaat
Handgekleurde Houtsnede Andreas Vesalius (1514-1564)
De humani corporis fabrica libri septem
Basel: Johannes Oporinus, 1543
1543, dat is een tijd geleden, maar het was een groot moment voor Vesalius en voor de keizer, Karel V, maar toch duurde het nog even voor de kerk deze realisatie kon waarderen. Dat is nog niet veranderd, valt te vrezen.
Je komt er niet zomaar even op een dagje naar Leuven
naar te trekken om zo een afscheid van de leerstoel bij te wonen. Maar ach, de
idee van de leerstoel is al een academisch woord waar je pas als student iets
over hoort. In de ene universiteit is de aula (magna) het uitgangbord, elders
zie je dan weer dat de promotiezaal, waar doctores coram publico promoveren. Ook
de inaugurale rede van een nieuw benoemd diensthoofd/titelvoerend bezetter van
een leerstoel heeft plaats in de
promotiezaal of bij te veel gegadigde toeschouwers in een groter auditorium.
Aan het einde van de loopbaan, bij het afscheid van de leerstoel, komt er dan
nog een academisch ritueel, wat we afgelopen zaterdag in Leuven mochten
meemaken.
In Nederland lijkt me sterker te hechten aan deze
rituelen, vooral de inaugurale rede, die vaak een interessante inkijk biedt in
de wetenschappelijke plannen van de nieuw benoemde hoogleraar. Zodoende, voor
wie bij leven en welzijn het moment bereiken dat ze een welverdiende rust
tegemoet mogen zien, het pensioen dus,
komt het afscheid nemen en dat mag inderdaad met toeters en bellen gebeuren.
Thomas D’Hooghe, familielid met dezelfde grootouders, was die dag bijzonder
aandachtig, maar ook opgetogen, want soms kan zo een afscheid van de leerstoel
bijna niet plaatsgevonden hebben. Leven betekent immers vaak ook dat we ziekte
hebben te verduren. Maar het werk van de gynaecoloog zou kunnen inspireren, ook
buiten zijn vakgroep(en).
Het verhaal van
de onderzoeker, die niet alleen de gang van de natuur in detail wil begrijpen maar
waar mogelijk ook remediëren, wordt nogal eens kort door de bocht herleid tot
onbegrijpelijke experimenten. Nu is het tegelijk zo dat de geneeskunde zeer ver
is doorgedrongen in het functioneren van een lichaam en hoe steeds meer
aandoeningen behandeld kunnen worden, toch er zijn nog vragen die om een
antwoord vragen. De vele sprekers tijdens de emeritaatszitting loofden niet
enkel de emeritus, maar gaven in een moeite door waarin de hoogleraar-arts had
uitgeblonken en vooral welke nieuwe onderzoeksvragen hij ter harte had genomen.
Zo kan men van onze generatie met recht beweren dat die eerder in de beste der
tijden kon opgroeien en zeker niet het ergste heeft meegemaakt, maar op
persoonlijk vlak kan men toch ernstige ziektes overwonnen hebben. Net de
vooruitgang van de geneeskunde weegt bij de afweging behoorlijk door, al zien
we natuurlijk dat er nieuwe aandoeningen zijn of aandoeningen waarvan we pas nu
de mechanismen ontdekken. Dat er ook hersenaandoeningen zijn die nog niet
behandeld kunnen worden, is onmiskenbaar, maar het onderzoek gaat door. Hebben
we wel altijd oog voor de complexiteit van dat onderzoek?
Professor D’Hooghe was als gynaecoloog in Kenya, toen hij,
voor zover ik het begrijp, de handgrepen en aanpak van wetenschappelijk
onderzoek beter ging begrijpen, want tijdens de opleiding krijgt men doorgaans
vooral gevalideerde kennis aangereikt, al zal er wel al een begin van eigen
onderzoek in practica aan de orde zijn gekomen. Maar wetenschappelijk
onderzoek, dat is geen spelletje spelen, maar heel grondig data verzamelen, granular
data, die daarna zorgvuldig onderzocht moeten worden. De complexiteit zit hem, denk
ik dat men die basisgegevens goed moet afwegen en ook in het verdere verloop in
het oog houden, want soms lopen we sneller dan de data toelaten. Een gedachte
waar ik al langer mee worstel betreft de Cartesiaanse idee over de methode,
waarbij men alles zeer van elkaar moet afzonderen, dan die kleine entiteiten
binnen de werkelijkheid onderzoeken en met de resultaten naar buiten komen, ook
als die entiteit niet altijd meer zinvol in het grotere geheel gevat kan
worden. Descartes heeft ons veel inzichten gebracht en zijn discours de la méthode
was boeiend, maar ergens heeft men ooit de aanpak gereduceerd tot specialismen
zonder zinvolle connecties met andere specialismen. Juist het onderzoek van
Thomas D’Hooghe leek zich bewust van dat gevaar en bleef waakzaam voor het
verliezen van de weg, van vaststelling naar een deugdelijk begrijpen ervan.
Weten we nu wat Dr. Med. Thomas D’Hooghe heeft
bereikt? Infertiliteit was zijn studiedomein en daar heeft menige vrouw
voordeel bij gehad, want ondanks de Vaticaanse idee dat men moet berusten in
het noodlot, is kinderloosheid voor vrouwen en koppels een zware dobber,
waarvoor er in vele gevallen oplossingen aangereikt kunnen worden. Het is voor
buitenstaanders een bijzondere realiteit dat zulke aandoeningen behandeld
kunnen worden, onvruchtbaarheid, maar dat levert dan weer andere bedenkingen op
waar men niet lichtvaardig aan voorbij mag gaan. Tijdens de uiteenzettingen,
zeker ook die van voormalig rector en theoloog Marc Vervenne die vertelde over
de discussies met het Vaticaan, kwam aan de orde dat de discussie niet per se van
ethische aard was en is, maar dat men niet dezelfde taal sprak. Dus moest eerst
een en ander aangezuiverd worden om tot een goed wederzijds begrip te komen.
Is een embryo, waaruit, als alles goed gaat een kind
kan voortkomen maar het loopt vaak genoeg mis, om allerlei medische redenen een levend wezen, een homunculus? Het
probleem voor het Vaticaan was dat er in de KU Leuven onderzoek zou verricht
worden op embryo’s, waarbij het Vaticaan dat onderzoek een inbreuk op vond het
taboe van het leven. Voor Thomas D’Hooghe en de mensen van de faculteit
geneeskunde, maar ook voor de theologen was dat wellicht een brug te ver, want
goed wetenschappelijk onderzoek verlegt inderdaad grenzen maar onderneemt ook
geen roekeloze aanzetten. Let wel, voor de artsen, de onderzoekers en de theologen
was het allemaal heel snel gegaan, want hoe bij de vrouw de
voortplantingsorganen werken en waar het fout kan gaan, bleef lang verborgen of
zelfs buiten beeld, omdat vrouwen toch bijna net als mannen zouden zijn, alleen
zonder piemel en balzak, want dat zit dan binnenin. Het is niet omdat Andreas
Vesalius voor zijn De Humani Corporis Fabrica libri septem enkel naar
mannelijke lichamen keek, dat men dat later niet had kunnen bijsturen, maar
voor Vesalius pleit dat hij lijken zou gehaald hebben op het Galgenveld bij
Leuven en die lichamen heeft gedissecteerd, wat in meerdere opzichten inbreuken
waren op wereldlijke en kerkelijke wetten.
Trudy Dehue werkte in haar wetenschapsfilosofische
werken de tekortkomingen van het wetenschappelijk onderzoek naar de vrouwelijke
fysiologie uit en stelde vast dat er misschien wel argumenten zijn voor
algemene vaststellingen en onderzoeken, maar voor wat specifiek vrouwelijke
aandoeningen aangaat, moet men wel af van de idee fixe. Op de terugweg en thuis
kwam de mooie avond weer aan de orde, omdat de vaststellingen,
onderzoeksmethodes en behandelingen op het vlak van onvruchtbaarheid toch wel
weer een enorme vooruitgang van de geneeskunde betekent, ook al omdat bij het
onderzoek naar endometriose duidelijk werd dat het geen inbeelding was, zoals
vrouwen verteld werden. 1 op 10 zouden eraan lijden en de gevolgen moeten
ondergaan, van onbegrepen pijnen, extra pijnlijke menstruatie en onvruchtbaarheid.
Er werd ook aandacht besteed aan de “loopbaanwissel”
die dr. Thomas D’Hooghe na een periode van opbouw van inzichten en een team –
of zelfs meer dan één team – een opdracht in de farmaceutische industrie genegen
was en er zijn onderzoek nog meer ging koppelen aan het behandelen van
patiënten. De link tussen de Academie en de Industrie mag geen dun draadje
wezen, maar er bestaan maar beter goede bruggen, zodat onderzoekers op het
domein van basisgegevens en mensen die met de resultaten verdere praktische
toepassingen gaan ontwikkelen. Ook dat gaat niet vanzelf.
Besluiten kan ik niet echt, want het gaat hier om
impressies, maar toch, het besef dat ik aanwezig kon zijn bij het formeel en
plechtig, maar ook vreugdevol afscheid nemen van de universiteit en leerstoel, vond
ik verfrissend. Natuurlijk zijn emeriti dezer dagen doorgaans nog goed bij de
les en best bereid hun ervaring en inzichten door te geven, maar misschien is
het ook wenselijk dat de afwisseling van de wacht mogelijk is. Doorgaans zijn
de emeriti goed bekend bij hun opvolgers en omgekeerd, weet de nieuwe lichting
waarop ze voort kunnen bouwen. Tegelijk betracht de universiteit rust en
stabiliteit, maar wenst ze dat professoren en onderzoeksteams met nieuwe, spannende
inzichten en hypotheses afkomen. De discussie met Rome, het Vaticaan heeft toch
maar opgeleverd dat Rome uiteindelijk begrip op wist te brengen voor het
onderzoek, omdat men, zo lijkt het mij, begreep dat de concepten van ethische
aard niet helemaal meer bij de tijd zijn. Er is niemand die zomaar embryo’s zal
gaan gebruiken voor toepassingen als die in Brave New World voorgesteld als de
toekomst, maar het concept “levend wezen” betekent nog niet dat de embryo’s die
bij fertiliteitsonderzoek over blijken, ooit levensvatbare mensjes zouden
worden. Maar onderzoek leert dan weer hoe een groot verdriet, onvruchtbaarheid,
kan verholpen worden. Zonder onderzoek kan de fertiliteitsarts weinig betekenen
voor vrouwen met niet te vervullen kinderwens om medische redenen.
Bart Haers


Reacties
Een reactie posten