donderdag 25 augustus 2016

Tegen de Superstaat? Natuurlijk



Dezer Dagen


Angst voor de superstaat
&
begeerte alles te beheersen

Nir Baram beschreef in "Goede Mensen", hoe twee
mensen in twee onderscheiden totalitaire
systemen alsnog ten onder gingen.
Voor onze tijd lijkt de roman eerder historisch,
maar toch, het boek biedt Israëli en anderen
een blik over hoe het eigen systeem ook
"goede mensen" kan vermorzelen. 
Men spreekt wel eens met dubbele tong, niet uit de dronkenschap, maar omdat men meerdere doelen tegelijk wil bereiken. Mensen vertellen dat Europa geen superstaat mag worden, klinkt goed, maar intussen veiligheids- en politiediensten optuigen om alles onder controle te houden, wetgeving te schrijven die elk ongemak uit de wereld zou moeten helpen én start-ups willen, waarbij de kans dat zo een onderneming niet zo goed blijkt als de idee, maakt het beeld nog wat verwarrender. Neen, de superstaat is een chimaera op het Europese niveau, des te dichter in de mogelijkheden van politici die hun natiestaat goed willen runnen. Wat heet goed? Over beheersing en het vermijden van het onverwachte oftewel pleidooi voor een rusteloze samenleving met mate.

Wie met de geschiedenis van Rome op de proppen komt, krijgt van mensen die nog op hun humaniorakennis denken te teren steevast te horen dat het Rome van Augustus en co een dictatuur was, dat alles centraal geregeld werd en dat wie uit de pas liep streng gestraft werd. De werkelijkheid, toont Mary Beard aan, was dat dit domweg niet mogelijk was. Meer nog ten tijde van het "Eerste Imperium", van 14 nC tot 212 was de rol in zaken van bestuur belangrijk, werden de buitengrenzen goed bewaakt, maar was de feitelijke macht in de samenleving veeleer dissipatief verdeeld. Overigens kwamen burgers in dat rijk wel eens lokaal in opstand of probeerden senatoren een club te vormen tegen de keizer, maar het bleef alles rommelen in de marge, omdat het systeem nogal wat mensen ook kansen bood op een beter leven, van Syrië naar York en de Hadriaanse Muur te trekken.

Wat Europa betreft vallen er luide stemmen te horen die menen dat Europa soevereiniteit moet teruggeven aan de lidstaten, maar tegelijk beseffen beleidmakers dat op een aantal punten de samenwerking en het delen van soevereiniteit niet ver genoeg is gevorderd, om bepaalde zaken naar behoren op te lossen. Het begrip soevereiniteit blijft zo voor verwarring zorgen, net als het begrip superstaat, dat het toch bekeken moet worden, wat dat betekent en hoe of wat men als burger kan verlangen van de overheid. Het kan zijn, vrees ik, dat net die burger die luid schreeuwt, onder meer op facebook, net wel een superstaat wil.

Soevereiniteit lijkt voor sommigen een non-issue geworden, voor anderen is het de sleutel om alle problemen van deze tijd op te lossen. In het oude Rome waren de keizers, aldus Mary Beard, wanneer men erin slaagt in de bronnen over machtsuitoefening door te dringen en niet luistert naar de roddelblaadjes die Suetonius heeft nagelaten - waarvoor overigens wel eens goede gronden blijken te bestaan - vooral een hard werkende bureaucraat die vele kleine beslissingen moet nemen en vooral ervoor moet zorgen dat de grote kwesties, zoals de veiligheid aan de grenzen, de organisatie van de voedseldistributie in Rome verzekerd wordt - zonder dat de staat per se zelf de regie organiseert - en uiteraard ook het recht, waar gewone burgers niet altijd mee in contact kwamen, kon gelden.

Naar verhouding was de staatshuishouding in Rome nog beperkt en kon de keizer als grootste grondbezitter in het rijk over gigantische inkomstenstromen beschikken, waarbij geleidelijk de persoonlijke schatkist en die van de overheid in elkaar konden overvloeien. Onnodig te zeggen dat de middelen doorgaans naar de particuliere schatkist vloeiden, maar de keizers hadden er wel belang bij dat het systeem bleef functioneren. Provinciegouverneurs als Plinius de jongere wier brieven werden bewaard en ook wel het werk van Tacitus, ook al een lid van de elite, die zou hebben betreurd dat de Republiek vervangen was door een monarchaal systeem, maar Mary Beard besteedt daar niet zo heel veel aandacht aan, doet het af als vage nostalgie en in voorkomend geval dwaze naïviteit, die sommigen ook op verbanning kwam te staan of erger. Rome was soeverein, dat wil zeggen, het geheel van de bestuursorganen kon militair en juridisch heel wat afdwingen en dus ook legitiem de noodtoestand inroepen. Maar ook in Rome was het ondenkbaar dat een persoon het geheel kon overzien: aquila non fugit muscas. Helaas, sommige adelaars doen niet liever omdat ze grote kwesties niet aankunnen...

Dezer dagen spreken over soevereiniteit lijkt voor de een op het najagen van spoken, voor de andere op het claimen van grotere macht van de nationale staat, terwijl er sinds 1949 voor tal van domeinen in Europa voor systemen van gedeelde soevereiniteit werd geopteerd. Voorwaarde dat dit systeem goed werken zou en begrepen worden is dat in de debatten politici niet aan de verleiding toegeven voor de eigen achterban iets anders vertellen dan wat ze in Brussel in uitmuntende collegialiteit bespreken. In Europa met zijn zeer verdeelde erfenis uit de periode van de koude oorlog, ziet men dat politci in voormalige satellieten van Moskou in de EU wel eens een andere verpakking van hetzelfde zien. In andere, zoals het UK, leeft de droom van het oude imperium als achtergrondstraling verder, maar zou het overdreven zijn te stellen dat die ambitie door Winston Churchill ten grave werd gedragen? Overigens denk ik niet dat Churchill het politiek had overleefd als hij in 1946, pleitend voor politieke eenheid in Europa - tegen het communisme - voor een Britse deelname aan dat project had gepleit. Na 1965 waren de nieuwe contouren duidelijk en wist het UK dat het niet meer op afstand kon blijven van Europa. De Brexiters hebben dat inzicht niet genegeerd, ze hebben het niet afgewezen, ze hebben de contouren zelf van de Britse soevereiniteit veel ruimer ingeschat dan dezer dagen nog maar bij benadering mogelijk is.

Betekent soevereiniteit dan dat een persoon de noodtoestand kan afdwingen, opleggen, dan komt men pas in een doolhof van begripsverwarring terecht. Het is een staat, een geheel van instituties die gezamenlijk de noodtoestand kunnen afdwingen en dus kunnen evolueren naar een superstaat. Europa telt vele instituties die met elkaar op enig moment tot een afdwingbaar besluit komen, de zogenaamde tafels, zoals Luuk van Middelaar die beschreef in "De Passage naar Europa", waarbij Commissie, Raad van staatshoofden en regeringsleiders en het parlement, de permanente vertegenwoordigingen volgens specifieke procedures van besluitvorming finaal tot een conclusie komen, die dan als besluit door de commissie of de raad finaal wordt afgeklokt. En dan begint de tweede fase nog maar: hoe implementeren lidstaten zo een besluit in hun wet- en regelgeving en hoe krijgt dat ambtelijk, in de back- en frontoffice haar beslag.

Vooral blijkt die tweede fase waarin besluitvorming uitgerold moet worden,  vaak moeilijk aan burgers van nut en noodzaak te explikeren en hen daarvan te overtuigen en blijkt men vooral actiegroepen tegen te komen die bij de nationale dan wel deelstaatregering interveniëren om aan het besluit een strikte interpretatie te geven dan wel net de minst stringente invulling die Europa overlaat, aan te nemen als beleid. Het mest(stoffen)decreet van de Vlaamse regering is zo bijna een decennium lang voorwerp geweest van acties van landbouwers en natuurverenigingen en politici te lande die vrienden niet tegen de haren wilden instrijken en toch ook geen straffe verwijten van de tegenstanders wensten te krijgen in het openbaar. Het gaat om de Europese richtlijn die regelingen en aanpak op poten zette om de historische vervuiling van de oppervlaktewateren aan te pakken en er geen nieuwe aan toe te voegen, tot welzijn van iedereen. Dat het mestdecreet de landbouweconomie en het beheer van landbouwbedrijven op losse schroeven zette, mag niemand ontgaan, terwijl de natuurverenigingen soms wel zeer ver gingen met hun verwijten aan politici die te dicht stonden bij de boeren.

De wenselijkheid van een beleid rond de kwaliteit van zowel grond- als oppervlaktewateren zal niemand meer betwisten, mag ik hopen. Dat de lidstaten hier samen aan wilden werken, kwam voort uit de evidentie dat men aan de ene kant overwegingen van eerlijke concurrentie tussen de voedingsindustrieën diende te garanderen, dat rivierenstelsels oude grenzen van lidstaten overschrijden en dat nationale politici hun electoraat niet tegen zich in het harnas wilden jagen, door te doortastend optreden en omwille van aperte toegeeflijkheid. Het mestdecreet heeft - zo bleek een paar dagen geleden nog - de situatie van de oppervlaktewateren en de kwaliteit van het water verbeterd, maar niet overal in gelijke mate.

Wie zich bewust is van de historische stap die op dit ene beleidspunt, agendapunt werd gezet en hoeveel voeten het in de aarde had om het te implementeren, alleen al in Vlaanderen, zal er zich ook rekenschap van geven hoe weinig soeverein de instituties van de EU aan de dag konden leggen. Even frappant blijft het vast te stellen dat wie op dit ene punt, doortastend en voortvarend beleid van de EU vooruit op de medeburgers wilde lopen, net op het punt van de GGO's en dus op mogelijkheden om landbouwgewassen of vee te kweken dat minder belastend zou zijn voor de biodiversiteit of de waterhuishouding de sta in de weg is gebleken. Hier wordt dan vooral gewezen naar de mogelijke toenemende neiging tot een oligopolie met aan de top toch een bedrijf, terwijl men anderzijds vrezen moet, heet het, dat ggo's de natuurlijke diversiteit aan gewassen zou doorbreken. Eeuwenlang hebben mensen aan ras- en teeltveredeling gedaan, zij het kleinschalig, terwijl in de massasamenleving vandaag de voedselproblematiek op meer dan een manier tot beleid kan aanzetten: obesitas is een probleem, door de overvloed aan goedkoop voedsel, problemen met verspreide teeltgebieden en anderzijds het gevaar van monoculturen.

Wanneer we deze niet exhaustieve schets van Europees beleid, de uitwerking en de implicaties onder ogen zien, dan merkt men dat in de discussies over een Europese superstaat deze vaststellingen nauwelijks een rol spelen. De reductionistische denkoefeningen van ideologen zien de staat precies in haar representatie en minder als een vorm van functionaliteit. Zoals Romeinse senatoren onder keizer Trajanus, die van de Republiek niets meer wisten dan wij van de regeringen van August Beernaert, Collijn of de Derde Republiek, om het IJzeren Koninkrijk niet te vergeten, zo schaverdijnen voorstanders van het herstel van de nationale soevereiniteit over een wit papier waar men alles kan neerpennen wat men wil - ik sprak wellicht beter van een leeg scherm - want hun referenties gaan voorbij aan de redenen waarom het bestel wel diende te veranderen, wilde men als overheid het algemeen welbevinden bevorderen, te beginnen bij de algemene vrede binnenlands en de vrede buitenlands. Maar om het welbevinden van burgers te bevorderen doet een staat anno 2016 heel wat meer, van onderwijsvoorzieningen over regelingen voor mobiliteit tot het beschermen tegen ziekte en ongevallen. Soms zal men wel eens iemand horen die vindt dat al die instrumenten die ontwikkeld werden voor de sociale zekerheid weinig bijdragen aan zijn of haar welzijn, gaat het over het leven in de oude dag, als zelfredzaamheid afneemt, dan ziet men hoe men de kwaliteitseisen voor zichzelf en naasten danig gaat opschroeven, vaak ongeacht de lichamelijke en mentale dispositie van de betrokkene, wat wel tot heel nare situaties en navenante discussies kan leiden. Regelmatig contact met mensen van de voorziening kan heel wat ontevredenheid wegwerken, vooral wederzijds begrip ten bate van de rusthuisbewoner bevorderen, meer dan van overheidswege opgelegde ambtelijke controles.

Afgelopen decennia hebben liberale politici met luide stemme beweerd dat de staat het probleem is, waarbij ze terecht wezen op de hoge belastingdruk, maar dat zijzelf, via eigen ministers, zoals telkens weer op onderwijs is gebleken zo hard bezig waren de boel te belazeren, nieuwe wetgeving te maken, theoretische modellen hanteerden en culturele tradities - zoals de Verlichting helemaal voor jonge mensen afsloten - dat ik er gaandeweg moedeloos van werd. Wat zij zegden, was ambivalent en desoriënterend: de staat moet van alles doen, maar het kost de mensen teveel. Natuurlijk kan Maggie Tatcher dat zeggen of Ronald Reagan, maar Guy Verhofstadt heeft nooit nagelaten meerdere paarden tegelijk te bereiden als was hij met zijn Gideonsbende in staat een Hongaarse Post te rijden. Een Hongaarse post is een kunstje dat veel oefening en vaardigheid vergt, waarbij een groep ruiters en enkele paarden zo geordend zijn dat die paarden in draf over een parcours rijden en die ruiters op de paarden en op elkaars schouders staand een piramide vormen en er doorgaans niet af donderen.

Het beeld is me bijgebleven omdat Verhofstadt precies dat deed: roepen dat de staat het probleem was en tegelijk een voluntaristisch beleid willen voeren. Inderdaad, ook inzake Europa is dat zijn grootste prestatie tot nog toe. Het kan ook maar omdat men in wezen niet over die kwesties met elkaar in debat gaat, maar elkaar als antagonisten bestrijdt, met het doel de andere opiniedragers politiek uit te schakelen. De sterke staat, de superstaat in de betekenis die de parlementsleden van N-VA eraan geven is op Europees niveau overigens ten enen male onmogelijk, omdat Europa als Unie maar zoveel soevereiniteit krijgt, zoals macht om onderscheidend te besluiten als de lidstaten toestaan. Ten aanzien van burgers zijn de belangrijkste beleidsinstrumenten zoals veiligheidsdiensten, politie en leger nog altijd zeer angstvallig het domein van de nationale soevereiniteit, tot frustratie soms van de politiediensten, die graag beter zouden samenwerken - lees: meesurfen op de inspanningen van derden.

De discussie over de superstaat dient men te voeren in termen van bestuurskunde: als men elke mogelijkheid tot deviant gedrag uitschakelen wil, elke poging tot kattenkwaad van jongeren als potentieel een gevaar voor de staat, als men niet gelooft dat buurtschappen, dorpen met een lokale politiedienst die mensen kent en spreekt met mensen, luistert, zal men minder schematisch de boel onder controle willen nemen. Natuurlijk willen u en ik veiligheid, maar het blijft vreemd dat onze journalisten een bestuurskundige als Paul Frissen, die ervoor waarschuwde in het essay "De Fatale Staat" dat men voor elk probleem en elke dreiging maatregelen zou uitwerken die controle vergen en bestraffing voortbrengen die vanwege burgers als onredelijk worden beschouwd, daar geen aandacht voor vragen. Meer nog, ze lijken de eerste te zijn die voor elk schietincident een nieuwe, nog strengere wapenwet te vragen. Schadelijk en zelfs schandelijk.

Voor een minister van Binnenlandse zaken, voor elk parlementslid zou dus een reflectie vooraf moeten zijn of zo een nieuwe maatregel wel nuttig is, ook al lijken wij burgers, volgens het commentariaat dan toch, de politici hijgerig in de nek te zitten om het probleem in godsnaam op te krikken. De krant De Standaard refereert eenmaal, in een gastschrijven van Luc Huyse naar de auteur, niets over "De Fatale Staat", niets over "De laatste staat".

In een nieuw essay,  "De laatste staat" dat vorig jaar verscheen en waarover ik eerlang een recensie plan, heeft Paul Frissen het over onze obsessie met transparantie en houdt hij desondanks een pleidooi voor het recht op geheimen, waarbij de staat die geheimen van burgers niet mag willen kennen; de burgers hoeven ook niet alles te weten wat de staat in naam van de collectieve veiligheid onderneemt. Wel dient men er wel over te waken dat wetgeving overzichtelijk, transparant en voorspelbaar is, opdat mensen hun leven in een veilig gevoel van rechtszekerheid kunnen leven en waar nodig plannen.

De Superstaat Europa is een chimaera, de superstaat evenwel is technologisch meer dan ooit mogelijk en voor sommige, ook liberale politici een wensdroom, waar ze andere inzichten bij over het hoofd zien. Wetten verdragen altijd interpretatie, want als het sluitende wetgeving is, heeft men geen justitie en geen advocaten meer nodig. In deze zin volhard ik in mijn inzicht dat ik meekreeg van Bernard Mandeville: De wereld gaat aan deugd ten onder. De superstaat, beste heren Loones, Vanlauwe en Luyckx, wenst u niet op Europees niveau, maar u ziet niet, zoals ook Frank Furedi en zelfs Theodore Dalrymple meegeven, dat we uit angst voor het ongewisse en uit onzekerheid wat mensen op het terrein, van hulp- en zorgverstrekkers tot politiediensten en magistraten zullen beslissen, net wel sluitende wetgeving, sluitend beleid wensen. Niet de staat moet absolute zekerheid koesteren als ideaal, absolute zekerheid voor zichzelf en de instituties, wel moeten de burgers op de Staat, de overheid, de instituties aankunnen, willen zij in gemoede en zonder nodeloos verontrust te worden hun leven kunnen leiden, wat dat verder ook mag betekenen. En ja, burgers vergeten best ook niet dat als zij wat toleranter zijn anderen dat ook zullen opbrengen.

Edoch, helaas, de gevaren van een oprukkende Islam, die zogenaamd met een vijfde colonne onze waarden, beschaving aanvalt, dat moeten we niet willen. Ik wil dat allerminst, maar ik weiger elke moslim te zien als een  doodgraver van onze waarden, normen, inzichten. Ik denk dat politici hun rol ernstig dienen te evalueren. De lectuur van werken van Arendt, Gescinska, Kolakowski, Paul Frissen, Richard Sennett of Jacques A.A. Van Doorn, om Mary Beard niet te vergeten, hebben me ertoe gebracht dat probleem van de Superstaat te leggen waar die ligt, bij het streven van overheden in Europa om de beheersingscultuur tot in het oneindige door te voeren, waarbij onder meer verzekeraars het nodige toevoegen zodat een brave huisvader met zijn zoon van 12 niet eens meer durft te racen op de fiets, wat zeg ik, zoonlief per se met de auto naar school en de fietsclub brengen wil, om elk ongeval te vermijden. Hoe de superstaat in ons systeem is ingeslopen, vergt dus verdere reflectie en kritiek.

Bart Haers


woensdag 24 augustus 2016

Nadenken over geschiedenis*




Kritiek



De intellectuelen dezer dagen en
de kwaliteit van het debat:
Mary Beard en de Romeinse zieleroerselen



Mary Beard schreef over Arcadië en opende mij opnieuw de ogen over de wijze waarop wij in het verleden spiegels zoeken voor onze wereld. In "SPQR" zien we iets analoogs, maar doorheen de uitwerking blijkt hoe cruciaal dat fenomeen is: de Romeinen zelf zochten al spiegels in het verleden om de eigen identiteit en het eigen handelen te onderzoeken en verantwoorden. Vandaag zijn er vele debatten die we voeren zonder handige spiegels, tenzij ruw geslepen stukjes blik, waarmee we een verleden van eigen makelij tot standaard verheffen. Academische historici komen, vooral in Vlaanderen, nog nauwelijks aan bod en in het onderwijs wil men een soort geschiedenis waartegen de generatie van mijn ouders en de leraren die ons begeleiden zich verre van hielden.

Zelf heb ik over de maatschappelijke rol van de angst geschreven, onder de titel "Timor Dei, timor Principis" waarbij de genitief slechts oppervlakkig weergeeft of de princeps net als god boven de angst der mensen verheven is. Meer nog, in welke mate zorgt onder meer angst ervoor dat de samenleving niet voortdurend in beweging lijkt, maar vele instituties evolueren veel trager en soms ergert het ons dat men niet op tijd een en ander op de schop neemt en grondig hervormt. Mensen zijn evenwel gewoontedieren en elke verandering schept ook onzekerheid en een gevoel van onmacht. Soms maken partijen in de politiek en belendende percelen daar goed gebruik van, of misbruik.

Daarom heeft Mary Beard enkele interessante inzichten in de aanbieding, vooral voor wie het over identiteit hebben wil. Rome stelt zij, vond dat het burgerschap niet exclusief aan de inwoners van de stad kon toebehoren en beleidsmakers hebben vanaf het moment dat de directe en overzichtelijke omgeving van Rome overschreden werd, dus in de derde en tweede voor christus, de vijfde en zesde van het bestaan van de stad (stichtingsdatum 21 april 753 voor Christus) zocht naar vormen van vertrouwenwekkende maatregelen en het burgerschap van de stad kon mensen binden. Tot en met de Bondgenotenoorlog tijdens de late zesde eeuw, 92 -88 v.C. kon Rome zelf bedisselen met afzonderlijke steden en landschappen hoe men de relatie tot Rome zou definiëren, maar de vraag "hier ons bloed, wanneer ons recht" drong zich op toen de bondgenoten in steeds meer oorlogen hadden te dienen maar niet altijd een eerlijke vergoeding voor kregen. Onder Marius en Sulla begonnen legerleiders, officieel voormalige consuls hun veteranen die de dienst hadden volbracht en overleefd gronden aan te bieden om de overbevolking en werkloosheid in Rome tegen te gaan.

De groeikrampen van de staat Rome, die verre de grenzen van stad en ommeland overschreden, krijgt men doorgaans niet te zien als zodanig, maar precies de dramatische beslissingen van Marius en Sulla tot en met Augustus, waren er de uiting van. Uiteraard was het allemaal vroeger begonnen, met de exogene groei van de stad, die de samenstelling en ruimtelijke ordening geleidelijk lijken, maar bij momenten toch dramatisch snel moet hebben aangevoeld. De bouw die toegeschreven werd aan de laatste koningen, de Etruskische koningen, maar op grond van onderzoek door anderen komt Mary Beard tot de conclusie dat die hele geschiedenis van het koninkrijk moeilijk te staven valt, maar wat Livius beschrijft wel in archeologica gestaafd kan worden, dat wil zeggen, niet concrete mythische gebeurtenissen, maar er was een muur gebouwd rond de stad en andere gebeurtenissen, zoals de inval van de Galliërs hadden plaats gevonden. Of men kan een altaar vinden waar wellicht de 12 tafelen zich hebben bevonden waarop de wetten, volgens de legende in 451 door de Decemviri legibus scribundis opgesteld op vraag van de volksvergadering om hun rechten en vrijheden te verzekeren, onder meer het ius talionis, het recht op weerwraak. Afgezien van het feit dat de Romeinen, naarmate de nederzetting een stad werd en de openbare orde gezien werd als een belangrijke opdracht, inderdaad moeten nagedacht hebben of men het recht op weerwraak niet zou inperken, kan men ook de bedenking maken dat samenleven, zoals ook Mary Beard suggereert via allerlei conflicten tot stand komt. Mary Beard waarschuwt er wel voor zich van het leger in het oude Rome teveel voor te stellen want voor de grote oorlogen tegen Carthago en andere, slaan die voorstellingen nergens op. Pas met de opbouw van grotere legers in de vijfde en zesde eeuw van het bestaan van de stad, dus ongeveer vanaf 250 voor christus af, kon met een systeem van  legioenen experimenten en dan nog diende men toch over voldoende mensen te beschikken om die te bevolken, zonder de economie van de stad in het gedrang brengen en dus het overleven van de stad zelf.

Beards benadering van de Romeinse geschiedenis heeft ze ontdaan van de bijna sacrosancte postklassieke overlevering, maar ze probeert het leven zelf te vatten. De helden worden in dit boek niet groter of grootser voorgesteld dan ze werkelijk konden zijn, maar ook laat ze op een onderkoelde wijze zien dat Rome met veel pragmatisme de situatie rond 27 voor Christus, toen Augustus kon zeggen dat de vrede in het rijk hersteld was een legitimatie gaf, waaraan al voordien staatslui als Cicero het hunne toe bijgedragen hadden, als bevredigend zagen. Door de bronnen, zoals de ongeveer 900 brieven van en enige aan Cicero, die door zijn vriend Atticus en zijn secretaris Tiro, een op zeker moment vrijgelaten slaaf, kan men zich en op grond van kritisch onderzoek van de secundaire bronnen niet te veel op de interpretatie te laten wegen, kan  ze een  visie over de opbouw van de staat ontwikkelen, waarbij ze ook het belang van het zelfbeeld onder de aandacht brengt. Romeins superioriteitsbewustzijn en identiteitsontwikkeling blijken cruciaal, maar waren voor historici vaak zo evident dat men er geen of weinig aandacht dacht te moeten besteden.

Dit is fundamenteel voor een goed begrip van de geschiedenis van Rome, omdat we als historici met die goed gedocumenteerde en veelvuldig in latere tijden becommentarieerde geschiedenis bij de hand vragen kunnen stellen over de wijze waarop men oplossingen vond en soms ook naliet te formuleren. De opbouw van de staat blijf wat mij betreft altijd hybride maar daarom niet minder belangwekkend, want hoe gemeenschappen met een exponentieel toenemende entropie problemen van samenhang, conflictbeheersing dus en justitie naast administratie te organiseren het vertrouwen blijkt te wekken, blijft ook vandaag van belang. Rome beschikte wel over een rechtssysteem maar er blijken geen sporen van politiediensten of een vorm van door de staat georganiseerde ordehandhaving noch werd duidelijk of het geweld als een monopolie in handen van de overheden lag. Het gebruik van bendes door Sulla om zijn conscriptielijsten uitvoering te geven, zoals ook Antonius - en dus ook Octavianus - dat deed zonder dat er politie was die machtsmisbruik van maffiabendes kon tegengaan, wringt wel.

Goed, Rome bestond niet uit engelen en werd geleid door mensen met hun gebruikelijke hebbelijkheden. De macht lag vooral na de val van de Republiek bij de Primus inter Pares die de senaat hanteerde als een curia regis - een hof van raadgevers ten behoeve van de koning - waarbij Augustus zich bediende van de term civilitas om die samenwerking te benoemen en vorm te geven. Rome was ook verre van de ideale of utopische staat, zoals men wel eens voorhouden of voorwenden wil, zoals Britse historici lange tijd gedaan hebben, onder meer om het eigen koloniale beleid als vredelievender, beschaafder en humanistischer voor te stellen dan het was.  Plinius de Jongere, zo lezen we, liet in zijn briefwisseling vanuit zijn provincie aan de Zwarte zee via overgeleverde brieven zien hoe die ambtelijke verhoudingen functioneerden, waarbij we wel eens de indruk krijgen dat de briefschrijver wel erg op de details gericht was en dat een keizer toch onmogelijk zo een briefwisseling met alle gouverneurs of uitbaters van keizerlijke bedrijven - landbouw en ook wel mijnbouw als ik het wel heb - kon gevoerd hebben. De keizer beschikte dus ongetwijfeld over een staf van briefschrijvers, zoals ook Tom Holland laat zien, die handelen namens de keizer en wellicht zal wel eens een apostille de briefwisseling gesierd hebben, maar doorgaans zal de verantwoordelijke op eigen houtje een antwoord geschreven hebben met oudere voorbeelden in het achterhoofd, wat dus ook een archief veronderstellen mag, maar Beard laat zien dat we ons daar bij ontstentenis van sluitende bronnen niets van mogen voorstellen.

Ook kan men vaststellen, onder meer in de visies die we van Marcus Tullius Cicero kennen, hoe diep de kloof wel niet was tussen het ideaal en de gerealiseerde vormen waarin staat en samenleving functioneren, wat men als hypocrisie kan bestempelen. De conservatieven en homines novi als Cicero maakten aardig gebruik van het zelfbeeld dat ze vaak voor eigen gebruik - in pleidooien - ontwikkelden. Zo spreken de conservatieven als Cato en een leden uit de clan van de Scipiones, om Brutus niet te vergeten over vermeende deugden, maar waar Cicero en later ook Livius, Vergilius, Augustus dus, de idee van de afkomst uit den vreemde en het concept van een melting pot presenteerden, die deugden ook omhelzen, terwijl de deugdenleer naar het voorbeeld van Cato weinig meer waren dan een verhaal over de moedige, strijdlustige ambtsdrager, met dat grote verschil Cicero meende dat Romein kan zijn die zich als Romein voorstelt, die veteraan is in het leger en burgerrecht krijgt, terwijl Cato en co net vooropstelden dat afstammen van de historische stichters een grote interne samenhang en continuïteit cruciaal was. Exlcusiviteit versus continuïteit, een beetje naar het voorbeeld van de geschiedenis van het UK sinds vooral 1948?

De hypocrisie waarover Beard het ook heeft nu, vormt voor mij het moeilijkste punt, omdat dit zou betekenen, als men stoemelings zou doordenken, dat de staat inderdaad technocratisch zou mogen functioneren en niet ook een waardenstelsel delen met de samenleving. Met andere woorden moeten we wel eens aanvaarden dat de vooropgestelde inzichten niet gehaald worden, kwestie van wetten en praktische bezwaren, maar ook en evenzeer dat omstandigheden er soms zeer ongunstig door zouden evolueren. Tegelijk kan men de benadering van Mary Beard wel aandacht geven in de mate dat ze duidelijk maakt dat een overheid, bemand door mensen die in het heetst van de strijd staan, soms om persoonlijk te overleven, soms om het geheel van ondergang te redden, hardvochtigheid aan de dag moeten leggen. Kunnen de geschriften van Cicero of Marcus Aurelius wel inspireren, de Romeinse samenleving als zodanig zal vaak ook wel waarschuwen voor wat er mis kan gaan, als men te gemakkelijk blind blijft voor eigen blinde vlekken.

Het imperium Romanum diende vaak als na te volgen voorbeeld en Mary Beard vraagt zich af of dat wel zinvol is. In deze tijden van vergaande globalisering, waar technologie, maar ook facetten van 'hogere" beschaving mensen bereiken die er vroeger nooit iets van gehoord hadden, past het aandacht te besteden aan wat men de bereidwillige romanisering mag noemen, waarbij in het Westen een dubbele standaard gold: Latijn leren was aangewezen voor wie uit Lugdunum (Batavorum) of gewoon de stad aan de samenvloeiing van Saöne en Rône, Leiden (?) dan wel Lyon dus iets wilde bereiken. Maar de opperste fase van culturele participatie was weg gelegd voor wie ook Grieks leerde, ook al was het op dat eiland in de Oceaan, Brittannia. Mary Beard besteedt veel aandacht aan de romanisering van het UK en voor Galliërs ofte Germanen - wij Vlamingen kunnen ons in beide richtingen voorzaten verzinnen - kan dat wat eenzijdig lijken, want had de ontwikkeling van onze contreien ook niet wat aandacht verdient? Echter, zij geeft terecht aan hoe de overdracht tussen culturen precies in wat nu het UK is, de ruimte dus maar ook het gebruik ervan, exemplarisch mag heten voor wat ook elders aan de gang was.

Omdat het keizerrijk om redenen van efficiëntie en pragmatisme decentraal bestuurd werd, omdat het rijk zo een lange periode van interne vrede kende, omdat ook de handel doorheen het rijk maar wellicht ook met gebieden in Azië voorbij de Indus mogelijk was - de zijderoutes - ontstond niet enkel dat kolossale imperium, maar bleek men ook in staat  een naar verhouding kwalitatief hoogstaand leven te leiden. Het verschil tussen de miljardairs en de middenklasse was behoorlijk, maar zij laat zien dat de ongewisheid van het individuele leven, wellicht wel een gedeelde samenleving, c.q. cultuur heeft voortgebracht. Oorlogen werden gevoerd aan verre kusten en rivieren, de keizer was op doorreis door het rijk en niemand toch die kon zeggen hem gezien te hebben als men ver van Rome leefde. Het gezag en de opperste leiding waren ver weg, belastingen werden geind, infrastructuurwerken functioneerden op kosten vaak van rijke ingezetenen, die naar het voorbeeld van de keizers aquaducten bouwden en onderhielden. Vele grafschriften en andere epigrafische bronnen tonen ons dat het leven voor wie de eerste klippen omzeilde, kraam- en kinderziekten en andere mogelijke verwondingen,  het leven goed te leven moet geweest zijn en de levensverwachting behoorlijk. Leest men de epiloog goed, denk ik, dan moet men met Mary Beard abstractie maken van de paleisintriges om vast te stellen dat "les peuples sans histoire sont de peuples heureux".

Net als in onze tijd van grote stabiliteit blijken net daaruit veranderingen in de samenleving voort te komen die op termijn wel tot spanningen zullen leiden, de politici die zich vaak opgejaagd voelen oplossingen te bedenken voor problemen die zich nog zullen stellen, maar de relevantie van het bestel berust in wat rustig voortkabbelend functioneert. Intellectuelen menen dat zij de samenleving moeten veranderen, maar beschikken net niet over de soevereiniteit daartoe. En de keizer, die vaak hard moest werken in zijn kantoren, was wel verplicht te over- en voorzien dat stabiliteit van bestuur voor conflicten zou zorgen. Pas rond 192 n.C. en zeker na de dood van Caracalla bleek men geen oplossing meer te vinden voor het wegvallen van het gesprek tussen senaat en keizer, de civilitas.

Justitie werkt niet, hoor ik al sinds 1983, maar om een of andere reden vinden mensen toch wel voor burgerlijke zaken en andere wel oplossingen. Hoewel volgens Hans Achterhuis het geweld in onze samenleving sterk is afgenomen, blijven criminele zaken, roof, doodslag, relationele en familiedrama's onze volle aandacht krijgen. Voor de slachtoffers is dat dan wel heel wat, maar slachtofferondersteuning en allerlei andere instanties doen wat mogelijk is en finaal zijn wij het die ons evenwicht moeten terug vinden. Justitie werkt, soms tergend traag, maar met dank aan advocaten die graag met termijnen en conclusies hun cliënt dienen door te traineren.

Rome en de geschiedenis, meent Beard terecht kan niet meer met recht een spiegel bieden, laat staan een excuus, maar zij geeft ook aan dat we de dialoog kunnen aangaan over existentiële kwesties, zoals de organisatie van gedeelde soevereiniteit - niet de overdracht dus die Thierry Boudry en anderen zien - of over subsidiariteit. De oplossingen liggen niet bij Augustus of Marcus Aurelius, maar de dialoog aangaande, kan men zichzelf wel een discipline bijbrengen in het denken, waarbij de idealisering van het zelfbeeld aansluit bij wat pragmatisch en humaan wenselijk is, zonder dat dit de legitimiteit van bestuur en overheid onderuit haalt. Het waren misschien helden, niet de keizers, maar die Romeinen en mogelijk liepen er rare jongens rond, maar het verkennen van deze wereld die lang verdwenen is kan ons helpen met paradigmaverschuivingen zinvol om te gaan. Dat we zo een nieuwe visie krijgen op Rome, stad en rijk, hoewel velen die echt met die geschiedenis vertrouwd zijn al een aantal van die inzichten konden bevroeden, kan men aan de uitnodiging tot gesprek met de oudheid en mevrouw Mary Beard niet voorbijgaan, zonder zelf veel te missen, te verliezen. Intellectuelen dezer dagen menen dat men zich niet op de menselijke ervaring hoeft te beroepen en dus heeft het geen zin, geen nut de studie van het oude Rome aan te vatten. Toch is dat wel een amputeren van onze zin voor begrip van het menselijke handelen want het eeuwig menselijke laat zich gelden, in voor ons niet altijd helemaal overzichtelijke bronnen.

Laat net dat nu dezer dagen zo moeilijk uitpakken, een boek lezen, de lectuur savoureren en achteraf enkele aantekeningen, kanttekeningen bijhouden. Neen, een boek is of goed of slecht, want of het vernieuwende inzichten zou brengen is zelfs geen zaak meer de aandacht waard. Meer dan dertig jaar geleden, blijkt het lezen van een synthese vooral een daad van moed en voor de lezer ook wel een oefening in het verkennen van iets dat vreemd vertrouwd is. Het panorama dat mevrouw Beard de ingevoerde en minder ingevoerde lezer aanbiedt, lijkt voor intellectuelen geen punt, wel dat ze geen oordeel lijkt te willen vellen over de slavernij of de excentrieke extravaganties van Nero of Caligula, wel over hoe Rome een wereldrijk draaiende kon houden, met enige hypocrisie als prijs voor de leefbaarheid. In een tijd waarin we zeggen verhalen te willen horen, kan deze geschiedenis van het Romeinse rijk zelfs iets vertellen over de Brexit. Maar vooral, wat men ook bewere, het lezen gaf bij momenten aanleiding tot iets wat Huizinga een historische sensatie noemde en dat Ankersmitt uitwerkte tot een benadering van geschiedenis als meer dan dode materie, een toegang tot wat mensen zijn en ook wel eens kunnen zijn, als individu en als samenleving. Edoch, Mary Beard schrijft geen marxistische geschiedenis noch bezondigt ze zich een liberaal-humanistische projecties.



Bart Haers



¨Omdat ik bij nader toezien vond dat ik het stuk wat overhaast had gepost, heb ik het verwijderd en hoop bij deze een betere versie met minder storende fouten te brengen. Excuses maar ik hoop dat u begrip kan opbrengen voor de beslissing. 

zondag 21 augustus 2016

SPQR, een geschiedenis en reflectie




Recensie



Rome en het Imperium
een bijzondere geschiedenis? Et alors


Mary Beard. S.P.Q.R, Een geschiedenis van het Romeinse Rijk. vertaling: Ineke Mertens. Uitgeverij Atheneum  Pollack & Van Gennep 2015. 545 pp (noten en index). 29,99 €

Mary Beard ontmoette ik vroeger al, dat wil zeggen, via artikelen die men mij toestuurde of die ik zelf vond, bezig als ik was geweest met "Oefeningen betreffende problemen en ... de Klassieke oudheid", bij dr. Robert Duthoit, waar we twee belangwekkende fenomenen bestuderen mochten, de vrijlating van slaven en de ontwikkeling van de polis/municipium in de Romeinse politieke, sociale en economische structuren. Rome werd zo meer dan een reeks namen van schrijvers en Keizers, maar tegelijk leek het altijd nuttig om nog eens een synthese te lezen. Nu had ik nog niet zo lang geleden Tom Holland met genoegen gelezen en ik dacht dat teveel van het goede de appetijt zou smoren, terwijl eenmaal ik het boek van Mary Beard had aangesneden,  het genoegen op me af kwam een boeiende synthese te ontdekken en ermee aan de slag te gaan.

Abusievelijk meent men wel eens dat een synthese voor de historicus niet meer goed mogelijk is, voor de lezer weinig zou bijbrengen, maar de synthese is voor de historicus het moment waarop men een eigen visie kan ontwikkelen, voor de lezer een kans om nieuwe kennis overzichtelijk tot zich te nemen. Oh ja, zou men over Rome nog nieuwe inzichten kunnen brengen, sinds Gibon, Thomssen, die ook een uitmuntende geschiedenis van Rome schreef, een eeuw geleden ongeveer? Er is, zoals Mary Beard zelf opmerkt al eindeloos veel geschreven, op academisch niveau, maar ook meer vulgariserend en toch acht zij het wenselijk, nodig er haar verhaal aan toe te voegen. Misschien acht ze zich op een of andere manier verplicht aan haar ambt dit project op te zetten en af te ronden.

Wie de geschiedenis van Rome een beetje in de vingers heeft of goed in de vingers zal over de algemene chronologie zo te zien weinig opsteken, maar in haar behandeling van de oude Romeinse geschiedenis, ontwikkeld Mary Beard een perspectief dat er toe doet: zij vangt haar synthese aan met een analyse van het zelfbeeld van de Romeinen dat gegoede Romeinen er op het moment van enorme expansie van het rijk, de eeuw van het verval en burgeroorlogen in de Republiek op na hielden en waar onder meer Cicero, Livius, Vergilius stof voor hebben geleverd, de eerste in zijn redevoeringen, brieven en geschriften, de anderen in hun door Augustus aangemoedigde werk - waarbij zij al eens zijn denkbeelden lijken te doorkruisen. De historica laat zien dat wat wij weten over de eerste eeuwen van de Romeinse geschiedenis door de Romeinen zelf is vorm gegeven toen zij er zich bewust van werden dat het verhaal van dit overmatig uitgegroeide stadstaatje tot bijna de grenzen van de bekende wereld niet zomaar uit het niets of zonder bijzondere redenen op gang kon zijn gekomen.

Gebeurtenissen, zegt de auteur, bepalen mee het verhaal dat men wil vertellen, wat ze aantoont aan de hand van de interventies van Cicero in de Romeinse politiek, in redevoeringen tegen Verres en vooral de voor gymnasiasten en collegejongens overbekende Catilinarische redevoeringen zonder uiteraard al die bekende episodes, tragedies en andere peripetieën uit het oog te verliezen. Marius, Sulla, Pompeius de Grote, Caesar, de Scipiones, de Claudii... zij komen aan bod, waarbij epigrammen, op stèles en bronzen platen neergelegde verslagen van loopbanen, levens, successen en nederlagen, want die zijn er ook. De oorlog tegen Carthago, na de vernietiging in 146 v.C. nadien onder het keizerrijk weer opgebouwd en opnieuw een van de welvarendste steden van het rijk, net als Corinthië, bijna op hetzelfde moment en ook om redenen van concurrentie wellicht, met de grond gelijk gemaakt, laat zien dat beslissingen altijd ongedaan kunnen worden gemaakt. Maar ook de stad aan de Isthmus wordt herbouwd, wellicht omdat het niet mogelijk bleek de ligging van de stad te negeren en dat er zich altijd weer mensen zullen vestigen.

De eerste eeuw voor Christus - dus duidelijk vanuit een perspectief ex post bekeken -, de eeuw van de burgeroorlogen vormt de scharnierperiode tussen twee delen in de Romeinse geschiedenis, maar beide periodes hangen samen omdat het verhaal van het keizerrijk nog altijd verbonden lijkt met dat van de republiek. Mary Beard betoogt dat met Caracalla, die alle inwoners van het rijk burgerrecht verleende en hen dus ook laat delen in de lasten, in de voorrechten, die dan gewoon rechten worden, het einde van de eerste 1000 jaar onmiskenbaar wordt, omdat vervolgens, na bijzonder turbulente tijden voor Rome tegen 315 met Constantijn een nieuwe era aanbreekt, een nieuw regime. Het oude Rome verdwijnt dus volgens haar niet in invasies van barbaren, maar in een crisis van legitimiteit en van het imperiale systeem. Want die volkeren die leefden aan de rand van het rijk, werden vaak ook geromaniseerd, terwijl er binnen het rijk ondanks de grote afstanden ook een gemeenschappelijke cultuur moet hebben bestaan die rijk en arm deelden, zoals graffiti laten zien.

Alles wel beschouwd zou men kunnen stellen dat Beard haar verhaal beperkt tot ruwweg de periode van Scipio Africanus tot en met de vestiging van een stabiel bestuur, dat van de Caesars, tot en met Caracalla. Maar zij kiest deze termini vooral omdat in die periode Rome bestuurd werd door het Volk en vooral door de Senaat waaraan vanaf Augustus een andere vorm wordt gegeven, met als kern toch nog de civilitas, waarin de gedachte uitgedrukt wordt dat men zich behoort in te zetten voor de res publica. Nu goed, Beard is de eerste om aan te geven dat dit een idealistische term mag heten, terwijl het volgens haar wel werkte, omdat daarmee een min of meer werkbaar criterium om het handelen van (top-)politici af te wegen en aan te geven waarom deze of gene deugde. De kwestie van de vorming van de republiek is dan ook cruciaal in deze geschiedenis van Rome, waarbij mythen en verhalen uit latere tijden geconfronteerd worden aan wat we kunnen weten over het oude Rome en wat de geschiedschrijvers van toen zelf hadden gevonden. Want wellicht is dat een curieus gegeven, namelijk dat de Romeinen op zeker ogenblik een aanvang gemaakt hebben met het ontwikkelen van een eigen identiteit en het schrijven van de eigen geschiedenis ernstig hebben genomen, waarbij ze geleidelijk ook aandacht kregen voor de gebeurtenissen van de eigen tijd, om zo een houvast te krijgen, waarmee men zichzelf en jongemannen kon vormen in de concepten die Rome maakten tot wat het was. Veel van die bronnen werden later overigens, door toedoen van Augustinus - in zijn "De civitate Dei" opgenomen en vormen voor veel van die inzichten de enige bron.

In die zin krijgen vele conflicten binnen Rome, tussen zoiets als partijen maar vooral tussen ideeën versus pragmatische omgang met de macht een andere betekenis. Of Beard iets bijbrengt voor wie al thuis is in de geschiedenis van het oude Rome, zal net hier blijken, want zelf heb ik mij tijdens mijn opleiding geschiedenis altijd verwonderd over het feit dat de cursus geschiedenis van Griekenland en Rome wel als eenheid werd gezien maar finaal niet als eenheid werd gepresenteerd. Men kan zeggen dat Athene in haar ontwikkeling tot het einde van de Peloponesische oorlogen en toen de Griekse wereld nog enige voorsprong zou gehad hebben op Rome, maar na de beruchte verovering door de Galliërs in 300 BC, volgens onze geschiedenisboeken in het middelbaar onderwijs wordt het zeker de moeite die twee verhalen dichter naast elkaar te leggen, niet om boeren met verfijnde intellectuelen te vergelijken, wel om vast te stellen dat ze toen eenzelfde wereld deelden. In de verovering van Italië, waarvan we vandaag de omvang van de operatie niet over het hoofd mogen zien, ook de tijdsduur en het tijdsverloop, ontwikkelde Rome namelijk net eigen concepten over hoe om te gaan met de vijand, het bekende en ook wel beruchte systeem van de foederati. Bovenal ontmoette de Romeinse veroveraar er vooral geen woestijn, maar oude stadstaten die er sinds de achtste eeuw door de Grieken waren gevestigd. De culturele overdracht, de intellectuele in het bijzonder begon dus al redelijk snel in de Romeinse expansie. Nabuurschap betekent niet alleen oorlog, maar impliceert vaak ook overname van concepten, gebruiken, gebruiksvoorwerpen en afhankelijk van de machtsstrijd die dan eventueel losbreekt, ziet men dat de buren al zeer vertrouwd waren met elkaar.

In de eerste eeuw voor Christus, de laatste van de Republiek, ontwikkelen mensen als Cicero een uitdrukkelijk referentiekader om Rome een plaats te geven in de wereld en worden historische aanspraken aangescherpt. Zo zal men met Aeneas, Alba Longa, de Etruskische koningen en de Sabijnse maagden moeten afrekenen, maar ook met de gedachte dat Rome wel eens gesticht zou kunnen zijn door mensen die vreemd waren aan de locatie waar de stad en staat zich ontwikkelde. Aeneas kwam uit Troje, vertelt de legende, hij passeerde bij Dido en dat zou in het verhaal van Livius fungeren als een merkteken voor hoe het kan aflopen als een Romein, Aeneas dus, of Antonius - hoe zit het met Caesar - zich verlustigt in de liefde of de illusie ervan van een buitenlandse prinses, heerseres, als Cleopatra, de laatste van de Ptolemaei, een van de dynastieën van dyadochen die na verovering van Egypte en Perzië door Alexander de Grote en na diens voortijdige dood ook als faraonisch werd erkend. Dido en Cleopatra, waarbij Dido Aeneas niet kan laten, doen blijven want die moet verder zijn noodlot tegemoet ofte zijn zending te volbrengen een nieuwe plaats waar zijn Lares et Penates een veilig altaar kunnen krijgen.

Livius schrijft zijn geschiedenis van Rome op een ogenblik dat het rijk gestabiliseerd lijkt en Rome, volk en senaat over een wereldrijk heersen, bijna zoals Alexander de Grote. Het verschil? Alexander was een vorstenzoon, die met zijn leger een onverwachte veroveringstocht maakte die hoe dan ook eindigde in een onafgewerkt project. De Romeinen gingen niet a priori op veroveringstocht, maar men beschreef de oorlogen in de omgeving van Rome en al eens een verdedigingsconflict maar het waren naar de woorden van Augustinus eerder bendes, die occasioneel of als een vorm van seizoensarbeid in de omgeving aan de slag gingen. Toch deed Livius met anderen heel wat moeite om dan al te spreken van geoefende troepen, georganiseerd in legioenen en cohortes, ondersteund door hulptroepen van de bondgenoten. De roof van de Sabijnse Maagden, voor de collegejongen die ik was wel een bijzonder verhaal waarvan ons niet werd uitgelegd waarom en waartoe dit gebeurde, al merkten we wel dat hier iets bijzonders aan de gang was - wat was dat, een maagd? Pas toen ik de antropologische kant kon overzien en bemerkte dat dorpen die al te geisoleerd liggen in de bergen of moerasgebied, wel eens uitsterven bij gebrek aan vers bloed van buiten, werd duidelijk dat die "roof" een illustratie was van het gegeven dat Rome nu net niet als een sedentair volk de wereld heeft veroverd, maar als een samenraapsel van mensen die er terecht zijn bekomen. In 753 voor Christus, 23 jaar na de eerste Olympiade zou Rome gesticht zijn... terwijl het pas aan de begrenzingen van de locatie aan de Tiber kon ontgroeien toen het met de gebied van twintig tot veertig km in straal een vorm van eenheid was gaan vormen. Beard laat zien hoe tot de vierde eeuw Rome echt niet meer dan een locaal centrum kan geweest zijn, waar geleidelijk een niet meer van de landbouw levende groep mensen samentroepten. Wanneer het een stad werd, hoe het een stad werd, bleef in de nevelen der tijden en vergetelheid besloten, maar dat blijkt voor Beard noch voor mij het probleem.

Daarom is de omgang met de bronnen en de keuze van bronnen wellicht het cruciale belang van deze synthese. Naast wat de klassieke filologie ons met veel studie als de oorspronkelijke teksten of die het dichtste benaderend werden overgeleverd, zoals de uitgaven van Livius, Cicero, Caesar, Sallustius en Suetonius, Tacitus e.a. gaat zij dieper in op de vele getuigenissen die we kennen via graf- en andere momenten die historici en archeologen hebben gevonden en samengebracht in grote verzamelingen van inscripties, waarvan het Corpus Inscriptiones Latinarum de belangrijkste is. De rechtsgeleerde en historicus Theodor Mommsen heeft hier zijn schouders onder gezet en nog is men bezig met nieuwe uitgaven omdat de vondsten niet ophouden en nieuwe technieken oude vondsten beter leesbaar maken. Mary Beard besteedt enorm veel aandacht aan deze bronnen, omdat zij voor de oudste tijden archeologische en dus ook in steen aangebrachte data opleveren over hoe dat Rome van de Tarquinii en de eerste eeuwen van de Republiek er nu wel uit moet hebben gezien, hoe de samenleving functioneerde, maar ook kan zij zo haar betoog staven dat men van een planmatige verovering van de wereld zoals de Romeinen die kenden, geen sprake was. Overigens vormen bewaarde muurschilderingen evenals graffiti, die men onder meer in Pompeii heeft gevonden deel uit van het epigrafische bronnenmateriaal.  

We krijgen in dit boek dan ook een interessante poging niet enkel de grote geschiedenis verteld te krijgen maar waar mogelijk hoe het volk leefde in die tijden, in dat steeds maar uitdijende Rome. Hoe SPQR een eenheid lijkt uit te drukken, keek de elite van senatoren niet bepaald vriendelijk naar het volk, niet ten tijde van de Gracchen, maar zeker ook onder het keizerrijk, hoewel men relatief dicht bij elkaar leefde en de elite al eens durfde te lonken naar de exotiek van de drankgelegenheden van het gewone volk, de bruine kroeg als een soort statussymbool. De problematiek van de bevoorrading van Rome werd in de late Republiek een hoofdpijndossier, waar men met onder broodbedelingen zou verholpen hebben, maar dat beeld vertelt niet alles, in wezen zelfs helemaal niets volgens deze synthese. Woonden de middenklassen op de benedenverdiepingen van de insulae, niet altijd even veilig gebouwde appartementsblokken, omwille van de bereikbaarheid, veiligheid en mogelijkheden tot het drijven van handel, dan woonden de armsten boven, waar nauwelijks meer dan wat dakpannen hen tegen regen en koude diende te beschermen. Nu wonen vooral welstellenden in chique penthouses hoog in wolkenkrabbers in steden als New York, ver boven het straatgedruis en zelfs boven de vervuilde lagere luchtlagen in de stad.

 Politiek en institutioneel is deze geschiedenis uiteraard in eenklank met het meeste van wat we weten over Rome, maar tegelijk laat de auteur niet na aan te stippen hoe risicovol het is de schema's en mooie grafische voorstellingen als blijken van goed overdachte structuren te zien waarin het publieke leven zich gesmeerd zou hebben voltrokken. De burgeroorlogen van de eeuw van Marius, Sulla en Caesar laten zien dat niets minder waar is. Of beter, men was tot een cursus honorum, een getrapt en aan leeftijd gebonden reeks ambten gekomen die men opeenvolgend diende te bekleden met als top een permanent zitje in de senaat. Nu kon de senaat niet de wetten zelf stemmen, het was het volk, zij die burgerrecht hadden die op gestelde tijden en bij afroep bepaalde wetten dienden goed te keuren. De strijd van het volk en de elite van patriciërs duurde bijna de gehele republiek door en behelsde de vraag of en hoe dat volk dat niet toe kon treden tot kring van machtige families deel kon hebben aan de macht. Beard verrast ons niet helemaal door te stellen dat het volk om praktische redenen, zeker na de verlening van het burgerrecht aan de bondgenoten en onderworpen delen in de laars steeds minder greep had op het bestuur van de republiek. Bovendien zou men ook kunnen bedenken dat de term optimates, waarbij wat restte van het oorspronkelijke patriciaat versmolt met de rijk geworden burgers zonder adellijke stamboom en als equites te boek staan en soms zichzelf als optimates beschouwden en zo bekeken werden.   

Daartoe behoorden ook vaak vrijgelaten slaven, die op grond van eigen talent en met de steun van invloedrijke patroni, patroons, macht, prestige en geld konden veroveren. Die vrijgelatenen deden vooral bijzonder werk, hadden vaak zeer bijzondere kennis en vaardigheden en het feit dat Rome deze mensen niet eeuwig liet kreunen in de boeien van onvrijheid, maar een institutie ontwikkelde, de manumissio, geeft aan hoe pragmatisch men te werk ging; overigens kan men ook bedenken, aldus Mary Beard dat deze vorm van endogene groei de stabiliteit van het systeem bevorderde en tegelijk de sociale dynamiek ondersteunde.

Met dit alles hoop ik dat het boek en de gedachtegang die de auteur met het publiek te moeten delen, ter instructie en ook ter tijdkortinge, aandacht krijgen want inderdaad, wij kunnen uit de daden van Caesar of Augustus niet zo heel veel leren, noch zal een generaal van een tankeenheid niet direct veel kunnen leren uit het bewegen van cohortes en legioenen op het slagveld, maar wellicht kan het nadenken over andere oorlogen, in andere tijden ertoe bijdragen dat men gaat nadenken over de wenselijkheid van bijvoorbeeld een behoorlijke verdediging. De imperiale ontwikkeling van Rome, waarbij de toen bekende wereld tot aan de zwarte zee en voorbij andere officiële grenzen was niet planmatig verlopen;Augustus had voor zijn dood in een instructie laten weten dat hij veroveringsoorlogen in de toekomst niet wenselijk achtte omdat verdere uitbreiding het rijk zou ontwrichten en destabiliseren. Kon Augustus uit hoofde van de eigen visie op zijn ambt geen goede institutie inrichten die de opvolging op legitieme basis vloeiend liet verlopen, tussen 14 na christus en 217 na christus bracht uiteindelijk slechts 14 keizers aan het hoofd en al stierven ze niet allemaal op hun bed, zoals Augustus en dat op hoge leeftijd, doorgaans regeerden ze lang en konden ze een aantal hoofdlijnen wel realiseren, wat zorgde voor een grote stabiliteit, die zelf voor de burgers perspectieven bleek te bieden, zoals uit de reconstructie van handelsstromen en bewegingen van mensen doorheen het rijk is gebleken. Dat geleidelijk de band tussen de keizer en de senaat verbroken raakte, vormt voor Mary Beard de centrale ontwikkeling van het bestuur waardoor de senaat als ambtelijk apparaat en rekruteringsbasis voor geschikte bestuurders zoals Plinius de Jongere uitgeschakeld werd. Met de zelfmoord van Nero verdween de Julisch-Claudiaanse dynastie en kwam na een relatief kort intermezzo, het driekeizersjaar een nieuwe dynastie aan de macht die ook via adoptie en coöptatie de macht doorgaf en waarbij de senaat maar zelden de indruk wekte meer dan nostalgie te koesteren naar de oude tijden. Behalve een enkele activistische senator die de boel op de schop wilde nemen, namen de realisten de situatie voor lief omdat er ook voordelen bij hadden.

We moeten in dialoog blijven met dat oude Rome, aldus Mary Beard, omdat we wars van beate adoratie wel degelijk door reflectie, niet over de mythische en verzonnen aspecten, maar met aandacht voor die geschiedenis onze eigen positie wel degelijk een en ander kunnen overwegen of heroverwegen. In een grondige kritiek zou ik daarom die benadering verder willen uitwerken, want in de aandacht die Beard besteedt aan de romanisering van voor Brittannia als provincie zit ook wel stof tot nadenken. Maar zonder dit boek zou er voor zo een reflectie ofte kritiek geen aanleiding zijn. Voor wie zich een bibliotheek wil bij elkaar lezen over hoe onze wereld reilt en zeilt en daarbij het klassieke of antieke verleden een plaats toekennen wil, kan dit boek niet ontbreken. Over de keuzes van de auteur zou een kniesoor wel een en ander willen aanmerken,  bij nader toezien richt zij, meer nog dan Tom Holland, onze aandacht op structurele en institutionele aspecten, de instituties en de realisaties van de oude Romeinen. Wie eens gegrepen is door de ontwikkelingen in dat rijk, wil echt wel Latijn leren, wie Latijn leert, hongert naar inzichten over wat voorbij de klassieke leerboeken te vinden is.

Bart Haers


zaterdag 20 augustus 2016

Opgroeien in goed vertrouwen

Reflectie


Geen onderwerping
Levendig blijven, vitalisme s.v.p.


Deze dame werd 110 en niemand had dat
kunnen voorspellen toen ze in 1903 in Praag
geboren werd. Ze overleefde een zware
beproeving, Theresiënstadt en woonde lang
in Israël, voor ze naar Londen verhuisde.
Oud worden was voor haar - volgens
een documentaire - lange tijd niet zo
een last, zelfs al kon ze aan het einde
niet meer al haar vingers gebruiken
om de etudes van Chopin te spelen*. 
Sta me toe deze reflectie aan te snijden met een verwijzing naar de geboortewens die ik op 19 augustus, gisteren dus, op deze blog heb gepost. Het gedicht dat ik schreef voor de pas geboren kleindochter van een mijner broers, want het is in deze tijd met grootse studies over generaties opmerkelijk hoe mensen hun ding toch blijken te doen en hun eigen invulling aan het leven weten te geven. Men zegt dat babybooms zorgen voor een globale ofte mondiale demografische overdruk, maar tegelijk, als wij geen nieuwe generaties voortbrengen, maar ook van opvoeding geen werk maken of net teveel, wordt het ook niets.

Kinderen in deze wereld, ze worden ontvangen met bubbels en vervolgens in de watten gelegd, zeggen cultuurpessimisten, experten die menen zeker te weten hoe het moet. Oude rituelen, zoals de doop vinden we niet altijd meer zinvol, maar die doop blijft toch wel een moment van overgangsritueel, een wezen wordt lid van een gemeenschap, zal later dat lidmaatschap bevestigen en in woord en gedachten daartoe bijdragen. Aangezien godsdienst opium voor het volk is verklaard, God in een moeite dood verklaard en alles wat niet rationeel of wetenschappelijk verantwoord kan worden, van geen betekenis, wordt de geboorte nogal eens een kwestie van hielprik, bepalen van het geslacht en vervolgens een opvolging van de ouders of ze wel alles goed doen. Wat goed doen?

Tegelijk pakt een krant met een redactioneel onder de titel Soumission. Het laatste wat ik wil, wat velen willen, maar hoe gaan we dat tegen? En hoe zou het zover kunnen komen? Het gaat over de omgang met onze eigen cultuur, maar ook met inzichten over de toekomst, van onszelf en ja, van de rest van de wereldbevolking, waarbij eurocentrisme zowel een zegen als een vloek zullen blijken. Moeten we opnieuw een ondergang van het Avondland vrezen? Ik denk dat het domweg van ons zal afhangen. Maar we kunnen ons niet alleen niet onderwerpen aan een of andere godsdienst, maar ook aan denksystemen die ons veilige handvaten aanbieden, maar vooral ons de last en moeite van het denken over deze wereld, het contingente besparen. Nochtans is het dat wat een leven de moeite waard maakt, want voor ik er was, was de wereld er al en zal ik eenmaal mijn laatste adem hebben opgeblazen, dan zullen anderen dit aardrijk bewonen en er hopelijk proberen het beste van te maken. Neen, de voorzaten deden niet alles fout, maar lang niet alles ging goed.

Want Eurocentrisme als zondig afwijzen, belet dat we een positie kunnen innemen om naar onze samenleving te kijken en erin handelend actief te zijn. Het is de wereld of een deel van de wereld dat wij het beste kennen. Kan men het grootste gemak de duistere bladzijden opsommen, dan kan men niet ongestraft blind blijven voor wat er goed is gegaan. Voor u aan zou nemen dat ik optimisme als een morele deugd zou beschouwen, of beter, een morele plicht, geef ik graag mee dat optimisme op zich redeloos moet heten. Maar de lezing van de geschiedenis laat vaak verschillende varianten toe en de geschiedenis vertelt niet altijd alles over hoe mensen met de grote geschiedenis - die wij geacht worden te kennen en onderschrijven - zijn omgesprongen, hoe ze er baat bij hadden of tussen de raderen vermorzeld werden. Maar men zal mij niet vertellen dat de geschiedenis van Europa alleen bron van schaamte, schande, schaamteloosheid zou wezen, wel dat de geschiedenis zich alleen laat vertellen als men de verschillende evoluties naast elkaar weet te plaatsen en ziet hoe die op elkaar interageren. De godsdienstoorlogen, de moord op Henri IV en de Dertigjarige oorlog (1618 -1648) was ontegensprekelijk een periode van nauwelijks te bevatten wreedheid, maar tegelijk ontstonden als reacties pogingen tot tolerantie en tot stabilisering van de samenleving. De verdragen van Westfalen, Munster en Osnabrück waar een hele resem partijen, van de Roomsche Keizer en de Republiek tot kleinere entiteiten die in de oorlog actief waren geweest. Men heeft Duitsland toen voor het eerst hertekend, kleinere vorstendommen samengevoegd, zonder dat er ook maar een machtige staatkundige entiteit ontstond. Het denken over oorlog en vrede van Hugo de Groot heeft mee de geesten rijp gemaakt voor een andere aanpak van internationale geschillen, maar dus ook van de mogelijkheden om zonder oorlog tot verdragen te komen die door derden als rechtsgeldig dienden erkend te worden.

Dat eurocentrisme zal wel een vloek wezen als we de ontwikkelingsgang van Europa als enige mogelijke zien, waarbij we ook de macht van Europa over andere delen van de wereld, tot in de achttiende, negentiende eeuw ging het alleen in Nederlands India en Zuid-Amerika over meer dan factorijen, om het vestigen van kolonie en het organiseren van geregeld bestuur met gouverneurs en eigen troepen, justitie etc. Wel zal in de negentiende eeuw de greep op territoria belangrijker worden dan het houden van monopolies op handelsroutes, producten ook. Ja, er is slavernij geweest, inderdaad, het heeft tot het begin van de negentiende eeuw geduurd voor in het Verenigd Koninkrijk onder invloed van een religieuze club stappen ondernomen werden om handel te verbieden. Toen de VS dat overnamen, begonnen eerst het behandelen van de slaven als "levend kweekvee". Daar hebben we gezien tot wat we in staat zijn als mensen tegenover andere mensen. Maar het verbod kwam er wel. Merk ook op dat Adam Smith tegen kolonisatie was gekant.

Wat de rol van Europa was vanaf ongeveer 1500 zal men niet zo gemakkelijk eenduidig verklaren en ook na 1948, toen de dekolonisatie soms overhaast werd doorgevoerd, heeft dat niet altijd tot gewenste resultaten geleid. Landen werden soeverein en er ontstonden scherpe conflicten waar landsgrenzen arbitrair waren getrokken. Maar ook stelt men vast dat niet elke dictator met die intentie macht verwierf,  het land ging besturen en dat het soms wel lukte - met hulp van degelijke adviseurs een grondslag te leggen voor een rechtsstaat of interne tribale conflicten op te lossen. Europa heeft vaak een hypocriete rol gespeeld, want men zal  de Algerijnen noch de Soedanezen best niet proberen wijs te maken dat het allemaal voor hun welzijn bedoeld was. Anderzijds ziet men dat behalve ontwikkelingshulp de opleidingen van artsen en verplegend personeel, van landbouwingenieurs en al die andere bekwaamheden nodig voor een bloeiende samenleving ook in Afrika voor toenemende welvaart gezorgd hebben en voor overbevolking, omdat men niet voldoende en niet tijdig een aantal gewoonten heeft gewijzigd, onder meer het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen inzake ontwikkeling en vruchtbaarheid verzekerd.

De spanningen in onze wereld, die razendsnel globaliseerde en zonder dat we er tijdig de terugslag van zagen aankomen of dat we ook bij onszelf de emoties en onzekerheid durfden te onderkennen - hé bange blanke man! durf het niet bang te wezen - alsmede de vermeende superioriteit van de markteconomie zonder grenzen, zonder verkeers- en andere reglementen, heeft ertoe geleid dat het onbehagen sterk is toegenomen, maar hoewel de economie even op een hoog niveau stationair blijkt te draaien, zorgt dat nu bij economen en analisten voor hoofdpijndossiers. Het onbehagen heeft te maken met een invulling van liberalisme die het individuele handelen helemaal opzij schoof en uitgaat van een markt waar alles door een zogenaamde blinde hand geregeld zou worden. Anderzijds mag men in onze contreien over de welvaart niet klagen en zal men wel iets verliezen aan de globalisering, maar tegelijk schept die mogelijkheden.

De grote vraag is welke paradigmaverschuivingen men zal beleven, of beter de generatie die nu aankomt, geboren wordt: a) levensverwachting; b) kwaliteit van leven; c) voorwaarden voor geestelijke gezondheid; d) voldoende kennis verzamelen om met nieuwe mogelijkheden om te gaan. Reizen naar Mars overtreft het gemeenschappelijke voorstellingsvermogen, 120, laat staan 150 jaar worden lijkt een zege, soms ook een zegen, maar hoe zal men zo oud worden en wat zal dat voor invloed hebben op onze activiteiten, op onze beleving van dat lange leven. Dat we alle hoop moeten laten varen, of beter, zij die nu geboren werd, betwijfel ik, of het een rozentuin wordt, blijft voorlopig buiten onze ervaringswereld, dat overschrijden van de levensverwachting boven wat we natuurlijk meekregen. Men kan zeggen dat we nu 80 jaar worden omdat we alle vormen van voortijdig sterven geleidelijk hebben opgeruimd, maar men kan evengoed stellen dat de "natuurlijke" levensverwachting, zonder goede en verzekerde voedselvoorziening, hygiëne, huisvesting, opvoeding, scholing, vorming op ongeveer 35 à 40 kan bepaald worden en dat welvaart en vooruitgang mensen ver boven die natuurlijke begrenzing heen heeft getild.

Om het concreet te maken, een vrouw van veertig kan nu nog zwanger worden, maar kan ook al de kinderlast achter zich hebben en al haar kunnen in een beroepsactiviteit leggen. Waar men tien, vijftien jaar geleden geloofde dat jongeren wijsheid, kunnen en uitstekende uitvoering in de vingers hadden, ziet men die jongeren vandaag minder wiskunde of mindere wiskunde leren en onder de knie te krijgen. Maar ook met de taalkundige kennis, de literaire en de filosofische schiet het niet op. Waarom? Omdat men de lesprogramma's niet meer richt op individuele ontplooiing, maar op gelijkheid. Toch zal die vrouw van veertig nog minsten vijftig jaar beroepsactief moeten blijven, als de levensverwachting boven 120 uitstijgt en dan wordt de vraag of er voldoende kwaliteit van leven is om het te beleven als iets weldadigs.

Ik wens dat meisje dat ik een geboortewens toestuurde uiteraard het allerbeste, geloof dat ze vele kansen zal krijgen en dat ze ook een goede opvoeding zal krijgen, evenwichtig ook. Maar waar ik met dat kind te doen heb, is de vraag hoe ze tijdig met haar generatiegenoten zullen beseffen dat hun leven niet meer volgens het klassieke stramien zal verlopen en hoe ze hun leven daarop invulling zullen kunnen geven. Wetenschappelijke en technologische vooruitgang is mogelijk, maar hoe zal dat op onze arbeid afstralen, op arbeidsvreugde en succeservaringen? Een antwoord heb ik niet, wat men mij niet kwalijk zal nemen, maar de vragen stellen kan leiden tot reflectie over nieuwe inzichten van de condition humaine.

Heb ik nog maar weinig over onderwerping verteld? Uiteraard, omdat ik denk dat onderwerping aan "a lesser god" niet aan de orde is, maar aan systemen door mensen ontwikkeld, van technologische aard des te meer. Daarom zal men toch moeten teruggrijpen naar criteria over wat we humaan en meer humaan vinden. Met Susan Neiman gaat het dan ook over meer dan de aanname dat mensen alleen leven voor zichzelf, of alleen eigen belangen nastreven. Dat is goed mogelijk, maar er is meer dan dat. Ook rationele overwegingen kunnen tot weldoen en respect voor derden leiden, maar dat blijkt, zoals Neiman stelde, niet per se de uitkomst van wat sociaal psychologen en hersendeskundigen voor ogen hebben staan. Hun model, zoals onder meer Dick Swaab het voorstelde - in een vuistdik boek - herleid zelfs het brein, terwijl er nog veel is dat we nog niet weten. Anderen menen dan weer dat breinen wel autonoom functioneren, in samenhang met fysiologische gegevenheden van het lichaam waaraan de brein deel heeft, de hormonenhuishouding, de stofwisseling en gebeurlijke ongevallen, ziekten die genezen werden, met of zonder schade, maar zich ontwikkeld juist door interactie met andere breinen, via communicatie, verbale en non-verbale. De aandacht voor het brein lijkt voor wetenschappers de aandacht voor de werking van afzonderlijke breinen in interactie met elkaar uit te sluiten, wat een wel erg reductionele benadering is van dat fenomeen, het brein, een brein dus.

Neen, alle hoop ik laat ik niet varen voor dat wicht dat nu onder ons, in de familie is gekomen. Maar waar ik nu ongeveer in het midden van de levensweg gekomen ben, of iets erover, - waar  dat midden voor Dante hoogstens dertig geweest moet zijn, zal dat voor kinderen van vandaag 75 jaar worden. Wat een perspectief, maar ook wat een uitdaging voor de geest, want wat wordt het leven dan anders dan een lange trage rivier? Oh ja, het kan nog ook ertoe leiden dat we vele rebellen zonder welke redenen zullen ontmoeten, kerels en meisjes die gewoon uit balorigheid de boel willen opblazen. Dat motten we niet willen. De charme van creatieve destructie mogen we ook niet uit het oog verliezen, maar waar het zo zelden over gaat, waar we nauwelijks over durven te spreken blijft de mogelijkheid van deze wereld te houden, erom te geven en er met zorg mee om te gaan, met mensen, de natuur, de gewrochten der mensen ook. Och, de zwarte bladzijden lezen we graag en iedereen kent wel ergens een gouden bladzijde, maar zoals deze, onze wereld en de mensheid zich ontwikkelden, dat vinden we geen verwondering, laat staan bewondering en creatieve inzet waard. Hopelijk zal de kleine Maud in vertrouwen kunnen opgroeien en zal zij ook leren in goed vertrouwen met anderen om te gaan. Het kan mis gaan, jawel, maar waarom moet het in godsnaam al a priori bekeken worden alsof het mis zal gaan. Zal zij dan niet vanuit dat goed vertrouwen, dat al eens beschaamd zal worden, ook van mensen kunnen houden?

Bart Haers


 * in 2004 vond deze dame al hoeveel haat en wellicht ook ressentiment er leefde, maar ik denk dat ze het me niet kwalijk zal nemen als ik toch haar andere boodschap meer belang toeken, dat het leven mooi is, of minstens kan zijn, maar dat ook van onszelf een en ander, begrijpen dat haat koesteren makkelijk is, proberen die haat niet te voeden en andere inzichten en emoties ook een plaats geven, vraagt ook een geestelijke discipline. https://www.groene.nl/artikel/een-levenslang-gevecht-tegen-de-haat

vrijdag 19 augustus 2016

Welgekomen, kleine Maud



APM


Komt een prinsesje
Maud,

De ene vertelt in alle ernst
hoezeer we leven in een tranendal
en misschien zal je 't ook wel eens zo beleven
maar je ma, oma, tantes en al die
anderen die je omringen,
zij lachen graag, veel en vriendelijk

De ander raadt af nog kinderen te schenken het leven
want wat komt er niet allemaal op ons af
lijkt onze wereld te veranderen
maar je pa en ma, Maud, zij leven graag
doen van alles en zullen je de weg wel tonen

mens sana in corpore sano,
zin voor avontuur en toch
je zal veel meekrijgen en ontdekken
je zal eerst veel leren
vervolgens, hopen we, zal jij
bijdragen brengen, al weten we nog niet
hoe zij zullen
hoe jij zal ogen

Oud, hopen we, mag je worden
maar het zal levenskunst vergen
soms wel eens de apothekersweegschaal
dan weer trainingsschema's
of het gezonde verstand van je grootouders

we zijn wie we worden
traag, langzaam, treiterend hortend
voor wie de weg gaan moet,
boeiend en verwondering wekkend
voor wie weet wat een gave het is

Een Prinsesje komt, jij Maud,
maar je zal ook leren wat inzet is
wat je kan doen als je goed oefent
moge je het leven omarmen
mensen leren omarmen
deze wereld lief te hebben
Je krijgt het leven
veel erbij
ook een zending
omdat wij hopen
dat je van het leven
iets zal willen maken
niet alles veranderen
maar beter maken,
t'en zou al mooi zijn
b Art