zaterdag 10 december 2016

Wereldvreemd




Dezer dagen




Rechter wereldvreemd
Wat willen we dan wel?



Joseph Roth, auteur van
meerdere schitterende romans,
zoals Vlucht zonder einde. Maar
elke voorkeur is arbitrair. 
N-VA is woest op rechters die keer op keer de staatssecretaris dwingen een humanitair visum uit te reiken aan mensen uit Alleppo, de stad die verscheurd wordt door een mededogenloze strijd. Welke argumenten de advocate van de familie aan de rechter voorlegt om tot dit oordeel te komen, is mij vooralsnog niet bekend, feit is dat de rechters hebben besloten dat de regering de gunstmaatregel moeten laten gelden. Voor burgers is dit een bijzondere casus, waarvan we veel denken, maar waarbij we ons ongemakkelijk voelen. Mag een partij dan beweren dat rechters wereldvreemd handelen?

Van een rechter wordt verwacht dat hij of zij onafhankelijk oordeelt, de wet bij de hand. Evenzeer zal men rechters die er een mondain leven op nahouden ervan verdenken niet geheel onafhankelijk te kunnen oordelen. Het is ook nooit goed, maar als sommige zaken zo lang getraineerd worden, dat een vonnis binnen een redelijke termijn niet meer kan, zal men de rechter op de vingers tikken. Hoe moeilijk zal het dus niet zijn voor een rechter om precies aan al die verwachtingen te beantwoorden?

De wetgeving is door stapeling van allerlei amendementen niet altijd even helder en soms zelfs inconsistent, zodat rechters in hun ambt heel zorgvuldig de verschillende facetten moeten overzien om tot een oordeel te komen. Men herinnere zich die rechters die in zaken van drugs of geweld tot een vrijspraak besloten omdat ze vonden dat er bij het onderzoek onoverkomelijke vormfouten aan te tonen vielen, waardoor het eerlijke onderzoek en dus het eerlijke proces niet langer gegarandeerd bleken. Iedereen boos, want die drugs- of mensenhandelaars kwamen er toch goedkoop van af. En wat met een afkoopwet die niet eens bij de rechter komt en dus niet getoetst wordt kan worden aan de garanties van de rechtsstaat. Onder meer de vraag hoe billijk zo een bemiddelde afkoop wel is, zou aan een rechter voorgelegd moeten kunnen worden.

Wereldvreemd? Het lijkt al tijden een scheldwoord, want op college vonden we dat die omgeving ook behoorlijk wereldvreemd was, ver weg van het gesmos des daags.  Ook later, als student stond dat thema vaak op de agenda, maar filosofie studeren helpt om te begrijpen dat wie zich niet eens kan losmaken van de dingen des daags ook zelf geen richting kan vinden. Erasmus vond al dat het bedenkelijk zou zijn als we onze oordeelsvorming helemaal door onze omgeving zouden laten bepalen en niet zelf tot een oordeel zouden komen. Ook in de Lof der Zotheid is er sprake van wereldvreemdheid, waarbij Erasmus de theologen op de korrel neemt, die

omringd zijn door zo een grote schare professorale definities, conclusies, consequenties, uitdrukkelijke en stilzwijgende stellingen, beschikken over zo een massa uitwijkmogelijkheden dat ook al zouden ze nog zo in Vulcanus' netten verstrikt raken, ze toch zouden ontkomen door hun fijne nuances waarmee ze alle knopen zo gemakkelijk doorhakken, dat de scherpe bijl van Tenes het niet kan verbeteren, zozeer wemelen ze van pas bedachte woordjes en wonderbaarlijke uitdrukkingen.
Erasmus, Lof der zotheid hoofdstuk 53


In de debatten dezer dagen worden ook wel eens pas bedachte woordjes in de mond genomen en krijgen we wonderbaarlijke uitdrukkingen voorgeschoteld, waar een mens niet altijd onmiddellijk raad mee weet. Misdaden tegen de mensheid werden onverhoeds misdaden tegen de menselijkheid. "Humanité" betekent zowel mensheid als menselijkheid en ook wel alles wat des mensen is, maar het bleef mij lang duister of men wel van menselijkheid gewagen mocht, omdat elke daad van geweld, van het stelen van een MP3-speler tot handtastelijkheden afbreuk doen aan de waardigheid van een persoon en dus als een misdaad tegen de menselijkheid moeten gelden. Blijkt dat dit fout is, want misdrijven tegen de menselijkheid zijn goed beschreven en betreffen het houden van mensen in slavernij, mensenhandel, folteren - buiten een militaire context - en anderzijds blijven de oorlogsmisdrijven bestaan, zoals die in het volkerenrecht zijn opgenomen.

Kortom, voor de leek kan het wel lijken dat we misdaden tegen de menselijkheid moeten zien als erger dan misdaden om andere redenen, banaal mogen vinden. Het valt op dat hier een zekere wereldvreemdheid kan uit spreken, omdat wie in oorlogsomstandigheden of voor rekening van een dictatuur aan de slag is, mensen er niet onderuit kunnen dat ze geweld mogen en moeten gebruiken om hun macht te handhaven. De oorlog in Syrië is voor ons, voor mensen die nu leven wellicht de meest bevreemdende die gevoerd kan worden, omdat een dictator zonder omhaal van woorden niets meer heeft gedaan voor zijn volk, toegelaten heeft dat miljoenen het land verlieten en vervolgens dat steden nagenoeg met de grond gelijk gemaakt werden. Hij voert bovendien oorlog voor rekening van derden, zoals Iran en Moskou en kan zijn mensen aanmoedigen alle middelen te gebruiken. In termen van het oorlogsrecht, in termen ook van het volkerenrecht had men die dictator kunnen helpen afzetten, want ten eerste mag elke natie een dictator of iemand die het land slecht, fout bestuurt afzetten, zoals in het Plakkaat van Verlatinghe is opgenomen en er mee de verantwoording voor vormt.

Heeft de advocaat gelijk dat men iemand die wil vluchten uit zo een land bij de ambassade van ons land mag aankloppen om een humanitair visum te vragen. In de nazomer van 1989 zochten burgers van de DDR in de West-Duitse Ambassade in Praag onderdak en een manier om veilig naar het Westen te reizen. Na veel onderhandelingen  met Moskou en Oost-Berlijn mochten de asielzoekers naar de Bondsrepubliek, maar op 6 november mochten de treinen uit Praag naar de Bondsrepubliek reden, niet meer via Leipzig en Dresden, de DDR dus, doorreizen. Op 9 november verloren de autoriteiten in de DDR de controle, viel de Muur en wat later zouden ook in Praag de oude machthebbers het pleit verliezen. Overigens, als er rond het asielrecht na WO II belangwekkende stappen vooruit werden gezet was dat mee te danken aan België, aan de regering toen die vond dat de VS en andere landen in 1938-1939 ten onrechte de grenzen hadden gesloten. In de Conventie(s) van Genève ging het volkerenrecht op dit punt vooruit. Wat overigens te denken van de "displaced persons" die na Wereldoorlog uit hun woonsteden werden verdreven, vaak Duitsers die medeverantwoordelijk gesteld werden voor de ellende van de Nazi's en nog in 2002 mocht Vaclav Havel die verantwoordelijkheid niet vermelden in een speech.

Toch kan men de hulp aan vluchtelingen uit het voormalige Oostblok en de voormalige Sovjet-Unie niet op dezelfde lijn plaatsen als wat er nu gaande is. Het vrij verkeer van mensen mag dan wel een verworvenheid zijn, de reacties op de exodus die over de wegen van de Balkan op gang was gekomen, waarbij de staten en staatjes daar en verderop de poorten hebben gesloten, doet denken aan Joseph Roth en diens roman "de kapucijner krypte", waarin over het verlies van het rijk en de open grenzen getreurd wordt. In "Vlucht zonder Einde" komt een krijgsgevangene terug uit Siberië, die onderweg gevochten heeft met de revolutionairen maar uiteindelijk terug in het oude Wenen aankomt er zijn plaats niet meer vindt, net zo min als zijn verloofde. Tunda, de vluchteling komt bij zijn broer in een stad aan de Rijn en stelt vast dat zijn cultuur, die van hem en van zijn broer nogal wereldvreemd is. Ook in Parijs zal Tunda bevestigd zien dat de Europese Cultuur die we wel hulde brengen, zonder er echt iets mee te hebben, zonder te begrijpen hoe veelomvattend dat begrip wel niet is. Kunstenaars, denkers, filosofen, dagdromers, ze heten wereldvreemd, maar hebben ook wel eens op een bijzondere manier een intieme en intense verhouding tot de wereld.  

Joseph Roth blijft met zijn romans inspirerend omdat hij niet enkel nostalgisch het verleden zou oproepen, want dat is maar een deel van zijn verhalen, wel omdat hij beseft dat die oude wereld ook niet zo fijn en goed voor iedereen was. De idee dat we vandaag in een wereld zouden leven die geen toekomst meer lijkt te hebben, terwijl mensen gewoon nog trouwen, plannen maken, investeren en veel verwachten van de toekomst, kan ik als wereldvreemd afserveren. Dat is ook wat Roth ondanks alles koesterde, de gedachte dat alle ellende ten spijt de wereld wel best nog een tijd mee kon. De Grote oorlog had zijn bestaan en wereldbeeld dooreen geschud, maar tijdens diens Exil na 1933 was hij zich bewust geworden van de mogelijkheden, zoals de roman Job ook tot uitdrukking bracht. Job verscheen in 1930, maar handelt ook over de mogelijkheden die zich onverwacht kunnen aandienen, als alles verloren schijnt.

De schrijver en intellectueel, die zich zo ongeveer een levercirrose zoop  en steeds minder kon leven van de nochtans royale inkomsten van zijn boeken. Maar de wereld was niet altijd noch alleen bron van ellende, waarbij we politieke omstandigheden even buiten beschouwing laten, want er gebeurde ook veel dat wonderbaarlijk mag heten en mensen ten goede komt. Als rechters inderdaad wereldvreemd zouden zijn omdat ze een politicus, Geert Wilders, veroordelen, dan moet men hen toch nageven dat ze het hem niet euvel duiden haat te zaaien. Wel kan men over de opportuniteit van een dergelijke veroordeling van mening verschillen, als de rechters zouden weigeren zich uit te spreken, dan zou het pas bedenkelijk gesteld zijn met de rechters en hun ambt.

Mensen wereldvreemd noemen is zo gemakkelijk en geeft aan dat men zelf de waarheid in pacht heeft. Wie helemaal van de wereld is, dat wil zeggen zich overgeeft aan wat er in de aanbieding is, zich nergens over meent te moeten bekommeren, leeft wellicht ook niet in de werkelijkheid. Onze omgang met de wereld is nooit zorgeloos of simpel. Ons denken zelf impliceert dat we net dan even niet van de wereld zijn, even in een andere omgeving verkeren, maar het object van ons denken blijft dan niettemin die wereld zoals die is. Of de rechter in de zaak over het humanitair asiel, een nieuw recht schiep, valt nog te bezien, want men is de afgelopen decennia ver gegaan in het formuleren van regels en positieve vrijheden. De praktijk laat niet altijd toe die zomaar toe te passen, geven blijk van een zekere wereldvreemdheid, die niet altijd meer als idealisme bestempeld kunnen worden.

Natuurlijk moet men geen haat zaaien, moet men proberen te leven met mensen die niet helemaal datgene uitstralen dat ons behagen kan, maar anderzijds blijft haat een menselijke emotie. Haat kan ontstaan uit onvrede met ongewenste contacten, maar kan inderdaad aangepraat worden. Het is dan evenwel niet zo zinvol de haat te willen bannen door te zeggen dat men dat wil. Haat komt voort uit onze onvrede met de omgeving waarin we leven, met de gedachte dat we uitgesloten worden, dat we minder krijgen dan waar we recht op hebben en dat anderen dus te veel krijgen. Het getuigt van een zekere wereldvreemdheid als men een menselijke emotie wil uitbannen, wel dienen we elkaar bij te staan als we - helaas wel eens op goede gronden - haat voelen woekeren tegen personen die ons fout hebben bejegend. Maar als we haat zouden koesteren tegen groepen, wat zijn daar de gronden voor? Die discussie aangaan, zonder van die 'gehate' groep een sepia plaatje te maken, brengt meer op, maar is wel lastiger.

Wereldvreemdheid? Zou men mensen echt zo een verwijt kunnen maken, zonder zichzelf belachelijk te maken. De rechters leven vaak met een zekere afstand tegenover het dagelijkse leven, zonder dat men kan ontkennen dat ze gehuwd zijn, kinderen hebben en ook al eens naar de winkel moeten of naar een concert gaan, van Deus of Pletniev. Maar wat een mens wereldvreemd kan maken is een verblijf in een wel ingericht appartement boven de wolken, waar de weerhaakjes van het leven geen toegang toe hebben. In de Modder staan, in de hofstad Den Haag of in Brugge, het is niet altijd welriekend, maar zo is het leven nu eenmaal en er valt mee te leven omdat we niet alleen de modder staan. Toch denk ik dat die advocate en de rechter in hun benadering van de zaak de maatschappelijke orde niet ter harte nemen als ze dit humanitair visum willen afdwingen van de regering.

Bart Haers





vrijdag 9 december 2016

Alleen Sisyfusarbeid vervangen door Robots?

Reflectie


Boeiende tijden & veranderingsmanagement

Was Modern Times een satyre of een klacht.
Feit is dat de arbeid nog verder automatiseerde
en er in sommige regio's mensen/handen te
kort zijn om alle werk gedaan te krijgen. 
Het gaat hard, nu aan de ene kant mensen zeggen dat het vooruit moet gaan en anderen dan weer repliceren dat even ter plaatse rust te nemen, geen kwaad zou kunnen. Zal technologie ons leven verbeteren? Sommigen twijfelen eraan en menen dat het macht en middelen bij een oligopolie zal laten concentreren, terwijl de talloze anderen helemaal machteloos achter zullen blijven. Met andere woorden is de vraag eerlijk en duidelijk: hoeveel baat hebben we bij technologische vernieuwing? Voor het debat over democratie en waarheid is het geen vrijblijvende oefening.

Laten we er niet omheen draaien, iedereen heeft wel eens de indruk dat vooruitgang in wezen niet echt vooruitgang betekent, omdat ze een overmatige invloed heeft op het eigen leven of het leven van anderen. Wie progressief is verzet zich tegen ggo's en andere voor het milieu belastende mogelijkheden, maar zal het wel goed vinden dat mensen van geslacht kunnen veranderen of dat je je lichaam optimaal kan oplappen. Niet alle progressieve dames en heren delen overigens deze mening, zodat het niet eenvoudig is een lijn te zien in opinies. Bovendien is er altijd nog wel een verschil tussen een opinie en wat iemand daadwerkelijk doet of nalaat, weigert. Opinies zijn gemakkelijk, keuzes in het leven maken, blijft nog iets anders.

Het gaat over arbeid bij Bart Sturtewagen, maar toch ook over wat we humaan vinden en wat we moeten aanvangen met leed dat ons overkomt. Medisch kan men veel leed verhelpen en ook wel voorkomen, maar als we alles willen voorkomen, zullen we dan nog het gevoel hebben te leven? Dit is geen vrijblijvende vraag, maar het hangt samen met wat we goed vinden zonder altijd over verder reikende consequenties na te willen denken. Het debat over ggo blijft daarom belangwekkend, omdat men op die wijze het hongerprobleem zou kunnen wegwerken, maar tegelijk zou men dan ook aan de vruchtbaarheid van vrouwen moeten sleutelen. De bereidheid om kinderen te krijgen aan de ene kant dan wel een uitgesproken kinderwens en aan de andere kant verstoken te zijn van werkelijke keuzevrijheid, ook over het aantal kinderen, moet ook bekeken worden. Men vergeet wel eens hoe de strijd voor verantwoord ouderschap is gevoerd geworden.

Dr. Alette Jacobs was in Amsterdam praktisch bezig met wat heren in hoge vergaderingen bespraken, namelijk dat vrouwen niet per se zeven kinderen dienden te baren omdat de omstandigheden voor moeder en kind spectaculair verbeterd waren en ook de vader had een beter leven dankzij allerlei wetten over arbeidsomstandigheden, arbeidsduur ook. Aan het einde van de negentiende eeuw veranderen er nogal wat parameters, die ook het leven van elkeen beïnvloeden en het klimaat rijp maakten voor excentriek gedrag, voor alternatieve keuzes ook. Voor ons is die negentiende eeuw vaak een moeras van ongearticuleerd conservatief gewauwel, terwijl het de eeuw was Auguste Comte en van Rimbaud die vond dat men absoluut modern moet zijn. Hoe of het conservativisme ook in de negentiende eeuw een nieuwe invulling kreeg, blijft evenwel ook relevant, zoals met figuren als Johann Thorbecke en Eduard Douwes Decker, die er een zeker waardestelsel op na hielden, maar tegelijk een stevig meritocratisch model poneerden.  Kortom, laat men het zich niet te gemakkelijk maken en die negentiende eeuw niet reduceren tot het Victoriaanse model of tot Charles Dickens. Wat er gaande was en wat er gaande is, betreft inderdaad een mengeling van machtsconflicten, maatschappijmodellen en waardestelsels die aanleiding gaven tot betogingen en stakingen, tot geweld ook. Vergeten we niet dat de Suffragettes tijdens die negentiende eeuw hun opwachting maakten en al dan niet met straatgeweld het thema van het vrouwenkiesrecht op de agenda hebben gezet. Dat het zo moeilijk was om vrouwen actief - het recht om een stem uit te brengen - en passief - zich verkiesbaar te stellen - stemrecht toe te kennen en dus de gelijkheid van man en vrouw in rechte te realiseren op het politieke vlak, verbaast ons wellicht bovenmatig, omdat vrouwen en mannen toen vonden dat vrouwen voor zoveel niet geschikt waren behalve het zwaarste wat een mens te verduren kan krijgen, kinderen baren. Vrouwen werden in hun mogelijkheden gefnuikt en het waren uitzonderingen als Alette Jacobs die de wet konden tarten.

Wie de turbulenties dezer dagen wil begrijpen, kan maar beter begrijpen dat het niet de eerste keer is dat we in zo een stroom van veranderingen zijn terecht gekomen en dat het niet per se goed hoeft af te lopen. Al zal men dan moeten nagaan hoe we dat waarderen, want de ene zal WO I als uitkomst zien, anderen de nieuwe mogelijkheden van de industrieën die treinen en machines leverden, auto's en betaalbare kwaliteitswoningen. De Twintigste eeuw was er een van uitersten, zoals Eric Hobsbawm schreef, waarbij we de oorlogen noch de dictaturen onder het tapijt kunnen vegen, maar ook dient men te begrijpen hoeveel er in die periode ten goede is veranderd en aan vooruitgang is gerealiseerd, ook in termen van sociale verhoudingen, meer gelijkheid dus. De samenleving die we nu kennen kan men niet begrijpelijk maken zonder die verschillende evoluties, zoals inzake geneeskunde, materiaalkunde en zoveel meer.

De vraag die we nu moeten stellen is of we alle handenarbeid door robots zullen laten uitvoeren, zelfs het liefdeswerk van publieke vrouwen, als die term nog iets betekent dezer dagen. Robots vormen de ultieme verlenging van onze fysieke mogelijkheden en van ons brein. Tegen vooruitgang, zegt men, mag niemand ingaan, maar zullen we mensen uit het productieproces blijven uitschakelen en hen niet of de een of andere manier van inkomen voorzien? Het is een vraag die inderdaad te maken heeft met eerlijke verdeling, maar ook met de betekenis van arbeid in ons bestaan.

Hier schuilt wellicht de meest pregnante paradox, want als we sinds aloude tijden middelen hebben gezorgd om onze krachten beter en efficiënter te kunnen inzetten bijvoorbeeld om graan te malen, met een molen, dan hebben we ons de afgelopen eeuw nog verder bevrijd van allerlei klussen die voordien veel tijd opeisten. Machines voor huis, keuken en tuin maken ons het leven minder bewerkelijk. We hebben meer tijd om ons te amuseren, te ontspannen en los te maken van dagelijkse sleur en toch, die sleur en dat dagelijkse bezig zijn helpt mensen ook wel om hun leven zinvol te ervaren. Arbeid uitschakelen door die te verplaatsen naar andere oorden maakte mensen hier ongelukkig en vaak zagen beleidmakers en intellectuelen het probleem niet. Nu we in een nieuwe fase van vervanging van mankracht door robots terecht komen, zal men zich moeten afvragen wat mensen zonder inkomen met hun vrije tijd gaan aanpakken.

Het is een kwestie die verder reikt dan wat John Rawls in zijn 'a theory of justice' betoogde, omdat de toegang tot goede jobs die goed betalen verder zal versmallen en slechts een kleine elite kansen zal geven? Dat is de ene lezing van de feiten, want anderen menen dat er nieuwe jobs gaan ontstaan, maar - moet bedacht - aangezien de robot alle sisyfusarbeid zal kunnen overnemen van mensen, aangezien die robot eigendom zal zijn van een onderneming, zal alleen wie aandelen heeft in het bedrijf kans hebben op een inkomen. Dat dit een hard debat zal worden, mag duidelijk zijn en dat de winnaars van nu niet per se die van morgen zullen zijn, valt moeilijk of niet te voorspellen.

We zullen dus moeten rijden en omzien en zorgen dat de volledige robotisering van de productie, ook van diensten, niet tot een grote verarming zal aanleiding geven. Wie zal bepalen hoe de winsten (her-)verdeeld zullen worden en op welke grond? Dit zal geen discussie worden tussen marxisten en liberalen, maar wel een over de vraag hoe we mensen hoe dan ook een menswaardig  bestaan zullen aanbieden, in temen van inkomen en in termen van bezigheid. Zinvol? Hoezo? Wat voor de een bezigheidstherapie is, acht de ander als zinvol bezig zijn. Het gewicht van amusement zal misschien wel wat toenemen, maar tegelijk is het wel zo goed als onmogelijk zonder een zweem van superioriteit anderen uit te krijten voor wat men op de tribunes van een voetbaltempel pleegt te horen. Wie sociaal wil doen, zal best laten horen dat hij of zij ook wel eens naar den voetbal gaat of gaat bowlen. Alsof iedereen hetzelfde zou moeten doen.

De agenda voor de toekomst tekent zich scherper af, als we de huidige discussies volgen en die zullen niet meer alleen over discriminatie gaan op grond van afkomst of godsdienst, maar ook op grond van genoten en gepresteerd onderwijs. Het is die transformatie die voor sommige afgestudeerden nu harder blijkt dan voor andere. Want nu is de werkloosheid opvallend laag en toch blijft men paniek zaaien. Hoe zal dat over twintig jaar verlopen, of zal de robotica het tekort aan werknemers compenseren? Met andere woorden, we weten niet of de toenemende invulling van arbeid in productieprocessen door robots werkelijk zwaar wegen zal op de mogelijkheden van mensen. Het valt best te onderzoeken, maar dan liefst niet met de vooropgezette idee dat men arbeid ten koste van alles moet beschermen, want dan zal men nog meer uitstoot van menselijke arbeid beleven.

Bart Haers


donderdag 8 december 2016

afkeer van de democratische orde?



Dezer Dagen


Angst en onzekerheid
verklaren verkeerde verkiezingsresultaten niet



Dat den Donald de volgende bewoner van het Witte Huis wordt stemt velen ongerust, omdat hij vaak zo onvoorspelbaar blijkt. Dat in Europa extremistische partijen de wind in de zeilen hebben gekregen en dat in het UK de Brexit mogelijk werd, met 52 % van de stemmen is nog altijd niet goed verteerd. Intussen blijft men zich afvragen hoe de kloof tussen elite en het volk zich zo kon uitdiepen. Wat is er gaande? Hoe kijken we naar het democratische bestel?

Het blijft vreemd te lezen dat de oorzaken voor het falen van jongeren in het onderwijs aan het systeem wordt toegeschreven, alsof die gasten er zelf ook geen hand in hebben. Het blijft een vraag die onder meer Marli Huijer heeft gesteld in haar essay over discipline en die nu wel erg pertinent: kan een democratie functioneren als de deelnemers nergens enige zelfdiscipline aan de dag leggen? In de vraag waarom mensen ontevreden zeggen te zijn over het beleid, komt nooit de vraag voor of mensen dan niet tevreden zijn over de mogelijkheden die het bestel voor hen in de aanbieding heeft. Het feit dat media voortdurend over een falende overheid spreken, zou wel eens evengoed een mistasten kunnen blijven want waarom zou men zoveel fouten in het functioneren van de overheid kunnen of moeten aanwijzen. Er is overigens altijd nog een verschil tussen wat politici vertellen in hun onderlinge competitie om de publieke belangstelling en wat er op het terrein gaande is. De uitvoerende ambtenaren in de front en back office hebben te stellen met de burgers en het zijn niet alleen grote spelers die politici aanspreken als ze denken niet fair behandeld te zijn. Maar of daarmee aan het licht kan komen wat wel goed marcheert, blijft dan de vraag.

Ik herhaalde het al vaker en moet het dus nog maar eens aan de orde stellen, de zaken onder de rechter die onze aandacht trekken, of die van media, zijn vaak zaken waar groot geld of grote misdaad in het geding is, maar het blijft merkwaardig dat er naast benadeelde mensen ook wel eens mensen zijn die wel varen bij de uitspraak en dat blijft dan onder de radar. De opeenvolgende ministers van justitie hebben aan de ene kant brandjes moeten blussen maar zijn er vaak niet in geslaagd het recht en het justitieel apparaat grondig onder handen te nemen. De huidige minister Koen Geens probeert op allerlei manieren disfuncties weg te werken en mensen bij het herzien van wetboeken te betrekken. Jammer genoeg krijgen we van de media slechts zeer partiële informatie, waardoor het moeilijk wordt het beleid goed te waarderen.

Over onderwijs wordt haast dagelijks gesproken en daarbij merkt men dat vooral de falende leerling centraal staat, niet de goed presterende leerling, want die zou zelfs nog eens mee het falen van de andere in de verf zetten. Twee stromingen lijken zich af te tekenen, waarbij de ene pleit voor een totale reorganisatie van het middelbaar onderwijs, om der wille van de gelijkheid aan de eindmeet. Aan de andere kant zijn er die menen dat men aan de structuren best niet te veel veranderen zal, maar leraren m/v wel de mogelijkheden moet geven om zowel goed presterende leerlingen als de zwakkere de nodige ondersteuning te geven. Maar ergens houdt het op, zeggen zij, want men kan een onwillige leerling niet blijven steunen, omdat dit het succes van de goed presterende leerlingen en hun verdienste teniet doet. Schoolmoeheid zal zo alleen maar toenemen.

Zo kan men doorgaan, met kritiek spuien op het bestaande en menen dat alles beter moet. In het verkeerswezen wordt de goede oude auto weggezet als oorzaak van allerlei ellende, ongevallen met zwakke weggebruikers, vervuiling met CO² en fijn stof. Dat klopt natuurlijk wel, zoals het ook een feit is dat er meer auto's op de baan zijn dan een twintig jaar geleden het geval was. Maar nu wordt de gebruiker geviseerd: de enige rechtmatige verplaatsingen per auto zijn die voor het woon-werkverkeer als er geen goed alternatief beschikbaar is. Met deze regel zou men nog uit de voeten kunnen als dat openbaar vervoer werkelijk geschikt was om aan de mobiliteitsnoden tegemoet te komen. Omdat men lijnen wegens te beperkt gebruik wil schrappen en het gebruik van de belbus te rigide is, kan men in feite niet beslissen af te zien van de auto. Bovendien gebruiken we de auto voor allerlei andere zaken dan het werk alleen. Ook ons sociale leven staat of valt met mobiliteit en dan kan het vaak niet anders of men heeft een wagen nodig. Het probleem is dat men de oude stadskernen als autonome entiteiten voorstelt, terwijl we nog nauwelijks van afgrenzingen in het landschap iets merken, wat betekent dat er in de afgelopen 120 jaar een grootstad is ontstaan, waar de oude stadskernen een eigen karakter aan geven, maar meer is dat niet.  Het uitgaansleven trekt dan ook weg uit de oude centrumsteden, voor zover mensen niet meer bij hun bestemming geraken. Familiebezoeken en vriendenbezoeken in de stad kost veel centen, gewoon omdat men alleen in de publieke parking de auto kwijt kan. En ja, op zondag of zaterdagavond kan men niet altijd voldoende beroep doen op het openbaar vervoer. Sociale contacten onderhouden zonder auto, het kan, maar is niet altijd gemakkelijk.

Het beleid verlaat zich daarbij op een expertise dat streeft naar ideale en volmaakte oplossingen, terwijl de kans groot is dat het leven juist suboptimale oplossingen vergen. De ontevredenheid van burgers moet men weten te meten, maar men moet er ook niet altijd alle aandacht aan geven, wel kan men proberen beter voor te lichten hoe die grote systemen werken. De volksgezondheid zorgt voor heel wat hoofdbrekens, want er komen medicijnen van een nieuwe signatuur die toelaten van kanker een meer chronische aandoening te maken met kwaliteit van leven, terwijl alle behandelingsbenaderingen dezer dagen nog altijd gericht zijn op de acute behandeling en de vergoeding per medische handeling. Ook andere aandoeningen, zoals obesitas en suikerziekte ook chronischer van aard werden. De zorg is goed uitgebouwd in onze contreien, maar het blijkt niet altijd betaalbaar te zijn en bovendien worstelen beleidmakers met de vraag wat men met vermijdbare aandoeningen moet doen. De druk op personen om zich aan strikte leefregels te houden, gezond te leven dus, wordt groter, zonder dat men er de ongemakkelijke aspecten van in kaart brengt. Men dringt mensen op een of andere manier een soort smetvrees op.

Een politica, Gwendolyn Rutten vond deze week dat politici teveel op pastoors zijn gaan lijken, voortdurend staan te zwaaien met allerlei verbodsbepalingen en dat dit niet zo een goede benadering is. Mensen weten wel wat goed is voor hen, moeten niet voortdurend gewezen worden op hun verzuim of tekort schieten. Maar haar eigen partij wil de schoolplicht verlagen tot 3 jaar, omdat zo de kindjes zich tijdig de schoolse discipline kunnen eigen maken en eventueel al iets van schrijven en rekenen onder de knie krijgen. Ze moeten al presteren, wetende dat kinderen op die leeftijd vooral nog zouden moeten kunnen spelen. Voor disciplinering is er nog tijd genoeg. Overigens, met Huijer denk ik dat er vormen van disciplinering zijn die wenselijk zijn omdat ze meer vrijheid opleveren, maar niet elke vorm van disciplinering is van een maatschappelijke orde.

Het is niet eenvoudig politicus m/v te zijn dezer dagen want burgers maken hen voortdurend attent op hun angsten en onzekerheden. De vraag of we Europa verder moeten uitbouwen dan wel kortwieken, botst op tegenstrijdige antwoorden, maar omdat vooral het vermeende falen van de Europese instellingen onder de aandacht komt, ziet men als burger niet meer waarom die Unie er gekomen is, sinds 1953 en hoe die nu bijna het hele continent als ondersteunende peiler, ook voor economische ontwikkeling schraagt. Men ziet vooral hoe Europa de nationale soevereiniteit ondergraven zou hebben, maar elk land kan vrij zijn of haar leiders kiezen, die leiders bepalen mee wat er op het niveau van de Unie mogelijk is. De landen die er in 2004 lid van werden, beseffen niet altijd hoe de balans voor henzelf uitpakt, zien inderdaad dat Brussel soms dwingende maatregelen kan opleggen, maar dat hun economie sinds de toetreding kon groeien, vergeet men wel eens. Ook de gedachte aan vrede is voor velen onder ons niet meer aan de orde, want zeer evident, maar nu Moskou zoekt naar middelen om verloren invloed weer te herwinnen, merken de landen van het voormalige Oostblok dat hun veiligheid in gevaar zou kunnen komen en ook hun vrijheid. In Nederland is men nog niet die conclusie gekomen, in België evenmin.

Democratie beleven is niet zo eenvoudig als men wel eens denkt te mogen voorstellen, omdat in een democratie individuele burgers hun inzichten hoe dan ook laten gelden en als er een algemene opstand komt tegen wat men de elite noemt, de bestuurlijke elite in de eerste plaats, dan zouden juist de armsten er het meest van te lijden kunnen hebben. De sociale zekerheid is er alleen nog voor ons soort mensen? Zou een politicus dat zonder gevaar voor lijf en leden kunnen beweren? Het valt al wel eens voor en toch is dat voor de media geen punt. Enfin, tenzij ze de armoedeagenda uitdragen, maar dan nog is de kans behoorlijk groot dat ze stokebranden niet op de vingers zullen tikken; overigens blijkt dat iemand als Geert Wilders vooral een sociaal beleid wil voeren voor de eigen ingezetenen, niet voor de migranten, al of niet erkend als inwoner. Sociaal beleid is voor hem wel mogelijk, als men er de lastpakken uit bonjouren kan.

Als we aannemen dat burgers in een democratie via verkiezingen het laatste woord hebben, dan zal men hen zonder te verzakken in het moeras van het paternalisme wel beter op de hoogte brengen van de baten en zegeningen van het bestel, van de democratische politieke orde, zonder dat men daarom elk beleid maar lijdzaam zou moeten ondergaan. Die vraag naar de baten en zegeningen zou jongeren niet meer interesseren. Maar zij weten al te goed dat niet al te veel politici een rechte rug hebben als lobbyisten hen aanspreken. Maar het valt ook op dat jongeren vinden dat zo een groot project als de Oosterweeltunnel er nu maar moet komen. Zij vragen zich af waarom alleen de tegenstanders aan het woord komen.

Hun angst en onzekerheid over de toekomst is inderdaad groter dan wat wij als adolescenten en jongvolwassenen hebben beleefd. Men sprak later over de Loden jaren 80, maar was dat ook zo in onze beleving? Het hangt er maar van af wat men zelf kon doen in die periode en hoe men in het leven stond. Natuurlijk, links kende in sommige landen een dipje, maar in Frankrijk bijvoorbeeld was Links wel aan de macht en toch leek het met de toekomstvisie ook niet op te schieten.

Wordt het daarom geen tijd dat we jongeren de kans geven zich vertrouwd te maken met de gevaren van tirannie en dictatuur? Wie zal dat doen, als de pers verstek geeft? Over Venezuela horen we af en toe wel iets, maar dat het de schuld van de regering Chavez en Maduro is dat het land ondanks alle potentiële rijkdom in armoede verzinkt en de burgers van hun toekomst niet veel meer verwachten, tenzij ze emigreren, horen we al te weinig. Of Cuba? Was Fidel een goede leider? Dat het onderwijs en de volksgezondheidzorg er gratis zijn, kan een plus heten, maar de kwaliteit blijft dan buiten beeld. En wat hebben de inwoners van de DDR beleefd, de burgers van Polen of Tsjechië? Het blijft altijd weer buiten beeld.

We horen klagen over Victor Orban of Zeman, over het feit dat de oostelijke Länder van de Bondsrepubliek nog altijd minder welvarend zijn, maar dat dit ligt aan een onnoemelijk slechte beleid van de DDR, daarover hoort men niets. De roman "Unterleuten" van Juli Zeh gaat over de verwerking van die tijd en hoe mensen er met kunst en vliegwerk voor zichzelf iets hebben kunnen uithalen, laat onverlet dat ze er moreel wel onder hebben geleden, ook onder de leugens waar ze zelf aan geloofden.

Democratie zal maar vertrouwen wekken als we er opnieuw in gaan geloven en als we niet elk akkefietje opblazen tot een megaschandaal. Anderzijds blijft het resultaat van het bestaande beleid garant voor velen wat hun levensomstandigheden betreft. Goed, men kan en moet vaststellen dat singles zwaarder belast worden dan getrouwde stellen en dat ook nutsvoorzieningen niet geheel afgestemd zijn op het verbruik van singles. Er vallen daar vragen over te stellen, maar neemt dat alle geloofwaardigheid weg? Hetzelfde geldt voor wat de tussenkomsten van lobbyisten want worden zij altijd gevolgd? Vaak vernemen we in de media dat deze of gene groep is tussengekomen, maar dat dit per slot van rekening de besluitvorming niet beinvloed heeft, vernemen we niet (altijd). Het democratische bestel is gevoelig voor onrechtmatige beïnvloeding, maar als we zien wie en hoe die groepen invloed uitoefenen, zal moeten opmerken dat die niet altijd in de ene richting gaat, die van de grote spelers, de gigabedrijven. In meerdere opzichten zal men merken dat de belangen van onderscheiden groepen gehoord worden. Jammer is dan wel dat dit als onrechtmatige beïnvloeding voorgesteld wordt en achterkamertjespolitiek geduid wordt. Dat men niet altijd de meest rationele benadering verkiest bij het oplossen van maatschappelijke problemen, zorgt wel voor wenkbrauwengefrons, maar kan wel verklaard worden door het gegeven dat men niet altijd zomaar rechtdoor kan gaan, zonder grote brokken te maken.

Werd Donald Trump gekozen op grond van de woede van mensen, die vonden dat Amerika achteruit zou zijn gegaan, dan waren de media er verantwoordelijk voor dat ze de negatieve elementen zonder perspectief in beeld brachten. Dat Detroit city in faling is gegaan, als gevolg van de financiële crisis, weten we, maar hoe heeft men vervolgens de vele problemen die er waren al dan niet een oplossing kregen, bleef onderbelicht. Trump loog over de staat van de economie, over de verwachtingen wat werkgelegenheid betreft en over de wijze waarop hij dacht de rampspoed te keren. Het zal duidelijk zijn dat mensen een afkeer krijgen van de situatie, omdat ze voor stomme kloten gehouden worden. Anders dan men zegt, gaat de crisis van de democratie die we beleven vooral over het feit dat mensen zich niet erkend weten en voor dommer gehouden dan ze zijn. Angst en onzekerheid? Ook wel, maar dat lijkt een alibi om de andere facetten niet te hoeven zien.


Bart Haers



woensdag 7 december 2016

aristotelische ratio of kantiaanse



Reflectie


Zingeving en hoe te leven
Wat we wensen te geloven



In de discussies over wie nu de
waarheid in pacht heeft, vallen
altijd dezelfde namen. Marsilio
Ficino ontdekte de Griekse
wijsbegeerte, onder meer
de neoplatonistische filosofen
en ontwikkelde een nogal eigengereid
mens- en wereldbeeld. Toch wordt
hij ten onrechte vergeten. Maar
we hebben dan ook niet veel tijd
om discussies ten gronde te voeren. 
De discussie over wie de waarheid nu in pacht zou hebben de wetenschapper of de gelovige, brengt pennen in beweging en roept andere vragen op. Het wereldbeeld van de wetenschapper komt tegen iets te staan dat van een andere orde is, namelijk het geloof dat de wereld niet alles is wat het geval is. Men verwijt me wel dat ik het te zeer zou opnemen voor het geloof, maar dat is het punt niet. De vraag is of objectief naar de wereld kunnen en naar medemensen. Hoe begrijpen we onze betrokkenheid bij die wereld?

Studerend op de vraag of en hoe angst in de samenleving het handelen van bestuurders en onderdanen in de Middeleeuwse samenleving kwam ik tot de vaststelling dat naarmate de samenleving complexer werd, de onzekerheid opgevangen werd in een verdere christianisatie, die, naar het woord van Prof. dr. Ludo Milis, meer interiorisatie met zich bracht. Het instellen van de biechtpraktijk was in beginsel een poging om mensen te ondersteunen in hun zelfzorg, maar werd vervolgens een uitgelezen middel voor zielzorg en uiteindelijk tot diepgaande en intieme controle op de biechteling. Het is wel zo dat die controle van middel een doel werd en geleidelijk de kerk besmette met een zekere wellustige drang naar beheersing van het intieme leven. Toch waren het dan weer kerkelijke topfiguren die er tegen gingen protesteren en probeerden de misselijk makende controledrift te temperen.

Er speelt nog iets anders mee, de concepten die mee het christendom vorm hebben gegeven komen uit verschillende culturen en blijken in hoge mate het product van syncretisme, waarin filosofische, religieuze en wereldse tradities aan elkaar verbonden worden. Doorheen de middeleeuwen en nieuwe tijden kwamen er bovendien nieuwe vragen op het bordje van de christelijke leiders, die elkaar ook wel eens rauw lustten, zodat er schisma's uit voortkwamen. Men kan de opgang van de scholastiek niet los zien van de introductie van werken van Aristoteles, via de Arabische en Joodse wereld. In het christendom zit ook een dosis gnosis, die in de veertiende eeuw een herleving kende, via Marsilio Ficino, die ook het Corpus Hermeticum onder de aandacht bracht, een gewrocht uit de tweede eeuw na Christus, niet uit een pre-mozaïsche tijd, zoals Ficino dacht. Ficino werd een beschermeling van de Medici's en huisleraar van de Lorenzo de Medici. Zoals hij waren in de vijftiende en zestiende eeuw wel meer mensen die vonden dat er zich een nieuwe gouden eeuw aandiende, waaraan ze zich met volle teugen laafden en er vervolgens het hunne toe bijdroegen.

De waarheid lag voor velen voor het grijpen, maar het blijkt wel zo te zijn dat mensen als Francis Bacon of Simon Stevin op hun manier de nieuwe wegen uitstippelden. In het debat over de vraag of wetenschap dan wel (christelijk) geloof naar waarheid leiden, zal men toch moeten vaststellen dat tot in de 18de eeuw mensen uit de kerk zelf ook wetenschappelijk actief waren en vaak de weg hebben bereid voor een wereldbeeld zonder god. Zolang we onze aandacht exclusief richten op enkele topfiguren, ontgaat ons ten enenmale de mogelijkheid om het bereik van (nieuwe) inzichten af te meten. Neem de betekenis van de Brabantse omwenteling, 1787 - 1789, die zich richtte tegen de Keizer-Koster, zelf al een drager van nieuwe, verlichte ideeën, waarbij men ons op school leerde dat die door de kerk op gang gebracht werd om de eigen voorrechten in stand te houden. Maar er waren ook clerici die mee tegen Joseph II van Oostenrijk in het conflict aangingen om modernisering van de samenleving mogelijk te maken - de kritiek op Joseph II kwam zowel van conservatieve krachten als van modernisten. De verhoudingen in de Oostenrijkse Nederlanden waren dus niet zo simpel als men het graag voorheeft.

In het jonge België merkte men overigens dat bijvoorbeeld de kleinzoon van Pierre Theodore Verhaeghe, Arthur Verhaeghe terug katholiek werd en tegelijk probeerde die partij(en) te moderniseren. Om welke reden hij, Arthur Verhaeghe opnieuw kerks werd, is mij niet geheel duidelijk, dat hij in zijn werkzame leven mee de neogotiek in Vlaanderen ondersteunde en financierde, is wel duidelijk, net als het feit dat hij vergeefs probeerde de arbeiders om zich heen te verzamelen, want die kozen voor zelforganisatie, zoals het ACV en later het ACW. Overigens, waar de bisschoppen in 1787 in verdeelde slagorde opereerden, kwamen ze na 1830 meer eensgezind uit de hoek, om de crisis van de achttiende eeuw te bezweren. In absolute cijfers zou de aanpak van het bisdom Gent, waar gestreefd werd naar hernieuwde aansluiting met het volk, de eenvoudige mensen of hoe men al die mensen die de snel groeiende stad en het snel industrieel groeiende arrondissement ook wil noemen, in percentage van de bevolking valt het allemaal nog te bezien. De demografische ontwikkelingen maken een afweging niet eenvoudig.

Om maar te zeggen, wat de Zuidelijke Nederlanden en de gedurende lange tijd meest volkrijke provincie, Oost-Vlaanderen aangaat, was er aan de ene kant een beleid van herkerstening, maar kon vanaf de jaren 1860-1880 het socialisme veel mensen achter zich krijgen, waarbij een uitgesproken vrijzinnige levenshouding werd gepropageerd. De strijd om de ziel van het kind? De schoolstrijd in de late negentiende eeuw heeft er wel toe geleid dat de katholieke partij - voor zover ze geen amalgaam was van onderscheiden groepen en bewegingen - 30 jaar lang kon besturen zonder dat liberalen of socialisten in het landsbestuur voet aan de grond kregen.

Na Mei '68 werd het vertrouwen in de wetenschappen serieus op de proef gesteld en in de groene beweging blijft die argwaan bestaan ten aanzien van ingenieurs in het bijzonder. Daarbij speelt het bestrijden van de almacht van bedrijven als Monsanto een grote rol. Wat dan nog te zeggen van de nucleaire energieproductie? Neen, bedankt.

Als we nu dus zien hoe mensen de claim op de waarheid van de wetenschappen of het geloof willen ondersteunen en elkaar bekampen met allerlei argumenten, die niet altijd even sluitend blijken, dan is het toch wel nuttig te begrijpen dat de ontkerkelijking zelf het gevolg was van succesvolle politieke veranderingen, maar tegelijk, stelt men in Vlaanderen dan toch vast, dat mensen die zelf niet veel meer geven om God of gebod, toch maar kiezen voor katholiek onderwijs voor hun kinderen. De kerken worden danszalen of winkelcentra, woonhuizen, wegens leegstand, maar tegelijk ziet men dat wie gelooft wel eens de neiging niet kan onderdrukken er strakkere inzichten op na te houden dan een halve eeuw geleden het geval was. In Europa,enfin, in Nederland en Vlaanderen blijft dat een randfenomeen, maar het is wel niet onbelangrijk, in de VS gaan gelovigen liefst lijnrecht in tegen wat ze als gevaarlijke nieuwlichterij beschouwen, terwijl vele van die inzichten die ze bestrijden al 100 jaar geleden goed waren ingeburgerd.

Van de weeromstuit gaan mensen als Richard Dawkins en  anderen zich tegen orthodoxiën in het verzet die een plaats blijven geven aan een god. Zij menen dat de natuur perfect verklaarbaar is zonder de inbreng van een of ander superieure horlogemaker, wat moeilijk te weerleggen is. De vraag die zij over het hoofd zien luidt nu eenmaal waarom mensen zich gedurende eeuwen juist aan zo een god hebben willen onderwerpen  en dat had te maken met de ongewisheid van het leven. Contingentie was toen werkelijk voor iedereen een dingetje om zich bekommerd om te weten. Tijdens de achttiende eeuw zou het paganisme een nieuwe bloei kennen, onder meer via de Weimarer Klassik, Goethe en Schiller dus als vaandeldragers.

Nog eens, in de tweede helft van de 20ste eeuw ontstond een klimaat waar men een nooit geziene vrijheid kende om voor deze of gene club te kiezen, gingen ook jongeren zich aansluiten bij allerlei sektes - na de bloei en ondergang van de meeste anarchistische communes - en kregen ook strenge obediënties opnieuw een aanhang van jongeren. De bekering van Cat Stevens tot de Islam zal wel niet onopvallend voorbij zijn gegaan, want al goed twintig jaar ziet men jonge westerse meiden en jongens zich bekeren en daarbij, zoals bij proselieten wel vaker het geval is, strenger in leer blijken dan de meeste moslims die van kindsbeen af in de religie zijn opgevoed. Ook bij de Syriëstrijders valt op dat er nogal wat bekeerlingen actief zijn.

Die openheid om zelf desnoods een amalgaam van opvattingen in elkaar te steken als een levensbeschouwelijk kader lijkt net nu gevaarlijk dicht te slibben. De terugkeer van strakke levensbeschouwelijke opvattingen komt mij opmerkelijk maar daarom niet onbegrijpelijk voor. Het is begrijpelijk in die zin dat mensen zich aan de negatieve aspecten van de gevierde vrijheden zijn gaan ergeren, bijvoorbeeld als ze 'slachtoffer' menen te zijn van de scheve schaatsen die de echtgenoot, echtgenote rijdt en bij de echtscheiding hij of zij die ter goeder trouw was veel aan welvaart verliest. Men kan die vrijheden niet zomaar in vraag stellen, maar als het voor mensen lastig wordt als een derde ervan gebruikt maakt en hen in de kou laat staan, want dat maakt het opnemen van engagementen bijzonder precair. Of men daarom opnieuw naar god moet kijken, zou ik niet weten, maar de kans bestaat wel dat mensen houvast zoeken. Aan de andere kant, de kritiek aan het adres van de kerk over vraagstukken als abortus of geboortebeperking en toepassingen van nieuwe fertiliteittechnieken zorgt ook weer voor een ongemakkelijke houding, want men wil zoveel inmenging niet.

De plaats die religie en levensbeschouwing inneemt in het leven van mensen is niet meer a priori een zaak van onnadenkendheid en gemakzucht, sociale dwang eventueel. Mensen ervaren de leerstellingen van een religie wel eens als een soort bevrijding uit onzekerheid, maar kunnen met bepaalde voorschriften niet uit de voeten. Prof. Vermeersch lijkt zich van die ambivalente houding niet geheel bewust, als hij stelt dat men ethisch gedrag volstrekt rationeel kan funderen, moet funderen, omdat het anders geen goede resultaten zal opleveren. Mensen zijn zich nu eenmaal bewust van de mogelijkheden die ICT te bieden heeft en ook op andere terreinen ervaren mensen de weldaden van de hedendaagse samenleving, maar er zijn er ook in groten getale die net bang zijn voor dat alles, omdat ze vrezen greep te verliezen op het eigen leven.

Wat overigens rationeel juist is, hangt dan nog af of men de weg volgt die Descartes en Kant hebben gewezen, dan wel of men meer pragmatische opvattingen huldigt, zoals reeds Aristoteles die in de aanbieding had. Want daar ligt het kalf dan wel gebonden, dat het begrip rationalisme zozeer aangewend is om een objectiviteit voorop te stellen die in de praktijk wel eens te wensen overliet. Aristoteles begreep dat de rede als instrument niet los kan functioneren van wat we in vivo kunnen observeren. Over het goede leven spreken zonder met de betekenis van bepaalde inzichten voor mensen in vivo te toetsen, bijvoorbeeld als het over geheelonthouding gaat, heeft weinig zin. Zowel Spinoza als Blaise Pascal hadden het door, dat mensen zich niet zomaar laten leiden tot wat in de beste der werelden wenselijk of zelfs dwingend goed zou zijn. Toch  is men geneigd Spinoza als een opvolger van Descartes te zien, terwijl hij op cruciale domeinen anders tegen mens en wereld, tegen de filosofie en het bedrijven van filosofie aankeek dan Descartes. Wel begon zijn interesse met het lezen van Descartes, maar zijn werk, van Spinoza dus, vormt een repliek op wat Descartes die gedurende de zeventiende eeuw wel verguisd werd door de machthebbers, maar bij een publiek van geinteresseerde burgers zeer aantrekkelijk was heeft te berde gebracht. Onder meer de scheiding van materie en ziel die Descartes opnieuw poneerde heeft Spinoza zeer uitdrukkelijk afgewezen. Ook dezer dagen blijkt de ene wetenschapper nog steeds te geloven in een Cartesiaans theater, zoals Descartes dat poneerde en waar Dick Swaab ook bij uitkwam, terwijl andere wetenschappers net begrijpen dat in de materie, c.q. het menselijke brein, ook het bewustzijn gefundeerd is, dus ook het vermogen tot rationaliteit.  Het bewustzijn is (gedeeltelijk) afwezig als het brein niet geheel naar wens functioneert.

Het zijn langlopende discussies tussen wetenschappers en filosofen die onze aandacht kan trekken en ons ervan kan overtuigen de mens te zien als een vat vol mogelijkheden, dat mensen zowel met wiskunde kunnen bezig zijn als met (atheïstische) spiritualiteit, zoals Leo Apostel heeft betoogd. Of er vandaag meer mensen zijn die atheïstisch zijn of antitheïstisch, moet niet de kern van de discussie zijn, wel of we nog bereid zijn het "aude sapere" daadwerkelijk te verwerkelijken. Durven we nog zelf te denken en op het gevaar af, fout te blijken, toch met de werkelijkheid waarin we leven zinvol om te gaan. Antitheïsten lijken wel eens teveel aandacht te besteden aan God, de vader, maar vergeten dat mensen, zij die nog gelovig leven en andere, die zich ontvoogd hebben van de zielenzorg, wellicht best weten dat God in het dagelijkse leven niet zo prominent aanwezig is als zij die het bestaan van zo een god onmogelijk bevinden, voorwenden. Kortom, de vraag is wie nu het meest met God bezig is en vervolgens, of mensen die zich niet om God menen te moeten bekommeren, minder rationeel zouden denken, in de Aristotelische zin en minder in Kantiaanse zin. Kortom, over de ratio kan nog veel verteld worden.

Bart Haers





dinsdag 6 december 2016

Er is maar een waarheid




Dezer Dagen



Een weg tot waarheid
Welke waarheid?



 
Om de zwakke kracht van de zwaartekrachtgolf
te meten werd dit uitermate scherp afgestelde
meetinstruement gebouwd. Alleen uitleggen wat
men zo zou kunnen meten, vergt een zekere
voorkennis. Maar men heeft zo een zwaartekrachtgolf
kunnen meten. De bouw van het instrument vergde
al heel wat kunde. 
Ook Etienne Vermeersch mengt zich in het debat met de vaststelling dat er maar een weg is naar de waarheid. Welke waarheid? Die naar de Big Bang kan inderdaad als een moeizame overdacht worden, want het duurde tot 1931 voor iemand zover was en het duurde tot na WO II voor dat inzicht het brede publiek kon bereiken. Professor em. Etienne Vermeersch kan stellen dat de religie op dit punt weinig kan bijdragen aan betere inzichten. Edoch, kan de wetenschap wel veel inbrengen als het om menselijk gedrag gaat? Er zijn methodes die ons helpen een en ander te beschrijven, maar zowel de psychologie als de sociologie laten niet altijd toe met dezelfde zekerheid uitspraken te doen. Nog minder het lukt het deze disciplines ons de weg te tonen naar het goede leven.

Een film "La stanza del figlio" greep me bijzonder aan, omdat de rouwverwerking en de beladenheid, c.q. de schuldvraag beantwoorden elk naar een eigen hoekje dreef. De liefde kwam weerom met een brief, met een nieuw begin. Hier helpt de ratio niet echt,want het verlies van een zoon was voor Moretti in de film en wellicht in het echt het ergste wat kon gebeuren en niemand wil of kan er zich op voorbereiden. Omstandigheden, zoals een brief, duwen het verhaal een richting uit die je als kijker niet verwacht had.

Men zal wel eens vermoeden dat ik niet geloof in rationele of wetenschappelijke kennis, maar dat klopt slechts ten dele en inderdaad, kennis die afdoende gestaafd is, neem ik aan, zonder voorbehoud als er geen redenen toe zijn. Maar wat Etienne Vermeersch op ons bordje legt, roept vragen op, omdat hij meent dat er maar een weg is naar kennis en dat is de rationele benadering en hier moet men toch vragen wat dat betekent, want wetenschappelijke kennis komt tot stand via controleerbare en herhaalbare waarnemingen. In de fysica is dat niet zo moeilijk, al blijkt dat wel dat veel inzichten uit de fysica op grond van intuïtie zijn tot stand gekomen, waarbij de observatie niet buiten spel is gebleven. Toch heeft de theoretische natuurkunde wel degelijk een grote inbreng gehad in het voortschrijden van de inzichten en valt de noodzaak van observatie dan wel niet helemaal weg, maar de theoretische natuurkunde werkt vooral op een wiskundige manier en is daarom de meest rationele wetenschap denkbaar.

Etienne Vermeersch zegt dat geschiedenis qua rationaliteit maar 0,8 op 1 scoort, maar te vrezen valt dat hij daarbij weinig oog heeft voor de hermeneutische kant van het vak van de geschiedenis en dat die andere moeilijke klip, die van de historische kritiek, wel rationeel is van aard, maar om heeft te gaan met bronnen die een eigen verhaal vertellen. Als men dan ook nog eens bronnen gaat hanteren los van hun eigen bestaansreden, dan vergt de argumentatie veel zorgvuldigheid. Men kan evenwel nog een stap verder gaan en zich afvragen wat die kennis ons bijbrengt in het begrijpen van het menselijke, al te menselijke en dan wordt het wellicht heel stil. Hoe kan men historische kennis hanteren als een basis voor een beter begrijpen van het eigen handelen of het handelen van anderen?

John Lukacs schreef een essay over de plaats van Hitler in de historiografie en over de vraag hoe we die periode (1932 - 1945) nu moeten begrijpen. Was Hitler een dwaas of een dolgedraaide, zelfingenomen dan wel gefrustreerde gek? Hoe kon hij zoveel mensen van zijn utopie, een 1000-jarig rijk overtuigen? Uiteraard ontbrak het die mensen aan inzicht in de figuur van Hitler en in de werkelijke omstandigheden van het rijk, om nog te zwijgen van de verwachtingen die ze konden koesteren. Maar velen gingen mee, al blijkt wel dat lang niet iedereen even enthousiast in het systeem geloofde.

Wibke Brühns, een bekende nieuwslezeres in Duitsland, geboren in 1938, beschrijft hoe de familie deel had aan de aanslag van 20 juli 1944, haar vader en neef wisten van de aanslag van von  Stauffenberg op Hitler en gaven dit niet aan. Haar vader en grootvader waren zeer patriottische Duitsers en in de eerste Wereldoorlog hadden haar grootvader en vader al dienst gedaan in het Oosten, na de oorlog had hij alle moeite om de grote familiezaak in Halberstadt weer op te bouwen. Verschillende leden, onder wie vader en zoon Klamroth namen dienst in de SS en steunden lang Hitler en zijn partij. Dat zijn feiten die Wibke Brühns pas laat kon naspeuren, omdat ze er eerst zelf niet zoveel van verwachtte, maar ook en zeker was het zo dat ze wel wist waar haar ouders en grootouders hadden gestaan en daar wilde ze liefst niet teveel mee te maken hebben. Finaal kon ze aan die weinig aangename waarheid niet voorbij en dat beschreef zij in haar boek over hoe de familie Klamroth de opgang van Halberstadt mee bewerkstelligde en uiteindelijk de ondergang ook geheel te ondergaan had, maar er zelf aan had meegewerkt.  

Het punt is dat waarheid altijd ergens over gaat, dat een abstracte waarheid in het luchtledige blijft hangen en dus ook zinledig is. Zoals al eerder geschreven, de strijd tussen de wegen naar waarheden, waarvan Vermeersch nog maar eens zegt dat er maar een weg is, de wetenschappelijke, want de andere, die van het geloof, zit vol tegenspraak en onzekerheden, negeert andere vormen van kennis. Precies dat argument verdient aandacht, want ook de wetenschappelijke weg leidt niet altijd tot zekere inzichten en het gebeurt wel eens dat wetenschappers het niet met elkaar eens kunnen worden. Bovendien zorgt nieuw onderzoek vaak tot een scherp conflict over de geldigheid van het onderzoek en de resultaten ervan. De genealogie van de mens als soort vormt zo een terrein waar men niet altijd gemakkelijk vaste grond onder de voeten krijgt. Hoe zat het met al die resten en wat vertegenwoordigen ze? Hoe kan men groepen terugvinden, in plaats van de resten van een persoon, zoals Lucie? Kan het zijn dat het ontstaan van de menselijke soort gedurende een paar miljoen jaar zeer onduidelijk en onzeker was en dat de verwantschap met de Chimpansee bleef doorleven door regelmatige onderlinge seksuele relaties. Volgens sommigen kan men overigens de geschiedenis van de menselijke soort laten beginnen rond 200.000 BP, sommigen gaan nog minder verder terug, tot de Homo Sapiens Sapiens, maar zelfs daar blijken de bloedlijnen niet helemaal zuiver te trekken. Het ligt niet aan het gebrek aan wetenschappelijkheid, maar aan de beschikbaarheid van sporen en voldoende goed gedocumenteerde contexten voor die sporen.

En ja, als men de periode voor 200.000 niet echt goed in kaart weet te brengen, kan men dat maar beter uitleggen, eerder dan in het publieke betoog plots die vondsten van resten van menselijke wezens van 3 miljoen jaar als aanwijzingen beschouwen, zonder dat de hele stamboom in de sporen terug te vinden is, wel kan via DNA een en ander vastgesteld worden, maar ook daar is het bereik niet zo groot, tot 140.000 via het (vrouwelijke) mitochondriaal dna. Maar wat weten we dan meer. Het hele verhaal van het ontstaan van de menselijke soort blijft altijd nog boeiend genoeg, veel is er nog niet helder, want hoe of waarom een aantal wezens uit de familie van de primaten uit de bomen kwamen en rechtop gingen lopen, is voor zover ik weet niet duidelijk en ook het ontstaan van de taal, het aanwenden van vuur, het dragen van kleding... het zijn vragen waar we zelden goede sporen voor vinden, maar de homo sapiens sapiens werd blijkbaar een homo faber en een spraakwaterval.

Natuurlijk kan men het Etienne Vermeersch niet euvel duiden dat die kennis maar traag wordt opgebouwd en dat men afhankelijk is van sporen en indirecte bevindingen. Het herkennen van materiaal dat dienstig kan zijn, vergt overigens ook wel enige ervaring. Feit is wel dat deze kennis over hoe de mens werd wie we zijn geworden, nog altijd niet zo heel veel zegt over wat het kan betekenen goed te leven.

De weg van de wetenschappen heeft ons inderdaad tal van inzichten opgeleverd, over de Aarde, over vulkanisme en platentektoniek, over de verhouding van zuurstof en koolstof in de lucht, het belang van fotosynthese en zoveel meer. Waarom er leven kon komen op deze aarde en hoe dat in het werk is gegaan weten we al heel wat, waardoor we onze plaats in het grotere geheel beter kunnen inschatten. Maar de conclusies die men daaruit trekken kan verschillen nogal, want sommigen menen dat we de aarde meer moeten koesteren, dat we geen dieren meer mogen eten of opkweken voor de slacht en anderen menen dat we best mogen genieten van de dingen die de aarde te bieden heeft. Ook over wat het goede leven noemen, in de filosofische en in de alledaagse versie, zien we dat de discussie niet stil lijkt te vallen. Sommigen halen inspiratie bij de grote monotheïstische godsdiensten, anderen weigeren er zich op te verlaten want het zou nergens op slaan, wat de bijbel of de Thora te vertellen hebben.

De breuk in de samenleving tussen gelovigen en ongelovigen trekken, lijkt weinig zinvol, omdat katholieken door de band de stand van de wetenschappen volgen en er in grote mate geen problemen mee hebben ook als het erop aan komt ethische keuzes te maken, zoals inzake abortus en euthanasie. Het verschil tussen autochtone Vlamingen en autochtone, niet-westerse immigranten en hun nazaten blijkt veel dieper te zijn, ook al omdat men niet altijd bereid is de kennis die op school wordt uit- en overgedragen te aanvaarden. De evolutietheorie en de oorsprong van de mens zijn niet voor iedereen zomaar te aanvaarden en dat heeft te maken met de wijze waarop men deel kan hebben aan het onderwijs. Anderzijds, zou het zo zijn dat men daarom voetstoots de inzichten die de evolutionaire psychologie weet aan te dragen, of men gelovig is of niet? De implicaties voor het mensbeeld zijn niet zo gering als men het wel wil voorwenden, want stellen dat mensen niet tot altruïsme in staat zijn, kan men bezwaarlijk een onbetwist wetenschappelijk inzicht noemen.

Zoals Etienne Vermeersch de zaken voorstelt, zou elk wetenschappelijk inzicht dat beantwoordt aan de methodologische en inhoudelijke randvoorwaarden van de betrokken discipline, voldoende moeten zijn om ons de waarheid bij te brengen, maar de vraag blijft dan welke waarheid en wat brengt die bij. De waarheid absoluut noemen, slechts een weg naar de waarheid voorhouden, is dat niet wat de kerk gedurende bijna twee millennia heeft gedaan? Wetenschappelijke kennis is van groot belang, kan ons helpen inzichten te ontwikkelen over hoe we nu moeten leven, maar tegelijk weet men hoe moeilijk het was voor Vesalius de visie van Galenus onderuit te halen en ook Ptolemaeus had machtige vrienden aan het begin van de wetenschappelijke revolutie, in de 16de eeuw. Vermeersch meent dat we ons moeten verlaten op wetenschappelijke zekerheden en wat altijd weer gebleken is, kan men wetenschappelijke inzichten voor waar aannemen, tot iets anders uit het onderzoek is gebleken, maar dat blijkt ons niet onmiddellijk duidelijk.

Zeker wat de humane wetenschappen betreft, zal men altijd merken dat de inzichten met elkaar conflicteren, of het nu over taalkunde gaat dan wel over semiologie. Die hang naar zekerheid die Etienne Vermeersch in zijn denken nooit kan ontkomen omdat het zijn drijfveer is, maakt het ook moeilijk alternatieve zienswijzen te erkennen. Het blijft overigens ook nog de vraag of we onze ethische vragen en ons dito handelen op de bevindingen van de wetenschappen kunnen baseren. Het valt immers op dat we in onze omgang met anderen, mensen die ons na staan of verderaf van ons zich bewegen zelden op grond van wetenschappelijke bevindingen regelen, maar vooral intuïtief. Dat sommige mensen meer geneigd zijn de categorische imperatief van Kant te huldigen, dan het nieuwe adagium, dat we niet aan altruïsme hoeven te beginnen, want dat is altijd ook een verkapt of verborgen egoïsme of egocentrisme, kleurt ook mee de samenleving. Weten we altijd wel wat ons drijft en als we ongewild fouten begaan, zijn die wetenschappelijk fout of gewoon moreel fout? En wat dan met het goede dat mensen doen? Of nog complexer: was zo een pater Walter Voordeckers oblaat, die mee de bevrijdingstheologie vorm gaf en uitdroeg en vermoord werd in 1980 door doodseskaders in Guatemala een goede mens? Volgens de kerk - Johannes Paulus II was de bevrijdingstheologie een dwaalleer - en onze westerse liberale opvattingen, waren zijn bemoeienissen met de armen niet zomaar goed te keuren. De moord maakte veel goed, maar de bevrijdingstheologie bleef men afwijzen en dus is de vraag of die inzet van Walter Voordeckers wel zo zuiver op de graat was. Zelf ben ik nooit laaiend enthousiast geweest over de bevrijdingstheologie, maar zijn dood en redenen waarom, maakten dat zijn offer wel waardevol moet heten, omdat hij machteloze landarbeiders te hulp kwam en daarvoor vermoord werd.

Een kwestie die in de discussie over waarheid en hoe die te bereiken, te verwerven altijd weer onbesproken blijft, betreft de kwestie of we met de waarheid zoals Descartes en Kant die presenteerden in het gewone leven wel iets kunnen aanvangen. Geen erg als we het hebben over de grote waarheden die niet variëren of veranderen, niet contingent zijn. Echter, komen we op het terrein van de veranderlijke dingen, van het begrensde, dan is men meer aangewezen op empirische kennis en daar kan men op het vlak van de wetenschappelijke activiteit meerdere vormen aantreffen. Scheikundeproeven of natuurkundige proefopstellingen leveren dan bewijs voor eeuwige waarheden, zoals het begrip eenparig versnelde beweging of de inval van het licht op een spiegel. Ook in de scheikunde kan men vaste betrekkingen tussen stoffen vaststellen en hoe die ook verband houden met hun respectieve atoomnummers. Maar in het leven dat we leiden en waar we keuzes maken, ethische keuzes kan het moeilijker worden met eeuwige waarheden die keuze te bepalen. Rationaliteit krijgt dan een andere betekenis, zoals Aristoteles betoogde.

In het algemeen is het leven zelf de weg naar inzicht en waarheid, waarbij wetenschappelijke inzichten zeker veel kunnen helpen, zoals onze menselijke bestaansvorm, met een levensverwachting ver boven de 45 laat zien. Maar velen klagen over allerlei welvaartsaandoeningen en zijn ontevreden over zichzelf. Dan helpt niet zozeer wetenschappelijke onderzoek maar een of andere vorm van introspectie, over gefrustreerde verwachtingen bijvoorbeeld of over wat we wel kunnen verrichten aan daden. Leren leven loopt langs verschillende sporen en de wetenschappelijke is er een van, maar hoe we het voor het overige klaarspelen, hangt van culturele factoren af of van de opvoeding, vorming. Het neemt wel niet weg dat voorgangers in deze of gene eredienst best niet te zeer geloven dat ze voor alles een antwoord hebben, want een boek van 1400 jaar oud of 2200 jaar oud kan wel mooie verhalen bevatten, hoe we daar iets mee kunnen aanvangen is dan weer van een andere orde. De geest van tolerantie en pluralisme is dezer dagen helaas helemaal verzwonden, want we willen vooral niet falen en dwalen in de verkeerde richting. Dus is het handig zich aan de wetenschappen te kunnen vastklampen, zoals anderen zich verliezen in een obsoleet godsgeloof. Slecht leven? Goed leven? Wie zal dat bepalen, tenzij in de rechtbank als mensen zich moeten verantwoorden? En het spreken van recht, casuïstisch als het is, leidt tot een ander soort inzichten dan de wetenschappen in de aanbieding hebben.


Bart Haers 

maandag 5 december 2016

Strijd om de waarheid



Dezer Dagen



Wereldbeelden in confrontatie
Ervaringswerelden botsen

Beeld van een supernova. 
Georges Le Maître werd herdacht en Rik Torfs gaf er een lezing over hoe bij Lemaître, de man die uit de relativiteitstheoriën en het idee van het uitdijende heelal afleidde dat er ergens een begin geweest moet zijn, de Big Bang, toch ook aan zijn geloof vast wenste te houden. Een ware wetenschapper laat het niet over zich heen komen en reageert. Maar begaat Senne Starckx zo geen vergissing, door alleen de exacte wetenschappen als model van wetenschappelijke kennis voorop te stellen?

Het is een oude frictie tussen mensen die zich tot het vrijdenken bekennen en zij die zich met wetenschap inlatend toch nog tot het geloof bekennen, het christelijke, katholieke geloof, want het ene zou het andere moeten uitsluiten. Wie de beginselen van de fysica heeft begrepen en wie zich heeft laten meevoeren in de wereld van quarks en bosonen, weet dat er voor God geen plaats meer is. Maar wat voor wereldbeeld, welk mensbeeld levert dat dan op? En de gelovige die het credo afdreunt in de wekelijkse eucharistie, kan die wel ernstig bezig zijn met donkere materie en ontkennen dat er van de aard van het licht een merkwaardige betovering uitgaat.

Vrijdag 2 december hield Robbert Dijkgraaf in DWDD university een exposé over het licht en wat dat nu eindelijk is. Het gaat om empirisch verworven inzichten en de mathematische vertaling van aspecten van het licht, als golf en als deeltje. Maar ook hoe wij licht zien en kleuren en op de een of andere manier was het niet onttoverend want het werken van het brein, wanneer de hardware, de kegeltjes en staafjes in het oog hun werk hebben gedaan, komt pas dan op gang, want ben je getuige van een zonsopgang in de Beaujolais of een zonsondergang bij Saint-Malo, telkens zal je het spel van de kleuren begrijpend, omdat het verlengen van de golven door het zwerk een roodkleuring meebrengt, toch de kleurenpracht laten bezinken. Maar tegelijk kan zo een ontwaken met het opstaan van de zon de dag werkelijk kleuren, al is daar geen wetenschappelijke verklaring voor te geven. Opgelet, bedenk ik, want ongetwijfeld zullen psychologen proberen te verklaren waarom we vrolijk wakker worden als de zon haar dagreis aan de kim aanvat. Overigens, ook de nachtelijke hemel kan zo een eigen poëtische snaar raken, waar de wetenschapper die met radiotelescopen of infrarode kijkers naar de Melkweg kijkt, misschien niet meer genoeg aan heeft. Wat is er immers mooier dan het beeld van een supernova die pas ontdekt werd ver voorbij onze Melkweg?

Het probleem dat Rik Torfs benoemd, namelijk dat men de beide wegen van kennis kan bewandelen is voor de ware wetenschapper een onmogelijk aannemelijk te maken inzicht want die wetenschapper erkent de geldigheid van de reis via de religie niet. Torfs meent dan dat die wetenschapper wellicht zijn bereik van kennis beperkt en daarmee het risico loopt aan religie een waarheidsgehalte heeft die de wetenschap zelf niet kan claimen, al was het maar omdat wetenschappelijke kennis in wezen voorlopig is. De discussie over de donkere materie en donkere energie dan wel de vraag die recent opgeworpen werd, of de zwaartekracht niet een te verwaarlozen grootheid zou zijn, waardoor men wel kan komen tot een Grand Unified Theory, dan wel via de snaartheorie een aan diepere werkelijkheid kan beschrijven. Newton noch Einstein worden dan irrelevant, wel blijkt de beperking ervan en blijken ze dus minder universeel te gelden dan tot nog toe aangenomen.

Senne Starckx vindt het niet prettig dat Torfs de wetenschap het verwijt in de schoenen schuift dat door haar toedoen de onttovering op gang zou zijn gebracht, maar sinds Plato speelt de verwondering een niet geringe rol in het wetenschappelijke onderzoek. Ook Newton was tussen de bedrijven door bezig met alchemie en wilde het boek van God lezen, de these van de wetenschappelijke inzichten als uitdrukking van Gods wil.

Over wat of wie god is, kan men veel vertellen, maar terecht verwijst Torfs naar de negatieve theologie, want we kunnen het niet zo gauw weten wat God is en wat zijn werkzaamheid is. Voor de antitheïsten, aldus Torfs is dat voldoende om hem elk bestaansrecht te ontzeggen, maar waarom heeft de mens zijn Gilgamesj geprobeerd het bovenpersoonlijke en transcendentale een plaats en vertaling te geven? Die antropologie is voor de wetenschapper van geen tel, tenzij hij of zij inziet dat hier het menselijke boven komt drijven. Het gaat om verbeeldingskracht, maar ook om ervaringen van het onbestemde dat ons ontgaat en toch aanwezig lijkt. De discussies doorheen de afgelopen twee millennia hebben bewonderenswaardige kunststukjes opgeleverd van denken,  al zoemt altijd op de achtergrond een beetje vroomheid mee.

Als men de rijkdom van de voorstellingswereld in het geding brengt en probeert te begrijpen waarom mensen nadenken over een kwestie als de relatie tussen God en Tijd, concreet: waar was god mee bezig voor de schepping van hemel en aarde? Wat was er voor de singulariteit expandeerde? De ene vraag is al evenzeer van zin verstoken als de ander, maar het zijn wel vragen die mensen wel eens bezoeken. Als er geen voor de schepping is, denkbaar is, kenbaar ook, wat hebben we dan met die God? Als die singulariteit er was, maar we kunnen er verder niets over zeggen, bijvoorbeeld waar die vandaan komt, dan is het begin van de expansie ook het absolute begin van het universum dat we kennen. Nu heet het dat er mogelijk meerdere (parallelle) universa zijn, waar we overigens ook niets zinvols over kunnen zeggen omdat we het nooit zullen beleven dat we er maar een glimp van opvangen.

Kortom, het wereldbeeld gaat over veel, in zekere zin kan men van de natuurwetenschappen veel verwachten, maar niet dat ze ons met de menselijke natuur in alle diversiteit die we kennen op dat vlak iets zinvols kan zeggen. Het brein? Met prachtige fRMi-scans kan men veel ontdekken en men kan met deep brain stimulation al veel bereiken en het comfort van mensen verbeteren, maar tegelijk blijkt men op vele vlakken nog niet doorgedrongen in het functioneren van dat brein. Het helpt ook niet dat Dick Swaab blijft betogen dat ons brein los zou staan van ons "zelf", hij kan toch niet aannemelijk maken dat mijn bewustzijn, hoe moeilijk ook concreet te vatten in het zenuwstelsel wel degelijk iets bijzonders is, wat vooral blijkt als we het niet goed meer weten, als ons bewustzijn het laat afweten.

De claim accuraat te kunnen weergeven hoe het licht zich beweegt en hoe massa zich verhoudt tot energie, kan men de wetenschap uiteraard niet ontzeggen, de claim met grote zekerheid de transformatie van genen bij het constitueren van wie en wat we zijn, te kunnen beschrijven, staat ook wel vast. Het probleem is dus van een andere orde, want als je de ontwikkeling volgt hoe we inzicht hebben verworven in de genetische aard van dieren en mensen, van de dubbele helix en van het hele genoom, dan blijft de verwondering hoe die codering ons maakt tot wie we zijn, in hoge mate maar niet helemaal.

Men beschrijft economische gebeurtenissen graag in wiskundige taal, maar onder anderen Tomas Sedlacek wijst erop dat dit niet het hele verhaal is. Begrijpen dat macro-economie wel degelijk heel wat informatie kan opleveren, maar ook dat het zelden gaat over wat mensen doen, dag na dag en hoe ze omgaan met zekerheden en vooral met onzekerheden, laat zien dat voorspellingen vanwege economen niet altijd even adequaat uitpakken. Simulaties maken is best boeiend, de werkelijkheid zit doorgaans chaotischer in elkaar dan de modellen laten zien. Het is van belang de mogelijkheden te zien en de beperkingen van die modellenbouw te begrijpen.

Mag ik stellen dat de actuele discussie over wetenschappen en geloof ook handelt over de vraag wie het beste een alomvattend antwoord kan bieden op de zogenaamde existentiële vragen of de zingeving van het bestaan, dan is het antwoord wellicht dat beide, de weg van de wetenschappen - beperkt tot de exacte wetenschappen - en de weg van het (katholieke) geloof nergens toe leiden waar we graag zouden uitkomen, bij absolute zekerheden. Maar kunnen we niet voorbij aan de inzichten van de fysica, chemie, biologie, maar dus ook psychologie, aardrijkskunde en geschiedenis, filosofie ook, dan kunnen we wellicht nog menen buiten de religie om goed te kunnen leven en het valt niet te bewijzen dat dit niet zo zou zijn. Maar of men kan leven zonder die hele santenkraam van verhalen en betekenissen, van voorstellingen en ervaringen die aan een traditie gelinkt kunnen worden, valt moeilijker hard te maken. Men hoeft Kerstmis niet te vieren, men kan zonder pinksterviering door het leven, want ik doe het al jaren, al blijft idee van Pinksteren, met het verwerven van tongen en het verspreiden van de geest via vlammen, wel intrigerend. In de afgelopen eeuwen was een gelovige een toonbeeld van een obscurantistische zeloot, terwijl aan het begin het christendom gelovigen golden als dragers van een nieuw licht.

Philip van Loocke schreef in 2008 een boek waarin hij uiteenzette hoe het wereldbeeld van de wetenschappen tot stand was gekomen en hoe we daarmee verder aan de slag kunnen. Het was ook wel een cursus voor zijn studenten, maar toch blijft het opmerkelijk dat het in de brede media niet meer aandacht heeft gekregen of voer werd voor een heftige maar leerzame discussie. In de plaats daarvan blijft men ons plat slaan met verouderde argumenten. Dat Diderot en co vochten tegen de machten die zijn en daarbij met genoegen de kerk allerlei wandaden toeschreef, die vaak ook waar waren, belette niet dat Diderot zelf wel de kerk wenste te verdrijven uit het centrum van de macht, maar dat hij in zijn romans de tradities zelf niet afzwoer, wat men vandaag weer wel wil. Is de kritiek aan het adres van de scholastiek terecht dat het op een bepaald ogenblik een bezigheid was voor mensen die zich met de gewone dingen des daags niet meer inlieten, terwijl onder meer Thomas van Aquino net wel nog oog had voor mensen zoals die zijn en niet zoals ze zouden moeten zijn, mag ons niet ontgaan. Elk systematisch denken kan ontaarden in maniërisme en wereldvergetelheid.

Zal dat debat over de onverenigbaarheid van religie en wetenschap altijd wel onvermijdelijk blijken, dan zal men ook vaststellen dat de betekenis van wetenschappelijke inzichten niet altijd zo gemakkelijk te presenteren zijn als ontegensprekelijk, want dan krijgen die ook een aura van dogmatische zekerheid, vooral wie er niet de achtergronden van meekrijgt. Het is belangrijk in het onderwijs mee te geven dat Darwin en anderen tot de evolutietheorie besloten hebben, maar evengoed is het van belang te begrijpen dat de bestaande verklaringsmodellen voor de verscheidenheid aan soorten noch voor het gegeven dat die verscheidenheid niet zo maar lukraak tot stand is gekomen, al zat er geen plan, geen design achter, laat staan een intelligent design. Maar wat dit betekent voor onze zelfbepaling als menselijke wezens, blijft dan altijd nog een andere vraag. Het feit dat er in de VS maar ook in onze landen groepen mensen zijn die de evolutietheorie afwijzen want in strijd met hun religieuze opvattingen over de schepping en een almachtige god, verontrust velen, maar de kwestie is wel hoe men hen, de kinderen van zulke ouders met die inzichten vertrouwd maken zal. Hen verplichten die waarheid aan te nemen, kan immers ook ongewenste neveneffecten hebben. Hoe dus een wetenschappelijk wereld- en mensbeeld aanreiken en zorgen dat ze er geen fundamentele bezwaren tegen maken, blijft een moeilijker te behandelen kwestie dan de tegenstanders van eender welk godsgeloof zich willen inbeelden. Het feit dat we los konden komen van het godsgeloof, van een of ander geloof in een almachtige god, laat onverlet dat mensen vaak het wetenschappelijk gefundeerde wereld- en mensbeeld ontoereikend vinden en dat ze in hun bestaan de oude verhalen nog wel een plaats geven, bij gebrek aan beter, in hun ogen.

Een voorbeeld zou de vraag kunnen zijn hoe we het oude en het nieuwe verbond tussen God en de mens, mensen moeten bekijken. Wie aan God geen boodschap heeft, kan zich wellicht niet veel voorstellen bij het oude of het nieuwe verbond, maar voor mensen kan het hun plaats in de wereld beter funderen als ze met de wereld zoals die het geval is, ook iets kunnen hebben, er bekommerd om wezen en dan zijn er verhalen van doen. Ook het samenleven kan men niet goed inrichten als men zich beroept op wat sociologen en sociaal psychologen in de aanbieding hebben. Dan is zo een idee van een transcendent verbond aantrekkelijk.

Het feit dat mensen nog altijd geven om sint Niklaas en zelfs kerstdag vieren om de familie bij elkaar te zien, hoeft niet veel met god en kerk te maken te hebben om zinvol te blijken. Gezeur over de commercie rond de eindejaarsfeesten mag dan wel niet van de lucht zijn, het is wel een uiting van de welvaart die we kennen. Maar tegelijk vertellen die verhalen, zoals de Griekse tragedies of de werken van Shakespeare iets over hoe we als mensen met onze voeten in de modder staan. Maar dan komen we in een andere soort kennis terecht, die noch van goddelijke oorsprong is noch van wetenschappelijke aard, maar berust op wat men ervaring kan noemen.

Als ik iets mis in de discussies tussen gelovigen, christenen en andere en de voorstanders van een wetenschappelijk mens- en wereldbeeld, dan is het wel dat ze die oceaan van feiten die ons telkens weer voor verrassingen plaatsen en ons leven gunstig dan wel ongunstig kunnen beinvloeden negeren. Want ook die ervaringen kleuren vaak onze ethische opvattingen, onze inzichten over wat goed of niet goed moet heten en daar kan een rationele benadering vaak niet veel tegen inbrengen.

De hele discussie over hoe wetenschap en religie zich tot elkaar verhouden, heeft immers ook en vooral betrekking op hoe we denken te kunnen leven. Kan wetenschap inspireren tot een goed leven? Ongetwijfeld wel, zoals ook religie dat kan. Maar de sterilisatie van gehandicapte meisjes in Zweden, tot in de jaren 1970, buiten hun weten om, op grond van wetenschappelijke inzichten was dus in lijn met de stand van zaken in de wetenschappen. Maar was dit het beste dat men kon doen? Wat voor invloed had die aanpak op het leven van die meisjes en vrouwen en wat was of is het alternatief? Hoe het leven mensen voor vragen kan stellen waar wetenschappers noch priesters een goed antwoord op hebben, blijft in het debat onbesproken en dat lijkt mij een gemiste kans, want de oude discussies zijn toch al lang beslecht, zou ik denken. Helaas dus, men blijft doorgaan op de oude tonen.



Bart Haers