woensdag 22 februari 2017

Opstoot van Nederlands nationalisme



Dezer Dagen



Nationalisme?
terug van nooit weg geweest


Camillo Benso di Cavour was als
minister van Piemonte bezig met
de eenmaking van Noord-Italië maar
Galibaldi wilde heel Italië eenmaken,
wat Cavour niet wilde, omdat
Garibaldi dan de held ware geworden. 
Is het zo verwonderlijk dat in Nederland nu een nationalistische koorts de kop op steekt? Bekeken vanuit een ander tijdsgewricht wel, maar men moet zich toch afvragen of men zomaar een en ander kan afwijzen. Maar men kan toch in gemoede Nederlander wezen en Europeaan, deels om pragmatische redenen, deels ook op grond van een afgewogen oordeel?

Nationalisme, democratie en liberalisme gaan samen, want de moderne democratie waarin er voor een leidende rol van kerk en koning of keizer geen plaats meer is, of waar hun rol ernstig beperkt is, zal andere bindende verhalen nodig hebben, wil men mensen erbij betrokken houden. Het valt op dat men die samenhang niet goed wil zien en dat we meer dan 70 jaar na WO II en 27 jaar na de val van de Muur en het verdwijnen van het Pakt van Warschau nog altijd geen gemeenschappelijk verhaal hebben ontwikkeld, ook al omdat historici er niet toe gekomen zijn een nieuwe synthese te formuleren.

Men kan begrijpen dat wie naar de Europese geschiedenis vanaf de late negende eeuw kijkt vooral de breukvlakken en vele langjarige conflicten ziet, waardoor de neiging kan ontstaan zich met die natie te vereenzelvigen waar men het meest mee vertrouwd is. In die zin blijft de geschiedenis zoals die in de negentiende eeuw en vroege twintigste eeuw werd gecanoniseerd nawerken en laat ze toe ons terug te plooien op een veilig verhaal. Maar dan zou iemand als Thierry Baudet toch moeten weten dat Nederland groot werd dankzij de inwijking van Vlamingen en Brabanders, van joodse mensen uit Spanje en Portugal om nog te zwijgen van Franse Hugenoten. Verder kan men nog narekenen dat in Brandenburg en andere delen van Pruisen, waar de Dertigjarige oorlog behoorlijk had huisgehouden ook weer mensen uit relatief overbevolkte gebieden in de Nederlanden aantrok om het gebied opnieuw economisch leefbaar te maken. We kunnen over die migraties binnen Europa nog wel meer vertellen, terwijl we dan nog niet goed begrepen hadden hoe ideeën al zeer vroeg gingen migreren, na het verdwijnen van de oude Romeinse netwerken via de kerkelijke en abatiale netwerken.

In diezelfde negentiende eeuw waar na de catastrofe van 1870 in Sedan de Fransen zich hervonden en in de nasleep intellectuelen en politici gingen zoeken wat ze van de vermaledijde Pruisen konden leren, ontwikkelde zich ook op verschillende niveaus en in verschillende gremia vormen van kosmopolitisme, waarbij het Marxisme de nationale identiteit door klassenbewustzijn verving. Anderen gingen op zoek naar een Europese vredesgedachte, waarbij de Amerikaan Andrew Carnegie heel wat middelen heeft samengebracht. Men kan Henri Pirenne met enig recht een Belgisch historicus noemen, die aan het einde van de negentiende eeuw een groots opgezette Histoire de la Belgique opzette - opgemerkt dient hierbij dat hij dat opus magnum opzette om te zien waar er nog lacunes in de kennis zaten, dat zijn onderzoek gepaard ging aan het uitgeven van bronnenbestanden, archivalische en literaire en dat hij doorheen zijn onderzoek de vele sporen die het historische landschap liet zien aan bod liet komen. Maar Pirenne schreef ook een Histoire de l'Europe en verder dacht hij ook na over de relatie tussen christelijk en mohammedaans gedeeld verleden rond de Middellandse Zee, in een boek met de titel "Mahmed et Charlemagne".

Verre van mij om het oeuvre van Pirenne als het nec plus ultra te beschouwen, wel kan ik zo laten zien dat men niet zomaar moet aannemen dat we in een en dezelfde periode slechts een evolutie zouden zien. Merken we ook op dat bijvoorbeeld Oostenrijk-Hongarije na 1849 op zoek ging uit de verscheidenheid toch enige eenheid te scheppen.

In een artikel over het opsteken van een Nederlandse nationalistische koorts, valt onder meer te lezen dat in de jaren zestig en zeventig de idee veel instemming genoot dat men vooral niet nationalistisch mocht zijn en dat kosmopolitisme een betere manier was om naar de wereld te kijken. Als student geschiedenis had ik ooit een merkwaardige discussie over de vraag of men trots mag zijn op wat in het land, België dan wel Vlaanderen gerealiseerd is geworden. Sommige deelnemers vonden dat ongepast voor een student geschiedenis, want men diende vooral oog te hebben voor het onrecht en het falen van datzelfde land. Anderen meenden dat men zich niet beter mag voelen dan de grote buitenwereld. Slechts een enkeling vond dat gepaste trots ruimte liet voor kritiek en dat men met de kennis van achteraf veel kan veroordelen, zonder dat de betrokkenen er zich rekenschap van konden geven.

Later volgde er nog een discussie over Cavour en Garibaldi, waarbij ook Gramsci -     al was die meer dan een generatie jonger en bekend werd als strateeg van het communisme in Italië, met uitstraling buiten die beweging - om het hoekje kwam kijken. Natuurlijk kan men zich altijd afvragen wie het grootste was, de grootste staatsman of de grootste strateeg, maar is dat dan het doel van de geschiedschrijving? Of past het een weloverwogen oordeel tot zulke conclusies te komen. Het debat leek heftig te worden toen ik bestreed dat men die vragen moet stellen, want dan verliest men het zicht op wat er zich heeft afgespeeld. Desgevraagd gaf ik mee dat in een poging te argumenteren waarom Cavour dan wel Garibaldi de grootste was, men gemakkelijk een soort argumenten zou bevoordelen en als niemand de tegenargumenten te berde zou brengen, zou iedereen wel in de zalige zekerheid verkeren dat Cavour de grootste staatsman was, maar men zou niet het hele slagveld overzien. Dat Cavour én Garibaldi de eenheid van Italië bewerkten, ook door elkaar tegen te werken, vond ik best een interessant inzicht.

Misschien kan men dit een academische discussie vinden, maar geleidelijk heb ik in discussies over bijvoorbeeld Vlaams nationalisme gemerkt hoe men zowel aan de zijde van bestrijders als de voorstanders het overzicht bewust in de mist hulde. Een groots opgezette studie van de sociale en economische geschiedenis van de stad Gent tijdens de regering van Karel V en diens opvolger Filips II kreeg in de Vlaamse media nauwelijks aandacht, wellicht omdat het werk te erudiet was opgezet en uitgevoerd, mogelijk ook omdat het beleid van Karel V, zeker ten tijde van de fameuze opstand in 1538 tot 1540, waarbij de vorst even tijd nodig had om de weigering van de stad haar aandeel in de oorlogskas te betalen te beoordelen, waarna hij een symbolische vernedering van de bestuurders voldoende achtte om vervolgens met de stad een aantal hervormingen door te voeren die de stad gedurende veertig jaar ten goede zouden komen, afgezien van de gebruikelijke conjuncturele dipjes[i]. Men kan dat dus met enig recht een geslaagde operatie noemen. Maar in de negentiende heeft men de mythe van de vernedering zo dik in de verf gezet, waardoor de hele context uit het beeld verdween. Had Keizer Karel kunnen overwegen de stad van de kaart te vegen? Gezien de omvang van de stad, gezien de ligging ook zou er spoedig opnieuw een nieuwe nederzetting ontstaan zijn. Maar Karel V wist ook dat de stad in het graafschap veel gewicht had en dat zelfs verbanning van de leidende elite weinig aan het zelfbewustzijn had veranderd. In Terwaan had de keizer overigens minder scrupules, maar wie weet wat er daar aan de hand was geweest.

Die geschiedenis van de stad Gent in de zestiende eeuw heeft nu nog steeds aanleiding tot een eenduidige lezing waarbij men de vernedering van de trotse Gentenaars naar voor schoof, waarbij men wat graag blind blijft voor de ontwikkeling van de stad tot aan de oprichting van de Calvinistische Republiek van de Ryhove en Hembyze onbekend. Overigens geldt dat ook voor de verschillende Calvinistische republieken die Vlaanderen en Brabant kenden in die periode. Over oorzaken en gevolgen moet men zelfs niet beginnen, want dat vergt zoveel detailkennis dat een leek gillend weg zou lopen, denken journalisten en historici.

Wat we dus als nationalisme vooruit geschoven zien worden is een gouden legende. Voor Nederland komt men dan ook gemakkelijk in de knoop want de algemene beeldvorming heeft het lastig met de Republiek, niet als een gouden tijd, wel als een periode van voortdurende conflicten tussen Staatsgezinden en Oranjeklanten - mocht dat wat oneerbiedig klinken wil ik me graag excuseren -, alleen weet ik niet of een Thierry Baudet de politiek van de Ware Vrijheid, van Johan de Witt dus belangrijker zou achten als die van Willem II en Willem III, de Koning-Stadhouder. Ook hier is de vraag enigszins onzinnig, Willem II probeerde in 1650 de wet te verzetten in Amsterdam en de zittende, staatsgezinde elite af te zetten als legitieme bestuurders in ruil voor hem verknochte eerder de zaak van de Dortsche Synode gezinde calvinisten. Die lijn in de geschiedenis, een permanente strijd rond de dynastieke en staatkundige positie van de Oranjes vormt in het zelfbeeld van de Nederlandse nationalistische drijverijen geen punt. Michiel de Ruyter en Maarten Tromp stonden in dat conflict huns ondanks soms ter discussie. Men kan gemakkelijk een heldenverhaal brouwen, maar men zal toch wel oog moeten hebben voor de onderlinge verhoudingen binnen de admiraliteiten en de weigerachtigheid van de Staten-Generaal om veel te investeren in de marine, omdat men wist dat de kost de baat vooruit gaat. Ook Johan de Witt zou ervaren dat een slagvaardige vloot voor de Republiek van wezenlijk belang was. Goed onderhoud en regelmatige vernieuwing van de vloot, zoals Maarten Tromp dat voorstelde, was evenwel een zaak die de penningmeesters van de Provinciale Staten en de Staten-Generaal niet gemakkelijk konden voorhouden.

Kortom, wie een gouden legende wil schrijven kan volstaan met hoogtepunten of een enkele keer met het verhaal over hoe vanuit een dieptepunt nieuwe hoogten bereikt werden. De kracht van de natie wil men immers belichten en mensen aansporen zich daaraan te spiegelen. Maar wie naar het discours van Wilders en Baudet kijkt, zal wel eens horen refereren aan Tromp of Michiel de Ruyter, aan de VOC ook, over de Patriotten horen we minder, omdat die geschiedenis niet zo helder is, dan is het duidelijk dat een nationalistisch discours weinig zoden aan de dijk zet, omdat men vaak niet doorheen de mist van dergelijke geschiedschrijving de werkelijke prestaties zien kan.

Het Europa van vandaag is het resultaat van eeuwenlange onderlinge conflicten, van dynastieke en soms nationalistische aard. Na Wereldoorlog II heeft men de verantwoordelijkheid van verschillende stromingen voor de rampen die nazisme en communisme vormden onderzocht. Men kan van een beperkend nationalisme, zwaaiend met gouden legenden, weinig zinvolle inzichten verwachten. Maar men kan ook niet zonder een motiverend verhaal om mensen verbondenheid bij te brengen, hoe soft dat ook klinkt. In het debat over nationalisme hebben auteurs als Marc Reynebeau en anderen voortdurend gewezen op het feit dat een nationaal bewustzijn niet op feitelijke, laat staan objectief observeerbare gegevenheden zou berusten. Het gaat dan bij nationalisme in getemperde of geëxalteerde vorm om verwachtingen van burgers op een terrein waar de ratio niet altijd de boventoon voert.

Het gemak waarmee men de nationalistische gaarkeuken aanstookt, moet iedereen die even verder wil denken verontrusten, want zonder een betrokkenheid bij een de persoon overstijgend gegeven als de natie kan men geen goed beleid formuleren en ook geen bereidheid opwekken zich mee voor het algemeen belang in te zetten. Ook dat begrip, algemeen belang is al decennia voer voor discussie: kan men dat wel formuleren en kan men er consensus over bereiken. Dat nu vormt juist de winst van de democratie dat men accepteert dat men niet altijd algehele consensus over onderwerpen kan bereiken en dat men dus ook bij de regelgeving de minderheid ook een plaats gunt. De biografie van Maarten Tromp laat zien dat hij als zeeman in dienst van de toenmalige admiraliteit het lang niet altijd onder de markt had, waarbij hij de mariene belangen van de republiek diende, zonder de confrontatie met anderen in de bestuurskamers uit de weg te gaan. Daarover lijkt het in het verhaal van Baudet en consorten niet te gaan.

Ook de Europese Eenmaking heeft haar betekenis in het nationale debat, waarbij men behalve de baten ook de stabiliteit wel eens in kaart kan brengen. Wie in onze (recente) geschiedenis dat project een ondergraven van de nationale identiteit ziet, moet beseffen dat na WO II verschillende overwegingen, onder meer van militaire aard - al werd de Europese Defensie Unie nooit werkelijkheid - maar dus vooral van economische aard, maar ook van politieke aard, hun belang hadden, want wie vandaag naar de wereld kijkt en die vergelijkt met wat er zestig jaar geleden voorhanden was, moet men begrijpen dat er intussen wel een Europees burgerschap heeft wortel geschoten. Ook Europa kan, verwijzend naar de Aufklärung en niet alleen dat facet van onze cultuur,  enige betrokkenheid opwekken, durf ik te hopen, want van buitenaf zal er geen heil komen.

Bart Haers

  



[i] Johan Dambruyne, Corporatieve Middengroepen. Aspiraties, relaties en transformaties in de 16-eeuwse Gentse Ambachtswereld. Academiapress Gent 2002. 

dinsdag 21 februari 2017

wat er leeft tussen ons

APM


Zielenheil

Het ligt niet meer in Gods hand
of we ons goed voelen
of we blij zijn met het leven
of we kunnen genieten

Het ligt, denk ik dan, met u
aan mezelf
gelukkig zijn is een gave
waar we aan moeten werken
waar niets voor mag wijken

Vaak zien we niet wat mensen
voor ons kunnen blijken
want als we het over de liefde hebben
dan nog gaat het niet altijd over
wat er zich tussen mij en die andere
aan stromen beweegt

Soms sta ik alleen op de golfbreker
waan me kapitein op het schip
vergeet de bemanning en vaar op eigen gezag
maar krijg dan wel muiterij, geen ontzag
want ze zijn het niet eens

Hoe vaak zijn we blind, vraag je mij
voor wat je betekenen kan
voor die ander, die je nabij wil zijn
je verkent intussen de ruimte tussen ons


b Art

maandag 20 februari 2017

Journalistiek verdient respect en kritiek


Kritiek



Liegen de Media?
Werkelijk en vals nieuws


De recensies van het boek "Het land is
moe" (Ill fares the land) hebben me
hoogelijk verbaasd, zoals
dat wel vaker het geval is. Mediamensen
doen hun werk en al is men het niet altijd
eens met hun geschriften of programma's,
toch kan men hen niet de meest
oneerlijke mensen ter wereld
noemen. Wie dat wel is, mag Joost
weten. Oh ja, als men bewust
feiten noemt die aantoonbaar
geen plaats hadden.
 
Overal in Europa zien we discussies ontstaan, aan borreltafels en in nieuwsshows over leugen en waarheid en wat de rol van de media is, terwijl demagogen zich graag bedienen van sociale media om zonder filters hun verhaaltje te doen. En mensen worden er gek van, een aantal toch. Wat te denken?

Laten we beginnen bij het begin, namelijk toen dankzij de drukpers handelslui brieven uit hun posten ver van de thuisstad begonnen te schrijven en lieten drukken. Het formaat van de krant en de bestaansreden gingen samen en centraal stond de idee ware feiten mee te geven, zodat men wist, vooral handelaren wisten wat er te wachten stond. In principe waren deze bladen niet opiniërend, maar anderen maakten van de drukpers gebruik om feitjes en nieuwsjes te brengen over bekend volk in de stad. De schandaalpers werd gesecondeerd door uitgaven van spotprenten en spotliederen, zoals ten tijde van Louis XV. Men kan eruit afleiden dat er veel kritiek was op de vorst, maar kan men daaruit afleiden dat zijn beleid zo aantoonbaar fout was. Volgens Jean-Christophe Petitfils verdient de kwalijke roep die de koning nalaat nogal wat nuances en dat geldt ook voor zijn opvolger Louis XVI en Marie-Antoinette. Omdat sinds de negentiende eeuw de bevestiging in een semigecanoniseerde geschiedschrijving is vastgelegd, moet men al diep in de literatuur doordringen om te begrijpen hoe Louis XV erin slaagde de gunstige evolutie aan te grijpen om Frankrijk vooruit te helpen en hoe hij tegelijk op diende te tornen tegen zijn vijanden, de juristen van het Parlement van Parijs en tegen de Jansenisten, die er behoorlijk zijn in geslaagd zijn naam onderuit te halen.

De tegenstanders van de koning, de jansenisten en anderen, maakten uitgebreid gebruik van de mogelijkheden van vlugschriften om het publiek te bewerken en de geschiedenis heeft dat ongefilterde oordeel vrij ongenuanceerd overgenomen, zonder zich te verdiepen in de conflicten tussen koning en elites. Feiten over de demografische groei, de verbetering van het onderwijs en zelfs enkele militaire successen waren van geen tel omdat hij, de koning de fiscale privilegies op de helling zette, terwijl zijn tegenstanders zogenaamd bleven doorbomen over de bulle Unigenitus die besteld was door Louis XIV en die ging over het behoud van de Gallicaanse kerk, een kerk waar Rome weinig en Franse kroon  alles over te zeggen had - zoals Napoleon dat zou vastleggen. Maar de koning wilde de invloed van de Jansenisten inperken en heeft ook de Jezuïeten aangepakt. Het wordt allemaal wat complex en een sluitend oordeel formuleren wordt al heel wat moeilijker. Toch heeft het lang geduurd voor Franse historici de geschiedenis van de achttiende eeuw in een ander daglicht konden stellen. Intussen blijft men maar zeggen hoe interessant de achttiende eeuw wel niet was, maar de ontwikkelingen waaraan Voltaire, Diderot en Rousseau en vele anderen het hunne toe bijdroegen, voltrok zich in een historische context.

Vandaag stellen we vast dat er niet alleen veel kreten geslaakt worden, waarbij het meest opvallende mag heten dat waar we voor onszelf weinig gelegen laten aan voorschriften aan goed fatsoen als het om overspel en affaires gaat, dan zouden politici zich heel keurig moeten gedragen. De tabloids en andere uitgaven gericht op het brave volk spannen zich graag in om politici op grond van seksuele handelingen te beschuldigen. Intussen liegen ze ook over Europa en over hoe duur het politieke bestel wel niet is. Feiten zijn niet zomaar feiten, dat weet men al langer, maar men houdt er niet van toe te moeten toegeven dat zoiets als de Europese Unie niet zomaar een bureaucratische superstaat is, maar ontstaan uit de wens de voorbije oorlogen op het continent niet meer te herhalen. Later kwamen er overwegingen bij, zoals de vaststelling dat de Europese natiestaten hun koloniale invloed verloren hadden en dat bovendien nieuwe economische en politieke machten ontstaan waren, waartegen die soevereine natiestaten, zelfs Duitsland niet veel vermogen. Dat veranderde voor Europese politici, maar slechts langzaam voor de opiniemakers, de handelingsvrijheid en het besef dat men maar beter kon proberen verder te werken aan gezamenlijke actie buiten de EU en de binnengrenzen zoveel als mogelijk op te heffen. De roep om herstel van de soevereiniteit klinkt de laatste jaren luid, maar ik heb Thierry Baudet nog nooit duidelijk horen maken wat we onder soevereiniteit dezer dagen moeten verstaan. Soeverein zijn betekent dat men geen hogere instantie heeft dan die welke men zelf incarneert. In de natiestaat naar Europees model is het volk soeverein, zoals dat ook in de grondwet van de VS is opgenomen en het hele bestuur schraagt. Maar waar in de zestiende eeuw de gedachte aan ondeelbare soevereiniteit door Jean Bodin wordt geproclameerd, in het kader van de legitimatie van de absolute vorst kan men vaststellen dat de Republiek der Nederlanden het voorbeeld is van de gedeelde soevereiniteit van de 7 soevereine provincies.

Zo botsen we wel vaker op mooie voorstellingen van hoe de dingen horen te zijn, maar in de werkelijkheid nergens op gesteund blijken. Zo is het altijd aangenaam voor een politicus om te roepen: "Ik of de chaos!" maar dat maakt zelden indruk. Wie zegt dat zijn voorganger er een puinhoop van maakte, moet wel opletten, want de kans is groot dat men de boemerang vol in het gezicht krijgt.  Maar wie de kranten volgt, krijgt wel vaker dergelijke boodschappen en men kan niet anders dan denken aan wat Victor Klemperer schreef over de taal van het Derde Rijk, een taalgebruik dat nooit anders dan in superlatieven en hyperbolen indrukken en inzichten brengt. Ook Sebastian Haffner vond het opvallend hoe gedurende zijn jonge leven een excessieve aandacht aan het grootste, de sterkste en de machtigste werd besteed. Vooral tabloids hebben daar een handje van weg, maar ook de kwaliteitspers pakt graag uit met chocolade letters om schandalen in de kijker te zetten. Of het naderhand allemaal wel goed uitgezocht bleek?

Het vormt het cruciale probleem van de brede media dezer dagen, want journalisten worden geacht aan waarheidsvinding te doen, maar ook om die leesbaar en zelfs aantrekkelijk te brengen. Een kwaliteitskrant als de Standaard heeft zich op een aantal domeinen onderscheiden, de afgelopen twintig jaar, onder meer in de strijd tegen de verkeersdoden - waarbij zelden afdoende aandacht werd besteed aan zwaar gewonden, die hun leven plots anders moeten inrichten omdat ze plots met een zware beperking als blindheid, doofheid of verlamming te maken hebben. Men moet evenwel ook vaststellen, zoals Paul Frissen niet nalaat te benadrukken dat totale veiligheid (op de weg) nooit te bereiken valt. De tragische staat is een staat die alle gevaren in kaart heeft gebracht en maatregelen heeft uitgevaardigd die de risico's totaal moeten inperken, met alle gevolgen van dien, want de staat valt stil. Nog eens, men hoeft Bernard Mandeville maar te lezen om te beseffen dat risico's uitsluiten, slecht gedrag tegengaan en ronduit misdadig gedrag helemaal uitsluiten want dan legt men de samenleving stil. Zie hierover de fabel over de bijen, waarin de filosoof vaststelde dat als men alle ondeugend gedrag zou laten varen, dan zouden de advocaten geen werk meer hebben, dan zou er geen rechtbank meer van doen zijn en dan zou het ondernemen ook onmogelijk worden: binnen de lijntjes kleuren is niet altijd een deugt.

Nu, in berichtgeving merkt men vaak dat journalisten met een meervoudige standaard meten, want wil men graag laten zien dat men ook al eens jong geweest is, het avontuur aanprijzen moet dus kunnen, dan zal men tegelijk voortdurend op de nagels van de zekerheid, de veiligheid en het stabiele hameren. Verwacht het onverwachte? Toch maar liever niet. Over onderwijs heeft de krant De Standaard voortdurend de hervormingen bepleit, menende dat men bepaalde fouten in het bestaande systeem moet opruimen, maar enkele van die fouten, zoals het watervalsysteem of de ongekwalificeerde uitstroom bleken zwaar overtrokken en het algemene niveau, ook van het TSO en BSO waren geen punt voor de hervormers. Erger nog, al jaren zoeken velen naar aanzetten van de krant om in alle berichten de kwaliteit en het belang van BSO en TSO onder de aandacht te brengen want als het over STEM gaat, dan gaat het niet over het TSO zoals het is, maar zoals het zou moeten wezen. Het dringt tot mensen die een universitaire opleiding kregen en zeker niet tot de mensen in Alfawetenschappen en sociale wetenschappen maar niet door dat men heel wat kan opsteken van goede ateliermeesters in het BSO en TSO, ook wat men zou kunnen noemen, beleefde humaniora. Ook de krant schiet hier vaak tekort.

De media geven niet enkel een beeld van wat er gaande is, ze vormen en kneden ook die werkelijkheid, want door de accenten die men legt in berichtgeving en vooral in opiniërende berichten, kan men aan de werkelijkheid een heel andere draai geven, die de toets der kritiek niet altijd doorstaan kan. Wereldoorlog I vormt zo een ijkpunt omdat men wel over wat de oorlog in ons land heeft aangericht kan spreken, maar dat staat nooit los van wat Franse en Britse overheden in gedachten hadden, om nog te zwijgen van de Duitse, Pruisische overwegingen. Maar men zegt alvast zeer weinig of niets over de oorlog in het Zuiden en vooral het Oosten van Europa. Men heeft er ook voor gekozen, samen met andere media om een specialist aan te duiden, die als enige iets zou mogen zeggen over WO I, terwijl men integendeel het debat een kans zou moeten geven. Zo zouden meerdere inzichten een kans krijgen en zou het risico ondervangen worden dat men bijvoorbeeld geen zicht zou hebben over hoe het leven was in het bezette België, over hoe de oorlog ook in Brugge slachtoffers maakte en waarom in 1917 een hongerwinter het volk overviel, die maar moeilijk tot de beeldvorming kon doordringen. Het feit dat men de betekenis van de Vlaamse Beweging tijdens de oorlog niet echt (meer) wil erkennen, heeft ook te maken met het feit dat die ene specialist, Sophie de Schaepdrijver, net dat hoofdstuk niet wil erkennen. Men zou kunnen weten dat ook de Koning de kwestie ernstig nam en er met Frans van Cauwelaert over heeft gesproken. Na WO I werden taalwetten gemaakt die de vernederlandsing van de samenleving zeer bevorderd hebben, al vond de Vlaamse Beweging dat ruim onvoldoende, maar het proces bleek onomkeerbaar. Een vaak wederkerend thema is wat Hitler tot Hitler maakte en daar ruimt de krant dan ook graag wat ruimte voor, maar opvallend is het dan de recensie te lezen van een boek dat men zelf ook kent, zoals het boek van John Lukacs, Hitler en de geschiedenis, Hitlers plaats in de geschiedenis. De journalist kiest voor Kershaw, maar wat Lukacs doet is een historiografisch onderzoek met de biografie van de dictator als richtsnoer. Toch lezen we dit: Vaak beslaan verklarende voetnoten de helft van een pagina, en dat maakt de tekst zeker voor leken niet interessanter. Alsof lezers van dit soort boeken niet met voetnoten omkunnen en die voetnoten brengen overigens discussies aan het licht die de recensent duidelijk niet weet te waarderen. Over Ian Kershaw kan ik kort zijn, de man bracht veel materiaal samen, maar ik verlies er mijn weg in, omdat ik de indruk heb, anders dan bij Lukacs, dat hij een product brengt, zijn naambekendheid inzet en de geschiedenis niet zo interessant vindt. Voor Lukacs gaat het om iets dat hem zeer na heeft geraakt, maar hij kent ook die andere dictator. Maar ja, Kershaw vermoeit ons niet met eindeloze discussies. Hallo? Waarom zou een lezer geen interesse hebben voor de vele discussies over WO II? Juist, we moeten vooral voorgekauwde kost krijgen, terwijl vrije media juist wel de lezer discussies aanbieden en de besluitvorming aan de lezer laten.  

Er zijn nog wel thema's waar we de media kritisch bejegenen, zoals de vraag waarom men wat Europa aangaat niet wat vaker de constitutieve elementen, zoals Luuk van Middelaar die in "De passage naar Europa"  beschreef, want veel mensen snappen niet hoe de Raad van Staatshoofden en Regeringsleiders, nu onder het dagelijks bestuur van Donald Tusk, de Commissie en het Parlement zich tot elkaar verhouden, om nog te zwijgen van hoe hoofdsteden zich verhouden tot het Europese beleid. De Brexit zorgde voor consternatie, maar nog steeds blijven specialisten als Hendrik Vos - ook hier weer die neiging om een unieke autoriteit voorop te stellen - zich onthouden van enige inspanning dat Europese bouwwerk duidelijk te maken.

Met dat alles klinkt mijn requisitoir tegen de media scherp, maar ik ben de eerste om mee te geven dat ik het beleid van de krant of de omroep niet wil aanvallen, wel van commentaar voorzien. Men zou bijvoorbeeld beter kunnen nagaan waarom subsidies aan bedrijven bijna altijd een vorm van rent seeking behaviour moeten heten en nooit opbrengen wat men er verwacht. De kranten krijgen ook ondersteuning, via de Post.be en via "Kranten in de klas" en toch in deze moet men wel vaststellen dat het idee van verscheidenheid wel wat schraal uitvalt, maar het is er toch nog, die verscheidenheid en dat is hoogst noodzakelijk. Ik zou nu kunnen doorgaan zeggen dat de media te links zijn, maar al te vaak gaat het om een modieus gauchisme dat links niet altijd ten goede komt. Het feit dat een boek als "Ill fares the land", waarin Tony Judt bijna postuum een nogal uitgebreide diagnose brengt van het falende links in Europa, wel vlijtig uitgedeeld werd aan rechts politici heeft me steeds weer verbaasd. In een recensie komt Yves Desmet er echter niet toe de problemen van linkse partijen en bewegingen tegen het licht te houden, wat Judt nu net wel doet. Integendeel, men krijgt de indruk dat Desmet denkt dat Judt zich ergert aan Tatcherisme en Reaganomics.  Judt, zoals ik het las, heeft als historicus en met kennis van het interbellum en "Postwar Europe" vastgesteld dat links zelf kansen liet liggen om zichzelf opnieuw uit te vinden. Hij verwijst naar de teloorgang van het openbaar onderwijs in het UK, dat ook onder Labour verder ten onder ging. Judt, net overigens als Jacques A.A. Van Doorn, ook een sociaaldemocraat in hart en nieren, betreuren dat na de val van de Muur en de teloorgang van het communistische bestel Links zich geen houding heeft weten te vinden en voor vulgariteit koos om niet voor elitair versleten te worden.

Inderdaad, mediaberichten en uitgebreidere artikels geven vaak aanleiding tot enig tegensputteren, maar ik ben er mij ook van bewust dat we degelijke media nodig hebben die hun eigen weg gaan, die wel proberen aan waarheidsvinding te doen, want anders krijgen we situaties die we niet moeten willen. Niet alles is koek en ei in het (Vlaamse) medialandschap, maar er zijn ook andere informatiebronnen en dus moeten we vooral hopen dat journalisten en opiniemakers hun taak ter harte blijven nemen, c.q. aan waarheidsvinding doen. En neen, men kan niet in het algemeen zeggen dat journalisten oneerlijk zijn of de boel belazeren. Het is wel mijn recht, het recht van de lezer er zich een idee van te vormen en dat in de discussie aan de borreltafel af te toetsen. Hebben journalisten, zeker de beeldbuisjournalisten de indruk dat ze uitverkorenen zijn en zeker nooit mogen twijfelen, dan nog zal men hen die kwalijke kantjes wel aanrekenen, maar beseffen dat we hen de vrijheid moeten geven hun indrukken en inzichten weer te geven. Wie de media, wie dé journalisten wil aanvallen, zal bij mij geen genade kennen. Het is niet omdat ik kritiek blijf hebben dat ik niet zou weten dat ze broodnodig zijn. Echter, ik zal mediamensen dan ook geen overdreven autoriteit toekennen[i].

Bart Haers





[i] Ik ken ze goed genoeg, Yves Desmet, Peter Vandermeersch en Karel Verhoeven, om niet hun tics te kennen, maar tegelijk, we hebben (vrije) kranten nodig en het is beter de oriëntatie te kennen, zodat men een houvast heeft voor de interpretatie, want die hebben we zelf nog altijd in handen. Zij kunnen zich vergissen, wij ook. Daarom is debat nodig. Dat de media hun discussieplatformen ongeveer hebben afgeschaft, heeft ermee te maken dat vele gebruikers zich niet wisten te matigen in hun taalgebruik en ook de eigen standpunten niet ter discussie wisten te stellen, zodat het inderdaad wel eens scheldpartijen werden, helaas. Dus, we zullen moeten leren op een beschaafde manier van gedachte en inzicht te verschillen. 

zondag 19 februari 2017

Graaaicultuur en erger



Dezer Dagen



Graaicultuur
De zogenaamde neergang van een politicus



Siegfried Bracke wordt volgens
de pers uitgespuwd door de Gentenaars,
terwijl hij inderdaad niets onwettigs deed.
Of ik hem waardeer, doet niets terzake,
maar de term graaicultuur verwijst niet
naar het doen en laten van een persoon,
wel om wat te doen gebruikelijk is. 
Al sinds ik het me heugen kan, hoor ik klagen over de politici als potverteerders en zakkenvullers en altijd weer wekte het grote woede op bij de klagers. Suum cuique? Het was en is een moeilijke gedachte, want we maken graag de rekening van anderen. Dat politici graag wat meer meegraaien, zegt men mij, moet niet verbazen, zoals ook voetballers graag in een grotere ploeg spelen. Het zal wel, maar tussen naïef idealisme, zoals Peter Mertens dat graag incarneert en vileine veilheid, waar men de politici graag van beschuldigt bewegen de meeste politici zich, zonder dat er altijd veel oneerbaars gebeurt. Het zal dus gaan over de vraag wie zich ethische vragen stellen moet en welke.

Met de deur in huis vallend: iedereen, ook burgers moeten zich ethische vragen stellen, al kan men dat niemand opleggen. Maar die vragen behelzen het eigen handelen, niet a priori wat anderen doen. Natuurlijk kan men tot de bevinding komen dat iemand, een zakenman of politicus, een journalist of arts, een leraar zich onethisch gedragen. Niemand kan volstaan met de gedachte dat wat niet verboden is toegestaan zou zijn. Als men teveel deontologische en ethische regels moet aanleggen, is er iets mis met het aanvoelen van mensen, maar het kan ook gaan om aanmatigend gedrag van wie de regels wil dichtmetselen.

Want het kan zijn dat men er hoogstaande ethische normen op na houdt, maar van allerlei hefbomen gebruik weet te maken om invloed uit te oefenen, meer dan hem of haar toekomt. Het probleem met macht of beter met het spreken over macht is en blijft dat men er net niet graag over spreekt, terwijl ook in een democratie macht het cruciale begrip is. Men kan niet spreken over ethisch omgaan met macht als men er geen woord aan kan wijden. Het is dus glashelder dat we moeten spreken over hoe mensen, groepen, partijen macht nastreven en wat zij zeggen ermee te willen aanrichten. In tijden waarin demagogie en populisme mensen verleiden hen macht te geven, figuren die beweren zuiver op de graat te zijn en het beste voor te hebben met de zogenaamde kleine man, de zogenaamde gewone man, terwijl ze niet echt bezig zijn met het algemeen belang, moet men over die macht en het bereik ervan des te scherper nadenken.

De discussie over de intercommunales, in Vlaanderen geregisseerd door een decreet uit 2001 en nog eens hernieuwd in 2016[i], laat zien dat er alweer een schimmengevecht aan de gang is. Men moet dus niet de indruk wekken dat partijen, dat men niet doende is een en ander beter onder controle te krijgen. Opvallend is dat lokale besturen al goed vijftien jaar geleden een oefening rond kerntaken hebben aangevat, maar er is bijzonder weinig uitgekomen en bovendien werd dat debat niet mediageniek bevonden, te technisch ook. Het gevolg is dat men zich nu moet afvragen wat men gemist heeft. De media hebben aan deze discussie slechts sporadisch aandacht geschonken.

Het gemeentelijk kerntakendebat was en is daarom interessant omdat het kwam na een regen van convenanten, waarvoor gemeenten wel geld kregen van de Vlaamse overheid, maar vaak achteraf met lasten, inzake pensioenen zaten, die ze niet altijd zo gemakkelijk konden invullen. De nood aan personeel genereert nood aan logistieke en facilitaire ondersteuning want er moeten lokalen ingericht worden, er moet extra ondersteunend personeel komen en dat levert dan weer nieuwe lasten op.  

Milieuconvenanten en jeugdwerk, zelfs  - uiteraard - zorg voor de ouderen, het werd allemaal vanuit Vlaanderen aangeboden dan wel opgelegd, waardoor gemeenten heel wat middelen kregen, maar het kostte ook veel, onder meer aan planlast en administratie. Het is van belang te begrijpen dat een discussie over kerntaken voor de gemeenten niet voorbij kan aan de toegenomen taken die men decretaal heeft uitgerold en dus zal men merken dat die gemeenten op verschillende terreinen samenwerking gaat zoeken met buurgemeenten, om de totale last op de begroting te beperken. Los van de vraag of zo een cultuurfunctionaris of sportfunctionaris enige zin zou hebben, heeft men vanuit een soms Jacobijns denkende overheid een en ander uitgewerkt, waarvan men nu vaststellen moet dat de gemeenten wel creatief moeten zijn.

Vandaar ook het streven naar maximalisatie van de middelen door deelnames in nutsdiensten, waarbij men de financiële belangen weet op te drijven. Want moet men niet een onderscheid tussen de winst van de intercommunale en de vergoeding voor de bestuurders die afgevaardigd door de gemeente die revenuen ook in eigen zak mag steken, waarbij ik mij altijd afgevraagd heb waarom de werkzaamheden namens de gemeente - die al een schepen- of burgemeesterswedde betaalt - die inkomsten niet mogen beuren. Het zou niet mogelijk zijn, zegt men, maar de aansporing om die vergoedingen te maximaliseren zou dan wellicht vervallen.

Toch moet men er zich blijvend voor hoeden van de verloning van politieke mandaten een thema te maken, want de vraag is of men bijvoorbeeld in een oligarchie moet terecht komen, waar alleen welgestelden... nu ja, zal men zeggen, dat is toch al zo want wie wordt politicus m/v? Zonen en dochters van politici, lijkt het wel. Of dat slecht is, moeten wij maar uitmaken en ons kiesgedrag daaraan aanpassen. Feit is dat Siegfried Bracke mee mevrouw Freya Vandenbossche op het spoor gezet, waarbij nu is gebleken dat mevrouw Vandenbossche het minste lijkt bij te verdienen, bovenop haar wedde als Vlaams parlementslid. Maar ze kan zich rustig op de achtergrond houden en niet inhalig blijken.

Maar als we de media volgen, die nu klagen over de graaicultuur bij de lokale overheden, dan moet gezegd dat die politici vaak in een competitief milieu figureren, waar men aan de top moet staan om een steen in de rivier te verleggen. Vaak evenwel vergeet men dat het verschil tussen dat wat men zelf denkt te hebben gerealiseerd en wat men aan anderen te danken heeft. Het valt nogal eens voor dat journalisten het politieke leven vertellen als een strijd van winnaars en verliezers, terwijl politici m/v nog nauwelijks de kans krijgen zelf hun weg te maken. Ook partijen zijn hard bezig met rendement van kandidaten en wie het spel niet speelt, gaat er uit.

In dat gebeuren spelen vergoedingen een grote rol: de kamer telt ondervoorzitters, secretarissen en quaestoren bij de vleet en kan men de doublure nog begrijpen, het gaat telkens om meerdere leden, die bovenop hun wedde nog een extra vergoeding krijgen. Bovendien laat het zich aanzien dat vele deze functies vooral sinecures zijn, waar dus weinig extra werk aan kleeft. De quaestoren zorgen voor het onderkomen van het parlement, voor het beheer van de gebouwen en de logistiek, maar het zijn ambtenaren die hun opdrachten vervullen. Aan de ene kant is zo een college van quaestoren garantie voor gedeelde verantwoordelijkheid van de Kamerleden, aan de andere kant lijkt het niet meer van deze tijd. Opdat het parlement goed moet kunnen functioneren en ook duurzaam onderhouden moet worden is de taak van de quaestoren belangrijk, maar laat dat dan ook eens duidelijk worden.

Politici staan dus telkens weer voor de uitdaging zich goed in de kijker te werken en daar hangen dan bijkomende inkomsten aan vast. Het is tragisch te moeten vaststellen dat we een systeem in stand houden dat politici, maar ook Ceo's van bedrijven, hoge ambtenaren verplicht om posities in te nemen die ook nog eens financieel beloond worden en vervolgens gaan we hen dat verwijten. Iedereen noemde Jean-Luc Dehaene een volkse figuur - zelf zag ik hem als een bourgeois - maar op zijn overlijdensbericht dat in de krant stond, stonden ook zijn mandaten bij Lotus Bakeries en daar spreekt men schande van. Ik vond er niet veel oneerbaars aan, want de man had zich uit het actieve politieke leven terug getrokken, dacht ik. Als we dan bedenken dat die vergoedingen op een niveau liggen, waar "gewone" mensen zich niet veel meer kunnen voorstellen, dan ontstaat er inderdaad een probleem van legitimiteit.

Mag men van politici verwachten dat ze werken pro deo, dan zou men moeten vrezen voor hun koopbaarheid en dat zouden we ook niet willen. Bovendien heb ik vaak mogen ervaren dat mensen menen dat politici graaiers zijn, tot ze zelf dichter bij de vleespotten mogen komen. Ook journalisten dienen hier meer zelfkennis aan de dag te leggen, want men kan natuurlijk eisen dat anderen ethisch handelen, maar wat bakt men er zelf van. Het is best okay dat we een ethisch kader onder ogen hebben, dat we weten wat kan en wat betaamt, wat dus niet betaamt ook in gedachten hebben. Finaal maakt men die keuze voor zichzelf en als de burgers het niet langer aanvaarden, dan moet men niet zeuren.

De gretigheid waarmee men Bracke aanviel en de Gentse SP-a links liet liggen, ook al was het die partij die in beginsel schimmig had gedaan over Publipart - al schrijft Marc Hooghe nu dat men al 12 jaar had moeten weten dat Balthazar in een pluche zetel zat, de media hebben het niet of nooit gemeld en daar zit volgens mij de crux - dan nog zal men natuurlijk over de wedde van de voorzitter van de Kamer zeuren - iets wat al een aantal nog in leven zijnde voorgangers mochten beuren - en over zijn bijverdienste. Voor mij is dus het eerste probleem dat onder meer De Morgen nooit al die mandaten die zogenaamd te vinden zijn op een of andere site - cumuleo.be - en dan kan men dus een massa info vinden over transparantie, anticorruptie en nog wel een paar andere indicaties. De brede media hadden aldus ten allen tijde toegang tot deze informatie en konden het ook nog eens vragen aan de betrokken politici[ii]. Die waakzaamheid mag men verwachten van journalisten.

Zou ik dan suggereren dat er niet zoiets bestaat als graaicultuur? Ik denk dat het duidelijk is dat me allerminst illusies maak en dat sommige politici vergeten wat hun opdracht is. Er zit nog wel een adder onder het gras: de gedachte dat politici de hele samenleving moeten leiden en dat men op tal van domeinen beheersorganen moet inrichten, waarbij men al te vaak bovenop het werk van vakspecialisten gaat zitten, zonder de relevante kennis a priori te kunnen inroepen, kan een gevoel van zeggenschap geven, dat ons tot omzichtigheid dwingt.

Hoe we een politicus m/v waarderen zal ook wel te maken hebben met die graaizucht, maar vaker zou men moeten kijken hoe deze naar de samenleving en medemensen kijkt. Susan Neiman heeft daar in "Morele Helderheid" behartigenswaardige gedachten over naar voor gebracht. Ten gronde stelt zij dat politici vaak niet meer weten wat er buiten hun omgeving gaande is, omdat ze in wezen nooit meer een gewoon gesprek kunnen voeren en bovendien in een bestuurdersmodus zitten. Hierdoor groeit de gedachte dat "de mensen" niet weten hoe de echte wereld aan toe gaat en vooral, hoeveel kennis burgers wel in petto hebben.

Als politici zeggen dat het normaal is 4300 eurootjes te verdienen, dan geeft dat uiting aan die vervreemding. Maar het valt op dat dit inzake concreet beleid nog veel sterker het geval is. Kijk naar het debat over onderwijs en de onderwijshervormingen, waar je geen politicus zult vinden die nog gelooft dat Bildung voor leerlingen en studenten van belang is, want sociologen en pedagogen menen dat dit te elitair is, terwijl de afgelopen honderd jaar juist sociale promotie mogelijk is geweest omdat jongeren uit arbeidersgezinnen of zelfs nog minder gegoede omgevingen net wel toegang kregen tot Bildung, tot leren en de wil die kennis onderhouden, dus nieuwsgierig te blijven. Het is moeilijk dan niet aan August van Istendael te spreken, waarover Geert van Istendael[iii] heeft geschreven. Sociologen geven evenwel de indruk dat hun methodes boven elke twijfel vergeven zijn. Er is voortdurend gezegd dat onderwijzers, leraren s.o. en zelfs docenten het niet begrepen. Hoe verwaten kan men zijn?

Gedurende decennia sprak men over de kennismaatschappij die eraan kwam  en dat mensen levenslang moeten leren maar noch journalisten noch politici zijn er zich van bewust dat er buiten hen om mensen zijn die - ook met dank aan internet - kennis eigen blijven maken, naar lezingen gaan of via allerlei kanalen en boeken info bij elkaar vinden én verwerken. Zoeken zij dan vanzelfsprekend naar complottheorieën? Soms wel zeker, maar evengoed leest men al eens The Economist of Le Monde Diplomatique en dan zijn er nog andere hoogwaardige bronnen, waar denkende geest ons pad verlichten. De goede boekhandel laat ons veel verkennen en ook de openbare bibliotheek geeft hier veel te denken. Alleen, die openbare bibliotheek moet nu vooral voor plezier zorgen, voor fun. Een democratie heeft vooral veel uitwisseling aan inzichten nodig.

Wat mij dus stoort in het gesprek over graaicultuur is dat het aan de ene kant een oud zeer oprakelt, waarover iedereen verbaasd doet, terwijl in wezen het belazeren van de weldenkende gemeenschap op de voorgrond komt. Men kan het weten, over cumuls, over geldzucht en tegelijk weten   oplettende mensen wel dat journalisten en politici nu komen zeuren dat het anders moet, laat onverlet dat ze de burgers, namens wie en tot wie ze zich richten in wezen niet kunnen waarderen. We zullen over twintig jaar merken dat al die aangescherpte regels ook alweer omzeild zijn geworden, omdat ze niet vol te houden zijn en het doel niet dienen, de burgers kunnen bedienen. Men zal over kerntaken spreken en beseffen dat een grondig wieden zo moeilijk is. Men zal vergeten dat burgers, meer dan ooit behoorlijk goed geschoold zijn en dus ten onrechte infantiel bejegend worden. Kennis van zaken is er veel in de samenleving, maar men heeft te vaak de indruk belazerd te worden en dat is niet goed. Bekijk dus goed die kerntaken van lokale besturen maar beloof niets dat men niet hard kan maken, want er zullen altijd nog ideologische verschillen opduiken en dan zal de macht spreken.

Bart Haers







[i]http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl language=nl&la=N&cn=2002011134&table_name=wet. Het decreet werd uitgebreid en aangescherpt door een decreet met diverse bepalingen die de werking van de intergemeentelijke samenwerking vormen geven en de betrokkenheid van de particuliere inbreng en de vergoedingen voor bestuursleden/uitvoerende en controlerende mandatarissen. De tekst van die herziening staat ook in het Staatsblad natuurlijk: http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&table_name=wet&cn=2016051317
[iii] http://kwestievanverwondering.blogspot.be/2012/04/over-august-van-istendael.html

zaterdag 18 februari 2017

Androgyn, Gaea Schoeters sprak

APM



M/V/X


Maxim Februari gaat door het
leven als man, maar twintig
jaar geleden ontmoette ik haar
in Bozar, was ze nog een dame.
Verrassend blijft het,
maar werd zij gelukkiger?
Hoe kan de buitenstaander
dat bepalen.  
Hé kleine meid op je fietsje
straks moet je zeggen wat je bent
of je kan het in het ongewisse laten
maar dan zullen anderen het je wel vertellen
dat je man bent of vrouw

Een vrouw in de krant zegt
dat ze zich meer jongen, vent voelt
dan een meisje in een jurk
dan dat ze zich vrouw weet

Wat is het vrouw te wezen?
ze roept de vraag op
Wat is het standaard te zijn, hetero?
zij stelt het in vraag
mag de vragen ook stellen

Maar kan een man weten
wat het is vrouw te zijn?
Kan hij die hele hormonenwinkel vatten
die een vrouw niet enkel teistert,
maar ook kansen geeft
bijzonder te zijn.
Hoe kan een vrouw weten
wat het is een man te zijn?
daar weet ik meer van
en toch, het blijft te evident
beperkt tot anatomie en fysiologie

gender is een woord van deze tijd
waarmee men het geslachtelijke wil duiden
maar ook onzekerheid scheppen
Wie is er bang van gender?
de brave man van vijftig, allicht
al kende die Bowie en Amanda Lear
het androgyne kreeg een aureool

Mensen plooien zich terug op wat ze kennen
valt te lezen als kritiek op de afwijzing
van al dat gendergedoe
Mensen willen duidelijkheid,
man of vrouw, da's genoeg
men wordt man geboren
en soms is men wat vrouwelijk
vrouwen worden geboren
maar toch gekneed tot meisjes en vrouwen
een enkele wil het niet

Meisje op je kinderfiets
hoe zal je gelukkig worden
wat zal je zijn?
men meent het te weten
maar misschien twijfel je
het ga je goed

b Art



vrijdag 17 februari 2017

Over woede en ruimhartigheid



Recensie



Woede, vergelding omzetten
ruimhartigheid in plaats van vergeving*




Martha Nussbaum, Woede en Vergeving. Wrok, ruimhartigheid, gerechtigheid. Vertaling: Peter Diderich en Bep Fontijn. AMBO/Anthos Uitgevers 2016. 400 pp. 29,99 €

Martha Nussbaum ontkent niet dat ze zelf woedend kan reageren en ook bevestigt ze voortdurend dat woede des mensen is. Het punt is dat voor haar woede blijven koesteren en zoeken naar vergelding niets oplost, maar de woede zelf negeren kan ook schadelijk zijn, in die zin dat we onze natuur dan geweld aandoen. Wat te doen dan, als we boos worden?

Vergelding zoeken of iets nieuws beginnen

Martha Nussbaum schreef al een uitgebreid essay over politieke emoties, waarin ze betoogde dat men het dan niet a priori over woede en angst of wantrouwen moet hebben, maar over emoties als toewijding, vertrouwen, amor mundi ook. Zij acht zich als filosofe niet te min om het over de meest onbestendig geachte menselijke karaktertrek te wijden, emoties en dan vooral woede. Natuurlijk, stoïcijnen en andere filosofen, maar ook zedenmeesters vonden noch vinden goed dat mensen hun woede uiten, terwijl die eerste uiting niet of moeilijk beheerst kan worden. Waar het dan wel over gaat voor Nussbaum is dat men de daad die woede opwekt niet moet vergeten, maar wel dat het omgaan met de bron van de woede best goed onderzocht wordt. In de aard van mensen ligt het om na de woedeaanval te zoeken naar vergelding, meent Nussbaum en ze vervolgt dat men best ook een ander pad kan opgaan.

Aan de hand van scenario's rond een pijnlijke verkrachtingszaak, waarbij de vriendin zich namens het slachtoffer allerlei mogelijkheden voor de geest haalt, wat ze moet doen, de dader keihard aanpakken of zich op haar vriendin, het slachtoffer te concentreren. De dader moet door justitie worden aangepakt, meent Nussbaum, maar als slachtoffer, of betrokkene kan je maar beter proberen je leven opnieuw op te pakken. En de woede om het geleden geweld? Daar moet men dus iets mee doen, maar vergelding werkt niet of slechts tijdelijk. Een poging om het eigen leven weer op te pakken, vergt ook energie. Nu weet Nussbaum ook dat aanranding en erger mensen diep kan raken, in hun integriteit aantast, hen vernederen zal. Dus, redeneert zij, is het niet nodig te zeggen dat die woede niet mag of kan, want die is er. Het antwoord evenwel moet men dan zelf gaan zoeken, als de vernedering niet blijvend vergolden kan worden.

Deze benadering van wat woede is voor een persoon, maakt het boek bijzonder waardevol, niet omdat het zelfhulp biedt, maar omdat het de erkenning van de woede vooraf laat gaan aan de vraag hoe het verder moet. Nu er in het Witte Huis een president zetelt die openlijk als een bully mensen vernedert en er zelfs op televisie zijn handelsmerk van had gemaakt - "You're fired", zonder verdere opgave van het redenen komt dit boek op zijn tijd. Maar men hoeft niet naar de heer Trump alleen te kijken, want ook andere politici en machthebbers gedragen zich alsof ze boven de menselijke wetten, zelfs goddelijke wetten verheven zijn. Het kan er ook mee te maken, denk ik, dat we sommige normen die de religie en filosofische scholen geen autoriteit meer toekennen, dat mensen zich meer als hufters en schoften gaan gedragen die in de andere inderdaad geen gelijke meer zien, laat staan hem of haar gelijkwaardig achten.

Minachting uitstralen is niet nieuw, want men kan zich gemakkelijk situaties indenken waarin personen met macht of figuren die zich beter achtten anderen de duvel aandoen. Macht en minachting voor anderen, in een democratisch bestel zou het niet hoeven en als ik het wel heb, had Alexis de Tocqueville dat al opgemerkt tijdens zijn rondreis in de VS, dat men elkaar in principe als gelijkwaardig zag, alvast de blanken - want of de Tocqueville oog had voor het probleem van de slavernij lijkt me niet geheel duidelijk. Maar hij zag dus wel dat in de VS de standengelijkheid vrij ver was doorgedrongen, maar hij meende ook donkere wolken te moeten zien, want het kon best dat er nieuwe vormen van slavernij zouden opkomen. Laten we wel wezen, in 1830 kon men de gevolgen van de Industriële Revolutie nog niet goed inschatten en Alexis de Tocqueville begreep als telg uit een adellijk geslacht dat de oude vormen van standsbesef wel eens grieven konden bij mensen uit bescheidener milieus.

Het persoonlijke en de samenleving

Martha Nussbaum maakt een scherp onderscheid tussen de problemen die woede kunnen opwekken of veroorzaken, namelijk tussen wat in intieme kring gaande is, tussen geliefden, tussen ouders en kinderen en vervolgens wat in het tussendomein te vinden is en vervolgens in het publieke en in het politieke domein. Over het onderscheid tussen Publiek domein en politiek domein, dat Nussbaum niet maakt valt denk ik wel een en ander te zeggen dat echter precies en vooral vanuit het intieme domein de relaties te bekijken die op woede kunnen uitlopen, maar ook op genade[i].

In het intieme domein speelt gelijkwaardigheid tussen kinderen of tussen ouders. Al is het niet altijd gemakkelijk want er spelen vele emoties, al weet ik niet of we die mengeling van gevoelens, emoties en verhalen in een algemene termen behandeld kan worden. Martha Nussbaum gaat er dan ook dieper op in en via scenario's, waarbij ze net oog probeert te hebben voor de interactie in plaats te vertrekken van het uit het individuele alleen. De bron van woede ligt in onszelf, maar het moment dat iemand de ander statusverlies toebrengt, vernedert ligt in de wil van die ander - doorgaans, want er ook sprake van overgevoeligheid zijn, maar dat geval laten we even beschouwing. De woede die voorkomt uit opgekropte gevoelens en de woede die iemand stoemelings opwekt bij een andere, vertrouwde persoon, zijn omstandigheden die wellicht ook met psychische gevoeligheden te maken.

Wie de geschiedenis een beetje kent, wie ook verhalen kent van mensen, weet dat in de intieme omgeving van alles kan opborrelen en dus hangt het ook wel van opvoeding af en volwassen gedrag, of er veel gelegenheid voor woede is. Dat wil zeggen, het gegeven dat woede er niet zomaar komt, tenzij er sprake is van afkeer en haat, waarvan de redelijkheid nog moeilijker vast te stellen valt, brengt Nussbaum ertoe te veronderstellen dat in de intieme kring woede wel eens kan uitbarsten, maar dat dit doorgaans onder controle gehouden wordt door de attitude van de betrokkenen.

Verwijzend naar Seneca die vertelt over hoe hij wel eens woedend kan worden over het gedrag van anderen, dat het leven van een Romein in de bredere leefomgeving door martelingen en vervelende ontmoetingen getekend wordt, lijkt wel op Hildebrand, Nicolaas Beets schreef en wat men wel eens in human interestprogramma's ziet, namelijk hoe mensen zich soms ergeren om het minste of omdat ze een ander een parkeerplaats voor de neus inpikken. Het tussendomein is waar mensen elkaar ontmoeten en waar ze dus op elkaar inhaken. Die woede is groter, zo lijkt het, naarmate mensen meer op hun ponteneur, op hun punt van eer en strepen staan. Verkeersagressie, zo krijgt men de indruk, neemt soms extreme vormen aan, omdat chauffeurs elkaar openlijk negeren of mishandelen. De vraag is niet of verkeersagressie voorkomt, want dat is het geval en soms kunnen mensen heftig reageren, omdat ze zich in gevaar gebracht voelen of erger, zich tekort gedaan. De kwestie is dan hoe of we het nuttig achten hier streng te straffen. Het komt mij voor dat men naar de aard van de daden moet oordelen en wie een bosmaaier in handen neemt om wraak te zoeken, zal zich voor de rechter verantwoorden, al bleek dat ook wel een daad van vergelding. In onze samenleving geldt  dat men de wraak niet in eigen handen mag nemen, dat heet eigenrichting. Toch lijkt nog altijd gemeengoed te zijn.

Eumeniden en Erynien

De geschiedenis van het recht zoals we die kennen, gaat doorgaans altijd over procedures en steeds verder schrijdende complexiteit van het recht. Het gegeven dat het recht, zowel het strafrecht als het burgerlijk recht als pogingen ontstonden  wraak en vetes te voorkomen, blijft vaak onaangeroerd, want men meent of dat dit evident is dan wel dat wraak nemen des mensen is. Nussbaum die over filosofische grondslagen van het recht schreef en uitlegde hoe het recht meer is dan een fijnmazig redeneren aan de hand van distincties, maar een poging op grond van kennis van de ware toedracht daden te beoordelen, waarna de rechter, een persoon of college een vonnis moet vellen. De wraak is dus overgedragen aan een publieke instantie, waardoor mensen zich met hun toekomst kunnen inlaten.

Nussbaum laat ook zien dat die gedachte van overdracht van de woede aan een publieke, neutrale instantie voor veel mensen niet meer afdoende lijkt. Mensen zeggen wel eens dat  ze pas kunnen beginnen rouwen als het vonnis geveld is, maar zou dat geen vergissing zijn? Tenzij ze de indruk hebben dat recht niet is geschied, omdat de rechter in debat met de advocaten ertoe komt andere beweegredenen in te brengen, waardoor een dader gedeeltelijk vrijgepleit wordt, terwijl het berokkende leed aan een nabestaande niet afdoende zou hebben doorgewogen. Het gevolg is dat mensen niet (meer) vanzelfsprekend genoegen nemen met een rechterlijke uitspraak.

De heer Vincent Leus en andere ouders van verongelukte kinderen, dodelijke slachtoffers maar wellicht evenzeer kinderen die met zware trauma's verder door het leven moeten, met een beperking niet het leven kunnen leiden dat die ouders in gedachten hadden, maken zich vaak druk om vonnissen van politierechters in zaken van verkeersongevallen, waarbij de verantwoordelijkheid bij de bestuurders van een motorvoertuig evident zou zijn. Ik weet dat een auto meer schade kan toebrengen dan een fiets, maar toch, als de rechter besluit dat er sprake is van gedeelde verantwoordelijkheid, dan zijn er wel eens goede gronden voor. Is die bestuurder onder invloed of vertoonde die onaangepast rijgedrag, dan is het wel duidelijk waar de verantwoordelijkheid ligt. Nu, de advocaat van de bestuurder mag ook zijn partij bijstaan, maar soms kan het moeilijk zijn het onverdedigbare goed te praten.

Het is moeilijk als slachtoffer of nabestaanden een uitspraak te aanvaarden als die geen genoegdoening geeft, maar het is ook aan omstanders, de advocaat uit te leggen hoe een rechter tot dat vonnis is gekomen. Want straffen, zwaar straffen is niet altijd een gepaste oplossing, zeker niet omdat het gevangeniswezen niet altijd afdoende zorg opneemt voor de veroordeelden. Die zorg, zo meen ik te lezen, bestaat erin dat ook een dader tot inzicht komt en begrijpt dat er zware schade is toegebracht. Niet om vergiffenis te krijgen, maar om zelf ook weer voort te kunnen. Nu rekent men het gevangeniswezen in wezen tot de sfeer van de vergelding, naast het feit dat het om bescherming van de samenleving gaat.

Na de gebeurtenissen in België, met Dutroux heeft men rond daden van kindermisbruik een verharding van de houding van mensen gezien - waarbij het verschil met verkrachting van volwassenen alleen maar opvallender is geworden - zodat men de rol van de slachtoffers in rechtsafhandeling heeft versterkt. Zij of hun ouders kunnen nu als burgerlijke partijen optreden, wat ertoe bijgedragen heeft dat het systeem van de juryrechtspraak zeer overbelast is geworden. Advocaten van de burgerlijke partijen vragen steeds nieuwe onderzoeksdaden en zullen ook in de rechtbank bijkomende getuigen oproepen. Of dat altijd de waarheidsvinding ten goede komt, blijkt niet vanzelfsprekend, maar dat de juryrechtspraak in ons land geërodeerd raakt, kan ook daartoe bijdragen dat het vermogen van rechtspraak om de woede van mensen op te vangen en dus mensen toe te laten met hun persoonlijke verwerking verder te gaan, wetende dat de rechtbank hun woede vorm zal geven.

Woede in de politieke sfeer

Na de val van de Muur of na de Fluwelen Revolutie heeft men de bestraffing van verantwoordelijken zeer snel in een juridische context geplaatst, net om de notie van vergelding te vermijden. Een aantal zaken, zoals het schietbevel werden vervolgd, net als de wijze waarop mensen werden gestraft wegens misdaden tegen de menselijkheid, maar uiteindelijk werden velen niet verontrust. De menselijke waardigheid werd in de berechting van de SED-bonzen in rekening gebracht, maar tegelijk bleven de burgers van de DDR in het herenigde Duitsland verstoken van de mogelijkheid de daden van mensenrechtenschennis veroordeeld te zien. Kregen ze toegang tot het Stasi-archief, dan heeft dat iets van dat gebrek aan genoegdoening verholpen, maar niet iedereen in de Oostelijke deelstaten was het daar mee eens. Overigens speelde hetzelfde probleem in Tsjecho-Slowakije - nu gesplitst in een fluwelen scheiding - waar Vaclav Havel en anderen vonden dat lynchpartijen niet aan de orde waren. Dat men zich zo de kans op vergelding ontnomen ziet was en blijkt ook nu nog politiek een groot probleem. Of de bestraffing (ped-)agogisch moet opgevat worden of als een overdracht van woede omwille van het geleden leed, blijft nog te bezien.  

Martha Nussbaum verkiest het de casus Mandela te onderzoeken, omdat ze voor zijn handelen al eerder grote aandacht had. Ook Ghandi en dr. Martin Luther King jr. houdt zij tegen het licht om aan te geven dat wraak en vergelding voor het oplossen van onrecht niet per se de beste oplossing vormen. Men zal dus moeten nagaan of men de mensen in woede bevestigen zal, zoals bijvoorbeeld Malcolm X wilde, of de woede ombuigen tot een nieuwe situatie. Ik denk dat die bladzijden in het essay over Woede van groot belang zijn, omdat Nussbaum niet enkel de goede bedoelingen van Mandela, King en anderen in het licht zet, maar tegelijk laat zien dat deze pogingen, zoals bijvoorbeeld de waarheids- en verzoeningscommissies voor Mandela, anders dan voor bisschop Tutu niet een zaak van vergeving waren in de betekenis die Nussbaum uitgelegd heeft.

Het gaat erom dat mensen zelf kunnen zeggen wat ze aangericht hebben en dat men vervolgens kan zoeken naar manieren om verder samen te leven. De beroemde rede van dr. King begon overigens met het benoemen van de woede van de zwarte bevolking in de VS en de discriminatie, het onrecht dat ze hadden te doorstaan. Het is pas als hij al die woede heeft verzameld in een opsomming en er de rechtmatigheid van onderkend heeft, dat hij begint over de droom van een ander Amerika, waarin blank en zwart, kleurlingen en leden van de first nation wel met elkaar overweg kunnen en gelijkwaardigheid ten aanzien van elkaar niet preken, maar beleven.

Wie de apartheid en de segregatiewetten alleen ziet als een juridisch of een institutioneel probleem, vergeet dat mensen zich door die apartheid tekort gedaan voelden en dat in voor ons onvoorstelbare mate. Wie de omvang van de segregatiewetten in de VS, de geschreven versie, maar meer nog de ongeschreven wetten, zal begrijpen dat de hervormingen van Lyndon B. Johnson wel degelijk noodzakelijk waren, om de Amerikaanse samenleving grote schokken of erger te besparen. Het ging en gaat - zie de politieoptredens van afgelopen jaren - om een wederrechterlijk optreden van overheidsambtenaren, van scholen en zelfs van particuliere instellingen, zoals het saloon, waar "Zwarten" of "negers" niet binnen mochten of niet mochten deelnemen aan het sociale gebeuren.

King en Mandela hebben de woede van hun medestanders gevoeld en zelf ervaren, maar hebben begrepen - zoals Albert Camus schreef - dat  men best opstandig mag zijn, boos zijn, woedend zijn, maar de uitkomst kan men niet laten uitlopen op wraak. Anders dan de revolutionair Lenin het deed voorkomen, dat men de hogere klassen voor het geleden onrecht diende te laten boeten, vonden Mandela en King dat het hoognodig was dat men de woede onder ogen zag en vervolgens aan een nieuwe samenleving ging bouwen.

Vergeving en genade

In het hoofdstuk over vergiffenis toont Martha Nussbaum hoe de Joodse en Christelijke cultuur in hun relatie tot god een vernederende vorm van vergiffenis vragen hadden ontwikkeld. Tesjoeva is de joodse term voor het herstellen van de band met god, waarbij men erop aangesproken kan worden dat men iets nagelaten heeft of op handelingen niet men niet had mogen stellen. Tesjoeva tussen mensen bestaat, maar is een afgeleide van de relatie tussen god en mens. In de christelijke cultuur werd de vergiffenis ook een zaak van gelovige en god, maar tegelijk konden en kunnen mensen elkaar vergiffenis schenken en die transactionele vergiffenis is dus niet onvoorwaardelijk, maar gaat gepaard met vernedering en zelfvernedering. Het is van belang dat we ons hiervan bewust zijn, want als we iemand vergeving schenken, dan bestaat het risico dat we daarbij niet zomaar over het hart strijken en de ander zijn of haar vergrijp vergeven. Maar er gaat een transactie aan vooraf die volgens Nussbaum de genoegdoening tot een nieuwe ongelijkwaardigheid tussen de boosdoener en degene die vergeving schenkt leidt en zo in wezen een vorm van vergelding wordt.

Wie haar werk leest kan haar redenering wel volgen, maar toch blijft de vraag of Martha Nussbaum de interactie niet te eenzijdig bekijkt. Als iemand werkelijk een zwaar vergrijp heeft gepleegd tegenover een naaste en zich daar na enige tijd van bewust wordt en de zaak in orde wil maken, waar gaat het dan om? Zij spreekt over genade, zoals in het Romeinse begrip "Clementia", dat ertoe aanleiding kan geven dat de dader van een vergrijp of misdrijf, door het slachtoffer kan gezuiverd worden, zonder voorwaarden om verder te kunnen. Is dat psychisch mogelijk, dat een jongen die ooit is misbruikt op volwassen leeftijd de belager verschoont?

Wat Martha Nussbaum voorstelt is niet dat de daden ongedaan worden gemaakt, maar dat het 'voormalige' slachtoffer niet enkel afziet van wraak en vergelding, zocht en mogelijkheden vond om het eigen leven terug op te pakken en tot slot de persoon die hem of haar onheil bracht door een snode daad kan laten weten dat hij of zij die dat deed niet meer aangerekend wordt, zonder dat die, zegt Nussbaum, zich in stof en as hoeft te wentelen.

Nog eens, zijn mensen daartoe in staat? Sociale media vandaag geven blijk van grote wraaklust en wie het wil betrachten krijgt te horen een softie te zijn. Het klimaat is er niet rijp voor, maar ik kan Nussbaum volgen dat dit geen argumenten is omdat dit zelden het geval is geweest. Zij verwijst naar mensen die begrijpen dat zich op wraak richten hen in wezen blijft gijzelen en beletten met iets nieuws te beginnen. Wie de bladen bekijkt, waar over echtscheidingen van de groten - what's in an epitheton? - hoort voortdurend over wraakneming en het thema van de vechtscheiding beweegt politici er vaak toe nieuwe pistes te openen die niet altijd de welwillende partij ten goede komt. De vraag is of in die gevoelen de woede van de bedrogene afdoende erkend wordt, want daar gaat men er net vanuit dat men de zaak rationeel moet aanpakken, zonder emoties en zonder zinnen op wraak, wat net tot vechtscheidingen aanleiding geeft. Men moet juist de woede zelf onderkennen.

Omdat Martha Nussbaum gedurende haar hele boek benadrukt dat woede des mensen is, maar dat haar taak is als filosofe na te denken over hoe we dat een plaats kunnen geven in ons leven, moeten we maar bedenken, kan men haar onderzoek het beste zien als een poging tot gesprek over wie we zouden willen zijn. Zij weet heel goed dat er mensen zijn die niet zomaar tot genade verlenen in staat zijn, omdat hun leven om allerlei redenen diep graven door elkaar is gegooid en dat zij er jaren later nog veel last van ervaren. Vergeving echter zou de statusverhoging van het slachtoffer en de statusverlaging van de dader meebrengen, maar vaak is dat geen blijvend gevolg en de voldoening van deze vorm van vergelding blijft ondermaats. Het vergt dus goed nadenken, niet over iets dat zou moeten, maar over hoe men verder kan met het eigen leven.

Dan pas immers kan men tot enige ruimhartigheid komen, ook als men dan zal bereiken dat de voormalige dader die ruimhartigheid opvat als een zending om zelf het eigen leven te veranderen. Ruimhartigheid komt niet vanzelf, lezen we daarom, want men dient er zich rekenschap van te geven dat de inzichten van Nussbaum niet als zelfhulp moeten worden gezien. Het gaat dus om oefening in het veranderen, zoals ook Sloterdijk die presenteerde, waarbij de dingen zoals ze zijn, mensen zoals ze zijn de krijtlijnen vormen, maar om te veranderen, moet men wel over die lijnen heen, maar nooit vragen dat een(ander) mens veranderen zal, want daar heeft niemand greep op. Toch lijkt Nussbaum wel te geloven dat mensen kunnen veranderen. Evolutionair psychologen ontkennen dit wel eens en andere filosofen menen dat men een persoon, een mens als gedetermineerd moet zien door die evolutie, alsof cultuur er niets aan veranderen zou. In de praktijk ziet men dat sommige mensen onverbeterlijk blijken terwijl andere echt wel hun oude ik kunnen afleggen, zonder daarom plots een engel te worden. Omgaan met woede kan zelfvernietigend werken, maar hoe we ertoe komen onze zucht naar vergelding om te zetten in een constructieve houding, zegt Nussbaum terecht niet, want dat is een persoonlijk proces, zoals ook tot het verlenen van genade een persoonlijke reis vormt. Maar het zou helpen, mag men hopen, als de cultuur wat minder op wraak ingesteld was.

Epiloog

Met deze reflectie over het boek van Martha Nussbaum hoop ik haar inzichten over woede en genade, wrok en ruimhartigheid recht te doen, omdat ik denk dat deze denkoefening van Nussbaum wel zou kunnen inspireren. Het gaat er niet om dat men zomaar kan afzien van een huis-tuin-en-keukenwoede, maar wel dat men kan betrachten die geldingsdrang, waarin de wraakgedachte vervat ligt, waarbij we terug komen tot de idee van status als hoeksteen van onze identiteit, om te zetten in een constructieve beweging, want die statusobsessie brengt mee dat we ons snel beledigd voelen, terwijl degene die ons zou beledigen misschien geen been heeft om op te staan. Maar statusverlaging blijkt dezer dagen erg en vogue te zijn in de publieke sfeer.

Hoe mooi het leven kan zijn zonder woede? Dat is niet waar Nussbaum het over heeft want ze verzet zich tegen de gedachte dat men menselijke emoties zomaar kan wegcijferen of verdringen. Integendeel, door de woede als menselijke emotie, beweegreden te erkennen, kan ze zinvol over een goede omgang met onze woede reflecteren, zonder ons een bolwassing te geven.

Bart Haers










* Misschien valt deze recensie uitgebreid uit, maar het verhaal kort brengen laat de ampleur van het onderzoek over woede en ruimhartigheid snel eenduidig. 
[i] Het publieke domein is ruimer en omvat het politieke domein, denk ik. Het politieke speelt zich af op de agora, al lange tijd in de media, maar nu ook in sociale media. Dat lijkt belangwekkend en toch, net de media laten zien dat het publieke domein ruimer is, ook bijvoorbeeld economische handelingen impliceert en het hele circus dat entertainment, waar wij ons soms wel, vaak niet in herkennen. Zoiets als de publieke opinie is een geheid wapen in handen van journalisten die de macht willen aanvallen. Maar hoe vaak herkent men zich in wat zogenaamd de politieke opinie is. Meer nog, ik merk ook een toenemende woede over het misbruik van de publieke opinie. Zelf gebruik maken van de sociale media kan helpen. Al doet men graag alsof alleen boodschappen of twitter of fb ertoe doen, volgens de mijnwerkers van de publieke opinie.