Kan het, spreken over iemand als Hendrik Elias?

 

Brief,

 

 

Amice,

 


NIet zomaar een dreef in de Bossen van Lembeke 
en omgeving. Een beeldenpark als tijdbesteding?

Zondag laatst deed er zich iets wonderlijks voor bij een bezoek aan een tentoonstelling in een galerij te Oost-Eeklo, wat mij betreft, maar het stemde u wel ongemakkelijk. Over het verleden van Hendrik Elias spreekt men, behoudens in ingetogen termen niet met vrienden van de man. Dat begrijp ik en daarom verzoek ik om verschoning. Maar wat mij op dat moment trof, een historische sensatie, komt niet zo vaak voor en Johan Huizinga, die het eens vermeldde wist zelf ook dat men het fenomeen, de sensatie niet zomaar kan beschrijven. Om het goed  te duiden in een beknopt bestek, moet ik u twee lijnen ter verduidelijking laten volgen. De eerste is de historische sensatie, Huizinga en Ankersmit en de tweede lijn is het verhaal van Hendrik Elias zelf. Vanzelf, denk ik dan, zal duidelijk worden dat de historicus getroffen wordt, middels het verhaal van een schilder, door de complexiteit en samenhang van het verhaal.  

 

Frank Ankersmit schreef een uitgebreid essay over de idee van Johan Huizinga of beter een ervaring waar hij eens melding van heeft gemaakt, de of een historische sensatie. Dat heeft weinig te maken met euforie of de gedachte dat een gebeurtenis allesbepalend zou zijn. Voor Huizinga leek zo een sensatie als wat de langeafstandloper ervaren kan, na vele trainingen, de runners high. Bij de historicus gaat het erom dat na langdurig onderzoek over een historische kwestie plots merkt dat alles waar hij of zij aan materiaal verzameld heeft plots in een ander, helder licht komt te staan. Vond Huizinga genoegen in het schrijven van cultuurhistorische overdenkingen, toch deed hij voorheen wel historisch onderzoek. Daarom blijft de notie van de historische sensatie toch niet zonder grond, of liever, men kan vaak genoeg de indruk krijgen niet afdoende greep op of inzicht in de materie te krijgen, zodat het moment dat de doodlopende steeg plots een brede boulevard blijkt, het inzicht dus meer grond heeft gevonden en het materiaal begrijpelijk echt wel een hoogtepunt kan blijken.

 

Leven en werk van Hendrik Elias is stilaan ondergesneeuwd geraakt en ik ben er mij bewust van dat de man 14 cel heeft gekregen, face au Mur, zoals Filip de Pillecijn die ervaring beschreef maar hij onderging niet het lot van anderen die, zoals Luc Huysse en Steven Dhondt schreven die vroeg na de bevrijding voorgebracht werden voor de krijgstribunalen. Overigens, hoewel er ook hier straatrepressie is geweest, heeft men vrij vlug de rechtsspraak opnieuw bij de overheid gelegd, al bleef het om een uitzonderingsrechtsrpaak gaan, anders dan in Nederland en Frankrijk. Wie zich later moest verantwoorden, vanaf 1947 kon eerder rekenen op genade van de Prins-Regent. Elias is lang bezig gebleven, ook in de gevangenis met historisch onderzoek en schrijven. Het was noch is mijn opzet Elias te verontschuldigen voor wat hij gedaan heeft, want er zijn nog weinig mensen die  zich voor zijn leven en werken interesseren, net omdat hij in feite een uitzondering was binnen de hogere kringen van het VNV. Dat hij voorzitter werd of leider van het VNV na de dood van Staf Declercq in oktober 1942 mag men een rare kronkel noemen, want men had Elias al naar de uitgang geleid, maar de Raad van Leiding en vooral de Secretarissen-Generaal Gerard Romsee en Victor Leemans hebben hem gevraagd niet te aarzelen omdat ze vreesden dat de SS – die niets van hem wilde weten – anders van het machtsvacuüm misbruik zouden maken. De ware reden is dat niemand het moeilijke pad wilde gaan dat ze Elias dwongen te lopen.

 

Het VNV, beschreven door Bruno de Wever in Greep naar de Macht, de handelseditie van zijn doctoraat, laat zien dat Elias, bij zijn aantreden al in een lastig parket zat, omdat hij niet meer de nummer twee was, terwijl de nieuwe nummer twee, Reimond Tollenaere de harde lijn van het VNV wilde verzekeren. Met Operatie Barbarossa, de aanval op Rusland trok Tollenaere als Untersturmführer mee naar Rusland en sneuvelde door vriendschappelijk  vuur bij Novgorod. We kunnen ons niet wagen aan wat-als-vragen, maar dat Tollenaere als grote leider van het VNV de collaboratie in de lijn van de SS zou gebracht hebben, zoals Jef van de Wiele had betracht met de culturele vereniging D-Vlag, valt moeilijk te ontkennen. Zoals Maurice De Wilde in zijn reeksen over oorlog, bezetting en collaboratie en ook het Verzet, plus “De tijd van Vergelding” liet zien, was het bijzonder lastig voor deze actoren om zonder verlies hun weg te gaan en hun partij dan wel beweging te leiden. Was de kans op succes – wat dat ook mag inhouden – tot half 42 nog reëel, dan was tegen begin 1943 het gevaar voor een Duitse nederlaag, voor de collaborateurs in Frankrijk, Nederland en België, waar ook Rex nog meespeelde – al onbetwijfelbaar, maar er kwamen toen gewapende aanvallen vanwege toenemend verzet, vanwege de communisten en andere groepen in de bezette gebieden. Dat leidde in sommige regio’s tot een regelrechte burgeroorlog, waar Elias mee voor passend verweer diende te zorgen. Maar hij bleek terughoudend.

 

Weten we dat er zich binnen de collaboratie een eigen dynamiek ontwikkelde, waar Hendrik Elias nooit de bovenhand kon krijgen, ook niet binnen het VNV, waar elk neigen naar de wensen van de bezetter en vooral de SS, uitliep op weerstand binnen de raad van leiding en de ruimere kring, zoals pater Jules Callewaert, die een afwijzende brief schreef, die uiteindelijk toch verspreid raakte. Omdat deze periode voor Europa van wezenlijk belang is, kan men niet voorbij aan de gebeurtenissen en figuren die erbij betrokken waren. Hendrik Elias, lees ik bij Bruno de Wever, moet het moeilijk gehad hebben afstand te houden tot elke poging tot verduitsing en aansluiting bij de  SS – zoals Leon Degrelle deed -  en toch op goede voet te staan met de Duitse bezetter, de Wehrmacht dus – die zelf ook twee gezichten had. Stellen we dan ook nog vast dat Elias afstand heeft willen nemen, maar zich altijd geroepen voelde, al voor de oorlog, een gematigde politiek na te streven, waardoor hij finaal in de binnenbaan terecht kwam en aan het einde van de oorlog door de SS gevangen werd gezet. Hij was zich er wel bewust van geen kleine jongen te zijn geweest en maakte zich geen illusies over het lot dat hem beschoren was.

 

Het blijft voor wie naar een figuur als Elias kijkt bijna onbegrijpelijk dat hij die leidersrol, die vaak veel lijden meebracht heeft aanvaard. Het feit dat hem zowel in Leuven als in Gent een academische loopbaan door de neus geboord werd, omwille van zijn anti-Belgische houding, die hij tijdens WO II zou bijstellen, omwille van de promotie van het Waalse volk dat door toedoen van Leo Degrelle plots ook een Germaans volk was geworden, maar wat die erkenning waard was, blijft een kwestie van perceptie, bracht hem uiteraard op alle fronten in moeilijkheden.  

 

Interessanter is het zo een figuur als Hendrik Elias te bekijken in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen. Aan de zijde van de Vlaamse Beweging heb je een aantal universitair geschoolden, die tijdens WO I al of net nog niet betrokken waren bij het activisme of aan de IJzer in de frontbeweging zaten. Wat ons ontgaat, zeker als het de beoordeling van individuen gaat die prominent aanwezig waren in de oorlogsgebeurtenissen in eigen land is de ontwikkeling die ze tijdens die twintig jaar hebben doorgemaakt of nog hoezeer hun Vlaams-nationalisme is aangescherpt door de gebeurtenissen.  Had Hendrik Elias in mei ’40 en de zomer van dat jaar ervoor gepleit niet in de fout van een tweede activisme, de collaboratie dus, te stappen, dan heeft hij die gedachte wellicht altijd voor ogen gehouden, maar kon hij uiteraard niet echt op tegen de andere partijen in het geding, de Militärverwaltung, het burgerlijke bestuur door de militaire bezettingsmacht, steunde het VNV, zeker naarmate DeVlag de steun kreeg van de SS en de plannen van het VNV wist te doorkruisen. Het is maar later dat men zag hoe leeftijdgenoten duidelijk verschillende keuzes maakten, zij het dat ze naar het lijkt dezelfde doelstellingen voor Vlaanderen voor ogen hadden staan.

 

De generatie die zowel WO I als soldaat en tijdens het interbellum een beroepsloopbaan begon, trouwde en geleidelijk tot het opnemen van leiding en verantwoordelijkheid geroepen werd, zeker de gestudeerde jeugd, heeft keuzes gemaakt, moeten maken waar wij vaak niet de achtergrond van snappen, noch van de omstandigheden noch van de wensen van die generatie. Wie aan een studie zou beginnen over afgestudeerden van de colleges tussen 1910 en 1940 zal merken dat deze studenten zowel in athenea als colleges en Klein-Seminaries een gedegen opvoeding kreeg. Maar er schoof hen tijdens het interbellum frustratie onder de huid. Iemand als Marcel Minnaert, actief aan de Vernederlandste universiteit van Gent als doctor in de biologie bij de liberale, Vlaamsgezinde professor Julius Mac Leod en vervolgens in 1918 gevlucht naar Nederland om daar na een bescheiden begin van klusjesman uiteindelijk hoogleraar zonnefysica werd. Geleidelijk nam hij afscheid van zijn militante antibelgicisme, omdat het niet meer bij zijn mens- en wereldbeeld paste. Tijdens WO II  was hij met andere Nederlandse prominenten opgesloten in het kamp Sint-Michielsgestel. Na de oorlog zette hij zijn maatschappelijke inzichten verder uiteen en gaf daar ook een praktisch gevolg aan via het bekende werk Natuurkunde van ’t Vrije Veld”. Er zijn tal van mensen geweest, die wij niet meer (kunnen) kennen, maar niettemin hun bijdragen geleverd hebben. Hendrik Elias is er een van, die zijn verantwoordelijkheid nam, ook als dat tegen zijn inzichten inging. Men moet figuren van de ene zijde en van de andere, het verzet, zeker niet negeren, want we kunnen de gebeurtenissen niet begrijpen als de verschillende hoofdrolspelers in het vage licht van onwetendheid afgeserveerd worden. Daarom interesseert het wel en wee, de werken en dagen van figuren in al die verschillende omstandigheden alvast mij, Hans en Sophie Scholl, Hendrik de Man, Hendrik Elias en verzetslui, zoals een Marc Van Overbeke, die in Waals Brabant actief was of Staf van Boeckel in Boechout – zoals Dany Neudt beschrijft, zijn veel mensen uit het verzet nauwelijks bekend. Het blijkt passend dat aandacht gaat naar verzetslui, naar hun werking en hoe moeilijk het was te weten welke acties zinvol waren of domweg vol gevaar voor henzelf en voor burgers die zich buiten de mêlee wensten te blijven. Dat afzijdig blijven is geen schande, net zoals men weinig aandacht heeft voor wie onderdook om aan de Verplichte Arbeidsdienst, en zo zichzelf en wie hen hielpen in gevaar brachten. Dat is nu eenmaal de oorlog en daar kijken we vaak vooral fragmentarisch naar, zien we slechts wat documentaires over de grote oorlogshandelingen weten te brengen.

 

Van Erik Defoort kwam de interessante gedachte dat men bij bijzondere, nazinderende gebeurtenissen, zoals de dood  van Herman van den Reeck, best ook gedegen biografisch onderzoek kan doen. Daarbij sloot hij niemand uit, omdat jongeren op hun 20ste andere keuzes ziet maken dan wat ze later uitrichten, zoals die Marcel Minnaert en Herman Vos, die wel in de Frontpartij bleef maar geen lid werd van VNV. Die biografische arbeid is bewerkelijk, maar kan ons meer inzicht bieden in de wijze waarop mensen mogelijkheden en gevaren van (politieke) keuzes afwegen, directe gevaren maar ook latere gevolgen voor de loopbaan in rekening brengen. Het nationaal biografisch woordenboek vermeldt bij uitstek verdienstelijke persoonlijkheden die zich professioneel hebben onderscheiden of bestuurlijk van grote betekenis waren. Er zijn ook andere toegangen mogelijk, zoals het ADVN, AMSAB, Kadoc en Liberas. We vermelden deze organisaties, omdat het nuttig is mee te geven dat we al die informatie niet hoeven te verzinnen, want de werkelijkheid is vaak boeiend genoeg. Uiteraard mag men ook de gemeentelijke en stedelijke archieven niet vergeten, met als algemene bewaarder  van archieven, het Algemeen Rijksarchief.

 

Daarom kwamen de reeksen van Maurice De Wilde, met alle kritiek die mogelijk is, na grondig onderzoek, als geroepen om een aantal facetten, over de collaboratie, het bezettingsregime en het verzet, maar ook het gebeuren na de bevrijding te belichten. Wie zich een beeld wil vormen, heeft dus wel wat voor de kiezen. Mogelijk komt er dan iets van een historische sensatie, die onverwacht komt, maar verheldert wat nog mistig was.  

 

De schilder Jos Verdegem, vooral een werk van hem, ken ik al sinds mijn kinderjaren. Verdegem was voor en ook tijdens de oorlog docent aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent. Wat er precies gebeurd is, dat de schilder in de molen van de Epuratie en de  Repressie vermalen zou worden, is me nooit helemaal duidelijk geworden. In 1944 lijkt zijn maatschappelijke leven beëindigd, sterven deed hij pas in 1957. Hij was betrokken bij een tentoonstelling in Rijssel van 11 tot 29 augustus, vanuit de Landskamers en blijkbaar ook, maar duidelijk wordt dat niet, de Kunstenaarsgilde. Ook in Duitsland zou werk geëxposeerd zijn geworden, maar waarom hij dan van de academie geroyeerd is geworden, blijft moeilijk te vatten. De literator Felix Timmermans werd ook opgepakt en onder huisarrest geplaatst, waarna de beschuldiging van culturele collaboratie – vanwege de Rembrandt Prijs – werd geseponeerd. Hoe werden die acties tegen vooral individuele kunstenaars georganiseerd? Duidelijkheid valt moeilijk te verkrijgen.

 

Het is daarom dat het artikel in de krant over het plan van Willem Elias en het gesprek over de jaren in Gent van Hendrik Elias een historische sensatie vormden. Alleen moet een mens daar omzichtig mee omgaan. Vooral het feit dat wij, mijn generatie, wel met facetten van oorlog, bezetting, verzet en collaboratie te maken kregen, maar tegelijk nooit op de proef werden gesteld, maakt het lastig ons in te leven in het gebeuren van toen. Een bevel om naar Weimar te gaan? Onderduik verderzetten en zich gedeisd houden, het vergt ook een soort  moed.

 

Hartelijk,

 

Bart Haers


Ter info over de galerij waar we het gesprek hadden over Jos Verdegem en Hendrik Elias



WILLIAM WAUTERS GALERIE 
Antwerpse Heirweg 5, B 9968 Oosteeklo - België
open elke zaterdag en zondag 14-18 uur, en na afspraak op ++32/(0)9/3737006

 

 

Reacties

Populaire posts