Saga van de familie van Jan Breydel
Recensie
(Jan) Breydel bekende onbekende
Een uitgebreide verkenning
Lisa Demets, Breydel; Het verhaal van een
ambitieuze politieke familie in middeleeuws Brugge. Uitgeverij Vrijdag. 2024.
265 pp. € 25,-
Geschiedenis bedrijven, geschiedschrijven is een taai
metier, dat vaak telkens weer nieuwe vragen brengt, terwijl we toch zo graag
zekerheden hebben. Wie vond die lessen geschiedenis niet saai en vooral
onbegrijpelijk, naarmate de lessen meer gestructureerd waren en feitjes kennen
de kern van de zaak. Waarom Lisa Demets in de geschiedenis van de naam Jan Breydel
is gedoken, heeft inderdaad heel wat voeten in de Brugse aarde, maar doorheen
haar onderzoek komen er tal van facetten van de samenleving aan bod, Brugge in
de eerste plaats, maar uiteindelijk blijken ook de ruimere omgeving, het
Bourgondische hof en ook Maria van Bourgondië maakt haar opwachting met de instelling
van de Staten-Generaal als centraal bestuurslichaam in dialoog met de hertogen.
Maar wie was die Jan Breydel uit de Leeuw van Vlaanderen, van Hendrik
Conscience?
Het is de historicus v/m te doen om de werkelijkheid
van het verleden heden te onderzoeken en daarbij alle beschikbare bronnen aan
te wenden, maar dat vergt dan weer onderzoek van die bronnen, jawel op
betrouwbaarheid, maar soms schuilt de betrouwbaarheid van een bron niet zozeer
in de vermeende auteur, maar in vormkenmerken, de hand (van een klerk van een
administratie en zoveel meer. De Annales Gandenses komen uiteraard eerst aan
bod, waarbij de politieke betrokkenheid aan de orde komt en de vaststelling dat
Jan Breydel er geen plaats in heeft. Pas na een episode in de abdij ter Doest in
1309 krijgt zijn naam enige weerklank.
De spanningen tussen de graaf van Vlaanderen, Gwijde
van Dampière en koning Filips IV kwam in boeken en documentaires aan bod, soms
op trieste wijze, zoals in 2002, toen R.C. Van Caenegem zich belazerd voelde en
ook het publiek de badinerende aanpak niet kon smaken. De aanpak ging voorbij
aan de betekenis die de slag bij Kortrijk, op 11 juli 1302 voor de tijdgenoten
had, zelfs en zeker ook voor Filips IV de Schone (van Frankrijk). Jan Breydel
werd verwezen naar de coulissen als leverancier van vleeswaren voor de
strijders bij Kortrijk, zonder enige verwijzing naar bronnen. Hier komen we in
het laboratorium van de historicus terecht, waar de vraag stellen een lang en
onverwacht maar ook boeiend antwoord oplevert. Uiteraard komt de historica Lisa
Demets ook terecht in een bibliografisch paradijs terecht, zou men denken, maar
het is soms harder zwoegen om de verschillende stemmen naast elkaar te horen en
doorheen tegenspraak en omissies tot een beeld te komen van wat er gaande was
in Brugge en met die families van Jannen en Jacobben Breydel.
Het opzet van dit boek, van dit onderzoek, gaat uit
van de vaststelling dat Jan Breydel in de eerste verhalen en kronieken over de
Frans-Vlaamse oorlog en de slag bij Kortrijk niet voorkomt. Pas Hendrik van
Veldeken, die de Spiegel Historiael van Jacob van Maerlant verder heeft gezet,
zag Breydel optreden en bracht nog iets nieuws daar te berde, namelijk dat bij Kortrijk de strijd van heel Vlaanderen werd
gestreden. Dat botst met de informatie dat Gent weinig te maken wilde hebben
met deze strijd, omdat de stedelijke elite op de hand van Filips IV de Schone
was, wat het conflict nog zeer gefocust hield op de relatie tussen de graaf en
de koning. Zonder de steun van de ambachten in Brugge, met onder meer Pieter de
Coninck vermocht de graaf en zijn familie weinig. Lisa Demets weet heel goed
uit te werken hoe de naam van Jan Breydel ging passen in het verhaal van Brugge
en Frans-Vlaamse oorlog, door precies aan te geven hoe na 1309 geleidelijk
andere bronnen, op afstand, het verhaal
gaan kleuren. Wat ook pertinent onder de aandacht wordt gebracht is hoe de
verhoudingen in het graafschap Vlaanderen na 1310 en tot de komst van de
Bourgondische Hertogen, direct verbonden aan het Franse koningshuis, zijn de
conflicten over de macht in de steden, de steun aan de graaf zorgt ambachtsdekens
in Brugge al eens een faveur, maar wie tegen de graaf opstond en verloor kon het
schudden. Binnen de steden ontstond een bij wijlen heftige factiestrijd,
waarbij de heftigheid economische en sociale gevolgen had. Na de Gentse oorlog 1378
- 1385 en onder de Bourgondiërs zal de factievorming nog minder transparant
uitpakken. Binnen families kunnen leden voor de ene partij kiezen en andere
voor de tegenpartij. Jan en vooral Jacob Breydel zouden in die periode
belangrijke posities verwerven in de Brugse en Vlaamse instellingen.
Het valt niet te ontkennen, dit boek vergt aandachtige
lectuur, want er was veel aan de hand in de stad, het Graafschap en de
Nederlanden, maar het biedt dan ook veel leesgenoegen, inzichten, die niet zo
vaak aan de orde komen. Wat hadden deze Breydels te maken met de Poortersloge,
waar leden van een elitair toernooigezelschap samenkwamen, de Witte Beer? Onder
meer telgen uit de familie Gruuthuse maakten er deel van uit. Waardoor we de
vormen van sociale opgang scherp kunnen volgen. Van actieve ondernemers en
handelaars worden ze renteniers, via het pachten van belastingen. Tegelijk
lijkt het moeilijk om zomaar met die pachten fortuinen te verdienen, want we
weten niet hoeveel zo een pachter, die eerst aan de graaf of de stad voor het
innen van een taks of accijns klinkende munt had betaald om nadien de belastingen
te innen in de hoop die voorafbetaling te recupereren. We weten hoe het
functioneert maar de vraag blijft, zoals ook Louis XVI zich die zou stellen, of
de baten van die belastingpachten Frankrijk vooruit hielpen.
In het relaas valt op dat er voortdurend conflicten
zijn tussen groepen in de samenleving, waarbij er in Brugge lange tijd een
graafgezinde factie is geweest, die dus de tegenstanders/opstandelingen bestreedden.
Het verhaal van Jacob van Artevelde, die de Engelse belangen voorop stelde op
trouw aan de graaf en dus de koning, want Nevers en Male waren doorgaans de
belangen van de Franse koning toegedaan. Artevelde slaagde er enige tijd in het
graafschap achter zich te krijgen, maar hij Discussies over een nieuw kanaal
voor de binnenvaart vanuit Brugge naar de Leie – om de tol in Gent te omzeilen –
zorgden voor de Gentse oorlog. In die context kwamen de Breydels, wellicht
afstammend van een Jan Breydel Michaels bovendrijven en namen deel aan
gezantschappen van Brugge, onder meer in functie van de Vier Leden, met Brugge,
Gent, Ieper en het Brugse Vrije en vervolgens werden ze lid van de schepenbank
of van de raad en namen ze daarbij steeds langere ambtsperiodes. Zelfs als men
zou verwachten dat ze de wacht werden aangezegd door de graaf, bleven ze rustig
hun verworven posities behouden.
Kwamen ze aanzetten toen er toevallig een wissel van
de macht in de vroedschap aan de orde was? Wellicht hadden ze, Jan I en Jacob I
hun mogelijkheden goed bekeken en stil, misschien zelfs steels hun posities
ingenomen en weten te behouden. Men kan de Breydels, zoals Lisa Demets
aangeeft, ook zien als een van die families die in de Republiek als Regenten
zouden worden voorgesteld. De reden waarom ze hun link met die obscure Jan
Breydel – er liepen er wellicht 5 rond in die dagen van de oorlog tussen de
Graaf en de Koning – was dat instituties en families, zeker vorsten, zich graag
voorstellen als telgen uit een eeuwig geslacht van helden. Het streven naar een
adellijke titel door de Breydels middels het verwerven van een hof met
heerlijke rechten mag dan ook niet verbazen, maar ze voerden, rond 1400 een
quasi adellijke staat, ook deel van de verwerving van een adellijke titel.
Die zogenaamde waanzinnige veertiende eeuw, maar ook
de vijftiende eeuw ontbrak het niet aan kwalijke oorlogen, conflicten,
hongersnoden en epidemieën, wat toch een weerslag gehad moet hebben op de
familieclans. De afstammelingslijn is bekend en kent vele generaties wat ze
gemeen heeft met de familie Gruuthuse en laat zien hoe een stedelijke economie
dragend is voor de ontwikkeling van vermogens. Het beeld dat dankzij Barbara
Tuchman van de 14de eeuw bij het publiek ingang vond, blijft altijd
boeiend, maar er zijn ook andere facetten aan het verhaal, die zo een
eenduidige benadering niet verdragen.
Des te merkwaardiger is het dan ook dat we in
hedendaagse referenties aan die periode zelfden zien hoe deze mensen in het
politieke bestel hun rol hadden opgenomen, behalve als het om de rol als
mecenas gaat. Natuurlijk zijn er niet altijd directe bronnen beschikbaar, maar
net Lisa Demets laat zien dat onder meer de verschillende kronieken hun belang
wel degelijk laten gelden. Het overzicht van de bronnen die gaan over het
Frans-Vlaamse conflict en de slag bij Kortrijk tot het optreden van de Breydels
aan het einde van de veertiende eeuw, toen ze werkelijk deel hadden aan het
leven van de Brugse elite, via deelname aan het tournooigezelschap van de Witte
Beer laten zien dat iemand de positie van Jacob Breydel en zijn nageslacht
linkt aan die vermeend bekende Jan Breydel, die in 1302 kapitein zou zijn
geweest. Ook verschuift de focus van Brugge – grote nadruk op de Goede
Vrijdagaanslag – naar een algemener Vlaams gedeeld verhaal, zoals Lodewijk van Velthem dat beschreef, abstractie makend
van de onderlinge twisten in de steden en tussen de steden. De veertiende eeuw
is zoals we reeds opmerkten, conflictrijk, waarbij de activiteiten van Jacob
van Artevelde en vervolgens Filips van Artevelde in de Gentse Oorlog, gewapende
strijd onvermijdelijk en endemisch maakten, waarbij de ene groep partijganger
is van de graaf en dus de andere tegen. Brugge
had te maken met een felle strijd tussen twee clans, maar in 1411 slaagde men
erin gematigder uit de hoek te komen en de eeuwige conflicten voor even stil te
leggen. Hoe zich intussen een stabieler bestuurlijk systeem ontwikkelt, mag ons
niet ontgaan, maar hoe functioneert de rechtsspraak in Brugge en Vlaanderen?
Deze zoektocht naar een vermeende held loopt niet uit
op een ontgoocheling, want men zou moeten weten dat mensen verhalenvertellers
zijn en dat bijvoorbeeld de band met de Gruuthuses expliciet tot uiting komt in
het tournooiboek dat Lodewijk van Gruuthuse een paar generaties later nog zou
koesteren; waardoor we via dit onderzoek naar de ware Jan Breydel boeiende
bladzijden krijgen over samenleving en cultuur in Brugge, over politiek
bedrijven ook. In Brugge lag in die 14de eeuw de Eekhoutabdij, waar
de regel van Augustinus werd aangenomen en waar in de veertiende eeuw een belangrijke
abt Lubert Hautscilt (Brugge 1347 (Constanz?) 1417, die onder meer de
Librariërs, boekmakers ondersteunde en stimuleerde. De man was blijkbaar ook
een mathematicus. De abdij speelt in het optreden van de toernooien op de
Brugse Markt een grote rol. Hoe groot het domein langs de Dijver was, is mij
niet geheel duidelijk, maar blijkbaar kon de abdij in de zestiende eeuw niet
voldoende novicen meer aantrekken.
Ons beeld van
de late middeleeuwen is bepaald door grote syntheses, waaruit het concrete
menselijke handelen en de omgang onder ons mensen verdwijnen, want slechts
rimpelingen. Lisa Demets laat zien dat die rimpelingen in een gemeenschap, een
stad als Brugge toch wel hun betekenis hebben. Sommige clans worden naar de
uitgang geduwd, andere krijgen de vrijgekomen plaats. Lezende doorheen de
verhalen die we aangeboden krijgen, komen we toch ook iets van de gedachten van
Machiavelli tegen, in die mate dat sommige aanspraken op macht niet het
algemeen belang dienen. Juist de telgen van de familie Jan Breydel Michaels,
lijken zich in dat spel te hebben bekwaamd, tot ze bij de elite van de Brugse
poorterij aanvaard waren. Het verwerven van een adellijke titel, lukt niet
direct, maar een dochter van Jan Breydel
en Katheline van der Beurse, Katheline Breydel huwde met Jan III van
Veerdeghem of Jan van Dadizele, die stierf in de machtsstrijd tussen de
Nederlanden en Maximiliaan van Oostenrijk. Werd ridder Jan vermoord op last van
de Keizer, omdat die ridder – in feite te laag van stand voor de Keizer – omdat
hij de keizer had tegengesproken toen die, Maximiliaan, de steden al te
hardhandig wilde knechten?
De familie
houdt opvallend lang stand, maar uiteindelijk blijkt het met die familie
uiteindelijk op uitdoven te eindigen. Maar dat is de natuur der dingen en het
is vooral boeiend te zien hoe zo een familie in een soms krakkemikkig
functionerend maatschappelijk bestel de opportuniteiten te zien. Alhoewel, wie
de vele generaties na Jan I Breydel Michaels tot in de zestiende eeuw, merkt
dat het machtsverwerving gaat, maar dat drukt zich bijvoorbeeld ook uit in
Kronieken, waarvan voor het onderzoek
over wie Jan Breydel was, de Catalogus, een tekst in het Latijn, geschreven in
de Eekhoutabdij de generatie van (nieuwe) illustere Breydels zeer welgekomen
zal zijn geweest, omdat de “oerJan Breydel” er een belangrijkere functie
toegemeten heeft gekregen. Anthonis de Roovere; heeft er een Nederlandse vertaling/bewerking
van gemaakt, de Excellente Chroniecke van gemaakt, die nog meer de meerdere
bewerkingen kreeg maar in 1531 in Antwerpen werd gedrukt.
Anthonis de Roovere was geboren te Brugge circa 1430
en overleed in 1482 toen de crisis rond de dood van Maria van Bourgondiër en de discussie over de rol van de
Roomskoning, Maximliaan van Oostenrijk, die na de dood van Maria van Bourgondië
– die, zo blijkt telkens weer,, intenser bij het bestuur van haar landen
betrokken was dan men het graag voorstelt - op de spits gedreven zal worden en waarvan de
druk in 1531 het beeld van de Frans-Vlaamse oorlog en de rol van die Jan
Breydel – wie het is, blijft onduidelijk – toch maar meer aandacht kreeg. In
2002 werd over de bronnen die ons kennis gaven over het conflict tussen Graaf
en Koning waarbij de ambities van Filips IV niet van belang leken, terwijl het
publiek best wel interesse heeft naar die kronieken en annalen, die ons uit een
ver verleden zijn toegevallen. Kan men die bronnen niet zomaar voor waar aannemen, is geen nieuws, maar dezer dagen
wordt het nogal gemakkelijk over het hoofd gezien. Van belang was dat het
Vlaamse, Brugse ongeregeld wat ridders hadden neer geknuppeld bij Kortrijk. Van
Jan Breydel als soldaat of krijger, laat staan kapitein was inderdaad geen
sprake, van Jan Heem hoorden we later steeds minder.
Dat het verhaal van de Frans-Vlaamse oorlog zo lang
kon doorleven en in de bronnen, de schrijverij van latere generaties, zoals Anthonis
De Roovere in de Excellente Chroniecke van Vlaenderen, de meest belangrijke als
bron, al geeft Lisa Demets aan dat er bij het onderzoek gebleken is dat anderen
hun eigen verhaal in de bestaande verhalen hebben ingelast. Het vergt dus nalezen
van al die variaties op het thema. Dat de Excellente Chroniecke dicht bij de
Breydels staat, die in de vijftiende en zestiende eeuw in Brugge meermaals hoge ambten konden
bekleden, komt nog zelden aan bod, maar is wel bepalend voor het beeld dat de
latere eeuwen van de familiesage en de maatschappelijke rol van meerdere
Breydels, ook vrouwen, wisten op te nemen. Het maakt ook duidelijk dat besturen
in de veertiende eeuw, zeker ook later bijzonder complex was en het valt nog te
bezien, zo lezen we, hoe macht veroverd kon worden, zoals de strijd tussen de
Scutelaeres en de clan van Nicolaes Barbesaen laat zien. Maar ja, wezenlijk is
het dan te weten of en hoe dat conflict – dat eens te meer ook op het niveau
van de Leden van Vlaanderen en andere instanties werd uitgevochten – voor
Brugge zaken veranderd heeft dan wel een louter spel van poppetjes is geweest. Wellicht
werd de aanpak, die veel van een vete had, geleidelijk anders ingevuld, omdat
de schade van een niet eindigend conflict voor de stad en de vorst gevaarlijk
en duur kon worden. Had Jan zonder Vrees, de Hertog, hier de regie of waren er
andere partijen die genoeg hadden van al dat bloedvergieten?
Hendrik Conscience, zo klinkt het, was een ongeletterde
domoor, maar hij baseerde zijn “De Leeuw van Vlaanderen” op de versie van “de Excellente
Chroniecke van Vlaanderen” van Anthonis de Roovere die in de Antwerpse stadsbibliotheek
in gedrukte vorm aanwezig was. Hij mocht, anders dan sommige mandatarissen geen
werken lenen om er thuis aan te werken, maar de provinciegouverneur, op dat
moment Charles Rogier, gaf hem een mooie kans het nodige onderzoek te doen, met
verlies van salaris. De kritiek dat Conscience Jan Breydel een grotere rol toebedeeld
dan de eerste bronnen, die hem doodzwijgen, kende Conscience domweg niet, want
de eerste moderne kritische uitgave dateert uit 1896 van Funck-Brentano kon hij
in 1837 niet kennen. Maar men zal hopelijk begrijpen dat de (jonge) auteur op
zoek moest naar een betrouwbaar relaas, terwijl de grote stroom van
gepubliceerde bronnen in Europa nog op gang moest komen, waardoor nieuwe
inzichten ingang konden vinden. Voor Conscience en voor Charles Rogier was het
schrijven van historische verhalen geen vrijblijvende aangelegenheid, maar
Conscience wilde de Belgische Geschiedenis schrijven, maar voor ons lijkt dat
niet meer relevant. Lisa Demets brengt ons een onderzoek waarin ze de
geschiedenis van een naam, Breydel dus, weet te situeren in een politieke,
bestuurlijke en culturele omgeving, zodat we ons na het lezen een boeiend beeld
kunnen vormen, zonder ons laatdunkend uit te laten over die zogenaamde Kapitein
Jan Breydel, waar de bronnen geen sluitend bewijs van geven, wel van het feit
dat er meerdere Jannen Breydel rondliepen in Brugge in die jaren van de
Frans-Vlaamse oorlog. We krijgen er bovendien een rondleiding doorheen de veertiende
en vijftiende eeuw bovenop om ergens ten tijde van Filips II en de val van
Antwerpen te eindigen. Redenen genoeg om mee de weg te gaan, ook al omdat we
een wereld betreden waarvan we – in Brugge – nog sporen vinden en verder omdat
we wel eens geneigd zijn die conflicten als kleinsteeds af te doen, terwijl
Filips IV, de Dampierres en later de Bourgondische hertogen toch niet bepaald
kleine jongens zijn, maar het vergt enig onderzoek om dat te begrijpen.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten