Waar kan denken toe leiden?
Dezer Dagen
Filosofie en Literatuur
Na het goede maal fijne gedachten?

Het verjagen van de Zondebok
William James Webb
(1830 - 19004)
Op 7 september 2026 woonde ik met veel genoegen en ter
lering een boeiende studiedag bij in het Hotel van Oombergen, de KANTL
(Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde) bij. Hoe denken
we, spreken we over filosofie, of is het (samen) filosoferen? Wat verbindt
literatuur en filosofie? Het ligt voor de hand dat zowel literatuur als
filosofie zich bedienen van taal en aan de taal een andere aura kunnen meegeven
dan het gewone taalgebruik aan de toog of bij het kaarten. Taal is een
communicatiemiddel, leren we in de humaniora maar kan ook door schrijvers en
auteurs geheel naar eigen hand gezet worden.
Met deze en andere gedachten reisde ik naar Gent en
bedacht onderweg dat men in Gent het begrip openbare werken of werken van
algemeen nut wel heel radicaal uitvoering weet te geven ten nadele van het
openbaar vervoer. Een motor ware handig geweest, maar een mens roeit met de
riemen die men heeft. En toch mogen de gedachten hoog opvliegen, om ze tijdig
te vatten als bijdragen aan het begrijpen, van wat niet altijd begrijpelijk is.
Alicja Gescinska bracht een boeiende inkijk in het
proces van filosofisch handelen en literair schrijven, waarbij men er zich
rekenschap van moet geven, dat men gezien de traag malende molens van
instanties als het FWO en KNAW die onderzoeksbeurzen verlenen, terwijl
tijdschriften verwachten dat een artikel beantwoordt aan onderzoeksvragen,
waarvoor men al antwoorden meent te kunnen aandragen en dus heel beperkend in strikt afgelijnde hokjes moet passen, gewoon
omdat het specialisme het begrip zou vereenvoudigen, maar deze manier van
werken, zo meende ik te begrijpen, leidt tot een cul de sac, een doodlopen van
het denken in specialisme maar ook vervreemding en ontmenselijking. Het hangt
er natuurlijk ook van af hoe men naar de werkelijkheid kijkt en welke alaambak
de filosoof denkt te kunnen gebruiken.
We hoorden Alicja Gescinska betreuren dat die
filosofische praktijk niet altijd meer leiden zou naar opheldering,
verheldering, een beter begrip. Net Gescinska heeft mee een publiek denken
aangezwengeld, waarbij zij een publiek vond, dat op zoek was naar die
opheldering.
“Litterature mystifies, philosophy clarifies”, zegde
Iris Murdoch ooit, citeer ik uit de abstract van het colloquium en hoorde ik
ook uitspreken. Maar al in de jaren dat ik aan de Rijksuniversiteit Gent
studeerde, was er wisselende interesse voor de filosofen van het ogenblik,
waarbij de ene Jean Paul Sartre dan wel Michel Foucault of ook nog wel Gabriel
Marcel de hemel in prees, of verguisde, maar de toegang tot hun werk en denken,
was wel en is alles bij elkaar genomen bewerkelijk. Er was ook nog iets dat ons
kan bezig houden, namelijk dat de filosofische praktijk in de Academie nog
nauwelijks in de publieke ruimte een plaats kreeg. De leemte werd opgevuld door
wat men dan maar als publieksfilosofie is gaan voorstellen. Toch kan men via boekhandels
wel interessante geschriften vinden, die in de brede media geen kans kregen. Maar
tegelijk is er bijvoorbeeld omtrent het werk van inlandse filosofen, weinig
kritiek in de publieke sfeer. Hooggeschoold als we zijn, moeten we het wel eens
stellen met losse flodders die men voor kritiek houdt. Ook de receptie van het
werk van Gescinska, Tinneke Beeckman of Ignaas Devisch heeft eronder te lijden.
Natuurlijk er zijn nog enkele tijdschriften, maar bij de boekhandel noch de
openbare bibliotheken zijn die tijdschriften te vinden. Toch is die kritische,
soms toch welwillende receptie van belang, niet enkel voor de auteurs, maar ook
voor het lezende publiek, dat zo al eens een aanwijzing krijgt naar nieuwe
paden en inzichten die tot ontwikkeling komen. Opgemerkt moet nog dat een
aantal filosofen hun werk buiten de academie en de bepalingen van het FWO of de
Academie verrichten en dat financieel kunnen bolwerken.
Het dilemma voor Alicja Gescinska bestond er op enig
moment in binnen de tredmolen van academische publicaties blijven mee draaien
of zich opnieuw met filosofische vragen inlaten. Iemand moet het doen, zou men
kunnen zeggen, maar er zijn altijd kandidaten klaar om de niet bezette
leerstoelen over te nemen, terwijl dan net de problematiek weer buiten beeld
verdwijnt.
Ergens in haar uiteenzetting had Gescinska het over
goede filosofie en slechte literatuur, wat natuurlijk deels “in the eye of the
beholder” te vinden is, maar uiteraard kan men zich wel degelijk een idee
vormen van wat goede filosofie zou kunnen zijn, maar zoals Ronald Commers zijn
studenten bijbracht, ligt dat niet enkel aan de output, aan wat iemand
aandraagt, maar ook in de behandeling ervan en de vraagstelling. Op de een of
andere manier is iedereen in potentie in staat tot filosofische demarches,
zoals we allemaal wel dichters zijn in het diepst van onze gedachten, maar wat
betekent het dan?
Er is voor Alicja Gescinska een breuk in de
academische filosofie ontstaan, die ons, enigszins vertrouwd met de
wetenschappelijke praktijk niet kan verbazen, maar het wel moeilijk maakt
nieuwe paden te bewandelen, dat wil zeggen een onderzoeksvraag te formuleren
die niet lijkt te passen in de bestaande publicaties en toch relevant zijn. Zij
koos ervoor om zich minder te richten op de geplogenheden van de academie, dan
wel zelf sporen te trekken in het landschap van het kenbare. De taal kan
onthullen wat onkenbaar blijkt, maar kan ook verhullen om te onthullen, om
duidelijk te maken hoe mens en maatschappij weliswaar niet volkomen kenbaar toch
voorwerp van verwondering en studie kunnen worden.
In zekere zin hadden de sprekers allemaal de idee dat
een wijsgerige omgang met kennis niet per se tot dorre copieerlust van het
leven hoeft te leiden. Wat René Girard ons bracht, besprak Guido Van Heeswijk
in een boeiende uiteenzetting, waarbij Van Heeswijk het belang van “historische
teksten” voor de literatuur en de filosofie aan de orde stelde. Don Quichotte
is wellicht een van die teksten die men ter studie neemt, vanuit taalkundige,
literaire en/of literaire interesse. Amadis de Gaule is het model voor Don
Quichotte, maar door zijn gedrag en uitspraken blijkt die niet bij machte de
roemrijke ridder, Amadis te evenaren, laat staan te overtreffen. In de
ridderroman van Cervantes zien we hoe de mimetische begeerte een oude hidalgo
tot dwaze ondernemingen verleidt, die evenwel best herkenbaar zijn en in andere
“echte” omstandigheden heldendaden zou verrichten, maar nu slechts dwaze kuren.
Overigens, in deel II wordt Sancho, zijn trouwe dienaar tegen wil en dank een
gouverneur en blijkt hij met zijn zogenaamd eenvoudig verstand, boerenverstand,
in staat de provincie, het eiland beter te besturen dan zijn voorgangers hadden
gerealiseerd. Op de terugreis bedacht ik dat de idee van René Girard maar
moeilijk geinstrumentaliseerd kan worden. Toch was deel van de
uiteenzettingen en gesprekken gericht op
hoe Techbro Peter Thiel en vice-president zich van hun opleiding bij Girard
bedienen om een totaal ander verhaal te brengen, zoals men overigens ook met de
Bijbel en Jezus Christus doet in de kringen van Evangelicals. De vervorming van
teksten, het is onvoorstelbaar voor wie leerde dat een vertaling dan altijd wel
een verraden kan blijken, maar toch dicht bij de tekst blijft en vooral de
draagwijdte ervan respecteert. De manipulatieve aanwending en
instrumentalisering zou ons nog meer op onze hoede moeten houden, maar laten we
het maar zeggen, Vance en co hebben geen zin in bronvermeldingen en nog erger,
geven de oorspronkelijke inzichten niet meer weer. In een essay “Jezus in Amerika.
Een wereldmacht en haar religie” geeft Geert Lernout de lezer mee hoezeer
op scholen verworven inzichten, de Evolutietheorie en de Big Bang niet meer aan
bod komen. Belangrijker is dat Jezus de tollenaar uiteraard de mantel uitveegt
maar ook dat hij de geldwisselaars en andere handelaars de tempel niet, u leest
het goed, niet de tempel uitjaagt. Wie de Bijbel van Trump koopt, weet ook wel
wat die teksten vertellen.
Mimetische begeerte, aldus Guido van Heeswijk is niet
altijd negatief en inderdaad geeft de kunstgeschiedenis meermaals blijk van het
inspirerende karakter van de Meester die door de leerling, eens voldoende thuis
in techniek en andere aspecten van het metier wordt gevolgd en niet alleen weet
te evenaren, maar ook al eens te overtreffen. Mimetische begeerte spoort ook
met de dualiteit van Romantische leugen en Romaneske waarheid, waarbij de
romantische leugen, ook zelfbedrog naar mijn inzicht, ertoe strekt dat we
iemand willen zijn, gezien willen worden en vooral dus passen in een hokje. Toch
kan men die zelfverheffing ook niet afdoen als schone schijn. Romaneske waarheid
komt aan het licht als een figuur in een
roman zijn of haar geleende verlangens, mimetische persona de rug weet toe te
keren want tot zelfkennis gekomen. Bij de vragenronde bracht ik een van de
boeiendste vrouwenfiguren in het oeuvre van Louis Couperus, Constance van der
Welcke te berde, die na een leven in de schijnwerpers door een “schandelijke”
misstap, een affaire met de jongste secretaris van de ambassade in Rome in
Brussel een teruggetrokken leven op basis van verkoop van assuranties terug
naar den Haag wilde, maar door de familie nog steeds afgewezen werd. Toen brak
geleidelijk de ban, ook voor haarzelf, toen de familie haar oude glorie niet
meer kon ophouden. Kleine zielen zijn we, ook al proberen we een kaartje op de
eerste rij te versieren.
De uiteenzettingen waren bijzonder interessant, omdat ze
ons zowel meenamen in inzichten over wat literatuur vermag – en dat is meer dan
alleen mystificeren, maar filosofie doet ook nog iets anders dan ophelderen,
omdat onze kijk op de wereld, veelal bepaald door wat we leerden tijdens de
onderwijsloopbaan – als leerling en als student – maar ook door wijze waarop we
er kritisch mee leerden om te gaan. Ivo Michiels, het boek alfa of het Afscheid
en andere werken waren voor de jonge lezer die ik was een uitdaging, maar
uiteindelijk bleef het mij vreemd, omdat er een ervaringswereld aan bod kwam,
die mij niet wilde raken. Gust Gils? Ik kende de naam, maar het verhaal dat we
kregen, zal ik wel proberen verder uit te diepen.
Filosofie is
ook meer dan een (uitgebreid) corpus van teksten, waarbij ook aangegeven werd
door Alicja Gescinska, dat een deel van de filosofische productie eerder
plichtmatig tot stand komt en niet altijd meer naar het woord van Cornelis
Verhoeven berust op verwondering over de dingen die ons omgeven, waarvan we de
zin niet altijd begrijpen. In die zin is het lezen van literaire werken een
omweg om het incommensurabele toch te kunnen waarderen. In de
wetenschapsgeschiedenis is incommensurabiliteit het gegeven dat
wetenschappelijke kennis doorgaans stabiel is, maar in korte periodes plots
helemaal kan keren, zoals rond 1700 gebeurde, toen alles veranderde, toch voor
de ingewijden. De wiskunde werd verrijkt met de analyse ofwel differentiaal- en
integraalrekenen. Literatuur laat toe dat men met die ontwikkelingen in contact
komt, nog voor het onderwijs eraan toe is, net omdat auteurs in hun romans of
toneelwerk een wereld laten zien die aangeraakt is door nieuwe paradigmata, al
zijn die voor ons alweer verouderd.
Maar of die wetenschappelijke ontwikkelingen, tot
begin 20ste eeuw ook weerklank vonden in de filosofie of de
literatuur, blijft mij altijd weer fascineren. Dat tot en met Alexander von Humboldt
die een paradigmaverschuiving realiseerde op verschillende domeinen van
geologie en klimaatwetenschap, kortom, het ging om een wijsbegeerte die ook
natuurbeschouwing betrof, was hemelbestormend, maar raakte vergeten toen onze
generatie de ruimte zag openbloeien. De menselijke maat kwam op de helling te
staan, dichters en auteurs als Gust Gils en Hugo Claus kwamen met de bezwaren
tegen de vastgelegde orde, van bovenaf opgelegd door de kerk of andere
autoriteiten. Harry Mulisch schreef een bizar boekje, Siegfried, waarin het zou
gaan over een geheime zoon van Hitler, maar het boek werd niet echt goed
ontvangen. Ook Benjamin Biebuyck had zo te horen zijn bezwaren tegen het boek,
tegen de idee ook, maar toen “Er ist wieder da” verscheen in het Nederlands,
was het begrip niet groter en het enthousiasme nogal gemengd.
Het ligt eraan, denk ik dan, dat we in Hitler nooit
een normale mens/man kunnen of willen zien, waartoe hij zelf ook heeft
bijgedragen, want dat is een van de pregnante vragen over Hitler, die zelden
aan de orde komt: hoe kon iemand die zozeer een outsider was, die veeleer
gedoemd was een zondebok te wezen, de chef worden en weldenkend Duitsland kon
overtuigen, net als een deel van Europa? Dat Hitler ongekende
aantrekkingskracht uitoefende op vrouwen, werd al vrij vroeg, ook door Goebbels
aangegrepen om de vrouwelijke gemoederen op hun kant te krijgen. Maar bij nader
toezien, naar aanleiding van het uitgebreide bronnenonderzoek van Peter
Longerich en neergelegd in (vertaling) in “Onwillige volksgenoten, hoe de
Duitsers tegenover het Nazisme stonden” blijkt dat er natuurlijk een stevig
aandeel achter het nazisme stond, maar van hoog tot laag waren er voortdurend
en toenemende ergernis over de lokale partijbonzen en het economisch rampzalige
beleid. Stonden figuren als Hans Georg Klamroth wel zo onverkort achter het regime,
of was het voor hem en anderen een soort koevoet om het Duitsland van hun jeugd
te doen herleven. Klamroth kwam met von Staufenberg in een samenzwering terecht,
die helaas mislukte, maar volgens sommigen was het dan toch al te laat. Alleen,
terug denkend aan Harry Mulisch en de zoon van Hitler – als die al heeft bestaan,
maar dat is de vrijheid van de romancier – moeten we dus vooral begrijpen dat de
kring rond Hitler al vanaf 1937 vervreemd was van de bevolking, als er ooit al
echte overeenstemming heeft bestaan. De ideologische vijanden van de NSDAP,
zoals de communisten verlieten Duitsland, maar niet allemaal, want Victor
Klemperer bleef en schreef over de taal van het Derde Rijk, een taalfilosofisch
werk dat onze aandacht meer dan verdient, zeker in deze tijd, waar een
voormalige koningin Beatrix klaagde dat de leugen regeert. Wat moeten we nu
denken?
Merkwaardig genoeg kwam mevrouw Désanne van Brederode aan
het einde van de lange dag haar slottoespraak houden, een redevoering of een
pleitrede voor een meer authentieke omgang met andere mensen. De weldenkende
van heden, of van 20 jaar geleden, zo brengt de schrijfster ons bij, staat luid
te roepen dat hij de verworpenen der aarde steunt, maar houdt de poort naar het
koertje gesloten als er mensen langs mochten komen. Zij, Désanne brengt ook nog
iets anders, aan, namelijk dat die hooggeprezen empathie misschien eerder hol
is en vooral iets voor de Bühne, niet voor echt. Eerder op de dag had Alicja
Gescinska al te kennen gegeven dat empathie nobel klinkt, maar het in wezen
niet is. Bij een rookpauze, een van die verdwijnende momenten van sociale
interactie, had zij het over onze verhouding tot de Syriërs, die hier een
veilig onderkomen waren komen zoeken, maar door weldenkend Nederland niet echt
als oorlogsvluchtelingen werden gezien. Zaten er werkelijk “stillen” tussen die
opdracht hadden de boel hier in chaos te doen verkeren? Waren het agenten van Bashar
al Assad die nu in Rusland verblijft? Het kan, het gaat dan om het leggen van
de puzzel van al dan niet waarachtig gebeurde zaken en handelingen. Désanne van Brederode zet ons ook nog op een
ander spoor, want al spreekt ze het woord hypocrisie niet uit, haar analyse van
wat men weldenkendheid in deze tijd kan noemen, komt een katholiek gevormde als
ik wel bekend voor: wetende wat men van elkaar verwacht, zorgt men ervoor de
schijn op te houden, maar handelt nu eenmaal vanuit de eigen belangen – en neen,
die zijn niet eenduidig.
Ik zou de papieren versie moeten vragen, maar kwam er
nog niet toe. Ook is duidelijk dat zij, Désanne van Brederode ons met andere
facetten van literatuur op een ander pad wist mee te voeren. Het doel van de
literatuur is ook weer dingen op te helderen, door naar de waarheid toe te
liegen, terwijl de filosofie, die volgens geleerde geesten verheldert,
opheldert “clarifies”, nogal eens duister en overweldigend kan blijken. Net
deze dag liet zien dat men mag hopen er met verenigde krachten tot beter begrip
der dingen te komen, ook al weten we nu nog niet waar die inzichten toe kunnen
dienen.
Bart Haers


Reacties
Een reactie posten