Vanuit een lijsternest bezien

Dezer Dagen

Door de mazen
Schrijvers die we ten onrechte negeren

Stijn Streuvels, geschilderd door Modes Huys
in 1915. De man in volle glorie in moeilijke
tijden. Maar nu is zijn werk voor sommigen
,nogaltijd bijzonder. maar velen kennen hem
alleen van naam of zelfs dat niet. Gelukkig
besteedt de KANTL aandacht aan
schrijvers waarvan men vindt dat ze ten
onrechte niet meer gelezen worden. Meer
nog de Academie werd een open huis dat
vele mogelijkheden biedt om met de literatuur
en de taalkunde in contact te komen en er
kennis van te nemen. 
Het verhaal van de letteren? Schitteren en dan vergeten raken, soms heel terecht, maar vaak ook heel erg naast de kwestie. Men merkt dat wel aan sommige trouvailles, zoals toen van Sandor Marai "Gloed" in het Nederlands verscheen, of Hans Keilson, Hans Fallada... Maar ook in onze literatuur zijn er soms wel banvloeken uitgesproken waar we niet van terug hebben, maar die bij nader toezien volkomen fout blijken. Streuvels? Voor velen is het een heimatschrijver, maar een schrijver kan dan wel proberen op het universele niveau iets te situeren, maar zonder een herkenbare context blijven boeken onleesbaar. Natuurlijk, de herkenbaarheid, ook van personages is geen kwestie van equaties, van directe verbanden met de werkelijkheid, maar we hebben het gehad met bordkartonnen figuren en Potemkindorpen. De literatuur is tot meer in staat en de lofrede aan het adres van Stijn Streuvels van Anne Provoost gaf daar op een boeiende wijze uiting van.

Misschien is "Leven en Dood in de Ast" de minst geografisch te duiden novelle van Stijn Streuvels, want waar de Ast staat, hoe de arbeiders in het gebouw zich tot elkaar verhouden is niet veel duidelijk. Herkenbaarheid komt hier op een andere manier aan de orde, want asten zijn er nog wel, maar niet zozeer in onze regionen. Het drogen van cichoreiwortels was wat in die loodsen gebeurde en het zijn niet de hoogst geschoolde mensen die in een ast werken en andere seizoensarbeid verrichten, maar tegelijk kan het zijn dat die mensen onvermoede talenten hebben.

Het klonk dan ook verrassend iemand dat werk van Streuvels te horen benoemen, er de stille kracht en het verbale geweld van aangemerkt te zien worden. Want enkele van die verhalen die het Davidsfonds ooit uitgaf heb ik ook gelezen, maar het is vooral "Langs de wegen" geweest dat mij heeft aangesproken, omdat Streuvels er een menselijke goedheid en welwillendheid heeft erkend. Jawel, mensen hebben niet altijd de woorden om hun liefde te zeggen of hun stille verdriet, maar het is net de schrijver gegeven daaraan lucht te geven.

Anne Provoost vindt dat die stille inhibities te spreken wezenlijk West-Vlaams zijn en het kunnen zeggen, dat is dan weer Oost-Vlaams. Het kan kloppen, maar misschien is het net iets te gemakkelijk. Het kan zijn dat men niet echt zichzelf bloot wilde geven zoals in het verhaal "De oogst", maar ook in "De Vlasschaard" was het spel van macht en respect versus jeugdige ambitie oorzaak van onheil. Zouden mensen vandaag....? Juist, West-Vlaanderen kent een hoog aantal gevallen van zelfmoord en dat zal wel ergens een oorzaak hebben.

Mevrouw Anne Provoost hield dus een mooi pleidooi voor het herlezen van Stijn Streuvels, maar tegelijk moeten we toch ook nadenken over de reputaties die de afgelopen jaren gebroken zijn van auteurs. Maria Rosseels, Clem Schouwenaars, Johan Daisne... en zelfs Streuvels raakt vergeten. Het heeft ermee te maken dat men alleen hedendaags werk naar waarde zou moeten schatten, wat oud is, telt niet meer. Bovendien was Streuvels een "monstre sacré" waar men lang alleen maar goed kon van spreken. De discussie over zijn handelen tijdens WO I en WO II was wel eens een dingetje in de pers, maar uiteindelijk raakte het vergeten, omdat om Streuvels niet meer gaf. Streuvels is wellicht een mooi voorbeeld van hoe een ijzersterke reputatie plots in het tegendeel kan verkeren. Zijn taal is artificieel maar klonk wel goed, gaf hem ruimte, zoals ook Anne Provoost onderkende, het ongezegde en het soms onzegbare publiek te maken. Het is van belang te beseffen dat dit ook de rol is van de auteur m/v: dat wat mensen onderkennen en voelen waar het op aan komt, ook al durven we het niet te erkennen, te vertalen, verwoorden. Literatuur kan heerlijk ontspannend zijn, zoals film of theater... maar soms beklijft het en dan gaat het er helemaal om dat de lezers zich herkennen in het verhaal. De kwestie is, moet ik nu  wel aangeven, dat de kritiek niet altijd dezelfde prioriteiten heeft als het geboeide publiek.

Maar wat meer is, aandacht besteden aan een auteur kan niet anders dan met delicate en subtiele bejegening, zoals Anne Provoost het voordeed in verband met Stijn Streuvels, want een overdosis enthousiasme kan de hernieuwde of zelfs de eerste kennismaking grondig bemoeilijken. Immers, dat enthousiasme moet men overbrengen, maar met al te expliciete loftuitingen creëert men precies een nieuwe afstand. Tegelijk blijft het bedroevend dat men auteurs als Streuvels en hun werk zo gemakkelijk als gedateerd afserveert en dat kan dus niet ernstig zijn. Niet iedereen houdt er eenzelfde canon op na, maar er bestaat in bijna elke cultuur, elke samenleving met een ontwikkeld literair leven een impliciete erkenning van wat belangrijke werken zijn, die men gelezen zou moeten hebben. In Vlaanderen was het enige tijd bon ton de oude helden zonder meer weg te zetten. Over Herman Teirlinck, Cyriel Buysse,  maar ook Gilliams en zelfs actuele schrijvers, zoals Joris Note, zij krijgen geen aandacht. Om allerlei redenen, maar het blijft merkwaardig hoe de media in hun kritiek constant unisono klinken. Er is met andere woorden nauwelijks nog moed een eigen geluid te laten horen. Het gevolg is dat het speelveld bijzonder benauwend wordt.

Ik meen dat het nodig is hierop terug te komen, net omdat de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde met het initiatief  "Door de mazen van het net: 3x2 hartstochtelijke pleidooien voor auteurs die onterecht te weinig gelezen worden"  hier vanwege de media weinig of geen steun heeft gekregen. Hopen dat het programma een vervolg krijgt, is dan ook de minste van mogelijke blijken van waardering. Want al te lang heeft men de pasteibakker die schrijver werd afgeserveerd, vaak met argumenten van zijn tegenstanders, vrijzinnigen, die toen met recht en rede de houding van de katholieken in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde aanvielen - al wil ik graag nog eens lezen hoe erg het allemaal wel was, behalve dan de vele staatsprijzen die Streuvels mocht ontvangen. Cyriel Buysse was hier terecht wrevelig om, maar tegelijk laat dit onverlet, nu de consternatie en de discussies voorbij zijn het werk van beide auteurs naar waarde te schatten.

Misschien moeten we - vooral in Vlaanderen - zorg besteden aan de klassiekers en er voldoende aandacht aan besteden, door erover te spreken, zoals mevrouw Anne Provoost het deed en ook Patrick Lateur ten behoeve van Maria Rosseels. Maar als men van Klassiekers spreken wil dan gaat het niet om boeken die iedereen kan noemen maar niemand leest. Het gaat er ook niet om dat men ze moet lezen. Het gaat er zelfs niet om dat iedereen het supergoede werken vindt. Neen, Klassiekers zijn die werken die je al lezend iets van het wondere van de literatuur laten proeven. Dat gebeurt in verschillende verhalen en romans van Streuvels, bij Timmermans en ook wel Buysse of ... Dat wondere is wat de literatuurwetenschapper die naar formele aspecten speurt niet vatten kan, maar wel als hij of zij opnieuw gaat lezen, met een gesublimeerde onbevangenheid.

Het komt dus de republiek der letteren toe die bibliotheek van klassiekers samen te stellen, al hoeft dat niet per se expliciet te gebeuren. Maar dan is er nood aan een volwassen, een mature kritiek, die best uitgesproken mag zijn, maar wel verder reikt dan de gedachte dat een ideeënroman niet teveel ideetjes mag bevatten. Dit was nu eenmaal zo een dieptepunt in de literaire kritiek dat ik het wel moet blijven herhalen. Blindgangers is misschien wel bij uitstek van deze tijd, maar daarom net lijkt niet iedereen het aan te kunnen in de spiegel te kijken.

Men moet aan de criticus, de recensent niet zeggen wat hij of zij moet doen, maar toen ik gisteren weer dat jaarlijkse lijstje van mensen zag die hun beste boek van het jaar presenteerden net als hun gelukkige trouvaille en nog wel iets, toen dacht ik dat de energie om dit te presteren beter was besteed geworden aan een paar goede gedegen literaire essays over het afgelopen jaar in het licht van aan de gang zijnde evoluties waarover men zich kan verheugen dan wel zorgen maken. Het is van belang dat er een goede, authentieke kritiek ook in de brede media aan de orde komt, maar uiteraard mogen er ook wel goede literaire tijdschriften ondersteund worden. Maar het is niet gemakkelijk die te vinden. De bladen, de brede media kunnen die tijdschriften ondersteunen door er over te schrijven zoals De Standaard deed en ook wel De Morgen, maar dat schijnt nu niet meer te hoeven.

Daarom vraag ik met enige aandrang of het de leden van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde zou behagen na te  denken over dat facet van de letteren, de kritiek, de recensie en hoe die opnieuw in het zonnetje te zetten als een belangrijke schakel in het literaire gebeuren, c.q. een onontbeerlijke actor. Alleen, de vereiste van authenticiteit mag men niet laten vallen, net zo min als integriteit. De afgelopen decennia ben ik er enkele keren op uitgekomen dat recensies een boek onrecht deden, nauwelijks meer vermeldden dan wat er in de persmap zat. Men heeft ook mij gevraagd zo mijn recensies af te haspelen, want dat was goedkoper en men liep geen risico. Neen, het was geen commercieel uitgever maar iemand die een ideologisch zuiltje in de sociaal-culturele sector runde, maar dat publieke geld, subsidies dus liever zag opbrengen dan dat het gebruikt werd waarvoor het bedoeld was. Nogal naïef van mij dus om die boeken ook echt te lezen, want de persmap was duidelijk genoeg.

Diezelfde avond kwam ik dan ook nog eens een echte trouvaille tegen, want prof. dr. Frank Willaert stelde het publiek, ook mij dus een zeer geheimzinnig dichter voor, Hendrik van Brussel, probeerde te duiden. Hoe het komt dat we hem niet kennen, Hendrik van Brussel zou aan Jan Frans Willems liggen, die in navolging van Jan Boendale meende de roman "De Roze" te mogen toeschrijven aan Hein van Aken, of beter, Hendrik van Brussel en Hein van Aken met elkaar vereenzelvigde. Het kan een fout heten, maar ik denk dat men het feit dat Jan Frans Willems het dichtwerk onder de aandacht bracht omdat hij de kwaliteit van het werk onderkende wel als een verdienste moet toerekenen. Frank Willaert sprak met enthousiasme over de dichter en het werk en las ook enkele verzen voor, waarbij het Middel-Nederlands wel sonoor blijk.

Jean de Meung breidde aan de Roman de la Rose van Guillaume de Lorris een uitgebreid vervolg, met vier keer zoveel verzen, 4000 tegen 18000 en bovendien ontstond er een verschil in toon, van hoofs tot meer realistisch, satirisch zelfs en ook wel belerend. Over de jongeman die de roos wil kussen, maar door haat  afgunst en andere figuren wordt hij tegengehouden. En dan komt Luiheid hem helpen, terwijl ook Bien-acceuil hem helpt. Het eerste deel eindigt met het failliet van dromer - Amant, maar veertig jaar later zal Jean de Meun het werk verderzetten. En dan komt er dus een vertaling in het Middelnederlands en dan is men geneigd dat vertaalwerk niet naar waarde te schatten, want het gaat niet om een oorspronkelijk werk. Frank Willaert wist ons ervan te overtuigen het vertalen als een volwaardige creatieve activiteit te zien, in hoofde van Hendrik van Brussel blijkt dat dan uit specifieke vondsten, uit aanpassingen van het origineel en vooral, wellicht ten behoeve van zijn publiek. Dat het kussen van de roos een heel intense bezigheid blijkt, kan men best zelf onderzoeken. Alleen, het werk noch de auteur, Hendrik van Brussel kan men nu zomaar vinden; hopelijk komt er dus een uitgever die het werk wil uitgeven, maar komen er ook critici die het werk ernstig nemen en niet wegens gedateerd afwijzen. Want zo een werk kan alleen maar gedateerd zijn, zoals ook "le comte de Monte Christo" alleen maar gedateerd kan zijn en toch best boeiend.

Kortom, het was een mooie avond en ik moet bekennen, ik ben een ding uit het oog verloren, de bescheiden poging een hedendaags werk dat weinig weerklank kreeg onder de aandacht te brengen, maar het is net dat wat me ertoe bewoog en hierop nieuw aan de orde te stellen dat het in Vlaanderen schort aan een goede, integere literaire kritiek en aan bereidheid de diversiteit aan werken die gepubliceerd worden, correct onder de aandacht te brengen. Daarom ware het wenselijk dat de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en letterkunde zich ertoe inspant die kritiek zelf ook onder de loep te nemen en als er bijzondere prestaties op dit vlak geleverd worden die ook jaarlijks of tweejaarlijks te honoreren. Meer nog dan vertalers immers zijn critici, sinds zowat 1980 - 1990 in het literaire gebeuren geleidelijk op de achtergrond geraakt, mee omdat de kritiek in feite een autoriteitsaanspraak veronderstelt en daar hebben we niets meer mee. Terecht? Ik vrees dat een goede en integere kritiek zowel de lezers als de auteurs, maar ook de uitgeverij veel diensten zou kunnen bewijzen. Het zou er ook toe kunnen leiden dat we opnieuw een vorm van pluralisme in de republiek der letteren zouden kennen in plaats van het vermeende geloof dat een bepaalde titel, door het aankoopgedrag bepaald, de norm zou zetten.

Met dank dus aan mevrouw Anne Provoost en ook aan Frank Willaert en de Academie, bedacht ik mij onderweg naar huis dat dit soort activiteiten hoe dan ook betekenis heeft. Want het blijft betreurenswaardig dat de openbare omroep zo weinig durft af te wijken van de gedachte dat men vooral niet te elitair mag zijn. Nu is er wel een aantrekkelijk programma over filosofie, door iemand gemaakt die het wil overdragen. Boeken? Dat was een ratjetoe en vooral noch grappig noch ernstig maar vooral ten koste van de literatuur. Het kan anders, op het oog saaier, maar zoals woensdag 17 december in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde bleek des te indrukwekkender.

Streuvels? Natuurlijk is zijn werk gedateerd, want hij stierf in 1969, op een schone 15de augustus, ook in West-Vlaanderen een hoogdag en in een andere wereld dan die welke wij kennen. Maar zoals Anne Provoost ons liet verstaan, zijn gevoel voor taal was indrukwekkend, rijk en geladen. Daarom alleen al is hij nog steeds onze aandacht waard. En jawel, we ontdekten een nieuw oeuvre, een onbekende naam, wegens vergissingen, maar ook omdat we met het Middelnederlands niet zo goed meer overweg kunnen. Hij bood dan ook een uitstekende uitweg uit de waan van de tijdsbubbel waar we telkens weer in verstrikt blijken.


Bart Haers

Reacties

Populaire berichten