Symposion over het vermogen de wereld lief te hebben




Recensie




Liefde voor de wereld
Variaties op een thema van Hanna Arendt: Amor mundi




Peter Venmans. Amor Mundi. Hoe komen we tot een betekenisvolle relatie met de ander. Atlas Contact Amsterdam/Antwerpen 2016. 240 pp. 18,99 €

Hoe gewoon is het niet te stellen, na een lange zit dat de wereld niet deugt, dat het er allemaal niet op vooruit gaat en dat we ons vooral om ons eigen hachje moeten bekommeren, want anderen zullen het niet voor ons doen? Hoe ongewoon is het af en toe toch te horen stamelen dat het leven best de moeite van het proberen waard is en dat we maar beter alles zetten op een goed leven met anderen in deze wereld. Het kan gebeuren dat men die visie niet echt snapt, omdat ook filosofen niet zo heel veel op hebben met de wereld waarin we geworpen zouden zijn. De tristesse ligt voor de hand. Maar we zijn wel graag verontwaardigd.

Peter Venmans kwam wel eens in de krant en zijn boek gaf aanleiding voor een stuk over hoe we grote gevoelens klein willen vieren, zonder veel getuigen, liefst soms zelfs geen getuigen. De aard van het huwelijk en van de begrafenis als ritueel gaat er wel mee naar de filistijnen, want een huwelijk betekende ook dat de gemeenschap wist en weten zou dat de heer Van Gutzenhoven en juffrouw Carales voortaan samen door het leven gaan en als niemand zich tegen het huwelijk verzet heeft, mag het ook naderhand niet meer. Maar wat heeft de huwelijkse staat en de gevoelens die ermee gepaard gaan uitstaans met het verhaal van Venmans, waarin deze de gedachte van Arendt, Amor Mundi geleidelijk ontleed wordt tot alle beladenheid verkeert in een begrip waar men ook iets aan kan vangen?

Hanna Arendt heeft over Amor Mundi niet zo vaak gesproken, want er zitten haken en ogen aan en het begrip kan ook misverstanden oproepen. Onze relatie tot de wereld is problematisch, stellen de meeste filosofen en onder meer Sartre meende dat we absoluut niets met anderen, die de hel voor onze voordeur brengen zouden moeten hebben. Arendt haalde de idee bij Augustinus, die het over een bijzondere vorm van liefde had, agapè, dat niet direct als synoniem van eros, de lichamelijke liefde, maar wellicht ook niet met de Platoonse liefde te vereenzelvigen valt.

Hoe verhouden we ons tot de wereld als we ons voortdurend bezig houden met het optimaliseren van de resultaten van onze handelingen, waarbij we calculeren dat het een lieve lust is. In 1951 bedacht ze al dat totalitarisme een uiting vormt van een totaal gebrek aan betrokkenheid bij anderen, het leven van anderen en de diversiteit die inherent is aan een samenleven. Voor Peter Venmans is duidelijk dat Arendt er wel iets voor voelde maar dat ze in een brief aan Karl Jaspers moest toegeven dat ze niet echt of werkelijk van de wereld kan houden (1955). Die ambivalentie zal iedereen wel ervaren, want het is niet vanzelfsprekend over een niet te vatten begrip als liefde en dan nog voor zoiets alles omvattend als de wereld, dan komt men wellicht niet verder dan gestamel. Echter, bekijken we het boek van Venmans, dan valt op dat hij een aantal filosofische essays heeft samengebracht waarin de verhouding tot de wereld en ons handelen in de wereld belicht worden, maar Arendt vormt wel een referentie, maar lang niet altijd de kern van het essay. Overigens kan Arendt ook niet tot een enkel concept herleiden, want ze heeft teveel onderwerpen aangeraakt en doorgaans vervolgens diepgravend onderzocht. Over Geweld, totalitarisme, over de menselijke bestaansvoorwaarde(n) en ook over het leven van de geest heeft ze gesproken en geschreven. Ze zou nog het oordelen bestuderen, maar is er niet meer toe gekomen, want ze stierf toen ze nog maar net de eerste schetsen aan het uitwerken was. Maar dat is wellicht wat we Venmans eens moeten vragen, of hij niet toch meer over wat denken betekent voor Arendt had kunnen zeggen. Voor Arendt geldt overigens dat de wereld dat is wat mensen samen maken, de fysische natuur, de dingen die we maken en consumeren zijn er wel, maar vormen niet de wereld. Ons begrip van de wereld gaat vaak voorbij aan de aanwezigheid van mensen om ons heen.

Nu heeft Venmans de nodige vragen bij het probleem dat het neoliberalisme stelt, maar ook andere actuele visies, zoals bijvoorbeeld de evolutionaire psychologie, waar juist altruïsme voor onmogelijk gehouden kan worden. In deze essays waarin hij eerst de negatieve balans van de amor mundi tracht op te maken, zien we hoe filosofen sinds Plato die wereld en de mensen die erin zijn hebben willen verbeteren, want er zit te veel aan dat voor perfectionering vatbaar is. De stoÏcijnen raadden dan weer aan niet om de wereld te geven, ze ook niet te willen verbeteren. Doorheen het boek zien we de idee opduiken dat we sommige gedachten best niet ijdel inzetten, maar volkomen negeren heeft geen zin. Men kan niet enkel teren op verwondering, maar al evenmin op verontwaardiging. Waarom zouden we kunnen volstaan met ver- of zelfs bewondering, want dan zouden we wel gauw vrede hebben met de dingen. Aan de andere kant, als verwondering het begin zou zijn van de filosofie, dan begreep alvast Diogenes van Synope dat er voor verwondering niet zoveel reden was.

En de (vroege) christenen? Zij wilden, zo gaat het verhaal, zo snel mogelijk naar de hemel, in het aanschijn van de heer psalmen zingen. Voor de wereld hadden christenen vaak een ambigu gevoel, van afkeer, want een hinderpaal, een eindeloze reeks hinderpalen voor het gelukzalige leven aan de andere kant, maar tegelijk wisten christenen, geleidelijk en mede door toedoen van Augustinus, dat men ook op die aarde iets te verrichten had. Het oeuvre van Augustinus is behoorlijk omvangrijk, met onder meer een reflectie over de Civitas Dei die staat tegenover de Civitas terrana in 22 boeken, waarin hij de superioriteit van de Civitas Dei wel beklemtoonde, maar de wereld van de mensen, de aardse stad ook wel de nodige aandacht schonk. In zijn conflict met de Donatisten - die moreel onfeilbare priesters wilden en wie zondigde kon het ambt niet meer vervullen - wees Augustinus dan weer op het belang van lankmoedigheid. De auteur van de Bekentissen schreef dus heel veel en het is niet eenvoudig een lijn te trekken in zijn denken, al is het wel duidelijk dat hij extreme inzichten, zoals van de Donatisten of de Manicheeërs afwees, niet enkel wegens strijdig met de evangelies, maar wellicht ook omdat ze voorbij schoten aan wat des mensen is.

Peter Venmans vergast ons op een symposion met vele sprekers die iets over de wereld en hun relatie daarmee te zeggen hebben, waardoor we geleidelijk tot de vaststelling komen dat we niet anders dan met ambivalentie naar onze omgeving kunnen kijken. De wereld en de mensen willen veranderen, geeft geen blijk van een (onvoorwaardelijke) liefde voor die wereld, verontwaardiging om het onvolmaakte kan en is zelfs aangewezen maar het blijkt ook dat we dan vooral met het eigen gelijk in het reine komen. Montaigne krijgt een momentje om zijn aftastende benadering van het leven en het goede leven te belichten, terwijl Sartre dan weer aandacht krijgt om ons mee te geven hoe ver die ging, zeker na zijn bekering tot het communisme in de afwijzing van de wereld zoals die is. En waar Sartre spreekt daar komt ook Heidegger om de hoek kijken, die de verweesdheid van mensen in de wereld van mensenkinderen onder de aandacht brengt. Ook het "sein zum Tode" krijgt daarom terechte aandacht, al geeft dat ook weer geen aanleiding om het als een vorm van liefde voor deze wereld te zien.

Hannah Arendt kwam tot de vaststelling dat men de sterfelijkheid van mensen te groot maakte en geen aandacht wilde opbrengen voor de geboorlijkheid, de nativitas, neologismen voor ons, maar zij vond het bij Augustinus en gaf er de gedachte aan mee dat een kind wel verwekt wordt, maar altijd moet het geboren worden om te kunnen opgroeien en volwassen worden. Het kind dat geboren wordt is geen ding, geen hebbeding, maar iets dat we tot stand brengen. Of de toenemende medisch-technologische benadering van (problematische) vruchtbaarheid daar iets aan zal veranderen, kan onze visie op menselijk leven, op geboorlijkheid wellicht ter discussie stellen. Moeten we doen wat we technisch kunnen? Arendt en anderen hadden al begrepen dat het leren te leven een mooi nieuw begin zou zijn. Waar anderen menen dat we moeten leren te sterven, vond ze dan weer met Goethe dat men bedenken moet hoe men zal leven.

In deze optiek sluit het boek aan bij gedachten die de laatste jaren wel vaker op de agenda gezet werden en worden, zoals Joke Hermsen en Hans Achterhuis met zowel Arendt als Kierkegaard aan de slag zijn gegaan. Waar men een paar generaties geleden graag de kant van de Maîtres à penser koos, lijken filosofen en anderen vandaag eerder bezig met inhoudelijke discussies. Want de kwestie die Peter Venmans te berde brengt, of we ueberhaupt een liefdevolle relatie tot de wereld zouden kunnen ontwikkelen, een waarin we ons engageren, maar waar dat engagement ook nog eens tot spontane wederkerigheid leiden zou, kan zich wel van de weemakende klefheid ontdoen die sommigen wel graag te berde brengen: "verbeter de wereld, begin bij jezelf!" of "we moeten alles voor (het voortbestaan van de wereld) inzetten. Ook dat kan men bezwaarlijk wenselijk achten als we de amor sui, de zelfachting en zelfliefde die ook enige betekenis heeft, niet tekort willen doen.

Wellicht geeft de lezing van het boek vooral aanleiding tot een nieuwe reflectie over de kwaliteit van onze verhouding tot deze wereld. Als men met recht en rede de tekortkomingen van het neoliberalisme onder de aandacht wil brengen, dan kan men ook niet anders dan andere ontsporingen van het denken bekijken. Wie de aarde wil redden en meent dat mensen er niet toe doen, kan gemakkelijk in een totalitaire ontsporing terecht komen. Peter Venmans laat ons immers geen ontsnappingsroute: we zullen nadenken over onze verhouding tot de mensen om ons heen, zij die we kennen, intiem kennen en al die anderen. Er is ook geen ontkomen meer aan, want dag na dag worden we op onze tekortkomingen gewezen en als afwezig lid van de oude moederkerk, de RKK, moet ik vaststellen dat we daar weinig hebben meegekregen over hoe we ons tot de wereld kunnen verhouden, tenzij in een stilzwijgende afstandelijkheid, afwijzing van de glorie dezer wereld, maar wie roem oogstte, werd wel geëerd en de hiërarchie gerespecteerd.

Het zal wellicht altijd het moeilijkste wezen wat een mens te wachten staat, maar Peter Venmans laat alvast zien dat de filosofie al te vaak buitenwerelds wilde en wil opereren, omdat onze zintuigen ons bedriegen en ook onze gevoelens van geen tel zouden zijn. Dat is overdreven, heet het dan weer. Maar laten we wel wezen, als we ons als mens proberen te verhouden tot andere mensen, in goed vertrouwen, als we begrijpen dat we het met deze wereld alvast moeten doen, tot we er iets beters van kunnen maken, als we ontdekken dat het goed is te mogen leven - dat geldt zeker voor ons in het welvarende Europa - dan moeten we ook begrijpen dat we iets moeten doen om de wereld leefbaar te maken. Ik denk dat Hannah Arendt het nare fulmineren tegen de globalisatie maar niets had gevonden, omdat het tegelijk gaat om het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen in andere contreien. Maar we zouden volgens haar inderdaad moeten denken over hoe we in een seculiere wereld kunnen leven, die net aanzet tot zorg om de wereld.

De bijdrage aan de discussie die Peter Venmans met dit boek levert, had best wat meer media-aandacht gekregen. Voor men aan het maken van kritische noten toe is, zou men dan positie moeten innemen ten aanzien van de vragen die Arendt ons onder meer via het "Amor Mundi" en "De banaliteit van het kwaad" - en dus ook van het goede - heeft voorgelegd, net dus wat Venmans betracht heeft. Verantwoordelijkheid en oordeel? Ook daarover schreef ze essays, waarin ze de basis legde voor wat ook weer een overdachte en gedachtenrijke omgang met het leven kan heten. Staan we nog welwillend of eindelijk dan toch welwillend tegenover deze wereld?

De essays die Peter Venmans hier samenbracht laten zien dat zoiets inspanningen vraagt en dat omgaan met anderen, medemensen nabij en veraf veel aandacht vergt en gemakkelijk verloopt het allemaal niet, maar net dat wist Arendt met haar ervaringen in Duitsland en haar ballingschap in Frankrijk en uiteindelijk de VS maar al te goed. De conflicten rond "Eichmann in Jeruzalem" hebben haar niet klein gekregen, maar ze kon ook niet meer om het vermogen tot haat en woede van mensen heen. Dan een concept als "Geboorlijkheid" en "Amor mundi" onderzoeken, blijft een krachttoer, waar we ons best even over buigen, zij het alles behalve beaat. De liefde had voor Arendt wellicht ook iets met geweld uit te staan. We zijn mensen en daar moeten we het mee doen, maar we kunnen ons niet overgeven aan de amor fati, zoals Nietzsche suggereerde. Als de auteur aan het einde verzucht dat hij geen goed motto vond, tenzij een slogan op de universiteitsbusjes in een Nederlandse stad, "Verbeter jezelf, begin bij de wereld", dan komt hij wellicht dicht bij wat Augustinus en later, veel later Arendt voor ogen hadden als het liefdesbegrip voor het onbestemde dat de wereld is, zoals we die aantreffen, terwijl we opgroeien en haar leren kennen.

Bart Haers


Zoals altijd had ik nog veel meer te berde kunnen brengen, zoals over de benadering van Ayn Rand, over Hans Jonas en het pragmatisme. Het is niet anders, want ook al verwacht men in een recensie de hoofdzaken te vinden, maar het kan tegelijk hoogstens een uitnodiging blijken de reis zelf, de lectuur zelf aan te vatten. Graag geef ik mee dat dit geen disclaimer is, wel de vaststelling dat het boek "Amor Mundi' veel gedachten te berde brengt en de lezer geen definitief oordeel wenst voor te leggen. Daarom kan het best een essay heten. 




Reacties

Populaire berichten