Summer of love of leven na '67




Dezer Dagen



Yoga, windmolens en onverzadigbare wensen


Joan Baez? een van die stemmen die
in de afgelopen jaren met enige meewarigheid
werden genoemd, omdat ze de vlam was
geweest van Bob Dylan, terwijl ze zelf ook
wel eigen werk bracht, naast tributes en
covers. En ze protesteerde luidkeels. 
Men blikt volop terug op de Summer of Love, 1967, toen een aantal gebeurtenissen en fenomenen aanleiding gaven tot de vaststelling dat alles aan het veranderen was, dat er een nieuw tijdperk een aanvang nam, waarom niet "the age of aquarius" er zat aan te komen. Terugblikken doen mensen nu eenmaal en we vinden het nu eens aangenaam, dan weer onmogelijk en onbegrijpelijk. Bij ons terugblikken is onze blik al gericht op wat we herdenken willen en minder op het heroverwegen.

De tijd van bloemenmeisjes of meer nog, van blote meisjes aan het water, ze ligt ver achter ons, de openheid van denken moet men nu ook weer niet overschatten, maar er waren wel mensen die vonden dat het leven beter werd als men niet al te gespannen zat te turen naar de resultaten of naar de eigen navel. In ons land, zeker ook in Vlaanderen was de periode tussen Expo '58 en de Eerste Man op de Maan in 1969 een moment van onvoorstelbare vooruitgang, die uiteraard al vroeger was begonnen, maar dan niet opvallend zichtbaar, tot er plots meer auto's op de weg kwamen, de snelwegen werden aangelegd, kerncentrales gebouwd. Maar die vorm van vooruitgang werd net aangevochten en vooral werd de scheiding tussen burgers, die vanzelfsprekend bekrompen waren of zijn en zij die grenzeloos open naar de wereld keken Nu, de burgers van toen en van nu waren het niet kunst verzamelden, die huisconcerten inrichtten en vernissages in galerieën bijwoonden en zo de nieuwe kunst in het hart sloten of net niet. De kritiek aan het adres van de burgerij was bijna dogmatisch, vooral omdat er iets als een vadermoord in schuil kon gaan, want de heftigste strijders voor de Socialistische Wereldrepubliek, naar het woord van Bertold Brecht kwamen uit welgestelde gezinnen, dragers van de hoge cultuur. Zij kenden dan ook het best die 'verderfelijke' burgerij. Bijzonder verwarrend waren (en zijn) de anarchisten, want hoewel ze van geen overheidswetgeving willen weten, leken ze toch zelf straf te zijn in het afkondigen van een nieuwe orde. Het echte anarchisme valt dan ook maar moeilijk te beleven, aangezien men zelf heel goed moet weten wat de ruimte is tussen mensen...

Het punt was dat de periode van wederopbouw al was overgegaan in een nieuwe periode van onbegrensde mogelijkheden, maar veel mensen leefden nog alsof er morgen weer een hongerwinter of oorlog en dus grote schaarste kon komen. De welvaartsgroei was behoorlijk, maar andere veranderingen, zoals de toename van het aantal studenten aan hogescholen en universiteiten, mensen die vroeger een vak leerden of op de boerderij gingen werken, werd nu toegang verschaft tot secondair onderwijs en hogeschool en dat had een veel grotere verandering van de samenleving tot gevolg dan men doorgaans in kaart brengt.

Bart de Wever en Louis Tobback vinden om allicht verschillende redenen dat men die aanval op de autoriteit van gezagspersonen niet zo welwillend moet beschouwen, maar we zijn nu wel veel verloren van die openheid in de verhoudingen. De macht van de zittende elite werd bestreden, onder meer door erop te wijzen dat autoriteit best verdacht kon zijn, nergens op berustend, manipulatief, maar in het beste geval zouden ze zelf de elite worden.

Michel Foucault heeft de genealogie van de macht en de autoriteit in beeld gebracht, om aan te tonen dat die niet onbetwistbaar kan zijn. Het is een andere invulling, denk ik, dan men er meestal aan geeft, heeft gegeven, namelijk dat men elke autoriteit per se diende aan te vallen, maar als de omstandigheden er aanleiding toe gaven, dan moest men het maar doen. Men koos ervoor, gedurende decennia voor te wenden dat elke autoriteit verdacht was en dat was ook wat De Wever en Tobback wilden hekelen, dat men in hun ogen nogal ondoordacht tegen het gezag in zou gaan. Het blijft ook een feit dat mensen niet altijd tegen het gezag wilden ingaan, of net bijzonder subversief de bestaande orde gingen ondermijnen, maar dat was een minderheid. Hebben we wel een goed zicht op de dynamiek van de democratisering van het (hoger) onderwijs, waarbij een deel van de nieuwe studenten wat blij was te kunnen studeren en zo een geplaveid pad naar een goed leven te vinden.

Maar wat men al voor Foucault in zijn werk had overdacht, onder meer over anti-autoritaire opvoeding en de permissieve samenleving kreeg veel weerklank en er werd in kritiese studiekringen hard tegen alle gezag ingebeukt, maar in het concrete bestaan van die kringen, kon het best voorvallen dat de leidende figuren zelf alweer heel weinig permissief optraden.

Hoe zat het dan met de communes? Het blijft dezer dagen een schier onbesproken onderwerp, waar men alleen de negatieve kanten van belicht. Het zal wel zijn voorgevallen dat zo een commune niet zonder enige dwang samen gehouden kon worden en dat ook daar weer gezags- en machtsargumenten naar voor kwamen. Veel hoort men niet van de oud-strijders van de communes. Het gebruik van drugs, het geloof in de anarchie, het kon even bekoren, maar op zeker moment was er iemand die de kluit belazerde en dat werd doorgaans pas duidelijk als het individuele overleven in het gedrang kwam. Hoe charismatisch waren de leiders van die communes? Zo was de vrije liefde voor ons die later kwamen misschien wel de grootste verdienste van de Summer of Love, maar in de praktijk viel het nog te bezien welke meisjes en jongens het vaakst aan hun trekken kwamen, hoe jaloersheid toch aan de orde kwam.

50 jaar na de Summer of Love, maar die zomer viel niet uit de lucht, zien we dat men er veel over spreekt, maar over de jongeren die naar Iran en India reisden, horen we zoveel niet, Katmandu, de song van Cat Stevens was zo een van de stapstenen om als jongere aansluiting te krijgen met wat de groten deden en dachten. Hoe belangrijk nu is dat alles geweest, dat en Mei '68? Men kan de kritiek van Luc Ferry zien als een poging tot (nieuwe) vadermoord, maar de overwegingen over teksten van Bourdieu en Lacan, waarbij Ferry vooral aantonen kon dat hun denken niet zo heel nieuw was als werd voorgesteld, want ze gingen bij Marx, Freud, Nietzsche te rade. Zo gaat het nu eenmaal, dat leentjebuur spelen, maar Ferry legde wel de vinger op een wonde, namelijk dat de inspiratie tot de contestatie aan het einde van de jaren zestig niet enkel geleend was, maar dat er minder mee gedaan werd, dan mogelijk was geweest. Zelf dank ik aan Michel Foucault wel een aantal denkbeelden, over de ethiek van de macht, van personen met autoriteit bekleed en die komen zelden aan bod in het debat over Foucault. De idee van de genealogie van fenomenen, zoals waanzin, zoals Nietzsche had aangereikt komt bij Foucault aan bod in zijn studie van de waanzin. Stelt Foucault dat de waanzin niet bestaat, dan zal de vraag om psychiatrische hulp wel duidelijk maken dat Foucault ze zag vliegen. Maar toch maakt hij een punt dat nog altijd niet goed gesnapt is, namelijk dat waanzin als de afwezigheid van de rede kon voorstellen, maar dat deze vormen van waanzin vele ziektebeelden terzijde schoven. Schreef Foucault, bedenk ik me dan, over de vele vormen van zinsverbijstering en aandoeningen die zelfs in de DSM V niet altijd goed te beschrijven vallen, dan bood hij - met de antipsychiatrie - sneed een nieuw hoofdstuk over de culturele implicaties van waanzin. Het was dus ook maatschappijkritiek, kreeg veel echo's maar men moet zich afvragen of Foucault altijd tevreden was met wat men uit zijn werk wilde afleiden. Wie zijn laatste college in het Collège de France leest, Moed tot waarheid, doorneemt, merkt dat zijn inzichten niet arbitrair zijn ontwikkeld, maar goed, dat was dan al 1983.

Mei '68, Summer of Love, Operatie Tomaat, die menig jong en aankomend theatertalent een mooie loopbaan kostte, had en heeft wel betekenis, voor ons en voor de generaties na ons, maar het blijft wel zoeken naar de invulling ervan. Pavloviaanse zin voor kritiek op alles wat beweegt, heeft niet zo heel veel zin,want dan kan men zichzelf ook schade toebrengen, zoals in die jaren wel aan het licht kwam. Maar toen en nu hebben mensen last met verbeelding, met de gedachte dat men zich iets kan inbeelden dat niet is. "Sgt. Peppers lonely hearts club Band"
inspireerde me wel eens omdat de plaat zowel wat de teksten aanging als de muziek wonderlijk in elkaar zat. Was ik een Beatlesfan? Niet geheel, omdat ik muziek toen en nu nog altijd als te rijk beschouw om me tot een goeroe te bekennen. Dat was overigens wat me in die jaren, tussen 1977 en 1987 steeds meer ging opvallen, de noodzaak zich te bekennen tot een waarheid, een canon van schoonheid en uitzonderlijkheid, waarbij al het andere in het niets verdween. In de literatuur ging het dan om Hugo Claus, om W.F. Hermans en wie het waagde iets goed te zeggen over Hubert Lampo kon het na ongeveer 1985 vergeten, want Lampo gebruikte truken van de foor. Toen ik "de aanslag" las van Mulisch vond ik dat niet zo een betoverende roman, maar andere werken van hem kon ik wel smaken, maar De Aanslag werd door allerlei wonderlijke ingrepen in de media een bestseller en zelfs verfilmd. Pas toen Mulisch "De ontdekking van de hemel" schreef, ontdekte ik dat de roman nog altijd iets vertellen kon. Met "Het verdriet van België" had ik nooit die indruk. Al deze schrijvers leefden, beleefden de wonderjaren en waren erg bedrijvig als schrijvers van romans, toneelwerk, essay. Hoeveel ervan wordt er nog gelezen, als ze elkaar al niet bij leven hebben verguisd.

Hoever we ook afgeweken lijken van het pad, namelijk het naleven van de "Summer of love", juist in die vormen van nieuwe, soms heimelijke vormen van autoritaire machtsontplooiing was bizar genoeg het resultaat van de machtsgreep van nieuwe figuren, die begonnen waren in de contramine. Jan Hoet heb ik lange tijd een sympathiek man gevonden, die bevlogen kon spreken over kunst, tot hij zonder meer het ambt van kunstpaus aanvaardde, toen hij zonder veel uitleg bepaalde werken afschoot, weliswaar met hetzelfde enthousiasme als waarmee hij zijn chouchous de hemel in prees. Het gebrek aan uitleg, aan argumenten heeft velen blijkbaar beroerd, maar het was een terug naar af, naar de autoritaire goed- en afkering en zo een negeren van wat de jaren '60 hadden gebracht.

Men ontwikkelde overigens ook een vermeend democratische benadering, die al veel ouder was, dan we de laatste decennia voorgeschoteld kregen: lijstjes maken, van de beste boeken, de beste beginzinnen, de slechtste seksscènes in film en boek,  de mooiste plaatsjes en mooiste muziekschijfjes, waaraan we met zijn allen, lijkt het deelnemen. Ik kan niet kiezen tussen Mahalia Jackson en Françoise Hardi, maar heb er een eigen waardering voor. De reden is persoonlijk, maar ik wil dan ook geen kunstpaus heten en hoef niet uit te leggen waarom ik Joan Baez niet vergeten kan, hoewel ik onlangs las dat Joan Baez toch maar een hippiemeisje was terwijl ze vrij consequent haar verhaal bracht, protestsongs. Men moet niet de kritiek van de tegenstander van zo een dame tot de zijne maken, als men daarmee en de muziek en de ideeën tekort doet. Het is wat mij betreft wat ik heb overhouden aan mijn jeugd en jonge jaren, die neiging om autoriteiten te volgen en te doen alsof men zelf tot die inzichten gekomen is. Dat is wat me opvalt bij zoveel dat er te lezen valt over de Summer of love. Men opende vensters en deuren en dat had meer dan charme, maar er zaten ook voetklemmen en schietgeweren in de tuin, die het allemaal minder onschuldig maakten.

Het blijft boeiend naar die jaren te kijken, hoe vreemd sommige aspecten ervan ook mogen lijken. Wilde men vrede, dan was er ook de ontsporing van de oorlog in Vietnam en het protest van studenten die er veel over hadden niet te moeten dienen. Hoe heftig ook de kritiek op de consumptiecultuur ook was, iedereen nam er graag aan deel, maar de markten waren al bij al behoorlijk gesegmenteerd. Toen was het grootwarenhuis een grot van Ali baba, vervolgens bleek dat ze de zelfstandige winkelier de nek hebben omgewrongen: het grootkapitaal en de vijanden van de middenstand, de linkse, progressieve studenten hebben aardig samengewerkt.

Ondanks de crisis van de Olieschok, vanaf 1974 vooral, is de samenleving er vooral rijker op geworden, terwijl de aandacht voor allerlei "wantoestanden" toenam, die ineens ook gepolitiseerd werden. Zijn we nu beter af dan toen? Materieel zeker, maar er zijn domeinen waar we wel iets verloren hebben, vranke vrijmoedigheid bijvoorbeeld en de verbeelding.

Bart Haers


Reacties

Populaire berichten