Komt het geluk voorbij, geef het een stoel



Dezer Dagen


Bartje zoekt het geluk,
denkt hij, op z'n eentje
Maar hij staat niet alleen

We kennen wel deviezen over het goede leven,
over het verwerven van het geluk. Maar het
is geen ding, het is onvatbaar en  - volgens
Thomas Buddenbrook - weet men pas als het
voorbij is, dat men het geluk zag langskomen, 
Zelfhulpboeken over geluk, ze blijven op de markt komen en zelfs wie zich afzet tegen het najagen, tegen de dictatuur van het geluk, zoals Jeffrey Wijnberg struikelt in dezelfde kuil: geluk is iets wat we zelf moeten verwerven, eraan werken, ervoor gaan. Goed, Wijnberg zegt dat we onszelf moeten aanvaarden, maar wat betekent dat dan? Acceptatie van de eigen kleine of zwakke kantjes, een SWOT-analyse? Waar zijn de anderen? Een onderzoek naar eigen sterkten, zwakten, opportuniteiten en uitdagingen kan best belangrijke informatie over onszelf geven, maar of het ons echt op de weg naar het welbevinden zal zetten, valt nog te bezien. In de analyse van onze zwakten en sterkten moet toch ook plaats zijn voor de omgang met anderen?

Aan de televisieserie heb ik niet zoveel herinneringen, maar aan de boeken van Anne De Vries over Bartje des te meer, omdat lezen dieper in het systeem doordringt en naderhand heb ik ontdekt dat de auteur een mensbeeld aan de lezer voordroeg dat misschien wel interessant kan zijn, maar elke dag weer, merkte ik, gaat men in de sfeer van de geluksboekenindustrie uit van het eenzame individu dat verantwoordelijk is voor het eigen welbevinden, hoogstens moet men anderen gebruiken. Dat ego heeft zelf ook niet zo heel veel te piepen in het geluk van anderen en dat was waar Bartje wel aan toe kwam, met vallen en opstaan, met ontgoochelingen en het uiteenspatten van balonnetjes over het eigen ik. Bartje leerde dat hij het maar goed kon hebben als anderen ook niet te klagen hebben.

"Ben ik mijn broeders hoeder?"

Aan Bijbelteksten doet men niet meer, maar het blijft ontnuchterend te zien dat reeds in de oudere teksten uit het Oude Testament een existentiële vraag te berde wordt gebracht, waar we sinds de moderniteit niet meer aan toe komen. Nu, iemand als Rousseau zou de vraag ook met een klinkend neen beantwoorden. Hoewel we dag na dag te horen krijgen dat we solidair moeten zijn, betekent dat niet dat we om anderen moeten geven, want we weten het niet altijd, hoe dat zou moeten.

Ben ik mijn broeders hoeder? Geen bemoeienis, geen inbreuk om de autonomie, maar waarover kan men dan wel spreken? Het risico valt hier niet te ontwijken dat we over autonomie als ideaal moeten spreken, maar de vraag is niet of die autonomie volkomen moet zijn, maar hoe we midden in het leven en in de omgang, betrokken omgang met anderen wel begrijpen dat raad geven, raad krijgen geen afbreuk doet aan die zo geprezen autonomie.

Natuurlijke verwantschappen

Discussie over geluk tiert welig en wat het inhouden kan, blijkt altijd vrij helder voorop te staan. Vergeten we niet dat onderzoeksgroepen die zich bezig houden met evolutionaire biologie en evolutionaire psychologie uitgaan van de gedachte dat de mens, zelfs nog op de savanne leerde dat hij of zij voor zichzelf diende in te staan. De onderlinge afhankelijkheid voor het overleven van leden van groep, daarover gaat het, maar ook dat zou alleen in het teken staan van de selfish genes.

Terecht heeft Susan Neiman zich tegen deze benadering gekeerd, want het spreekt voor zich dat men personen nooit alleen kan beschouwen. Een biografie van John Adams kan niet zonder aandacht voor de relatie van de man met Abigail, zijn echtgenote, met Thomas Jefferson of John Madisson en uiteraard George Washington. Echter, kijken we naar dorpsgemeenschappen aan het einde van de negentiende eeuw, dan heb je inderdaad wel eens kwezels die sociale controle wel heel erg eng dan wel benepen denkend interpreteren, maar er waren ook vormen van wederzijdse ondersteuning.

Johann Wolfgang von Goethe beschreef in "Die Wahlverwantschaften" hoe mensen zich tot elkaar verhouden en na inbreng van nieuwe elementen hun eerste relatie opgeven. Niet iedereen is er even gelukkig mee, maar Goethe schreef met deze roman wel het verhaal van onze mogelijkheden en van de interacties tussen personen.

Goethe schreef ook zijn biografie, "Wahrheit und Dichtung" en liet daarin zien dat je niet per se laatdunkend over anderen die een plaats hebben in je leven, moet spreken. In de traditie van Rousseau werd het bon ton om de naasten als gelijken af te wijzen, want het genie van het individu staat bij hem, zeker ook in zijn Confessions centraal. Van gelijkheid is er bij Rousseau niet echt sprake, al lijken we hem graag op een piëdestal te plaatsen.  Ontegensprekelijk heeft Rousseau een belangwekkende invloed gehad, maar het blijft opvallend dat men dan Voltaire minder hoog meent te moeten aanslaan. Voltaire was niet tegen een idee van een volkskerk en ook Spinoza meende dat men mensen die voldoende hebben aan het deelnemen aan de diensten van een gemeente niet wijzer moet maken, als ze het niet willen. Maar wie "Latijn" kan lezen, moet zijn werken wel aanpakken. Nu was Goethe enige tijd lang zeer geinteresseerd in het denken van Spinoza.

De natuurlijke verwantschappen die Goethe had met onder meer Johann Kaspar Lavater - om hem vervolgens wel geringschattend te bejegenen -, met Herder en Jacobi en dan had hij nog een schare vriendinnen, met wie hij graag correspondentie onderhield, geven ook weer zo een rits van mogelijkheden te zien. Goethe zal wel niet de perfecte mens geweest zijn, laat staan de gemakkelijkste mens, maar zijn biografie laat zien dat hij, ook hij, zonder zijn beschermheren en andere figuren echt niet geworden was zoals wij hem kennen. Men hoeft hem niet meer te adoreren, zoals Boudewijn Buch dat deed, maar kan met hem wel op weg.

De onzichtbare kern

In veel adviezen om het ultieme geluk te bereiken, merkt men dat men naar het diepere zelf moet graven, dat men heeft laten ondersneeuwen onder ervaringen, angsten en misgelopen verwachtingen om het eigenste zelf terug te vinden. Wie we zijn, evenwel, komt ook tot stand door onze ervaringen en onze omgang met anderen, want we leven niet op een eiland.

Een tante, die in Edmonton, Canada terecht is gekomen en er een goed leven had, maar de nodige tegenslagen het hoofd heeft moeten bieden, zegde me een aantal jaren geleden wat als een spreekwoord geldt: you need a village to raise a child[i]. Maar dit basisinzicht kan betekenen dat men meent dat de gemeenschap het jonge kind corrigeert en helpt een plaats te geven in de gemeenschap - waardoor de sociale controle beperkend werken kan - of dat in de wisselwerking tussen een kind en de omgeving iemand tot een onverwacht leven kan opgroeien. Want er is altijd wel iets of iemand wat een kind kan en waar in de gemeenschap iemand zelf al mee bezig is. Sommige kinderen gingen studeren, anderen werden smid en soms kwam er een meisje toe verpleegster te worden. De diversiteit van de gemeenschap was en blijft de voorwaarde dat kinderen hun weg vinden.

De onzichtbare kern is overigens ook onvindbaar, omdat we doorheen het leven vaak verloren lopen bij het zoeken. Door naar buiten te kijken, uit de eigen ton te kruipen, zal men wel weten wat er in de aanbieding is en zich ervoor gaan inzetten.

La ballade des gens heureux

Niet zonder nostalgie verwijs ik ook met genoegen naar dat liedje, dat vandaag als melig wordt weggezet, terwijl het ooit gewoon leuk was, aangenaam om mee te kwelen. Tegelijk kan men merken dat mensen vaak die kleine genoegens van hun jeugd in een bui van kritisch zelfbewustzijn afwijzen wat ze eerder aanbeden hebben. Later komt het terug, blijkt ook wel eens, maar het maakte wel vaak deel uit van het sociale leven dat men exuberant enthousiast omhelst heeft.

Maar inderdaad, men kan het geluk beleven vanuit het eigen perspectief, van de kleine bediende met een huis en tuin in de voorstad, of als star, maar in wezen moet men de vraag niet stellen of anderen een hel zijn voor ons, dan wel hoe we voor anderen een baken zouden kunnen zijn. Iets willen betekenen voor anderen, niet enkel voor moeilijke dagen, maar gewoon zomaar, lijkt me toch wel mooi, alleen vinden we niet altijd de juiste toon.

Zonder vrienden geen filosofie

Filosofie, hebben we geleerd van hooggeleerde heren, betekent dat we ons op de aard van den mens gaan richten. Een dame als Hannah Arendt begreep dat men niet over de 'denkbeeldige' mens kan spreken, alleen over mensen, in het meervoud. Ook leerden we van hooggeleerde heren dat we ons vooral moeten ergeren aan het schandaal van de onvolkomenheid van de mens, het zijn ten dode moeten inlaten, maar het zijn dames als Arendt, die begreep dat we zijn om te leven en dat de nataliteit ons juist de perspectieven biedt nieuwe dingen te beginnen. Het zijn ten dode beperkt ons in onze vrijheid, de andere als de hel voorstellen, leidt ertoe dat we nooit zeker kunnen zijn van de welwillendheid van anderen en ook dit beperkt onze vrijheid. Ook  Nietzsche mag men niet vergeten, die ook wel begreep dat het leven bekijken vanuit het lijden en de dood nogal christelijk moet heten.

In plaats van het zijn ten dode, schrijft Joke Hermsen - het denken van Arendt analyserend -, kan men ook uitgaan van de gedachte van het nieuwe begin, de nataliteit. Nu kan men zeggen dat ik weer in geleerde boeken mijn heil zou zoeken, maar het is niet verboden te lezen, maar evenmin dat lezen op de dagelijkse ervaringen te betrekken.  

Er zijn genoeg mensen, kan men vaststellen, die op het oog "eenvoudig" lijken, maar wel een eigen inbreng hebben, net omdat ze de tijd hebben genomen hun ervaringen te laten bezinken. Maar zij weten ook hun plaats, wat men denigrerend zou kunnen beschouwen, maar ook een vorm van wijsheid mag heten. Laten we dus maar aanvaarden dat er zonder vrienden geen filosofie kan bestaan, maar ook kan men opmerken dat vele van die filosofie bedrijvende heerschappen niet altijd hun filosofie in het leven vorm weten te geven. In hun studeerkamer werken ze zich te pletter en ook daar buiten zijn ze filosoof, maar zonder connecties met de wereld, de omstanders.

Zonder vrienden geen leven en dat leven, zoals het zich afwikkelt, met soms onverwachte wendingen, kan tot filosofie leiden. Want denken is eenieder gegeven met een zekere ontwikkeling. Maar hoe dat functioneert en zich uit, blijkt soms wonderlijk uit te pakken.

We staan er niet alleen voor, ook niet als het om ons geluk gaat en ons persoonlijk geluk is zelden iets dat ons alleen aangaat, maar ook voor anderen van belang kan zijn. De oude vraag "ken uzelf" moeten we niet negeren, maar we mogen niet vergeten dat we ook wel enigszins onze broeders hoeder mogen zijn. Met mate, natuurlijk.

Bart Haers




[i] Het verschil tussen "kid" en "child" was haar wel duidelijk, want in hetzelfde gesprek, had ze het over "the kids" waarmee ze de gemelijke term gebruikte. Nu hanteert men de term "child" nagenoeg niet meer, weet het internet te melden, maar wellicht nog wel in meer formele omstandigheden. Ook bij ons gebruikt men graag "kids", wat, als ik het wel in oorsprong "young goat" In de 16de eeuw zou het overgegaan zijn op kinderen, maar pas veel later ook in de literatuur aan de orde. Aandacht voor het verschil in terminologie kan ook verhelderend werken voor de vraag hoe we naar mensen kijken. Jonge geitjes? Wie bedenkt het? 

Reacties

Populaire berichten