geschiedschrijving, geen reductie



Reflectie


Staat en Samenleving
Pruisen in perspectief

De Siegesallee in Berlijn werd op vraag van Willem
II aangelegd met standbeelden van de vorsten van
Brandenburg-Pruisen. Clark geeft aan dat deze
onderneming, die na WO II verdween, blijk gaf
van zelfverheerlijking, maar al kon men er aardig
flaneren, of de Berlijners echt oog hadden
voor de beelden, laat hij onverholgen
betwijfelen. 
Sommige boeken geven de indruk dat ze ons definitieve inzichten kunnen aanbieden, maar schieten doorgaans net op dat vlak tekort, omdat ze al te zeer blijk geven van reductionisme. Precies monografieën en historiografische werken die de vele kronkelwegen laten zien zonder te pretenderen het definitieve inzicht aan te reiken, blijken stof tot nadenken te bieden. Christopher Clark geeft ons dan ook heel wat te denken, al was het maar omdat hij het licht heeft geworpen op een geschiedenis die in onze dagen vooral als besmet geldt, terwijl zijn grote aandacht voor details de ruimte biedt de Europese geschiedenis en dan vooral de Duitse beter te begrijpen. Maar nergens pretendeert de auteur het laatste woord in de aanbieding te hebben.

Voor de lezer biedt zo een boek dan ook meer dan alleen vele uren leesplezier, het stoffeert ook nieuwe gedachten en laat toe over het concrete heen meer historisch-kritische vragen te stellen, niet in de laatste plaats over het gewicht van de mythologie en de kronkelwegen van onze aannames. Zo zal na lectuur niet enkel de vraag opkomen waarom de staat Pruisen, die al te almachtig leek toch op vele domeinen het aan mensen en ondernemingen, organisaties ook overliet om te doen wat nodig was. Hoewel Pruisen een ambtenarenstaat mag en moet heten, was het opzet zo te zien niet altijd om alles van bovenaf te regelen.

Otto von Bismarck voerde dan wel een felle Kulturkampf tegen de katholieken, maar tegelijk was hij ook geneigd een sociaal systeem op te zetten en tegelijk was er de vraag naar het gezag, wie kon wat beslissen. Om het Duitsland van 1914 te begrijpen, moet men niet enkel naar Duitsland natuurlijk, maar ik heb wel vaker het gevoel gehad dat het me niet geheel duidelijk was hoe Duitsland toen in elkaar stak en hoe politiek, staat en samenleving zich tot elkaar verhielden. Was het inderdaad zo dat na 1848 de liberale burgerij afhaakte op politiek vlak? Of was het pas na 1871 duidelijk dat de staat niet echt inmenging verdragen zou en zeker niet de conservatieve hofkliek. Na de veelbelovende hervormingen van de "beloken tijd", toen Pruisen niet langer soeverein mocht heten, zien we dat de koning, Frederik Willem III toch maar op het aanbod van Metternich ingaat om gemene zaak te maken om toestanden als de Franse Revolutie te vermijden. De vernieuwers, die de kracht van verandering hadden bewezen, werden opzij geschoven.

Maar men mag natuurlijk niet vergeten dat Duitsland tussen 1815 en 1871 een enorme ontwikkeling doormaakte waarbij burgers de voorhoede vormden. De crisis van 1847 over de kredietbeperking die Hardenberg had opgelegd om te verhinderen dat Pruisen zich financieel in nesten zou werken, bracht zowel liberalen als het volk op straat. Dat was al eerder begonnen met opstanden van werklieden, onder andere in de Poolse regio rond Posen. Het doet wel veronderstellen dat Pruisen op dat vlak niet achterop liep en dat blijkt ook uit de oorzaak van de crisis, namelijk de kredietbeperkingen, die grote investeringen inzake spoorwegen tegenhielden. Maar de evidente vraag is dan waarom Pruisen, anders dan bijvoorbeeld België het spoorwegennet volledig in handen wilde hebben. Er waren particuliere ondernemingen, maar het bleek niet altijd mogelijk die rendabel te beheren, ook al omdat er wel eens iemand met de kas ging lopen.

Cruciaal voor Pruisen is dat gezien de omvang van het koninkrijk de spoorwegen ook een militaire opdracht kregen en dus diende de staat ervoor te zorgen dat die spoorwegen altijd gebruiksklaar waren. Overigens werd de aanpak beproefd bij de Verenigingsoorlogen, waar von Moltke een oefening deed die kon tellen: in 1866 gebruikte hij het spoorwegennet in Silezië om de Oostenrijkers te belagen en wel zo dat het leger van von Moltke moeilijk grijpbaar werd voor de Oostenrijkers. Hoewel beide legers in de weging elkaar niet of nauwelijks ontliepen, bleek de aanpak van de Pruisen verrassend en daardoor efficiënt. In welke mate de generale staf op alle niveaus allesbepalend zou zijn opgetreden, blijft altijd nog stof van discussie, want wie het over kadaverdiscipline heeft of hebben wil, sluit uit dat officieren en zeker de onderofficieren enige handelingsruimte hebben. Nu, dat bleek wel enigszins anders uit te pakken, net omdat de communicatielijnen niet geheel optimaal bleken.

Tijdens WO I zal de situatie wel veranderen, omdat men belangrijke lessen van von Clausewitz uit het oog verloren had en omdat men geloofde van bovenaf alles te kunnen regelen. Het probleem van onderdanigheid en ondergeschiktheid, gehoorzaamheid blijft daarmee gesteld en wie dat als Pruisisch voorop stelt, vergeet dat bijna alle legers in Europa tijdens de negentiende eeuw in hoofdlijnen op dezelfde hiërarchische manier georganiseerd waren. Kadaverdiscipline behoort bij staande legers, maar de grote afstand die was afgelegd tegen de bevrijdingslegers in 1813 -1815 moet ons dan wel voor ogen staan: het leger bond toen het land samen en men blijkt met Christopher Clark geneigd dit minder evident te vinden in 1914. Hoewel duidelijk is dat er mensen klaar waren in augustus 1914 de strijd aan te gaan was zowel de Keizer als de Eerste Minister, Kanselier niet geheel bereid de oorlog aan te gaan. Een deel van het leger was er wel klaar voor en de organisatie van het leger, via de spoorwegen, vergde snelle besluitvorming en die was mogelijk, militair, omdat het burgerlijke bestuur er geen vat op had.

De militaire structuren die geen verantwoording verschuldigd zijn aan het burgerlijke bestuur en bijna de regering en de keizer in een oorlog kunnen meesleuren vormde wellicht de grootste weeffout in Pruisen en het Keizerrijk. Tegelijk kan men dan naar de klasse van de Junkers verwijzen en vaststellen, denk ik, dat zij geleidelijk aan minder landeigenaren werden en meer carrièremilitairen. Dat brengt met zich dat hun loyauteit ook wel bij de militaire overheid moet gelegen hebben, al zal juist Hindenburg zelf, die de absolute chef van het leger werd in 1916 de keizer dwingen de regering ernstig te verzwakken. Hindenburg staat niet voor het model van de Junker, schrijft Clark en dat roept vragen op, want als die mannetjesputter, vereerd na de overwinning bij Tannenberg, de bestaande orde en hiërarchie eigenhandig om zeep helpt, zelfs de keizer buiten spel weet te zetten, rijst de vraag of en hoe andere militairen deze omslag ervoeren en waarom er geen sprake was van insubordinatie van die officieren. We denken dan aan Kurt Freiherr von Hammerstein-Equord, die Weimar had gesteund, onder meer ter gelegenheid van de Kapp-putsch, die hoog officier was tijdens WO I maar zeer hevig tegen de nazi's gekant en zelfs bereid tot het plegen van aanslagen. Zijn dochters kozen voor de "Rote Kapelle", de communistische ondergrondse die in Duitsland actief bleef, ook na de vervolging van de communisten vanaf 1933. Hammerstein-Equord had nagenoeg dezelfde achtergrond - alleen een generatie of meer jonger - dan Hindenburg, doch koos voor een andere aanpak. Hoewel een landjonker, was hij blijkbaar de democratie genegen. Dat laat zien dat we niet zomaar een eenduidige benadering kunnen aanvaarden.

In die zin blijkt de periode 1806 -1815 voor het denken over staatsmacht van groot belang te zijn geweest omdat men toen de gedachte wenste te huldigen de overheidsoptreden ook efficiënt diende te zijn en dat men tot besluiten diende te komen op een aanvaardbare manier. Ook hier waren de omstandigheden debet aan de gedachtegang van de hervormingsgezinde kringen, onder wie ook militairen. De nederlaag van Auerstadt en Jena was ook het gevolg van te traag  aanpassen aan de omstandigheden van het oude bestuur, wel wetende dat Napoleon over mogelijkheden beschikte snel te besluiten - met korte lijntjes - en tegelijk ook zijn officieren kansen op eigengereid optreden liet - waardoor die hem vaak uit de nood hebben geholpen - maar hun goede vondsten schreef hij wel op eigen naam.  

De positie van het leger in de samenleving is tijdens de negentiende eeuw grondig gewijzigd, meent Clark en als we kijken naar de grootmachten in Europa, dan merken we dat tot 1871 de verschillende spelers op het continent elkaar in evenwicht hielden. Maar in Pruisen, Duitsland zou de verwevenheid tussen soldateska en het civiele steeds sterker worden, zodanig dat een armoezaaier in Köpenick, die al een aantal keren was veroordeeld, maar gehuld in het uniform van regiment met de rang van kapitein in het stadje Köpenick stadsambtenaren en politiemensen gemakkelijk kon bewegen hem te gehoorzamen, zodat hij met de stadskas ervan door kon gaan. Daarna kon de sloeber met lezingen en een boek nog goed profijt halen uit zijn schelmenstreek. Maar of iedereen zo gemakkelijk zou gehoorzamen zonder er zeker van te zijn werkelijk met een officier van het leger te maken te hebben, lijkt niet bewezen. Wel zal men opmerken dat Joseph Roth in "Radetzkymars" evenzeer die verwevenheid tussen het militaire leven het civiele aan de orde stelt. Wie doorheen Duitsland rijdt merkt nog wel eens op hoe in steden een kazerne een hele wijk vorm heeft gegeven, of zelfs de gehele stad.

Clark laat zien hoe het nationalisme in Pruisen groeide en daarmee, ook buiten Bismarck om, de vragen over de germanisering van de Polen in het groothertogdom Posen en de assimilatie van de Joodse ingezetenen in de late negentiende eeuw een nieuwe invulling kreeg. Dat nationalisme Pruisisch noemen zou te ver leiden, want de grootmachten, Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije en zelfs kleinere landen als Servië leden eronder en soms wist men dat handig te manipuleren van overheidswege. In Tsaristisch Rusland had je geheime organisaties die het nationalisme oppookten, in Servië het intransigentisme dat de Balkan wilde veroveren en met Frankrijk campagne voerde tegen Oostenrijk-Hongarije, waar dan weer de Tsjechen en andere groepen hun eigen natiestaat opeisten.

Clark nu laat zien dat zo rond 1900 de grote meerderheid van de burgers in een alternatieve cultuur leefden, die niets of weinig met de hofcultuur te maken leek te hebben; zo waren er wel Burschenschaften, maar lang niet alle studenten waren er lid van en in oorsprong, in 1815 ging het om een liberale club van studenten, later werd het een nationalistische club, waar niet elke student een boodschap aan had. Anderzijds blijkt hoe keizer Wilhelm II sinds zijn aantreden in 1888 een flapuit is geweest en graag met het volk sprak, het volk toesprak, met allerlei uitglijders als gevolg. Een de elementen die voor de Europese evenwichten wezenlijk waren, bleek het opzeggen van het wederzijdse verzekeringsverdrag tussen Pruisen en Rusland, dat door Bismarck was onderhandeld en door Wilhelm II laatdunkend genegeerd. Het zou leiden tot een Frans-Russisch verdrag dat Duitsland omsnoerde, iets wat Bismarck ten koste van veel had willen vermijden. Bismarck had overigens ook beseft, door een bescheiden buitenlandse politiek te voeren, na de Verenigingsoorlogen, dat de eenmaking van Duitsland voor Europa een ernstige wijziging van de verhoudingen impliceerde. Nooit was Duitsland als zodanig verenigd geweest en nooit had het een militaire macht in het veld kunnen brengen en nu, van 1871 af dienden de Foreign Office en de Quay d'Orsay, het Franse Ministerie van Buitenlandse Zaken hun posities te heroverwegen, wat Frankrijk doortastend uitvoering gaf. Ook de vereniging van Italië zorgde voor nieuwe verhoudingen, zeker omdat Oostenrijk-Hongarije, dat buiten de Klein-Duitse oplossing stond een deel van haar territoria verloor en dus ook op het oog militair aanzien.

De Klein-Duitse oplossing was de hamvraag in Frankfurt, toen men voor het eerst een legitiem parlement in het leven had geroepen, in 1848, waar men twijfelde of men Oostenrijk bij Duitsland diende te laten aansluiten, wat de katholieken in Beieren graag hadden gezien. Maar er was de rest van dat rijk, waar geen Duitsers woonden in meerderheid, wel was het Duits er de lingua franca. Ook zal men wel voorzien hebben en Bismarck zeker dat Hongaren en Tsjechen etc voor nog meer woelingen zouden zorgen dan de Polen in Posen. 15 maart 1848? Hongarije komt in opstand tegen Habsburg en bereikt via een compromis autonomie van Wenen, maar het Hongaarse gebied was ook behoorlijk divers als we naar taalgroepen kijken. Nationalisme, zelfbeschikkingsrecht en andere reuring alom tijdens de negentiende eeuw. Ook in Pruisen groeit het nationalisme...

Opvallend is dat de Henri Pirenne geschokt was toen zijn zonen die in Duitsland, o.a. Berlijn studeerden zoals hijzelf had gedaan, schreven hoe daar een sfeer van opgehitst nationalisme hing, ook aan de universiteit, onder historici. Zij, die wetenschappers deden wat hij net wilde vermijden, ook al heeft men hem dat naderhand verweten, namelijk een reductionistische geschiedschrijving brengen van Duitsland, tot meerdere eer van de natie. En dat werkt niet natuurlijk. Niettemin, de Historiografie die in Duitsland tot stand is gekomen, met Ranke en anderen, de bronnenpublicaties en het onderzoek kan men bezwaarlijk reductionistisch noemen. Maar net als in Frankrijk waar Ernest Lavisse zich leende tot zo een aanpak, waren er blijkbaar wel publicisten die van de Hermannslacht een Duitse Heldendaad durfden te maken.

Die geest is ook Thomas Mann noch Heinrich Mann geheel ontgaan, want zij werkten rond 1895 mee aan zo een nationalistisch tijdschrift. Clark laat zien hoe de bij uitstek wetenschappelijke interesse na 1888 geleidelijk een chauvinistische wending krijgt. Hoe aannemelijk is het dan niet dat burgers de staat, de overheid weinig kunnen verwijten, want de ideeën circuleren nooit alleen in de beperkte kring van een regeringswijk rond. Er zijn uitzonderingen, zoals de revolutie van Lenin, maar voor Duitsland mag men aannemen dat het opgezweepte nationalisme ook in de civiele samenleving leefde en gedeeld werd. Dat zou na WO I in een andere gedaante weer opleven en al waren het de vrijkorpsen en enkele generaals zoals Ludendorff die er een zekere sturing aan gaven het waren burgers, zoals de familie Klamroth, waarover de nageboren dochter Wibke Bruhns in "het land van mijn vader" heeft geschreven, die dat nationalisme handen en voeten gaven.

Overigens, net Thomas Mann, die in 1933 door de Nazi's van zijn nationaliteit was beroofd, had het moeilijk, ook om zakelijke redenen, afscheid van Duitsland te nemen en al wilde hij wel zeker het nazisme afwijzen, hij kon niet aanvaarden geen Duitser meer te zijn, geen staatsburger. Maar hij vond de formule die men hem later tegelijk zou nadragen, dat hij zich bewust was (geworden) Duitsland te representeren, overal waar hij was Duitsland met zich om te dragen. Maar om welk Duitsland ging het dan? Christopher Clark liet zien dat het Pruisen, dat mee het Duitsland dat we nu nog kennen, al verloor het land veel grondgebied sinds 1600 een complexe geschiedenis kende, waarbij elke generatie van de Hohenzollern er een eigen wending aan gaf. Maar het land was meer dan de vorsten en dat komt in dit boek ook aan de orde. In wezen brengt Clark ons verschillende portretten waarbij ook het volk niet vergeten wordt.

Nu Europa in een moeilijk parket zit, zal men toch opnieuw moeten nadenken over waarom we dat Europa hebben opgebouwd en ophouden de bestaansreden van de EU voortdurend in vraag te stellen om met des te meer energie kritisch het gevoerde beleid tegen het licht te houden. Het zijn historici als Clark die ons een aantal inzichten aanreiken, maar dat het allemaal eenvoudig en helder zou wezen, bestrijden zij door hun werk.

Bart Haers




Reacties

Populaire berichten