Hoe onafhankelijk kunnen/moeten politici zijn?




Reflectie


Politicus m/v onafhankelijk. Hoezo?

Jean-Marie Dedecker huldigt free
speech en vaak zegt hij rake dingen,
maar ook zal men vaststellen
dat hij door zijn vrankheid geen
grote invloed op het beleid kreeg.
Zelf acht hij zich gelukkig geen
partijslaaf te zijn geworden. 
Het filosofische kwintet is er weer, gelukkig en het gaat over onafhankelijkheid, autonomie dus? Niet helemaal, maar toch, het was mooi de discussie te volgen, omdat we vaak genoeg merken dat men politici afserveert op dubieuze gronden en al even gauw verheerlijkt op grond van aanvoelen. Moet een politicus onafhankelijk handelen?

Wie ook maar een beetje nadenkt over het wezen van de democratie als bestel, zou de vraag gemakshalve kunnen afdoen als spielerei, maar dat is het niet, want wellicht moet een politicus het oor niet te vaak laten hangen naar de eigen magen en vrienden, moet hij of zij ook niet exclusief een belangenbehartigende vereniging als referentie kiezen, maar kan die persoon toch niet onafhankelijk zijn van de samenleving waarin hij of zij politiek bedrijft? Of zou het betekenen dat een politicus met een vast omlijnd plan aan politiek gaat doen en veertig jaar later vast kan stellen dat hij door niets of niemand is beinvloed geworden. Maar die persoon zal dan ook niet ver gekomen zijn, mag men vrezen.

Onafhankelijk politiek bedrijven, terwijl de idee van de polis zelf refereert aan betrokkenheid bij de polis, het blijft vreemd maar het is wel vaak een obsessie, omdat men van politici vooral vreest dat ze hun ziel verkocht zouden hebben aan al dan niet obscure organisaties, die hen in hun handelen zouden beperken. Maar hoewel men moet aanvaarden dat er belangenbehartigers rondlopen in de wandelgangen, dan moet men van politici wel mogen verwachten dat ze de fraaie brochures van die lobbyisten kunnen begrijpen vanuit het algemeen belang. Men probeert bij het Europese parlement enige transparantie te verkrijgen over welke leden van het EP welke organisaties ontvangen. Daar zit slechts een deel van het probleem, want belangrijker is na te gaan of en hoe politici in het plenum of in commissie die informatie hanteren. Kan iemand de moed opbrengen die info in vraag te stellen zodat collegae die ook bezocht werden hun eigen positie kunnen heroverwegen? Het blijft immers van belang te weten - als het al mogelijk is - wat iemand met aangeboden informatie aanvangt. Want we moeten ook niet hopen dat een politicus overal complotten gaat bespeuren.

In het boeiende gesprek op zondagmiddag had ik gehoopt dat de heren en dame het hadden gehad over het begrip redelijkheid in het politieke gebeuren. Stephen Toulmin citeren schijnt te wijzen op een ongezonde aandrang tot  name dropping, maar hij heeft wel een opvallende inspanning geleverd over het begrip ratio na te denken. Herman De Dijn schreef er een recensie over, waarin hij wijst op het al te optimistische geloof van Toulmin dat mensen, behept met redelijkheid de ongewenste neveneffecten van de rationaliteit kunnen temperen. De kritiek van Herman De Dijn snijdt wel hout, maar tegelijk kan ook de recensent er niet onderuit dat het met het rationalistische discours ook niet altijd snor zit. Een ander aspect in de recensie en vooral in het essay van Toulmin betreft de betekenis van de angst als motor voor het rationalisme in onze cultuur vanaf de zeventiende eeuw, wat ook zou kunnen impliceren dat we niet kiezen voor het instrument van de rede omdat we menen daarmee beter in deze wereld kunnen leven en handelen, maar uit angst.

Een derde element vormt de gedachte van Toulmin, dat rationalisme een invalshoek mogelijk zou maken die ons de-situeert en ons vanuit het nergens naar de wereld laat kijken. In het wetenschappelijke discours heeft men dat als een heilzame positie voorgesteld, maar bijvoorbeeld ingenieurs of artsen kunnen maar moeilijk vanuit het niets of nog minder zonder oogvoor de patiënt naar een fenomeen kijken, een ziekte. In de wenswetenschappen, excuseer, de menswetenschappen zien we dan weer dat men in de linguïstiek probeert de spreker en schrijver te negeren en de taal te zien als een autonoom fenomeen, waar mensen weinig in te vertellen hebben. Andere vormen van linguïstiek leggen dan weer de nadruk op die taalgebruiker, soms gaat ook wel eens over interacties tussen taalgebruikers. Maar al bij al houdt men zichzelf en het publiek graag voor dat men volkomen onafhankelijk van mens en samenleving onderzoek verricht. Toulmin meent dat dit een illusie van zekerheid kan aanreiken, maar allicht moeten we ook bedenken dat - zoals ook De Dijn aangeeft - dat de onderscheiden vakgebieden steeds meer een eigen bestaan gaan leiden en wel zekere inzichten kunnen leveren, maar tegelijk elkaar ondergraven en zelden gunstig beinvloeden en inspireren. Ik denk, met permissie, dat zijn kritiek op het vakgerichte werken, zonder echte interdisciplinaritiet, zeker in de humane wetenschappen tot verstarring heeft geleid en nog weinig ruimte voor creativiteit overlaat.

In de politiek blijkt men in hetzelfde bedje ziek, want als ik de gasten van Clairy Polak goed begreep, moet de politicus de moed hebben ook te zeggen dat de remedies die men aanbiedt niet geheel werkzaam blijken. 25 jaar geleden, na 24 november 1991, zegde Hugo Schiltz dat politici ook moeten kunnen zeggen dat ze het niet weten of niet meer weten. Kijkt men dezer dagen naar de Brexit, dan ziet men hoe gemakkelijk het wel niet is campagne te voeren tegen de EU, maar hoe het dan verder moet? Geen van de voormannen van het Brexit-kamp zitten nog in de pilootstoel, maar trapten het af. De Brexit maakt veel mensen boos in de UK, maar hier? Sommigen menen dat we hun voorbeeld moeten volgen, vanuit de idee dat soevereiniteit beter is. Ho maar, welke argumenten hanteert onder meer Baudet? Dat we dan als soevereine staat - Nederland in zijn geval - verder kunnen en greep houden dan wel terugkrijgen op wat ons aanbelangt, het landsbestuur. Op het oog valt er geen speld tussen te krijgen, maar de werkelijkheid is wellicht minder eenduidig, want alleen voor het muntbeleid geldt dat de gulden al lang voor 2002 aan de DM, Duitse Mark, gekoppeld was, wat overigens ook voor de BEF gold. Rentebeleid en geldcreatie lagen deels in handen van de Duitse nationale bank en regering. En wat die andere tak van soevereiniteit betreft, defensie, gold ook al enige tijd dat Nederland en België binnen de NATO opereren en er bij toerbeurt de zwarte piet krijgen toegespeeld als we te weinig investeren in defensie. Overigens weet men hopelijk al dat een goed defensiebeleid voor kleinere staten in Europa niet meer op eigen (financiële) draagkracht meer kan opgebracht worden. Vaarwel soevereiniteit? Niet echt, wel zal men gemeenschappelijke belangen, ook militaire maar beter gezamenlijk aanpakken omdat de mogelijke tegenstanders best wel weten dat Europa zich op dit ogenblik niet noemenswaardig kan verweren tegen een aanval, al was het maar omdat er geen politiek concept van militaire veiligheid meer in omloop is.

Politici in Den Haag en in Brussel, Parijs, Warschau krijgen het ervan op de heupen als Brussel regels uitvaardigt, die zij dan zouden moeten aanprijzen. Maar als het ten goede van burgers, de lokale economie of boeren is, dan zien we dat ze nauwelijks reppen over Europa. "I want my money back!" Ik heb nooit begrepen dat de EU-leiders toen niet gezegd hebben: go! want het was een behoorlijk onredelijke eis, zeker als men in rekening brengt dat het UK in 1974 de zieke man van Europa werd genoemd en waar de consumptie nog aan veel restricties onderhevig was - behalve voor wie de kinderen naar Eton en andere scholen van dat niveau kon sturen - en vrij uitzichtloos voor vele burgers. Er is bij het debat over de Brexit in grote mate blijk gegeven van een grote onafhankelijkheid, vooral door de Brexiters, maar dan wel ten koste van regio's en mensen die het meest baat hebben gehad bij het lidmaatschap van Europa, van EEG tot EU. De onafhankelijkheid ten aanzien van de waarheid is dan ook niet van belang gespeend, kan men vaststellen en dus moet men zich vragen stellen over wat we voor ogen hebben staan met freedom of speech.

Onafhankelijkheid van het ambt? Het is een goede gedachte dat politici die nu vaak professioneel aan politiek doen, maar daarvoor vaak hun beroep opgeven, waar ze niet meer naar terug kunnen na hun ambt. Financiële onafhankelijkheid is prijzenswaardig, maar in het streven naar transparantie, merkt men dat men de politici, verkozenen, dames en heren nog meer afhankelijk maakt van de steun van de partijleiding en dus de kans ontneemt dossiers op eigen merites te beoordelen. Aan de andere kant merkt men ook wel dat politici die veel lawaai maken of zich laten opmerken in korte tijd beroemd kunnen worden, maar vaak na verloop van tijd vooral een reputatie meesleuren. Slechts weinig blijven hun weg gaan, zoals Geert Wilders. Maar hoe onafhankelijk is die man?

Onafhankelijk van externe invloeden? Uiteraard, men wil geen politici die uit de hand eten van grote bedrijven. Maar wat dan nog? Wij kiezers, als wij dat weten, kunnen we toch ons onze opinie vormen en ernaar handelen, eventueel - zeker nu - via sociale media onze inzichten kenbaar maken. Maar goed, veronderstel dat een politicus jaren voor een studiebureau gewerkt heeft dat zich inlaat met ruimtelijke ordening, zou zo iemand dan niet in de politiek actief mogen worden?

We kunnen nog een tijd doorgaan, maar de idee van onafhankelijkheid kan voor een politicus evengoed schadelijk werken, in die zin dat we geen politici moeten willen die altijd alleen met politiek bezig geweest zijn. De idee van leeftijdsgrenzen, niet voor 30 in de Kamer en Vlaams parlement, niet voor veertig in Europees parlement zou dit voordeel hebben dat jongeren niet al te vroeg in het politieke circus hun plaatsje veroveren en er nog nauwelijks weg te slaan zijn. Kunnen zij geen verdiensten hebben? Soms wel, maar het leven onder de stolp van het Binnenhof of de Wetstraat, kan het blikveld hoogst beperken, zoals iedereen die voortdurend in een kring leeft. Sommige mensen doen dat omdat ze er zich wel bij weten.

Politiek engagement betekent overigens net dat men zich schaart in een ideologisch kader, al kan men dan nog vragen welke betrokkenheid we moeten verkiezen, want soms kan voluntarisme ertoe leiden dat men de samenleving en burgers de rug toekeert en ver voor de troepen uitloopt, wat voor de kwaliteit van het beleid niet wenselijk is. En toch, een politicus moet ertoe kunnen komen, in bepaalde omstandigheden persoonlijk een oordeel te vellen als bijvoorbeeld de democratie of de belangen van burgers ernstig in gevaar komen. Maar dan nog, zelden zal men zien dat veel uithaalt, want alleen vermag men niet zo heel veel.

De positie van de politicus kan nooit die zijn van een onafhankelijke en men moet dat ook niet wensen, maar als ze niet bereid blijken wanneer de omstandigheden er aanleiding toe geven hun oordeel te geven, ook als het niet strookt met de consensus of met wat de fractie denkt, dan kan zo een politicus wellicht wel carrière maken, maar zal de bijdrage verwaarloosbaar zijn. Het zal dan wellicht niet om een Ja/Nee kwestie gaan. Men kan nog weinig kwesties bedenken die zonder bezwaren gereduceerd kunnen worden tot een eenvoudige vraag die met ja of nee beantwoord kunnen worden. Doet men dat, zoals in het geval van de Brexit, dan loopt het gemakkelijk mis.

In welke mate politici onafhankelijk zijn van de krachten die zijn, hangt ook en vooral van henzelf af, maar tegelijk kunnen ze niet geheel op eigen houtje keuzes maken, want zij moeten zich wel verantwoorden. Maar hoe doen zij dat? Via sociale media vaak, via gesprekken, al is de afstand nu groter dan 30 jaar geleden en zal je niet zo gemakkelijk mensen van verschillende partijen kunnen aanspreken. De afhankelijkheid van de kiezer, schrijft Wilfried Dewachter in "De trukendoos van de Belgische particratie. Een Europese schande" blijft voor de belangrijkste politici op een lijst altijd beperkt, want zij hebben een min of meer verzekerde plaats, tenzij de lijst plots zwaar verliest, maar dat weet men doorgaans te vermijden, al is dat de laatste verkiezingsrondes wel mislukt. Nu zagen we de afgelopen jaren een nieuwe partij de grootste fractie worden en ook in Nederland veranderen de vooropgestelde patronen, zodat die oude zekerheden wel eens op de tocht komen te staan. Maar ook hier ziet men dat onafhankelijkheid relatief is en zelden loont. Al moet gezegd dat een partij als N-VA minder met het middenveld verweven is dan de traditionele partijen. De discussie over enkele brokkendossiers van de verzuiling laat zien hoe dat politiek tot scherpe tegenstellingen moet leiden.

 Toch is het niet onbelangrijk te kunnen vaststellen dat een politicus op cruciale momenten cavalier seul durft te gaan, als de omstandigheden hem of haar daartoe aangewezen lijken. Maar onafhankelijkheid sluit bezonnenheid niet uit noch kritische zin voor wat aan de orde wordt gesteld. In wezen zal men dus ook hier vooral van casuïstiek moeten uitgaan: het volstaat niet principes te hebben, met moet weten hoe en wanneer die gestand te doen. Onafhankelijkheid moet men niet in het uiterlijke handelen zoeken, wel op het moment als een politicus voor duidelijke keuzes staat en dan durft te gaan voor wat hem of haar werkelijk het belangrijkste voorkomt, ook al kan het de eigen zetel kosten. Leiderschap gevraagd? Men hoort het vaak, maar het valt nog te bezien of we het tijdig herkennen, dat betoonde leiderschap. Maar net zo een leider moet vooral onafhankelijk kunnen handelen ten aanzien van de directe adviseurs. Vertrouwen dan maar? Ook dat, maar het blijft nog te bezien wanneer dat vertrouwen werkelijk aan de orde is.

Met dank dus aan "het filosofische kwintet" want de vragen die er behandeld werden, blijven wel de moeite waard. Hoe we naar politici kijken, hangt ook af van de informatie die wij krijgen, maar politici zelf zijn nog meer onderhevig aan de kwaliteit van de informatie die tot hen komt. Meer weten dan de anderen kan handig zijn, maar toch, het komt erop aan doelstellingen te bereiken en dan is onafhankelijkheid een element, in kritieke omstandigheden wellicht wezenlijk, maar doorgaans ondergeschikt aan andere, zoals verbondenheid en engagement. Veel verdraagt nog verdere uitwerking, maar zo gaat dit bij discussies als deze. Het geheel exhaustief behandelen, zou veel meer pagina's vergen.


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten