Verbeelding aan de macht
Dezer
Dagen
Wat met de verbeelding
![]() |
Portret van Michel Foucault, die op zaterdag 28 april ter gelegenheid van de dag van de filosofie gepaste aandacht kreeg. |
“L’Imagination
au pouvoir!”, “Sous le pavé, la plage!” of nog eentje, “il est interdit d’interdire”?
Het zijn de slogans die de straten van Parijs en lange tijd muren van de
Blandijn sierden, al begrepen we er niet altijd meer het fijne van. Een van de
figuren die in deze periode inspirerend zou gewerkt hebben, was Michel
Foucault, wat wellicht neerkomt op een overschatten van zijn studenten, want
zijn verhaal is niet zo gemakkelijk te vatten als sommigen het willen voorstellen.
De verbeelding? Wat moeten we ermee, nu men ons raden wil alle illusies te
laten varen? Prof. Dr. Maarten Van Dyck hield op de dag van de filosofie een
college waar een mens nog enige tijd mee door kan komen. Aan de andere kant
volgde ik een wat ongemakkelijke discussie tussen een academisch filosoof en
een vrijbuitster, die de universitaire filosofie met enige argwaan bekijkt,
Alicja Gescinska. Veel kon ik niet volgen op deze dag van de filosofie, omdat
het programma beter gestructureerd was dan vorige jaren. Een beperkt aanbod aan
activiteiten voor een welwillend publiek.
Prof.
Maarten Van Dyck begon zijn exposé in het foyer van de theaterzaal in Vooruit
met de belofte vooral met ons te filosoferen. Hij zou ons meevoeren met zijn
verhaal over “savoir” en “filosofische openingen” bij Foucault. Vertrekkend bij
Kant en diens idee dat wij van een voorwerp een beeld kunnen vormen, ook als
het object er niet is, of delen ervan die aan onze blik ontsnappen, de
achterkant van een stoel, de derde dimensie dus, die we zien, ook als het niet
te zien valt. Drie dimensies van een voorwerp, de idee ook dat we die kunnen
kennen omdat we allen een gezamenlijk beeld meedragen van dat voorwerp. Zo
kunnen we met elkaar beelden delen in taal. De zuivere rede laat toe onze
objectieve kennis te vormen van de dingen die zijn. Er is ook een subjectieve
kennis mogelijk, namelijk die welke net iets anders is dan wat anderen over
iets menen te weten. Daarbij gaat het kennen niet meer alleen om de oorzaak-gevolgrelatie,
maar laat zien hoe we over de wereld kennis kunnen opdoen. Foucault zal zich
door deze bedenkingen van Kant laten inspireren, of beter, met die inzichten
een nieuw spoor kiezen, namelijk van de kennis der dingen overgaan naar de
kennis van het menselijke bestaan, dat betekent, antropologische grootheden
onderkennen, zoals taal, zoals gezag en autoriteit.
U moet
van mij nu wel geen proces verbaal verwachten van de stappen die de spreker,
prof. Van Dyck ons met opmerkelijk gemak te berde bracht en zo te zien zonder
veel aantekeningen. Schools was de lezing niet, wel aantrekkelijk omdat we
vergast werden op welsprekendheid die we wel eens ontberen bij lezingen en
zelfs in de aula’s der universiteit. Zelf had hij vooraf gezegd dat een lezing
bijwonen een marteling kan zijn, die men vrijwillig ondergaat – mijn toevoeging.
Het deed me, huiswaarts kerend, denken aan de beruchte lezingen van de arts dr.
Krokowski, die de jonge ingenieur niet spaart met zijn psychoanalitische
inzichten. De filosofie van Foucault lijkt me in die zin te sporen met de
benadering van de psychoanalyse, dat de filosoof ons met genealogisch en
historisch onderzoek confronteert met dat wat in se niet meer in vraag gesteld
wordt, zoals autoriteit. De moeilijkheid bij het begrijpen van het denken van Foucault,
zo gaf de spreker mee, bestaat erin dat hij concepten van antropologische grootheden,
ging behandelen zoals Kant had gedaan met objecten, tast- en zichtbare zaken
dus, zoals een stoel.
Van
Foucault heb ik al een en ander gelezen, maar het valt op dat zijn reputatie in
de filosofische wandelgangen niet altijd even positief blijkt. Zo vond Susan
Neiman dat hij de macht en autoriteit te zeer verdacht zou hebben gemaakt,
tenzij dat het is wat zijn “volgelingen” uit zijn discours hebben afgeleid. De
angst voor autoriteit was in de jaren zestig immers een van de momenten waarop
men naar de universiteit, naar de staat ook keek en naar het gezin. Zoals prof.
Maarten van Dyck in een achterafje ook meegaf, was Michel Foucault als professor
behoorlijk veeleisend en liet hij zich gelden als de autoriteit ten aanzien van
de leerlingen, studenten. Wat hij wel onder de aandacht bracht was dat macht
voor Foucault niet iets is dat we kunnen bezitten, zoals dat met geld ook
geldt. Onze omgang met macht, zo blijkt, gaat niet om identificeren met macht,
wel met het vermogen met de macht die de publieke zaak op de sporen te houden,
maar het gaat niet om persoonlijke wensen of desiderata, wel om wat noodzakelijk
is. In die zin wijkt de visie zelfs niet zo heel veel af van wat Carl Schmitt
bedacht had, wat Weber beoogde met zijn visie op de politiek als beroep. De
notie van savoir, verbeelding in de politiek, zou op zich een boeiende manier
moeten expliciteren en dat betekent dan weer dat de betrokkenen zich niet met
het evidente tevredenstellen.
Luisterend
en overwegend kwam ik tot de conclusie dat het moeilijk zou vallen als iemand
blindweg de methode en benadering van Foucault zou verderzetten, toch lijkt het
mij aangewezen rond termen als racisme, inclusie, zelfontplooiing de
genealogische en archeologische methode aan te wenden, omdat wat nu racisme
heet te zijn, soms gedacht als “alledaags racisme” wel eens een oxymoron moet
heten, omdat het altijd met grote heftigheid bij de van racisme blijk gevende
persoon en de racisme ontwarende persoon gepaard gaat, zelfs al gebeurt er
verder niets opzienbarend. Het punt is immers dat racisme pas aan de orde komt,
als men in een conflictsituatie komt of als die door iemand opgeroepen wordt.
Dat impliceert wel dat het subliminaal aanwezig kan zijn, gebaseerd op
ervaringen of boodschappen die men kreeg van derden.
Racisme
werd ook een wapen in de communicatie tussen partijen, waarbij men niets
gunstigs aan het debat toevoegt, dat wil zeggen, de ene spreker die de andere
racisme in de schoenen schuift, hoeft verder niet meer na te denken over die
persoon, waardoor het ook alweer een machtswoord wordt. Nu moet ik zeggen dat
ik wel eens contacten heb met mensen van Afrikaanse of Aziatische komaf en dat
in de gegeven context bij mij zelden tot onrust of zelfs onbehagen leidt. Maar
bedenk ik mij hoe ik in de jaren van de Wende en de Val van de Muur in Brussel wonend
met mensen in contact kwam die hun roots niet hier hebben, dan merkte ik dat ik
in de ene context wel enig onbehagen voelde en op andere momenten in alle rust
met hen kon omgaan. Het punt is dat context veel betekent in de waardering van
momenten en dat we een begrip als racisme, dat innig met de negentiende en
twintigste eeuw verbonden is, niet alleen op grond van het verschijnsel ras
kunnen bekijken – waar veel over te zeggen valt en tegenin te brengen valt –
terwijl de sociale en culturele verhoudingen ook hun belang hebben. Nauwkeurig
onderzoek van die facetten van het begrip racisme, door er omheen te lopen,
door er doorheen te gaan, kan ons de feitelijkheid van dat racisme laten zien
en het problematische ervan voor het persoonlijke welzijn en voor de ruimere
context waarin we leven.
Foucault
liet ons zien wat psychiatrie doorheen de afgelopen vier, vijf eeuwen en vooral
de laatste 150 jaar is gaan betekenen en hoe de psychiatrie een instrument was
om “decadentie” en “degeneratie” tegen te gaan, iets waar burgers en
bestuurders bang voor waren, terwijl psychiaters, zoals dr. Guislain, die als
arts, als hoogleraar en als verantwoordelijke voor een psychiatrische
instelling in Gent – een kluster – ijverde voor een humanere behandeling van
patiënten in de psychiatrie, voor een geschikter onderkomen, dat hij bij
voorkeur met veel licht een eigen glans wilde geven en tegelijk ook als een
rustgevende plek wilde presenteren. De werkelijkheid was weerbarstiger en
Foucault zal allicht ook het zijn hebben bijgedragen tot de beweging die zich
presenteerde als antipsychiatrie, waarmee, zo bleek, patiënten niet altijd
gebaad waren. De Geestelijke Gezondheidszorg staat nog altijd, in een andere
context, voor een humane behandeling, maar de angst in de samenleving, ook bij
zichzelf als ruimdenkend beschouwende lieden zorgt ervoor dat men er geen of
weinig weet van heeft, tenzij er zich een of ander geval voordoet. Meestal geldt het dan gewelddelicten, waarbij
na uitzuivering van motieven en gesteldheden vaak de gestoorde man – of vrouw –
op de proppen komt.
Wat
professor Maarten Van Dyck bracht was niet enkel een mooi college, hij liet
ons ook toe de niet evidente benadering van Kant en dus zeker ook in hoofde van
Michel Foucault zien, bijna letterlijk. Hij besprak synthetiserend wat we
volgens hem zouden kunnen begrijpen van het werk en het denken van Michel Foucault.
Dat hij autoriteit wantrouwde als dat niet legitiem bleek te zijn, is niet het
hoofdpunt, zo vernam ik. Hij, Foucault opende denkpaden, waarbij de evidentie
van een aanname niet op grond van definities en causaliteit niet van veel tel
is, wel dat de observatie van een “evident” begrip onderzocht wordt en er
andere mogelijke benaderingen worden geopperd. Zou ik na zo een lezing
betreuren dat de spreker het niet had over de “Histoire de la sexualité” of
over “Le courage de la vérité”?
Het feit
dat prof. Maarten Van Dijck aan het begrip “Savoir” van Foucault de betekenis
van “verbeelding” gaf en zo uitlegde dat we ons bij verbeelding meer kunnen
voorstellen dan in het ijle de meest onmogelijke visioenen voortoveren, laat
zien dat we met de verbeelding niet zozeer hoeven op te letten, wel dat we onze
kennis, ervaring in het geding brengen, wanneer we die “savoir” inzetten om
over een kwestie na te denken. Het was dan ook nog eens een lezing, eerder een
performance die je als lid van het publiek kon waarderen.
Na een
pauze op het terras van de Krook, met uitzicht op het Wintercircus, op de
torens van Gent ook, kwam ik in een uitgebreid gehoor terecht, waar Alicja Gescinska
zou praten met Kris Pint, over diens boek, De wilde tuin van de verbeelding.
Sprekend over zijn academische loopbaan, vond de man, Kris Pint, dat hij een
verantwoordelijkheid heeft, dat hij de kansen die hij kreeg moet
verwerkelijken, in niet academische geschriften en daar kan een mens zich best
iets bij voorstellen. Het verschil tussen Alicja Gescinska en Kris Pint lijkt
net om die elkaar tegensprekende keuzes te zitten, want Gescinska, ondanks een
jaar Princeton en nog doceren in een ander college in de VS, liet ze de academische
wereld los. Nu herinner ik me nog levendig een commentaar van prof. dr. Ronald Commers,
bij de aanvang van zijn leergang Inleiding tot de filosofische leerstelsels… in
feite een overzicht van het filosofische denken van Thales van Milete tot
ongeveer Bergson. Het was een historisch overzicht waar je als je jonge neofiet
wel iets aan had. Toen zegde hij dus dat een filosoof niet per se aan het katheder
hoeft te staan en dat iemand die filosofie doceert niet a priori een filosofische
praktijk aan de dag legt.
Schreef
Foucault een studie, in feite zijn het collegenota’s uit zijn laatste leergang
in het Collège de France, over Parrhesia, dan besteedt hij daarbij ook ruim
aandacht aan zelfzorg, op een moment dat de filosoof zelf getroffen is door HIV/Aids
en al te vroeg zal sterven. In mijn benadering van dat werk heeft die
biografische kennis wel niet meegewogen, wel denk ik dat de auteur redenen had
om na te denken over hoe het is met het leven om te gaan. Voor zover ik het kan
overzien, zal Kris Pint, die overigens enkele behartigenswaardige dingen zegde
over de studie van Latijn en Grieks, wellicht eerder een docent zijn die
filosofie doceert dan iemand die zelf aan de slag gaat met filosofische kachelpoken.
Alicja
Gescinska probeerde hem uit zijn comfortzone te halen, maar de auteur had
voldoende borstweringen om de aanvallen af te slaan. Iemand zegde me naderhand dat
het gesprek dat de lezing van prof. Van Dijck hem beter bevallen was en daar
kan ik inkomen. Vooral kon Gescinska doorheen haar vragen en in het
voortborduren vooral de these aantonen dat een professor filosofie en een academicus
van de wildheid van het leven niet lijkt te houden. Het valt op dat de man er
casual uitziet, past in het plaatje, terwijl zijn collega Maarten van Dijck er
als een heer van stand uitziet, maar die wel iets wil overdragen. Alicja Gescinska
dan? Zij heeft een zekere ontwapenende benadering, maar in het gesprek viel dat
niet mee.
De
wilde tuin van de verbeelding, zelfzorg, het heeft alles te maken, denk ik
naderhand, heeft net te maken met het ordenen van het leven en ook de tuin,
zelfs een Engelse tuin, zeker goed uitgevoerd, laat wel de indruk van wildheid,
maar is evengoed beheerst uitgevoerd als de Franse Tuin, alleen is het
perspectief ruimer en de aanpak grootser. Men kan in Frankrijk echte wilde
tuinen vinden, waar de eigenaar of bewoner er plezier in vindt de natuur zelf
de vormen te laten vinden die het beste uitkomen. En de verbeelding? Mijn
stoutste dromen? Uw meest woeste beleving vanuit uw luie zetel? Neen, ik wil
het vooralsnog niet weten, maar hopelijk beleeft u er voldoende plezier aan.
Voldoende om er later mee door te gaan.
Over
zelfzorg en levenskunst kan men schrijven als een gids, waarbij men mensen te
kennen geeft wat goed en wat fout bevonden wordt. Men kan de lezer ook meenemen
op een minder gewis pad, waarbij men zelf kan ontdekken wat er zoal in de
aanbieding is, wat bijvoorbeeld Diogenes van Synope bewoog om zijn medeburgers
voortdurend te tarten met zijn lamp, zijn ton en zijn lid, wat hij de cynische
filosoof te vertellen heeft of heeft laten vertellen, dan wel iemand als Adriaan
Koerbagh, die ook over een liefelijke tuin schreef, maar vooral de elite voor
het hoofd stootte door het volk wijzer te maken dan die elite het wilde en in
het rasphuis terecht kwam en er stierf. Zo tolerant was de Republiek Amsterdam,
De Republiek der verenigde Provinciën, dan ook niet altijd.
Niet
iedereen kan als Diogenes door het leven gaan, als een hondse filosoof en een
professor moet enige stand hooghouden, maar denkend aan de enkele keren dat ik
Leo Apostel bezig zag, dan denk ik toch dat men niet per se zo gelikt op het
podium plaats moet nemen. Alicja Gescinska die hem vroeg waarom hij zo vaak het
zelf ten tonele voerde, kreeg net zomin als wij echt een beeld van wat hij in
gedachten had. Het zelf is, zoals Ortega y Gasset vaststelde het ik plus de
omstandigheden. Wellicht ligt hier het punt dat het verschil in benadering kan
verhelderen, Gescinska heeft oog voor omstandigheden, Kris Pint gaat eerder uit
van een theoretisch beeld. Waar Foucault ons opriep die omstandigheden
aandachtig te bejegenen, om het zelf een plaats te geven in een breder kader,
ziet men bij Pint de bijna klassieke fixatie op het object, c.q. het subject
zelf. Maar het zelf is bij hem een object, dat hij kan beschrijven, waar hij
omheen kan stappen en dat hij eventueel kan transformeren, voor Gescinska en anderen
kan het zelf wel niet meer een subject zijn, dat men meedraagt, waar men al dan
niet mee vertrouwd is en dat zich niet zo gemakkelijk laat kennen. Dat laatste
belet niet, zoals zij liet zien in “De Verovering van de Vrijheid” dat zelfzorg
voor haar ook een belangrijk issue is, maar niet een doel op zichzelf.
Daarom
was het bijwonen van dat gesprek geen zinloze bezigheid, wel integendeel, want
als filosofie ergens tot leven kan komen dan is het in tegenspraak en het
vermogen evidenties opnieuw te belichten. Het resultaat komt vaak pas later, in
andere omstandigheden, als men zich aan een bepaalde uitspraak schuurt en de
indruk krijgt dat er nog iets anders te zeggen valt. Net de angst om het ongewisse
was in het geding op de dag van de filosofie: de verbeelding, ook als “savoir”
begrepen, levert wel eens onverwachte antwoorden aan, terwijl mensen wel eens
de juiste willen horen.
Literair
heeft men J.R.R. Tolkien afgeserveerd toen er nieuwe genre tot stand kwam – dat
al veel ouder is – van de fantasie, terwijl Tolkien net blijk gaf van “savoir” in
zijn grote werk “The Lord of the Rings”, vooral in de schepping van talen,
genealogieën en allerlei wezens, van Elfen tot orks, met mensen en dwergen, met
eigen geschiedenissen, die op dat cruciale moment, de strijd om de ene ring, samenvloeien,
waarbij die geschiedenis van de elfen afgesloten wordt, die van het immanente kwaad
evenwel niet. Literair is het werk van Tolkien iets dat niet iedereen zal
behagen, maar dat in alle wijdlopigheid, een reflectie op het ontstaan van beschavingen,
het belang van conflicten en ook wel de manicheïstische benadering op de spits
dreef.
De
Krook is een mooi ontwerp, met een eigen karakter, dat een beetje de gedachte
van de filosofie van de verbeelding weer blijkt te geven. De filosofie ging er
altijd prat op, zeker als men bij filosofen als Descartes en in onze tijd
Maarten Boudry uitkomt, de waarheid te onderzoeken en alle illusies terzijde te
schuiven, want men is beter af met de waarheid. De waarheid evenwel laat zich
niet zo gauw als illusie of begoocheling ontmaskeren, soms kan men alleen via
beelden, via voorstellingen iets van de waarheid ontwaren, zonder er daarom de
vinger op te kunnen leggen. Of het kan zijn dat wat gisteren waarheid was,
vandaag ontoereikend blijkt.
Na
afloop wandelde ik over het mij zo vertrouwde Zuid, dat evenwel sinds 1975 toen
ik er voor het eerst van de bus Gent-Eeklo stapte, op weg naar het college ontiegelijk
veranderd is. Nieuwe gebouwen vervingen het wat aftandse Parkhotel, een oude cinema
en een paar cafés, waar toen oudere dames woonden. Het Capitool staat er nog en
het gebouw EGW staat er nog. Wat ik leek te missen was het beeld van Eduard
Anseele, maar dat zal liggen aan de nieuwe organisatie van het plein. Net het
feit dat ik me het oude plein herinner en er nog een beeld van meedraag, omdat
ik er zovele jaren heb gelopen, ook toen ik student was aan de
Rijksuniversiteit Gent, laat zien dat de verbeelding net eigen is aan de
menselijke bestaanswijze. Brengt de verbeelding ons in ongewisse
omstandigheden, dan is het niet aan de filosofie om er kwaad van te denken, wel
kan men filosoferend proberen te begrijpen
hoe we ons tot dat ongewisse verhouden. De wilde tuin van de verbeelding? Durven
mensen in hun dromen wel het ongewisse aan?
Bart
Haers
Reacties
Een reactie posten