Jongerenvoorzitters vrezen politieke stilstand
Dezer Dagen
(Jonge) politici klagen
Politieke stilstand aan
Goed bestuur, behoorlijk bestuur is van nature geen zaak van nieuwe wetten maar van het gepast toepassen van wetten, dat wil zeggen dat men de wetten toepast zoals ze bedoeld zijn. In werkelijkheid plooit men wel eens wetten naar nieuwe noden, schrijft men er nieuwe, omdat het overzicht verloren is geraakt en de noden dringend. Aan het einde van de rit zijn het ambtenaren die de wet uitvoering moeten geven dan wel handhaven. De minister blijft verantwoordelijk, ambtenaren kunnen voor de uitvoering van wet- en regelgeving niet verantwoordelijk gesteld worden voor de rechter.
De Kindertoeslagenaffaire laat zien dat de rechters
pas laat tot de bevinding kwamen dat ze te veel het goede recht van de
ambtenaren van Financiën hadden laten voorgaan op de afweging of de
terugvorderingen correct waren en al helemaal proportioneel waren. Het verhaal
van de Toeslagenaffaire, met in de hoofdrol op het politieke vlak Pieter
Omtzigt en Renske Leijten, die meegingen het verhaal dat journalisten van RTL
en Nieuwsuur over ouders, moeders, die plots een enorme som dienden terug te
betalen omdat ze volgens de diensten van Financiën hadden gefraudeerd, al is
daar nergens bewijs van. Het probleem was dat de overheid inging op de vraag
van ouders en van het bedrijfsleven om inzetbaarheid van vrouwen op de
arbeidsmarkt te bevorderen, door betere en minder administratief belaste
kinderopvang mogelijk te maken door toeslagen te voorzien die via voorschotten
werden betaald en bij controle zou achteraf blijken of die voorschotten terecht
waren of niet. Klaagt een ondernemer uit Antwerpen, levend in het VK, dat de
overheid in verband met grote installaties van zonnepanelen die zwaar gefinancierd
worden en dus niet zomaar gesubsidieerd, en zegt hij – vanuit zijn standpunt
terecht – naar de rechter te stappen, maar die moeders wier voorschotten
helemaal werden teruggevorderd, konden nauwelijks bij de rechter terecht, omdat
die uitging van de juistheid van de verdenking van fraude – ook zonder de zaak
grondig te laten onderzoeken.
“Ongekend Onrecht” draagt het verslag van de parlementaire
onderzoekscommissie als titel en dat sloeg in, maar liet onverlet dat politici
en ambtenaren de zaken niet voortvarend herstelden, maar bleven traineren, want
dat dogma “gij zult niet frauderen” was verworden tot een axioma dat men de
dief best preventief zou aanpakken, enfin, de kleine garnalen, want wie de
staat tilt door riante subsidies binnen te rijven, zal zelden aangesproken
worden. Dat is de zwakte van het huidige politieke bestel: goede doeleinden,
misstanden die dringend opgeruimd moeten worden, daar lopen politici en ook wel
journalisten gauw genoeg warm voor, maar het mag het bestel niet aantasten. In
feite kan men niet goed begrijpen dat de zeer machtige administratie van
financiën immuniteit geniet, als dat betekent dat brutaal mistasten van die
administratie niet ten persoonlijke titel van verantwoordelijke ambtenaren mag
onderzocht worden, laat staan gesanctioneerd. De idee dat de staat zelf ook
verantwoordelijk is voor het behoorlijk toepassen en handhaven van de wet, lijkt
zo via de achterdeur geloosd. Dat men dus ouders steunde die om te kunnen uit
werken gaan met een toeslag en juist bij mensen die deze steun het hardste
nodig hebben, weer werd ingevorderd, ook al als het geld was uitgegeven voor
dat specifieke doel, laat zien hoe men niet volmondig mensen wil steunen, die
jobs uitoefenen die wel nodig zijn, maar niet zo goed betaald worden als hoge
ambten of bestuursmandaten bij bedrijven.
Nu kan men overal in Europa vaststellen dat macht van
ambtenaren op het oog onzichtbaar is, maar vaak net bepaalt of een overheid
slagkrachtig is. De discussies over duurzame energie laten dan weer toe te zien
hoe groepen en partijen wel de klimaatzaak aanpakken, maar tegelijk gekant zijn
tegen het uitrollen van duurzame energie, zoals gebleken is bij de bouw van het
Simon Stevinproject om elektriciteit van Zeebrugge naar het binnenland, c.q.
Lievegem te brengen. Onder de grond is de uitrol veel kostbaarder, maar wie zal
dat gelag betalen. Ook het Ventilusproject laat zien hoe politici links duurzame
energieproductie bepleiten, maar intussen klacht indienen tegen een project dat
hoogspanningskabels van de kust naar het binnenland, naar Kortrijk moet
brengen.
Het punt is dat beleid niet in het luchtledige tot
stand komt en dat politici steeds weer moeten proberen het goede te doen, maar
dat kan niet zonder omzien en kijken wat de weerklank is. De aanleg van een
noordelijk deel van de Ring rond Antwerpen, waarover sinds 1996 gesproken wordt
en waar de Havengemeenschap, milieuorganisaties en burgerbewegingen trekkend
dan wel trainerende invloed uitoefenden, maakten dat politici die eerst ja
zegden dan vervolgens met een referendum kwamen om finaal het project te
begraven, wat voor iedereen rond de politiek lastig te aanvaarden viel. Maar
goed, van politici wordt zowel verwacht dat ze goed besturen en tegelijk
uiteraard herkozen worden. In tijden van opkomend tij, economisch, kan men de
volksgunst gemakkelijk werven, lijkt het, maar wie naar de jaren vijftig en
zestig terug probeert te kijken, zal merken dat politici ook dan voortdurend –
in een ander, nog verzuild medialandschap – voortdurend proberen hun achterban
te bedienen. De omvorming van een onoverzichtelijk kluwen van indirecte belastingen,
accijnzen in allerlei maten en gewichten, naar een eenvormig systeem van
belasting op toegevoegde waarde, met een eigen administratieve en
boekhoudkundige verwerking, betekende een stevige vereenvoudiging en, zo dacht
men, minder fraudemogelijkheden. Dat klopte wellicht, maar toch werden er nog onderzoeken
en arrestaties verricht in het kader van btw-carrousels waarbij ook andere
misdrijven in het spel waren zoals schriftvervalsing. Er was dus een wereld
voor de BTW er kwam en dat we die vergeten zijn, geeft aan hoe snel we gewoon
raken aan nieuwe stelsels. Voor de economische ontwikkelingen was de invoering
wellicht een zegen, maar er brak een crisis uit rond de petroleumbevoorrading
in 1973, zodat men enige tijd lang kon
horen dat de regering – in feite Europa – verantwoordelijk was voor de
inflatie. Voor politici en hun kring van adviseurs was het onbegonnen werk een
en ander in een juist perspectief te zien. Voor zover ik weet is er nog altijd
geen uitgebreide documentaire analyse gemaakt in boek of film, van die crisis
van 1973 en volgende jaren. De eindbalans van die periode van crisis valt dus
ook niet te maken omdat er geen duidelijke einddatum valt aan te wijzen, al
lijkt 1985 een passend moment, omdat men toen kon zien dat de parameters inzake
werkgelegenheid, inflatie – de petroleumprijzen daalden en de intrestvoeten
gingen evengoed omlaag. Er zijn ongetwijfeld nog parameters om de zaak te
bekijken, zoals aankoop van huizen, investeringsgoederen, de consumptie en
reizen in het bijzonder.
Een passende methode vinden om veranderingen in de
samenleving te duiden is voor burgers en politici, de technocraten en de analisten
van banken wezenlijk, maar ieder heeft zijn invalshoek en waar een analist al
eens onberoerd kan kijken naar cijfers over een bedrijf of sector zonder zich
geraakt te voelen, behalve natuurlijk als daarmee de eigen strategie gunstig
uitpakt, zal een politieke wetenschapper misschien net wel zorgwekkende scenario’s
ontwaren en politici denken aan de schade die ze oplopen. Omgekeerd moet het
lastig zijn voor begrotingsexperten in de politieke partijen om de gevolgen van
de coronapandemie te vertalen in nieuw beleid, omdat men met een overtal aan onbekenden
zit. Of men als regeringspartij in het parlement de nadruk kan leggen op de
steun aan bedrijven tijdens de pandemie dan wel moet pleiten voor snel terugschroeven
van de tekorten, om rampen te voorkomen, moet men ook nog weten uit te leggen.
Want ook in dat geval zijn er onbekenden die een model haast onmogelijk maken.
Te rigide begrotingsbeleid kan het “herstel” remmen terwijl een te gul beleid
ertoe kan leiden dat de overheid steeds minder beleidsruimte overlaat. Maar
goed, hoe cruciaal de begroting ook is, het blijft opvallend hoe weinig
aandacht er aan de zogenaamde miljardennota in het Vlaams of federale parlement
besteed wordt, ook al omdat het moeilijk te lezen valt. Moet de Vlaamse
Regering subsidies geven aan een organisatie als de vrienden van Eddy Merckx?
1.020.000 euro? Met welk doel en waar komt die gulheid vandaan?
Wielerliefhebbers zullen dan misschien vragen stellen
over een of ander festival rond Jozef Ryelandt, terwijl dat inderdaad geen
grote naam mag heten in de muzikale beleving van u en mij, terwijl de componist
wel belangwekkend mag heten, maar dan moet zijn werk eerst wel uitgevoerd
worden en daar zijn musici voor nodig, dat kost ook wel wat. De overheid heeft
in het cultuurbeleid door middel van subsidies een zekere stabiliteit gebracht
en zo mensen gestimuleerd een loopbaan uit te bouwen en voor het publiek bood
dat de gelegenheid om allerlei genoegens te beleven in theaters en
concertzalen. Het belang ervan lijkt evenwel ook tot de reactie te leiden dat
men dat aan de markt en mecenassen moet overlaten. Bovendien merkt men dat bij
subsidieronden wel eens certitudes toch uit de race geduwd worden, ondanks de
publieke steun. Moet men dan in het parlement, de plenaire vragen stellen aan
de bevoegde minister? Die kan zeggen dat hij of zij geen greep heeft op de
commissie die de selectie moet uitvoeren. Objectief? Het kan het geval wezen,
maar net zo goed speelt de idee dat de kritiek niet het publiek mag volgen.
Intussen dus zoeken kandidaten en partijen een
beleidsprogramma aan te bieden op alle domeinen die relevant heten voor goed
beleid. Dat zo een programma inconsistenties bevat, kan niemand vermijden, maar
toch ziet men dat de beleidskritiek net op die inconsistenties zal mikken,
terwijl het net een blijk van wijsheid en staatsmanschap kan zijn, wanneer men
op het ene terrein voluit gaat en elders minder strak uit de hoek komt. Meer
nog, het is voor een partij dezer dagen ondoenlijk om een “unique selling point”
aan te reiken, want liberalisme noch socialisme kan men nog vatten in een
vijfpuntenprogramma. Welvaart bevorderen, de revenuen eerlijk verdelen en ontvoogding,
maar van linkse partijen hoort men vooral dat men gelijkheid wil, al zijn de
beperkingen van dat discours door onder meer Tony Judt en Jacques A.A. Van
Doorn aan de orde gesteld. Vrijheid is een groot goed en gelijkheid is van
belang, dat wil zeggen dat er in de beste der werelden dat niemand hoeft te vrezen
voor machtsmisbruik door – tja – hoger geplaatsten, terwijl er in de steden
wijken zijn waar men eerder bendeleiders vreest dan de politie of rechters,
want die durven er zich niet meer mee in te laten. De overheid was tot in het
begin van de twintigste eeuw vaak nog de vorst, in een democratie is de
overheid anoniem en onpersoonlijk, wat ertoe leidde dat politici hun plaats in
het uitstalraam van de politiek gingen innemen, dat politiek bedrijven zoeken
naar populariteit met zich bracht.
Men kan daar laatdunkend over doen om die zucht naar
populariteit, in een samenleving die snel in omvang toeneemt en meer gediversifieerd
raakt, vanwege nieuwe beroepen en nieuwe economische sectoren, zal de
samenleving in complexiteit toenemen en dan is het zaak met een boodschap
zoveel mogelijk mensen te bereiken. Karl Marx heeft dat probleem omzeild door
zich op de arbeiders te richten, terwijl de andere partijen vooral de happy few
wilden bedienen. De uitbreiding van het stemrecht en de strijd om het
vrouwenstemrecht hebben de noodzaak om grotere bekendheid in ruimere kringen
nog verder versterkt. Dan kwam het zover dat men ook voor een aantal ambten
grote kiesomschrijvingen instelde, wat die drang naar populariteit en
schoonheidswedstrijden verder versterkte en de vraag van de kiezers om te weten
wie hun kandidaat zou zijn, was niet minder legitiem.
Jacht op de kiezer leidde wel eens tot opbod onder
kandidaten, zeker ook lokaal, zodat men dacht dat de gebraden kippetjes zo bij
de kiezer door het raam zouden binnenvliegen. Het was moeilijk tegelijk
behoorlijk bestuur te ontwikkelen terwijl men de gunst van de kiezer wilde
verwerven en dat was lang een van de cruciale punten van kritiek tegen de
democratie. Een ander punt van wantrouwen lag in de vrees van elites dat het
volk verkeerde keuzes zou maken, sinds de oudheid. Machiavelli ontkende dat
risico niet, maar stelde wel vast dat de elite en in het bijzonder tirannen
vooral hun eigen belangen dienen ten koste van het nut van ’t algemeen. Hij was
de mening toegedaan dat het volk, voor zover men dat men kan aanduiden finaal
wel goede inzichten tot uitdrukking kan brengen. Het bleef tot in de 20ste
eeuw evenwel een kwestie zonder uitkomst hoe men dat algemeen belang nu het
beste zou dienen. Soms blijken figuren die door tijdgenoten gewaardeerd werden,
maar vaak tegen stevige oppositie op te boksen hadden en door historici of wie
zich zo noemen wilde, werden en worden afgeserveerd. De organisatie van een
goede administratie, een goed bemande administratie gaf vaak aanleiding tot
demografische en economische groei.
De aanleg van een beter wegennet kon helpen te
voorkomen dat er zich hongersnoden zouden voordoen, het dempen van waterlopen
in de steden kon ertoe bijdragen dat malaria geen kans meer kreeg en betere landbouwtechnieken
werden ingezet om de oogsten te
verzekeren. Zoals reeds Louis XV begreep, was het nodig de verbindingen naar
afgelegen provincies te verbeteren en ook het transport te optimaliseren. Het
bracht economische welvaart mee en vermarkting van de samenleving. Voor een historicus
als Ernest Lavisse had dat minder betekenis dan de oorlogen die Louis XV had
verloren, terwijl het verdrag met Habsburg al helemaal onmogelijk was en bij de
Franse aristocratie voor heel wat wrevel zorgde. Zonder grondige studie van de
bronnen, kan men alleen besluiten dat deze vorst, die aan het einde van zijn
bewind le Mal-aimé werd genoemd, nu net wel een aantal kwesties aanpakte die
zijn voorganger, Louis Le Grand had laten liggen. Grote vorsten voeren
succesvol oorlog? Maar als dat ten koste gaat van de eigen economische
mogelijkheden en zelfs een bres slaat in de demografische ontwikkeling, kan men
zo een vorst maar moeilijk gunstig waarderen. Het ontwikkelen van verbindingen
tussen lokale economieën kan daarentegen het algemene welzijn bevorderen. Alleen,
op een zeker moment zal men de nieuwe omstandigheden zien uitlopen op
spanningen en eventueel op een diepgaande crisis. Volgens wijlen Prof. dr.
Chris Vandenbroecke kende Vlaanderen tijdens de 18de eeuw een
opmerkelijke economische opbloei, onder meer door het ontwikkelen van huisnijverheid
en het verbeteren van het wegennet, door toedoen van de Habsburgse overheid en
de Staten van Vlaanderen en die van Brabant
etc. Zoals Louis XV was Maria-Theresia wel bezig met het verbeteren van de
levensomstandigheden en het wegennet. Of daar instigatie van lokale rijksgroten
aan te pas kwamen, valt nog te bezien. Wel weten we dat er tussen de grote
steden in Vlaanderen steenwegen werden aangelegd, met allerlei discussies over
onteigeningen en schadevergoedingen van dien. Men kan die ondernemingen
navlooien via archiefonderzoek en door gewoon door Vlaanderen te reizen, goed
te zien waar wegen liggen en hoe die zijn aangelegd, vaak zonder bochtenwerk,
maar rechtdoor over langere afstanden. Dat belanghebbenden zich tot in Brussel
en Wenen lieten horen, laat zien hoe complex zo een projecten waren en zijn. Er
bestaan beelden over de Autoweg E40, toen E5, tussen Groot-Bijgaarden en Aalst,
waar nog boerderijtjes langs de weg stonden en mensen ’s zomers kwamen picknicken
langs diezelfde weg. Vrij snel werd de toegang bemoeilijkt en huizen langs de
autoweg alsnog afgebroken na onteigening. De autowegen lijken overigens voor
nieuwe open ruimte te zorgen, al is de weg zelf breed en zorgt dat voor
verharding.
Gedurende decennia betekende de aanleg van autowegen
vooruitgang, waarbij de kritiek van de groene beweging aardig werd overstemd,
maar uiteindelijk gingen burgers zelf in het verweer als de autoweg te dichtbij
kwam. Geluidsschermen konden en kunnen helpen, maar er kwamen ook vragen over
de zin van nog meer autowegen en plots blijkt men te vergeten dat mobiliteit
zelden een doel op zich is, zelfs niet alleen een economisch doel dient, maar
ook maatschappelijke betekenis heeft omwille van het feit dat mensen niet meer
in het geboortedorp blijven hangen. Er komen plots meer aspecten aan bod, zoals
theatermensen die maar wat blij zijn als er mensen uit het ommeland naar hun
acteerprestaties komen kijken en achteraf blij gemutst naar huis gaan, na nog
een natje en een droogje. De stad was altijd al een kruispunt van verkeerswegen,
een marktplaats, maar ook een bestuurlijk en administratief centrum. Het was
een plaats van productie en bood mensen vrijheid en welbevinden. Toch zien we
nu dat men steden vooral als een woonfunctie voorstelt, maar dan kan men beter
naar suburbia trekken – al willen we daar weer vanaf. De oude steden kenden
geen functiescheiding en toch zal niemand betreuren dat hinderlijke
inrichtingen uit de stad zijn vertrokken, zoals leerlooierijen, smederijen,
klokkengieters – die altijd al buiten de dorps- of stadskern gevestigd waren –
en toch kan men een volledige functiescheiding maar beter afwijzen, omdat het
leven nu eenmaal vaker wel dan niet echt gescheiden verloopt wat werken en
leven, ontspannen en bezighouding aangaat. Winkelen in een oude binnenstad is
best leuk, maar tegelijk brengt dat verkeer mee en laten sommige mensen daar nu
allergisch voor geworden, ook politici, zeker ook experten.
Al met al gaat het erom hoe we processen analyseren en
dan valt het op dat in parlementaire discussies over mobiliteit de focus altijd
weer gericht is op wat overzichtelijk heet te zijn, zoals woon-werkverkeer en
schoolbezoek, terwijl men er wel werk van maakt om mensen op het openbaar
vervoer te krijgen voor verplaatsingen die niets met werk of school te maken
hebben, zoals winkelen of ontspanning, familiebezoek, waarover men veel minder
data kan verzamelen. À propos, wie werken alleen situeert in
landschapskantoren, kan misschien proberen de focus wat te verruimen, want dat
is maar een deel van het verhaal. Een dagje aan zee wordt dan wel weer in
rekening gebracht, omdat men min of meer kan zien dat wanneer mooi weer wordt
aangekondigd iedereen wel in de auto springt of op de trein… hoewel dat laatste
niet altijd naar de zin is van kustburgemeesters. Het heeft dan ook wel eens te
maken met de vrees voor ongewenst, gewelddadig gedrag, zoals de afgelopen
zomers wel eens vast te stellen viel. Dat men zich hierbij burgerlijk opstelt,
lijkt parlementairen die er vragen over stellen aan de minister van mobiliteit,
over de treinen die men niet ingezet wil zien, terwijl men even later zal
pleiten voor het afstraffen van het autoverkeer om milieu- en
gezondheidsredenen. Wie kan dat nog vatten? De ene partij zal dan ook nog eens
verwijzen naar tuig van de richel uit Brusselse no-go-zones terwijl anderen
vooral een hekel hebben aan zinloos lawaai van radio’s – niet meer nodig
dankzij oortjes, maar da’s minder gezellig.
(Jonge) politici hebben het moeilijk – zeggen zij – om
te gaan met de besluiteloosheid van de “volwassen” partijen, waar ze bij horen.
Het zou wel eens zo kunnen zijn dat ze evengoed vastlopen in hun eigen
overtuigingen die al wel eens evengoed opgetuigd zijn van simpele, om niet te
zeggen simplistische benaderingen. Sociologie kan helpen de maatschappij beter
te begrijpen en politieke wetenschappen om middelen te vinden om de problemen
op te lossen, maar vaak blijken sociologen met soms al te vereenvoudigde schema’s
te werken, omdat het overzichtelijk en hanteerbaar moet zijn. Meer nog, omdat
in de politieke communicatie eenvoud zou sieren, kan men er niet meer toe komen
te vertrekken van de vaststelling dat, om maar iets te noemen, het
gezondheidssysteem en in het bijzonder de financiering van ziekenhuizen complex
in elkaar geschoven is, terwijl de complexiteit ontkennen het vinden van
overzichtelijke en passende antwoorden op de kwestie, de onderfinanciering van
ziekenhuizen bijvoorbeeld of het gebrek aan psychiaters en jeugdpsychiaters in
het bijzonder onmogelijk maakt.
Mediamensen, journalisten en politici proberen een
duidelijk verhaal te vertellen en dat zou hen sieren, als ze meteen ook wel
eens zouden aangeven wat men niet weet of waarover men geen controle heeft. De
discussie over trajectcontroles werd niet gevoerd, omdat men vasthoudt aan het
streven het aantal verkeersdoden op nul te krijgen, terwijl men merkt dat dit
aantal vergeleken met de jaren zeventig wel degelijk zeer sterk gedaald is, net
als het aantal ongevallen met lichamelijke schade, omdat mensen niet enkel boetes
vrezen, maar omdat de auto’s beter uitgerust zijn en snelheid maken niet meer
gewaardeerd wordt als een uiting van durf en moed. Meer vrouwen in het verkeer?
Het zou kunnen dat dit een en ander verklaard, maar het verkeersgedrag is
veranderd, ondanks periodiek terugkerende mededelingen van ministers en
actiegroepen net de indruk wekken dat het rijgedrag niet veranderd is. Een utopische
toekomst scheppen over hernieuwbare energie maar bepaalde oplossingen a priori
uitsluiten door, wat de media aangaat, het er maar niet over te hebben, schakelt
elke discussie uit, maar ook het verwerven van inzicht. Inzake onderwijsbeleid tot
slot heeft men veertig jaar lang onderwijsexperten aan het woord gelaten, laten
hervormen, zonder enige kritiek, omdat media en politici dachten dat ze die
experten wel konden vertrouwen, ook als de uitgangspunten vatbaar zijn voor
kritiek en stevig debat. Klagen dat het onderwijsniveau gedaald is, mag
overigens ook niet, ook als data, zoals de PISA-vergelijkingen daartoe
aanleiding geven.
Men mag van politici, experten en mediamensen
verwachten dat zij de situaties die ze zouden willen veranderen – tja, ook
journalisten hebben idealen – goed in kaart brengen en niet hun dogma’s
hanteren om in een open samenleving hun visie op te dringen. Inderdaad, dan
verliezen burgers, die eveneens geschoold zijn, alle vertrouwen in media,
experten en politici. Wie ooit gezegd heeft dat kabinetschefs bollebozen zijn,
hoeft zich niet meer af te vragen of hun visie en uitgangspunten juist zijn. Wat voor samenleving wensen we over
twintig jaar? Met een A4’tje hebben sommige politieke denkers genoeg, zeggen ze
zelf, maar dertig jaar later verschieten ze van wat ze aangericht hebben. Nadenken
over strategie blijft belangrijk, maar nadenken over wat men als politicus of
expert aanbiedt, zelfkritiek – niet op Stalinistische wijze – is veel
moeilijker en toch noodzakelijk, wil men uit de actuele stilstand komen. De
werkelijkheid laat zich niet altijd lezen.
Politici noch anderen kunnen voortdurend voorhouden
dat ze uitgaan van objectieve, betrouwbare data en tegelijk in hun retorische diatriben
en Filippica’s net telkens weer blijk geven van hoogstpersoonlijk engagement,
subjectieve benaderingen en al dan niet gegronde gronden voor vrees. Dat politici niet objectief kunnen zijn en
hoeven te zijn, was mij al langer duidelijk, maar dat ze dat op een betrouwbare
wijze aandragen, kan het vertrouwen herstellen en de stilstand doorbreken. Hoe
dat moet? Dat is nu net waar politieke wetenschappers wel eens over zouden
kunnen nadenken.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten