Nieuwe vragen over seksualiteit in tijden van MeToo
Reflectie
Verhalen vertellen veel,
Niet alles
Over zelfzorg en liefde
Meester van "Le Livre de la cité des Dames" van Christine de Pizan. Emancipatorisch maar wel goed opgeslagen in bibliotheken, vergeten zo te zien. |
Een storm trok over het land, goed en wel tijdig aangekondigd en de media hielden ons met extra berichten en zelfs op televisie extra nieuwsuitzendingen, flashes, op de hoogte van schade, doden en gewonden. Zal men, als het zover is, hetzelfde doen als in Donbas de hel losbreekt? En wat betekenen die instant geleverde data? Krijgen we werkelijk een zicht op wat gaande is? Ook inzake MeToo krijgen we heel wat data, maar het blijft vooral gescharrel op het erf, waarbij we ons dan betrokken moeten voelen, maar hoe of het ons inspireren kan tot een ander gedrag, blijft onduidelijk.
Het vertellen van verhalen is de mens gegeven en we
weten dat er veel soorten verhalen zijn, verhalen waarin men aangeeft hoe de
normale, wenselijke situatie is, en verhalen waarbij die goede orde plots op
losse schroeven blijkt te staan en dan zijn er nog verhalen waarin helden de
normale situatie herstellen. Of iedereen die normaliteit genegen is, kan ook
weer nieuwe verhalen opleveren, over boze geesten, enfin, boze figuren die ons
bestaan bedreigen. En dan zijn er nog verhalen die verklaren waarom we doen wat
we doen, over rituelen en overgangsrituelen als inwijding in het grote,
volwassen leven. Soms zijn verhalen ook
niet helemaal waar, om de schijn op te houden.
De verhalen die ook ontstonden en meer nog mondeling
doorgegeven werden, betreffen al eens de vingerwijzingen voor goed leven, zoals
de evangeliën van den Spinrocke, waarin vrouwen met zin voor humor en zelfspot
vertellen hoe ze lastige situaties meester kunnen blijven. De interpretatie van
“Die Evangelien vanden Spinrocken”, zo blijkt, vergt literatuurhistorisch onderzoek,
vergelijking, cultuurhistorisch onderzoek en wellicht ook enige verbeelding,
maar vermits dat riekt naar speculatie, zouden we dus niet dat pad mogen opgaan.
Echter, net omdat het verleden een ander land is, waarover we lang niet altijd
goed ingelicht worden, zodat alle pogingen tot begrijpen altijd nog enigszins
speculatie moeten heten[i],
want wat moeten we met Isengrin en Isengrine uit de evangelien en ja, er is ook
ergens sprake van oud vileinig vel, maar die verhalen uit het Middelnederlands
hebben we niet meer zo helder voor de geest.
Misschien kan het u het niet eens zijn met deze
opdeling van verhalen, maar ik wil u niet teleurstellen, er zijn ook nog overlappingen
en verhalen waarin het specifieke van een held uit de doeken wordt gedaan.
Homeros wist ons duidelijk te maken dat in zo een legerkamp van alles te
vinden, helden en ploerten, onderdanige wapenknechten en gokkers. Maar de
helden bij Homeros zijn wel exemplarisch, want waar Herakles doorgaat voor de
held zonder weerga en Achiles als de lichtgeraakte krachtpatser, terwijl men Odysseus
vaak meewarig bekijkt als een sluwe, opportunistische fikser, hoewel Homeros,
of de verhalenvertellers in Odysseus wel voldoende verhaalstof vonden en waar
voorheen jonge studenten in de colleges kennis meemaakten. Er zijn uiteraard
kenners van Homeros en van de Odyssee die beter allerlei details en aspecten
van de verhalen kunnen brengen, zoals Ad Verbrugge deed in de reeks
Onderstromen, waarin hij mensen op hun nest pakte en aansprak over de figuur
van Odysseus. Hoe overleven in een woelige, onvoorspelbare wereld, daarin
blijkt Odysseus wel een meester en zelfs een held, maar hij zou geen monsters
overwonnen hebben, alleen misleid, zoals de cycloop of zich doof gemaakt hebben
voor de verleidelijke stemmen van de Sirenen.
Heeft het zin die oude, welhaast vergeten verhalen
terug op te snorren en er aandacht aan te besteden? Belangrijke filosofen
hebben er hun licht op laten schijnen en Adorno vond dat Odysseus de eerste
vaandeldrager van de verlichting was en de moderniteit, maar Adorno vond de
Verlichting maar niets en Odysseus een burgermannetje. Het is dus van belang te
begrijpen dat de levensdrang van Odysseus, zowel tijdens de Trojaanse Oorlog
als tijdens zijn eindeloze terugreis – met een zeven jaar durend verblijf bij
Kalypso, die op hem verliefd wordt, als een vervloeking. Het blijft wonderlijk
dat we die verhalen nog kennen, maar er tegelijk geen waarde aan hechten. Want
waarom doet Kalypso zoveel moeite om Odysseus bij haar te houden en wil de
koning van Ithaka toch terug naar huis? Soms kan een gesprek over zo een
verhalen, waarbij we proberen te zien wat Kalypso beweegt, stuurt een interessant
licht werpen op hoe verhoudingen tussen mannen en vrouwen doorgaans niet eenduidig
zijn. In wezen gaat het in MeToo altijd over wat mannen willen en vrouwen die
niet willen. Daar is niets mis mee wat de vrouwen betreft, zij mogen eigen keuzes
maken en voorkeuren laten blijken, maar wat interessanter is, dunkt mij is dat
we bekijken hoe vrouwen zelf naar hun eigen leven kijken, naar hun verwachtingen
en hoe ze met hun seksuele lust en drift omgaan.
Er zijn verhalen van straffe dames, zoals de
Alexandrijnse Hypatia, Hildegard van Bingen, Christine de Pizan en de Antwerpse
Anna Beijns. Toch blijken die namen niet altijd een belletje te doen rinkelen
en ook blijkt dan nog eens dat ze voor blauwkousen doorgingen, dames die op het
erotische vlak niet echt opvielen. Eleonora van Aquitaine, Catharina de Medici,
Margareta van York en die van Parma, ze bleven ook niet op de achtergrond,
waarbij we ook Isabella van Castilië niet uit het oog verliezen, die elk een
eigen positie op het schaakbord wisten te veroveren. Eleonora was de moeder van
Richard Leeuwenhart en Jan zonder Land, naast Henry, die zijn vader moest
opvolgen, zonder veel voorbereiding en het ook niet haalde.
De hoge cultuur, vaak “high brow” genoemd door erudiete
mensen, bracht canons voort, maar toch zien we dat er verhalen uit de volkscultuur
een weg vinden. De plaats van vrouwen in die verhalen, zoals de Decamarone van
Boccaccio, waarin zij minder dupe zijn van sociale conventies, kunnen evenwel
ook anders gelezen worden en als waarschuwing voor diezelfde dames. Maar als
Boccaccio meent dat alles gezegd kan worden, als het maar beschaafd wordt
voorgesteld, dan komt het de auteur toe te zeggen wat er te zeggen valt, of laat
hij, soms zij dat vertellen door een al dan niet aan de werkelijkheid
ontsproten figuur. We weten dat veel van de verhalen uit de middeleeuwen, die in
geschriften zijn neergelegd, verloren zijn gegaan, volgens recent onderzoek tot
de helft van wat geschreven werd. De mondelinge tradities zijn wellicht nog
meer verloren gegaan, maar toch zien we dat het moeilijk is niet te zien dat de
auteurs uit die tijd, die ons geschriften hebben nagelaten niet een eenduidig
mensbeeld hebben nagelaten, laat staan dat zij allen de vrouw, vrouwen in een
bepaalde identieke mal van braaf- en vroomheid hebben gevormd. Verhalen over
feeksen en harpijen maar ook over de eigengereidheid die hen wel eens sierde.
Christine de Pizan schreef “Le livre de la Cité des
Dames”, waarin ze betoogt dat meisjes kunnen wat ook jongens kunnen, wat dus
een strijdbare positie weergeeft. Hoe terecht is het dat zij als een uniek
geval literaire en intellectuele begaafdheid helden moeten. In het verhaal van
de wiskundige Emilie de Châtelet zien we dat andere hofdames haar verwijten dat
ze zo geleerd is, maar we weten ook dat al veel vroeger vrouwen door hun intelligentie
en cultuur een grote aantrekkingskracht wisten uit te oefenen op mannen met
aanzien en macht. De figuur van la marquise de Pompadour die de officiële minnares
werd van Louis XV maar na haar “diensttijd” voor de koning onmisbaar bleef, waarbij
ze zelf zorgde voor “maîtresses attitrées” die echter niet te bieden had wat
zij wel in petto had, naast erotische genoegens, namelijk intelligentie en
subtiliteit. Het valt op in deze van MeToo de verhalen over vrouwen die sterk
in hun schoenen staan en geen slachtoffer zijn of willen zijn, zelden aan bod
komen.
Louis Couperus liet ons in “de boeken der kleine
zielen” zien dat vrouwen ook in tijden van volkomen ondergeschiktheid –
althans, dat neemt men aan – eigen bijdragen leverden, ten goede en ook wel
eens te kwade. Uiteraard spelen daar allerlei emoties in mee, omdat mensen nu
eenmaal ook door affecten bewogen worden en in beweging kunnen komen. Ook ziet
Couperus dat mensen niet dezelfde figuur blijven, dezelfde kijk behouden, maar
groeien of, wat ook gebeurd, in zichzelf gekeerd raken, vijandig tegenover de
wereld of hun kringen. Het vermogen na een zware tegenslag opnieuw te beginnen,
was Couperus zelf ook niet vreemd, maar komt niet altijd uit de verf in onze lezingen.
Het valt dan ook op dat we, zoals Hannah Arendt
opmerkte, niet zover komen dat we voorbij een algemeen beeld van “den Mensch”
kunnen kijken en het individuele wedervaren van mensen onderschatten als literaire
topos. Lazarillo de Tormes zien we in enkele verhalen, hoofdstukken ontwikkelen
van een schelm en schavuit tot een
jongeman die kon gaan deelnemen aan het maatschappelijke leven. Waar Eline Vere
– Couperus dus – weinig mogelijkheden ziet om haar lot te ontlopen en gedreven
wordt door een fatale onmin met haar bestemming, situatie, zal Barones Van der
Welcke, Constance haar lot evengoed afwijzen, maar wel middelen zoeken en
vinden om eraan te ontkomen, door de omstandigheden zelf naar d’r hand te
zetten.
Mensen kunnen, zo vertellen tal van verhalen, door het
lot in de knel komen, zich onmachtig voelen aan de omstandigheden te ontkomen,
aan onheil ook, maar niet zelfden slagen mensen erin desondanks zegevierend uit
de strijd te komen. Een bekende topos, ook in films, vertelt het verhaal van
geliefden die niet bij elkaar kunnen komen of niet met elkaar mogen omgaan,
laat staan trouwen en na het overwinnen van een aantal hindernissen toch met
elkaar verder kunnen. Amor omnia vincit? In andere verhalen delft de liefde het
onderspit, omdat er sprake is van bedrog en ontrouw, moet men zich verschansen
tegen belagers en toch, ook in die verhalen is een antigif voorhanden. Maar voor elke onderdanige vrouw in de
literatuur vinden we er wel een die sterk in d’r schoenen staat en weet wat zij
wil. Het gaat, zo krijgt men wel eens de indruk, om het kantelpunt dat zich
bevindt waar de vrouw haar keuze zelf bepaalt. Zelfs als ze belaagd wordt, of
in slavernij gehouden, zien we, met Sheherazade voorop, de verhoudingen op hun
kop zetten. Hebben we overigens wel een goed beeld van literaire figuren en
bijvoorbeeld de vrouwen die Walschap ten tonele voerde? Het zijn lang niet
altijd slachtoffers, zoals Adelaïde die door toedoen van een dorpspaap aan een
waanzinnige jaloersheid ten onder gaat, maar er zijn er ook andere, die het
heft in eigen handen nemen, zoals Mie Zaterdag.
In welke mate kan men de naturalistische levensbeelden
van Walschap en Couperus hun visie op mensen en in het bijzonder op vrouwen
afleiden. Ah ja, Eline Vere, die ten onder gaat aan haar verlangen naar iets
anders dan wat geboden wordt, maar er zitten in die roman ook andere vrouwen
die de zaken op orde hebben, die zelfs de broek dragen thuis. En bij Walschap
ziet men hoe de wildeman Jan Houtekiet gedomesticeerd wordt door de vrouw van
de handelsman, die uitsteekt boven de andere en ook zijn eigen vrouw. Heb ik
Madame Bovary gelezen met enige nieuwsgierigheid, dan merkte ik algauw dat die
figuur en vooral haar echtgenoot en de minnaars op het eerste gezicht
metterdaad een bourgeois zelfgenoegzaamheid aan de dag legden. Latere lezingen overtuigden
me ervan dat Flaubert toch wel begreep hoe kennis hebben van een ander bestaan,
ook al is het gefantaseerd, mensen op dwaalsporen kan brengen. Maar was die Emma
Bovary nu een simpele ziel, in die zin dat het voor haar duidelijk was wat ze
wilde, of was haar innerlijke leven net complex omdat ze aan de realiteit, een
welwillende man en een dochtertje, niet genoeg had, in een tijd ook waarin
onder meer reizen minder omslachtig en duur werd, zodat bepaalde verlangens
niet onmogelijk meer leken, in een tijd ook waarin boeken de enige bron voor de
verbeelding van de wereld elders en andere mensen? Overigens, Flaubert en zijn
uitgever werden voor de rechter gedaagd, maar vrijgesproken, want het boek
vormde geen aanslag op de goede zeden volgens het vonnis.
Cruciaal blijkt dat boeken ons een wereld kunnen
voorspiegelen, en zeker films kunnen dat, die beantwoordt aan onze verlangens,
maar niet zoveel met de wereld zoals die is, te maken heeft. Toch is Madame Bovary
een naturalistische roman bij uitstek, zegt men. En toch had men het kunnen
zien als een waarschuwing aan meisjes die het onmogelijke zouden wensen, een
leven in luxe en wellust, of eerder als een uitdaging, een uitnodiging een
eigen leven te gaan leiden, buiten de beschermende kring van gezin en huwelijk.
De gevaren van de wellust werden overigens door moralisten, vooral priesters en
ook door artsen, op wankele wetenschappelijke gronden gebaseerd, uitgebreid uit
de doeken gedaan. Er was natuurlijk syfilis, waar jonge mannen en kunstenaars
mee besmet raakten door bezoeken aan prostituees van allerlei slag, maar er was
ook het gevaar voor meisjes en vrouwen dat, mochten ze zich te gemakkelijk
laten verleiden, een leven van gevallen vrouw te wachten stond. Maatschappelijk
aanzien bracht verplichtingen mee, maar ook onthouding, al moest een vrouw tot
in het interbellum volgens onderpastoors wel regelmatig genoeg een kind baren,
anders rustte op hen de verdenking dat ze hét deden voor het plezier en dat kon
de bedoeling niet zijn.
In deze MeToo-tijden merken we dat er merkwaardig
genoeg een zekere verdenking rust op flirterig gedrag, maar men mag het
slachtoffer uiteraard en terecht niet smaden, mocht het verkeerd gaan, dat wil
zeggen dat sprake is van onbetamelijk gedrag, aanranding van de eerbaarheid en erger.
Het valt op dat in de eerste plaats machtsverhoudingen worden aangeklaagd, maar
soms wordt het lastig om nog te spreken van eenduidig misplaatst gedrag vanwege
de man, al kan het ook wel eens een vrouw zijn, of kan het slachtoffer een man
zijn, in homoseksuele verhoudingen, waar dan weer ook macht de katalysator kan
zijn. In feite gaat het zelden om de voorgeschiedenis van een schandaal,
waarbij men zich rekenschap zou kunnen geven van de onbevangenheid van beide actoren.
Aan de andere kant, als blijkt dat de ene partner een reputatie heeft van
opeenvolgende relatietjes met studentes of medewerksters in een ondergeschikte
positie, kan er van onbevangenheid geen sprake zijn. Als Lew Tolstoj gelijk
heeft met zijn aanhef van Anna Karenina: “Gelukkige gezinnen lijken allemaal op
elkaar, maar elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen manier”, dan begrijpt
men onmiddellijk dat ongelukkige mensen elk een eigen verhaal hebben. Maar wie
noemt zich echt ongelukkig? Vaker vinden we het naar dat iemand zich gelukkig
noemt, terwijl dat niet zou mogen verbazen, omdat we toch wel stilletjes aan
begrepen hebben dat geluk iemands deel kan zijn ongeacht actuele, tijdelijk
lastige omstandigheden. Thomas Mann legde met enige zin voor nostalgie Thomas
Buddenbrook de gedachte in de mond dat we pas nadat het geluk gekeerd is
beseffen dat we gelukkig geweest zijn. Maar wat het geluk doet keren is
natuurlijk ook van belang, zoals verblinding, zoals zelfoverschatting ons uit
onze koers kan drijven.
Heeft de MeToobeweging te maken met ongemak over wat
we beleven, wat vrouwen in concreto bewegen kan, namelijk dat een zinnelijk
avontuur anders is uitgelopen dan verwacht of gewenst, bijvoorbeeld omdat men
denkt de vrouw in “zijn” leven te zijn, terwijl die andere maar blijft rondscharrelen,
dan ziet men goed genoeg, dat er sprake is van misbruik van vertrouwen. Want
jongelui, jongens en meisjes, stappen doorgaans onbevangen in een flirt of liefdesspel,
ook al is er ergens een stemmetje dat zegt dat de ander niet deugt, een
reputatie heeft. Nu vrouwen en meisjes niet meer ineens gebrandmerkt worden als
ze zelf initiatieven nemen of ingaan op welwillende uitnodigingen, kan men
begrijpen dat een vergissing toch pijnlijk aan moet komen. Zeker als na de eerste
stappen een poging volgt om er mee te stoppen, wordt het lastig, kan er van
onbevangen wederkerigheid geen sprake meer zijn. Om maar een verhaal van onze
tijd te nemen, Bart de Pauw kon niet meer schermen met onberekenend optreden
want er was meer dan een dame of meisje in het spel en zijn stalking gaf uiting
van een diep gebrek aan respect, wat zich laat lezen in het vonnis dat de
rechtszaak afsloot. Maar zijn slachtoffers – terecht in deze – kon niet
verweten worden dat ze al te naïef in het leven stonden en tegenover hem kwamen
te staan.
Toch moeten we ons met Peter Sloterdijk de vraag
stellen of we slachtoffers met hun trauma moeten laten zitten en rancune laten
kweken. Boris Cyrulnik stelt vast dat kinderen die een ernstig trauma opgelopen
hebben door toedoen van een schoolmeester of -juf of een andere persoon die het
jonge slachtoffers mag begeleiden, net de veerkracht vinden voorbij hun trauma
een nieuw evenwicht en zelfbewustzijn te vinden. Sloterdijk stelde zich vragen
bij de victimisering van mensen en het verlies van het vermogen het
slachtofferschap van zich af te werpen. Cyrulnik beleefde als kind twee keer
een traumatische ervaring, als 4- jarige bij de eerste razzia in Bordeaux, toen
hij niet meer bij zijn moeder woonde en ondergebracht was bij een pleeggezin.
In 1944 werd hij bij een nieuwe razzia meegenomen naar de Joodse synagoge in
Bordeaux maar kon hij ontsnappen,
waarover hij slechts moeizaam alle puzzelstukken terugvond, omdat zijn geheugen
niet adequaat leek. Door discussies tussen zijn tante en het pleeggezin waar
zijn moeder hem had ondergebracht over zijn bestemming en toekomst, werden die
herinneringen nog verwarder. Het bracht er hem als neuropsychiater wel toe na
te denken over wat hem en wat andere mensen met een zwaar trauma uit de
omknelling ervan kan halen en hij sprak over “résiliance”, veerkracht.
Men kan het niet zo begrijpen dat men vanzelf op eigen
kracht uit de greep van trauma en psychische ellende kan komen, zoals wel eens
gedacht wordt. Het is evenwel niet zo dat men alleen door een professional, een
therapeut geholpen kan worden. De katalysator blijkt vaak een betrouwbaar
figuur in de omgeving van zo een persoon met een diep trauma die overigens niet
altijd bewust de veerkracht aanboort. Het gaat erom dat er zich een (nieuwe)
hechting voordoet, waardoor zoiets als levensvreugde opnieuw mogelijk blijkt. Nu
we bij allerlei onheil, zoals een klasgenoot dat sterft bij een ongeval of door
ziekte onmiddellijk professionele hulp inroepen, die niet overal tegelijk en
langdurig aanwezig kunnen zijn moeten we ons afvragen of we niet een van die
mensen in het dorp zijn, die een kind helpen opvoeden. Opvoeden is meer dan
sanctioneren voor wat fout gaat, wel precies een binding en hechting toelaten.
Gaat het in de verhalen over grensoverschrijdend gedrag
vooral om jongvolwassen vrouwen, dan betekent dat niet dat het niet nuttig kan
zijn dat naaststaanden het slachtoffer helpen veerkracht in zichzelf te vinden
en zo aan het trauma te ontgroeien. Dat gaat niet vanzelf en we kunnen het niet
controleren. Het verhaal van mensen gaat
over bescherming, veiligheid, vertrouwen en men kan slachtoffer worden van
geweld, maar natuurlijk speelt mee, zoals blijkbaar in Zweden, waar de
prostitutie werd verboden en bordeelbezoek strafbaar gesteld, dat verwachtingen
(van mannen) niet meer vanzelfsprekend ingelost kunnen worden, dat is geen verschoningsgrond, want
ook prostitutie heeft donkere kanten en impliceert vaak geweld, maar een
radicaal verbod kan onnodige slachtoffers maken, honni soit qui mal y pense. De
vraag is dan of die verwachtingen alleen met seksualiteit en
behoeftebevrediging te maken hebben. Het vreemde is immers dat we seksuele
bevrediging als iets persoonlijks zien en een persoonlijke aangelegenheid,
terwijl, als het goed is, er toch ook een andere bij betrokken is.
Er zijn na de seksuele revolutie van de jaren zestig,
met dank aan de pil en uiteindelijk ook het bredere scala van middelen om
vrouwen te bevrijden uit een carcan van afgedwongen onderworpenheid, ook omdat
zij altijd de gevolgen van wat de kerk vroeger onregelmatige seks noemde, dat
wil zeggen dus seks buiten het huwelijk, dienden te dragen en als verleidster
werden afgestraft als gevallen vrouw. Die bevrijding heeft duidelijk mannen een
pad in de korf gezet, want dachten ze eerst dat een vrouw geen neen meer kon
zeggen, aangezien dankzij voorbehoedsmiddelen een neen niet meer aanvaard hoeft te worden. Zeker als hij het aura van
macht met zich droeg en uitstraalde, werd duidelijk dat die houding lange tijd
geen vragen opriep, maar sinds enkele jaren niet meer geduld wordt. Maar daar
speelt mee dat vrouwen het in het onderwijs beter doen dan jongens.
Ten gronde ligt aan de beweging die we kennen als MeToo
een nieuwe vorm van emancipatie ten grondslag en evenzeer weegt de reactie
vanwege mannen op het gevoelde prestigeverlies, waarbij Incels, jongens
en mannen die zich ten onrechte gedwongen voelen tot een celibatair leven,
omdat ze hun eigen verwachtingen van een goed leven gedwarsboomd zien, het heftigst
hun woede laten blijken, op internetfora. Nu kan men er ook nog de vraag aan
toevoegen of we wel adequaat een nieuwe kijk op seksualiteit en het bedrijven
van de liefde hebben bedacht. We leerden op college over hoofse liefde, maar zagen
het uiteraard ook meteen belachelijk gemaakt worden, ook in televisiefilms.
Toch was de hoofse liefde zoals troubadours en trouvères die uitdroegen een antwoord
op een sociobiologische kwestie, namelijk hoeveel kinderen zo een adellijke
familie best voortbracht, gezien de risico’s ook van bevallingen, “a heir and a
spair”.
Dezer dagen leven we op het ook al lang niet meer met
een Darwiniaans beeld van het bestaan: voortplanten en iet of wat opvoeden
zodat de volgende generatie hetzelfde kan doen. Was er voldoende voedsel en
geen bedreigende ziekte, dan nam de bevolking toe, maar dat lag natuurlijk ook
in handen van individuen, die seksueel actief of passief moesten blijken. Zoals
vastgesteld stellen vrouwen hun procreatieve moment uit of komen er niet meer
toe, maar zonder dat dit tot (gedwongen) onthouding zou leiden, wel
integendeel. Die macht over de eigen vruchtbaarheid van vrouwen verstoort
uiteraard de machtsverhoudingen, maar, zoals Michel Foucault onderzocht in zijn
ophef veroorzakende “Histoire de la sexualité” kan men dan wel de aandacht
vestigen op de verdringing van de seksuele verlangens en praktijk, maar hoewel
die aanwezig was – zie Sigmund Freud – kan men ook opmerken dat de laatste drie
eeuwen de seksuele verlangens bestaansrecht kregen, zelfs vermeende anomalieën,
ontrouw, perversies en ook wel homoseksualiteit, zoals dat lang strafrechtelijk
vervolgd kon worden. Maar, aldus de Franse filosoof afleidt, kon men ondanks
verbodsbepalingen in rechte en in maatschappelijke zin, zien dat men
seksualiteit in de feiten anders ging bejegenen, althans tot voor kort. Men
heeft het werk van Foucault nogal doodgezwegen, zeker in de brede media, omdat
het kritiek bracht op aspecten van de seksuele revolutie van de jaren zestig en
zeventig, maar ook, ondanks taboedoorbrekende verhalen omdat men homoseksualiteit
toen het geaccepteerd zou worden meteen vond dat wie homoseksuele liefde
bedrijft ook zichzelf als zodanig presenteren zou, uit de kast moest komen. En
dat vond de openlijk homoseksuele Foucault nu net een nieuwe inperking van de
vrijheid van het individu zich met anderen seksueel in te laten.
Maar ook ten aanzien heteroseksuele praktijken,
waarbij een uitgesproken machtsverhouding voorwaarde toe is, kan men het denken
van Foucault beter onderzoeken, want als het zo is dat macht een rol speelt, dan
niet enkel in juridische zin, maar juist in al die facetten van interacties
tussen personen waarbij de ene in een machtspositie verkeert, economisch, maar
ook wat kennis van het seksuele betreft. Net daar heeft men, ondanks alle
cursussen en lessen seksuele opvoeding weinig aandacht aan besteed en dat
bedroefde de Franse filosoof ook al, want daardoor is men uit het oog verloren
dat de toegenomen deelname aan het publieke leven van vrouwen, en, moeten we toevoegen,
homoseksuele mannen en vrouwen, de machtsverhoudingen verder gecompliceerd
raakten. Net daarom verwees ik hoger naar de hoofse liefde, als die al geconsumeerd
werd, want men kan dan wel met enig recht mannen met macht verwijten hun
machtspositie te gebruiken om aan hun gerief te komen, zoals dat gezegd wordt,
men zal begrijpen dat anderen en zeker de slachtoffers die (economische) macht
ook wel als zodanig beschouwen in hun eigen verwachtingen en minstens hopen op
wat kruimels van welvaart en prestige. Net omdat seksualiteit meer aanleiding
kan geven tot genoegen en bevrediging, voor beide partijen of dus meer
partijen, zonder dit de een of de ander achteraf wordt nagedragen en personen
chantabel zou maken, kan men in theorie althans een vrijere omgang net wel
bepleiten. Echter, daar hebben de aanjagers van MeToo meer dan een punt, men mag
echt het machtsthema niet buiten beeld houden. Frankrijk en dan vooral de Rive
Gauche in Parijs werden de afgelopen jaren door een boek dooreengeschud, want
Camille Kouchner beschreef uitgebreid hoe in intellectuele kringen pedofilie
werd geaccepteerd en misschien zelfs gepropageerd, waarbij ook de schrijver
Gabriel Matzneff, nog eerder door Vanessa Springora werd aangewezen als een
kwalijke figuur en die ooit bij Bernard Pivot boekjes voorstelde over zijn
kinderliefde, dagboeken.
Tot besluit kan men niet beweren dat de vraagstukken
gemakkelijk opgelost zullen worden, maar wel dat men net meer aandacht moet
hebben voor het machtsargument bij seksuele handelingen. Echter, hoe beschadigd
slachtoffers kunnen zijn, hen bevestigen in die rol kan hun strijdbaarheid en
zelfstandigheid verder aantasten. In het algemeen zal men moeten nadenken over
bijvoorbeeld de vraag waarom naakt in de media gecensureerd wordt, net als het
feit dat men de implicaties van relaties vaak reduceert tot belangenkwesties. Zoals
Gerard Walschap al wist, bestaan er gelukkige relaties buiten het huwelijk,
maar slechts als beide partners de ander voor vol aanzien. De samenleving deed
er lang over “deviant” seksueel gedrag onder ogen te zien, maar omwille van
andere evoluties, zoals de opkomst van white supremacists, de kwaadheid van
Incels…zien we dat verdraagzaamheid gezien wordt als een uitdaging van de
natuurlijke orde. Al was die seksuele revolutie van de jaren zeventig niet
altijd zo fijn voor de deelnemers en deelneemsters, toch was het hen ook vaak
een zegen, maar niet altijd voor hun kinderen.
Daarom moeten we gaan nadenken welke verhalen we
kunnen vertellen, schrijven om mensen vooral de vreugden van vervulde
verwachtingen te leren kennen en tegelijk aan te geven waar het mis kan gaan. Ethiek
is belangrijk, heet het, maar men kan dan wel een klimaat creëren waarin mensen
doen wat goed is voor henzelf en anderen niet schaadt. Maar ethiek kan men niet
meer opleggen en in principe zou het niet hoeven. Alleen kan men vaststellen
dat de RKK er nooit in geslaagd is mensen de 10 geboden te doen naleven, al was
het maar omdat die door allerlei bijkomende regeltjes geperverteerd werden,
onder meer door de angst voor onregelmatige seksualiteit er stevig in te pompen.
Het was Foucault die in zijn laatste colleges aan het Collège de France over
zelfzorg ging spreken, in een reeks lezingen over “de moed tot waarheid” waarbij
hij zowel de cynische filosofie als de stoïcijnen zag als voorbeelden van
zelfbeschikking, voorbeelden van een zin de waarheid over zichzelf te
onderkennen, waarbij de stoïcijnen het voorbeeld van zelfzorg ontwikkelden. De theologen
van de middeleeuwen hebben de zelfzorg omgewerkt tot pastorale zorg. Dat
impliceert uiteraard paternalisme en vergt bereidheid de normen te aanvaarden
en sluit dan ook goede zelfzorg uit. Daders van seksueel wangedrag kan men niet
zomaar daarvan afhouden, net omdat ze het hun goed recht vinden, maar of ze in
staat zijn te begrijpen wat werkelijk goed voor hen is, aan zelfzorg te doen,
is maar de vraag, maar het is wel een ethisch antwoord. En de slachtoffers, die
rekenen op steun, zodat zij hun innerlijke veerkracht kunnen aanspreken, zoals
ook wel het geval is. In die zin is empathie wel nuttig, opdat men niet de slachtoffers
zelf op hun verantwoordelijkheid zou wijzen, aan victim blaming zou doen. Maar
misschien kunnen we toch wegen vinden om van de liefde een feest te maken, hoe
klef dat ook mag klinken.
Bart Haers
[i] Carine
Grootenboer, Die Evangelien vanden spinrocke. Een Revolutionair positief of
conservatief negatief vrouwbeeld in een laatmiddeleeuws volksboek. Hoe we
teksten uit een andere tijd lezen, lijkt vaak alleen maar op het eerste gezicht
evident, maar alleen door onderzoek kan men verschillende lagen ontwaren en hoe
de verteller(s) een andere boodschap brengt dan bedoeld. Ook Nicollo
Machiavelli onderging met zijn “Il Principe” het lot dat men hem de boodschap
in de schoenen schoof die hij net aanviel. Maar de Kerk vond dat net zo handig.
Hoe we dan Chaucer of Boccaccio moeten lezen?
https://www.dbnl.org/tekst/_voo013199601_01/_voo013199601_01_0026.php
Reacties
Een reactie posten