Anna Seghers en het totalitarisme

Recensie

Illegaal overleven
De schets van een samenleving in ongerede


Anna Seghers. Het Zevende Kruis. Roman uit Hitler-Duitsland. Oorspronkelijke titel: Das siebte Kreuz. Roman aus Hitler-Deutschland. Vertalingen oorspronkelijk: Nico Rost. Volledig herzien: Elly Schippers. Uitgeverij van Gennep 2011. 423 pp. Prijs: € 19,95 – nu € 9,90

Hoe schrijf je over het werk van Anna Seghers, het Zevende Kruis? Vanuit de wetenschap dat ze lid was van de KPD? Hoe belangrijk is het dat ze in 1933 enige tijd opgepakt was door de Gestapo en vervolgens via Zwitserland naar Frankrijk en in 1941 alsnog met haar familie naar Mexico kon reizen? Wat moeten we met het feit dat ze ervoor koos na de oorlog naar Oost-Duitsland te gaan en er zelfs prominent in de schrijversbond actief te zijn, met alle mogelijke dilemma’s die het opleveren kon?

We kunnen ons natuurlijk beperken tot het boek zelf, Het Zevende Kruis, maar het boek is niet los te zien van haar eigen wedervaren in Duitsland onder de NSDAP van Hitler. Toch kan men haar ballingschap niet buiten beeld houden en evenmin haar behoren tot het communisme van die dagen, de erfenis van Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg dus. Maar ook zijn de figuren bepaald door het geweld dat voor en na de machtsgreep van Hitler de Duitse steden en het platteland had beheerst. Communisten en SA konden het niet laten, kozen bewust voor geweld om elkaar af te troeven en te overtroeven.

Het verhaal speelt zich af om en rond Mainz in de Taunus, waar het boerenleven stilaan vermengt raakt met het industriële leven in de omgeving van Mainz, Wiesbaden en Frankfurt am Main. Hoger ligt dan weer de Ruhr, zodat het relatief landelijke karakter duidelijk in beeld komt. Het verhaal van de vlucht van een aantal gevangen uit Westhofen, waarna de SA en de SS op zoek gaan naar de vluchtelingen, 7 in getal, met hulp van de schooljongens en dat brengt soms angstaanjagende situaties, maar die ene ontsnapte, Georg Heisler blijft uit de klauwen van de SS en de Gestapo. Het wedervaren van die Georg Heisler, zijn leven in de waagschaal leggend of net zijn vermogen om de tegenstander te misleiden dan wel zich niet over te geven aan impulsen, vormt een van de dragers van het verhaal. De weergesteldheid in de late herfst bleek in de roman niet onbelangrijk: de mist, de zonnige herfstdagen en het korten van de dagen hebben ook zo hun verschillende betekenis voor de protagonisten en de anderen.

Maar het is een roman over relaties en netwerken en in die zin kan men het een moderne roman noemen, want het gaat om de verwevenheid van een persoon in allerlei netwerken en wie hem ontmoet, zo blijkt, wil hem helpen, ontdekt iets van de oude kameraadschap die verzwonden was met het aantreden van Hitler en de gewelddadige revolutie van 1933 en de volgende jaren. De herinnering speelt in deze roman overigens een meervoudige rol, omdat het niet vanzelfsprekend blijkt de herinnering zomaar uit te wissen, maar evenmin om de gebeurtenissen, uitspraken weer op te roepen. Geheugen is voor Georg Heisler overigens het belangrijkste wapen, waar hij echter niet al te zeer op durft te vertrouwen.

Naast Heilser is Franz een belangrijke figuur, die evenwel niet direct met Heisler in contact komt, ondanks het feit dat ze een jaar een studio hebben gedeeld, toen Heisler in Mainz was aangespoeld. Toch is het Franz die voortdurend tracht te volgen wat er gaande is, maar er geen greep op krijgt. In zijn omgeving lopen de kinderen van zijn familie rond in uniform van de SA of de SS en voelen zich in die hoedanigheid de betere van de gekke Franz. Overzien we het goed, dan krijgen we een vrij uitgebreid aantal mensen te zien die elk vanuit hun eigen omstandigheden betrokken zijn bij de vlucht uit het KZ Westhofen, bij Worms en zo een 45 km van Mainz en de scène waar Franz en de meeste andere figuren zich ophouden. Een uitzondering dient natuurlijk gemaakt voor de omgeving van het kamp, waar een tuinbouwschool gevestigd  is, voor het kamp zelf en voor zeven platanen die aan het einde van het verhaal verdwijnen.

Het merkwaardige aan de roman is dat de kampcommandant niet bij machte blijkt de gebeurtenissen in de hand te houden, dat de gestapo-officier Overkamp met zijn methode nergens komt, behalve dat ene Wallau hem, Georg, voortdurend lijkt aan te sturen maar uiteindelijk wel gevat wordt, omdat men het spoor naar een tuinhuisje in een volkstuin heeft kunnen volgen. Georg wil wel zijn dierbaren zoeken, maar weet dat het hem dan zeker niet zal lukken. De enig mogelijke strategie blijkt erin te bestaan geen onmiddellijk te traceren stappen zetten.

Hoever kan een mens zich in een week tijd begeven van een onheilsplek als het kamp en overleven? Hoe moet hij het organiseren? De normale kanalen zijn verstopt en hij kan niemand vertrouwen. De mensen die hem zien en zouden willen aangeven doen het niet, de mensen die hem willen vinden komen met hun kaartensysteem niet verder. De berichtgeving in de pers en de openlijke vraag te helpen bij het opsporen, bieden al evenmin soelaas. De held van het kamp is dan ook niet Fahrenberg, de kampoverste en zijn acolieten, maar de vluchteling. Het stelen van een jasje lijkt gevaarlijk verkeert uit te dragen, maar als de jonge Frits zich moet aanbieden van verhoor verliest hij even het vertrouwen in zijn Scharführer en de Beweging, maar geleidelijk ervaart dat er niet veel alternatieven zijn. Zo gaat het eindelijk met al die figuren die zich in het nieuwe bestel schikken, al hebben ze, eens vernemen van de geslaagde vlucht een zekere schik in het verval.

Het verhaal van de herder Ernst, die niet zomaar te maken heeft met de vlucht, hoogstens met Franz, maar op een geheel eigen wijze het systeem naar zijn hand weet te zetten, door zich buiten de arbeidsdienst te houden en nog wel meer, zo een man schept de openheid die de roman anders aan beslotenheid en beklemming in zich draagt. Georg Heisler is ook van dat kaliber, iemand die de werkelijkheid accepteert, maar zich niet gewonnen geeft. Het blijft de vraag voor ons die later kwamen of we de gemoedsgesteldheid die leidt tot de hoogste riskante vlucht uit het kamp kunnen vatten. Natuurlijk, elke gevangene wil vluchten, dat spreekt. Zou het? Füllgrabe overleeft ook zo goed als de eerste week, ontmoet Heisler in Mainz, ze praten met elkaar, Füllgrabe wil zich aangeven en probeert ook Heisler daartoe te bewegen, maar of Füllgrabe zelfs maar levend het kamp bereikt, blijft maar de vraag. De wreedheid van de mannen in het kamp, die, zeker als de officieren van politie, zeg maar de Gestapo uit de buurt zijn, vooral hun sadisme willen botvieren, kent geen grenzen, zodat Wallau gewoon doodgeslagen wordt.

Hoewel de vijand duidelijk is, de NSDAP, Hitler, de SA, de SD en SS, zijn de companen en oude kameraden van Georg die hem bereidwillig helpen, soms met de grootste schrik om het hart, veel minder omschreven. Men kan vermoeden dat het om oude communisten zijn, of minstens Sociaaldemocraten, maar Anna Seghers houdt zich zeer op de vlakte. Toch vergt deze verhulling aandacht, omdat het mee het raamwerk van de roman vormt en een weergave kan zijn van de toenmalige werkelijkheid in dit centrale deel van Duitsland, tussen Worms en het Ruhrgebied. Zij schildert een aantal boeren af als opportunisten dan wel trouwe aanhangers van de Partij. Maar een boer is toch wel ook opgepakt en in het kamp opgesloten; die boer, Aldinger was voorheen burgermeester van een vlek, Buchenbach, Niederbuchenbach dus, komt terug boven in de Taunus en komt zelfs thuis, maar dan wel dood, wellicht als gevolg van een hartaanval. De overheden laten toe dat hij fatsoenlijk begraven wordt. De burgemeester, Wurz van het nieuwe dorp Nieder- en Oberbuchenbach wordt nu opnieuw in de nek aangekeken, omdat hij wellicht mee achter de aanhouding van Aldinger heeft gezeten. Wurz wil ook de orde bewaren als burgemeester en wie zou hem dat niet als een deugd toeschrijven? Toch zal men er zich van bewust zijn dat zo een man net een gevaar kan worden voor de gevestigde orde, de orde waaraan Wurz net deel wil hebben.

Hoe kon de vrouw die dit werk schreef, na de oorlog in Oost-Duitsland vrede vinden? Het is een vraag die we ons nu beter nog dan in de jaren van haar overlijden konden afvragen, omdat we het nu toegang hebben tot de archieven van de Stasi. Het is aan het werk van Joachim Gauck en anderen te danken dat de archieven van de Stasi open werden gesteld voor mensen die willen weten wie hen in penibele gevangenisomstandigheden kon brengen. Gauck en de zijnen hadden er een hele klus aan de hoge beambten van het Bundesarchiv te overtuigen dat men die archieven met de nodige zorg werden behandeld en niet statisch aan een proces van bewaren en vernietigen bloot te stellen. De rol van de Informele Medewerkers is nu wel duidelijk en kan ons net daarom van het intrinsieke belang van dit boek overtuigen. De paradox in haar leven is dat Anna Seghers als tegenstandster van Hitler en de moeilijke omstandigheden accepteerde die met haar vlucht uit Duitsland en later Frankrijk en gegeven haar rol in de Exilliteratuur na de oorlog koos voor het land van Ulbricht en zelfs bereid was verheerlijkend over Stalin te schrijven. Vergeten we ook niet dat haar man, de Hongaarse socioloog Radvanyi  zelfs in een Frans kamp voor mogelijke vijanden van de Franse staat zat, zoals wel meer Joden en vreemdelingen te beurt is gevallen

Vanuit haar lidmaatschap in de KPD kan men het wel enigszins begrijpen, maar ze had toch weet, omdat ze in de jaren na 1933 in Zwitserland en Frankrijk verbleef van de gebeurtenissen rond de Poum en de brigades van de Buitenlandse vrijwilligers in de Spaanse Burgeroorlog, die door Stalin werden opgegeven. Maar evengoed moet ze geweten hebben van André Gide en diens reis naar Moskou, dus ook van zijn ontgoocheling over het regime van Stalin. Wat met Koestler en diens “Darkness at noon”? Het valt me op dat de visie op de roman Het zevende Kruis niet veranderd nu ik die andere facetten weet, maar tegelijk valt het me wel op dat haar levensverhaal wel onbegrijpelijker wordt. Nu moeten we ook onder de aandacht brengen dat in die periode in Parijs heel wat mensen rondhingen die Duitsland achter zich hadden gelaten. Sommigen verkozen Nederland of België, omdat dit neutrale landen waren, maar toch, de oorlog had hen geleerd dat ze van die neutraliteit niet veel voordeel zouden hebben.

Anna Seghers is niet de enige die voor de DDR koos, want ook Victor Klemperer koos voor dat regime en ook  Bertold Brecht keerde uit de VS terug na de communistenjacht en koos voor de DDR. Intussen werden schrijvers en zangers ausgebürgerd. Wie kan hier wijs uit raken? En hoe? De roman van Anna Seghers gaat om het vinden van een uitweg uit een land dat geen tegenstem aanvaardt en overstijgt de concreetheid van de Nazi-tijd. Bij het lezen dacht ik bij momenten aan het wedervaren van anderen die de ballingschap verkozen, maar ook aan de roman van Gunther Anders, pseudoniem voor Gunter Ernst, auteur van “De katacombe van Molussië”, die pas na 1990 te voorschijn kwam en postuum uitgegeven raakte. Opvallend is wel dat de filosoof Günther Anders zich intens heeft ingelaten met de kwestie hoe de technologie ons kan betoveren, inpalmen, opsluiten, omdat we de logica ervan zonder meer aanvaarden. Precies dat aspect lijkt me ook in het boek van Seghers centraal te staan. Het project van de moderniteit was voor joodse mensen, die betrokken waren bij vele modernistische projecten, in de wetenschappen en de technologie, werd ook de oorzaak van hun ondergang. De kwestie die Anna Seghers presenteert, met name dat het mogelijk is de Gestapo te misleiden vanuit het besef dat zijzelf blufpoker spelen tegen de ondervraagde, zodat men niet meer hoeft te vertellen dan nodig is, draagt bij tot het sterke beeld dat we in deze roman krijgen van een aantal spelers. De hoofdrolspelers blijken allen te staan voor een keuze die hen voor het leven zal tekenen, maar geen weet alle tekenen te lezen, behalve Franz en Georg. Het dwalen doorheen het leven geldt voor de jonge tuinman Fritz en voor de boer Aldinger, voor de chemicus Dr. Krest en zijn vrouw. Opvallend is dat Krest, die na de machtsgreep door Hitler de beweging terzijde had geschoven met het plotse opduiken van Georg Heisler de keuze niet uit de weg gaat noch het risico afwijst en kiest voor hulp aan de man die de wreedheid van Westhofen en het regime toont. Paul Röder is het evenwel die opgepakt wordt, een verklaring afgeeft en vervolgens vrij gelaten wordt. Zoals in het echte leven, zijn het de huisbewaarders, sommige dan toch, die anderen aangeven. Omdat zij door het regime ondergeschikt werden aan blokhoofden en zo een netwerk van informanten werden. Wie zich vandaag inlaat met buurtinformatienetwerken zal begrijpen dat dit niet zo een neutrale bezigheid is, al denk ik wel dat je als burger ongeregeldheden waarbij mensen in gevaar komen wel moet aanbrengen bij de politie. De discussie over de beveiliging van onze samenleving moet ons dan ook zorgen baren. Maar Seghers laat weten dat er hoop is, voor een enkeling.

De kritiek van het Nazisme is, zo merken we ook na lectuur van dit boek gemakkelijk als we het niet linken aan wat mensen kan overkomen, net zo min als we de kritiek van het communisme en Stalinisme hard kunnen maken als we ons tot statistische grootheden beperken. Hoe begrijpen we het verhaal als we niet naar de beleving van mensen kijken. Het probleem dat Anna Seghers tegelijk stelt en waar we niet omheen kunnen is inderdaad dat ze finaal koos voor een burgerlijk bestaan in de geborgenheid van de DDR en dan komen we bij Eugen Ruge uit, bij de roman bij afnemend licht. Ik weet niet of Seghers aan bod komt in zijn portret van een DDR-bourgeoisie van voormalige Bannelingen die in Mexico waren terecht gekomen. Men kan begrijpen dat ze geloofde dat de DDR het betere Duitsland was, hoewel we ons niet kunnen inbeelden dat dit hetzelfde Duitsland was dat een muur bouwde en dat de burgers die het regime om artistieke en politieke redenen uit de pas liepen “uitburgerde”: schrijvers en zangers, zoals Wolf Biermann, werden tegen klinkende munt aan West-Duitsland overgedragen, in feite zonder vormen van proces. Alleen, Wolf was als jongen van 14 zelf naar de DDR gegaan, op voorspraak van Margot Honnecker. Het laat zich dus aanzien dat dingen niet zo evident zijn, als men zou wil doen geloven. De kritiek van wat het Nazisme met andere totalitaire regimes gemeen heeft, komt ofwel als evident voor en blijkt dan overbodig, of is net zeer pregnant, maar dan blijkt het ideologische onderscheid toch nog altijd de kern van de zaak. Dit boek van Anna Seghers en d’r levensverhaal maken duidelijk dat wie in het systeem geloofde, het communisme, heftig het nazisme wilde bestrijden, maar niet bij machte was, op uitzonderingen als Arthur Koetsler, Georges Orwell of André Gide na, het eigen systeem te onderzoeken en op grond van die totalitaire organisatie en beheersing af te wijzen. Overigens, wie vandaag wijst op de uitwassen van het kapitalisme en die vereenzelvigd met het neoconservativisme of neoliberalisme, zal merken dat het maken van distincties niet iets is voor kamergeleerden alleen, maar wezenlijk. Er is in bijna elke ideologie een omslagpunt waar het bevrijdende enthousiasme kan verkeren in verdrukking en willekeur. Ook het neoliberalisme heeft nare bijwerkingen die men niet altijd op de bijsluiters vindt, omdat die er ook niet zijn.

Toch komt het me, naar aanleiding van dit boek raadzaam voor niet elk systeem van opvattingen over mens en samenleving als een ideologie te beschouwen. Ideologie impliceert namelijk een reductie van het samenleven tot een politieke benadering, waarin altijd nog het economische centraal kan staan, of het sociale. Een ideologische reductie leidt gemakkelijker tot fanatisme, terwijl een politieke visie niet per se tot een dergelijke reductie hoeft te leiden dan wel er het gevolg van is. De discussie over de aantrekkingskracht van ideologische stellingen en bouwwerken wordt vandaag niet meer gevoerd. Ofwel wijst men op de juistheid van een visie, ofwel vergeet men dat er zoiets van node is. In beide gevallen is het eigen gelijk er debet aan dat men de eigen positie niet meer onderzoekt. Daarom is het zo verwonderlijk dat Anna Seghers het niet nodig acht de houding van de tegenstanders van het nazisme nader toe te lichten, maar laat ze ook zien dat in de arbeiderswereld het nazisme aardig wortel heeft geschoten, maar misschien niet overweldigend. Als 8 miljoen Duitsers – maximaal, zegt men – lid waren van de partij van Adolf Hitler, dan waren er nog altijd 60 à 65 miljoen die geen lid waren, geen lid mochten worden of het weigerden, al waren ze daartoe verplicht. Men kan in een massasamenleving gemakkelijk een massabeweging gaan vormen met een gedreven en gemotiveerde achterban. Vandaag is de houding van burgers tegenover politieke partijen minder volgzaam en bereidwillig. Gelukkig maar, ben ik geneigd te zeggen, al was het maar omdat partijen vandaag niet altijd meer vasthouden aan wat ze beweren aan te bieden. De professionele politici hebben zelf overigens die geloofwaardigheid in het gedrang gebracht. Maar men leze hier geen afkeer voor het politieke in: de plaats van het politieke in de samenleving is van groot belang, maar de politieke strijd zorgt voor een zekere blindheid voor de consequenties van het beleid, meer nog, liberalen en anderen koesteren een idee dat als de doelstellingen okay zijn, de middelen ook best acceptabel zullen zijn. Daaruit komt de arrogantie voor van bestuurders. Anna Seghers heeft laten zien dat alvast in het beleid ten aanzien van de kampen voor politieke tegenstanders de werking best adequaat kan blijken. Dan is er altijd wel een die kan ontsnappen en de moed niet verliest zodat hij gered wordt. De middelen doen er echt wel toe, want een bewind dat aanhouding en foltering zonder verdere vorm van proces toelaat, kan geen rechtsstaat zijn. Maar dat was ook niet de ambitie van de totalitaire regimes in de 20ste eeuw.


Bart Haers  

Reacties

Populaire berichten