De wijsheid van een oude leeuw


Brief

Aan Paul Goossens

Over het nieuwe politieke landschap
Waarom angst voor de leeuw nergens op slaat

Brugge, 19 mei 2013

Geachte heer Paul Goossens,

Vaclav Havel, die hier, na zijn overlijden nauwelijks
enige belangstelling bij de mediamensen opriep,terwijl
hij voor mij en anderen symbool stond voor Charta '77
en de zelfredzaamheid van riposterende intellectuelen. 
Ik moet wel deze weg kiezen, vermits de krant de fora blijkbaar afgesloten heeft. Het is betreurenswaardig, maar het heeft met iets anders te maken, met wat Michel Serres te berde brengt, dat u en uw gelijken ervan uitgaan dat de kiezer/lezer eindelijk onbevoegd is om tot een redelijk oordeel te komen. Ik herinner me dat uw kompaan Eric Corijn ooit zegde dat het proces van verkiezingen niet leidt tot de beste resultaten omdat de kiezer in hoge mate ontwetend is van alles wat er speelt. Zelf heb ik nog steeds een kater omdat bij de campagne van de gemeenteraadsverkiezingen de werkelijke inzet alleen in partijpolitieke verhoudingen werd benaderd, niet in termen van bestuur en het algemeen belang. Ook naar aanleiding van die media-aandacht kan men zich afvragen of men het publiek wel ernstig nemen wil.

Michel Serres, om maar eens iemand te noemen legt omstandig uit dat het wetgevend apparaat dat de sociale zekerheid in het bijzonder moet sturen hopeloos complex is geworden, dat de wetgeving die teveel zaken tegelijk wil regelen voor de rechtszoekende tot onoverzichtelijke toestanden leidt. Er is een administratieve logica die bij de wet- en regelgeving doorgaans voor evident wordt gehouden en dus niet besproken wordt, maar aldus Serres wel degelijk de sleutel voor de macht vormt. De goede bedoelingen van de stichters van het ACV en ACW – die decennia lang met de politieke besluitvorming verweven waren, ten spijt, hebben die goede bedoelingen wel eens geleid tot een vermenging met de macht, waarbij de organisatie belangrijker werd dan de vertegenwoordiging van de achterban.

U, mijnheer Goossens, verwijst naar een doctoraat van Ico Maly waarin vast zou zijn komen te staan dat N-VA een denken vertegenwoordigt dat men anti-Verlichting kan noemen. Onder meer de interesse van de voorzitter voor Edmund Burke wordt daarbij als bewijs aangevoerd. Bij mijn weten heeft DS er aandacht aan besteed en ook op Klara was een gesprek te horen, met Werner Trio, Tinneke Beeckman en Ico Maly en wat me bij is gebleven? Dat de heer Ico Maly er bij zijn analyse vanuit gaat dat men de visie van Jonathan Israël moet volgen, wat betekent dat er maar één unieke Verlichting zou zijn, de Franse Verlichting met Diderot en d’Holbach als belangrijkste vaandeldragers en het atheïsme als onderscheidend criterium. Ik denk nog steeds dat dit een wel zeer enge opvatting is van de Verlichting, waarbij men ook nog eens andere onderscheidende criteria kan aanwijzen, zoals bijvoorbeeld het afwijzen van vorstelijke willekeur, vertaald naar vandaag gaat het dan om politieke macht – die niet ter discussie mag gesteld worden. U kent het wel, mijnheer Goossens, de arrogantie van de macht. Een ander onderscheidend element is het streven naar een billijke en transparante wetgeving, zoals ene Voltaire deed, die door Jonathan Israël, op aangeven van Denis Diderot, die hem zeer benijdde, in een verdacht daglicht gezet werd. Maar Voltaire heeft wel enkele rechtszaken opnieuw doen bekijken en heeft meer dan zijn atheïstische vrienden praktische aanzetten tot een beter juridisch systeem op poten gezet.

Edmund Burke was, voor zover ik er iets van begrijp vertrouwd met de Schotse Verlichting, maar droeg ook de herinnering mee aan de Glorious Revolution, waar men zonder veel bloedvergieten een einde maakte aan het vorstelijk absolutisme in Engeland. Hij was als Ier ook wel gevoelig voor de wijze waarop een land zich kan ontplooien zonder grote plannen of blauwdrukken ter aansturing. Wie de samenleving wil veranderen heeft inderdaad een blauwdruk nodig, een template, maar wie het vermogen van mensen voor ogen heeft staan hun eigen lot vorm te geven, zal minder uitgewerkte plannen nodig hebben. En laten we toch even ernstig zijn, het gaat dan niet over het alles overschaduwende succes van bedrijfsleiders of sportlui, dan wel de diepe afgrond waarin mensen terecht kunnen komen die door onkans of persoonlijke problemen het eigen leven niet helemaal onder controle krijgen. Maar veel mensen slagen er wel degelijk in hun dagelijkse dingen af te handelen en ook nog eens belangrijke initiatieven te nemen. Toch lijkt men dat slagen en falen op scherp te stellen en de N-VA zou dan de partij zijn van mensen die slagen. Of die, erger nog, tevreden zijn met hun eigen lot.

U stelt het eens te meer voor, mijnheer Goossens, alsof de overheid grootse plannen moet hebben, vier- of vijfjarenplannen om de economie en de samenleving te sturen. Er is in 1989 een model onmachtig gebleken dit adagium waar te maken. Eugen Ruge heeft in zijn roman In Tijden van afnemend licht, getoond hoe de Oost-Duitse middenklasse van apparatsjiks, levend in de herinnering aan heroïsche tijden zichzelf tegen de tijd dat dominees en burgers, zelfs een dirigent als Kurt Masur de hele santenboetiek van het communisme wilden opschudden, zelf  niet meer in staat was het systeem te verdedigen. U zal van mij niet vernemen dat het ACW aan de basis evenzeer het geloof verloren heeft, maar toch, de wijze waarop in de loop van de afgelopen decennia het ACW-top de spanning tussen hun boodschap en hun handelen konden oplossen, heeft geleid tot het debacle van Dexia.

U zegt nu dat N-VA slapend rijk wordt omdat sommige media het falen van de top van ACV en ACW gretig hebben kond gedaan aan den volke, het domme volk, volgens u, omdat men ook niet voldoende aandacht besteed heeft aan het kritische onderzoek van Ico Maly. Ik blijf bij zoveel zelfingenomenheid wel even versteld staan, maar ik begrijp  niet dat er op het werk van Maly zelfs geen ernstige kritiek is verschenen in de brede media. Ook u neemt het op voor het werk maar wij moeten maar aannemen dat Maly gelijk heeft.

Het zal wel steken, maar eens te meer prijs ik mezelf gelukkig dat ik in mijn jonge jaren een enkele keer zo een priester hoorde zeggen dat er niet gediscussieerd moest worden, we hebben te aanvaarden wat hij, de deken te vertellen had. Punt uit, Basta. Welnu, als ik uw artikel lees over hoe de N-VA in de toekomst het electoraat van het ACW en nog wat linkse jongens en meisjes zal weten op te vissen met een discours dat u duidelijk niet in het hart draagt, dan vraag ik mij af wat u die mensen dan wel te bieden heeft. Maar wat zegt N-VA dat u stoort? Wat Jan Janbon en de Kamerfractie betreft, zien we dat ze de regering wel degelijk weet uit te dagen. Maar hoe interpreteert men dat? Dat de regering in verband met Gemeentelijke Administratieve Sancties nu wel zeer streng zou worden? Maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat die Gemeentelijke administratieve sancties er gekomen zijn omdat men mensen niet meer kan brengen tot redelijk gedrag. Iedereen zegt: ik ben vrij te doen wat ik wil. De een vindt er geen graten in tegen de gevel van een huis in een steeg te plassen, een ander loopt met enkele companen luidt pratend in de nachtelijke straten, of gaat nog eens ruzie maken. De buren kunnen bellen naar de politie, wegens nachtlawaai. Of die altijd zal komen…

Het systeem dat men nu uitbreidt tot kinderen van 14 jaar en ouder heeft als grote nadeel dat de casuïstiek niet meer aan bod komt, de omstandigheden, de eventuele onschuldige grappen, dat alles is verstoken van kwade intenties. Een sanctie kan misschien helpen, een goed gesprek misschien meer. Toch zie ik geen enkele partij zeggen, dat ze de middelen van de nieuwe wet om de orde te bewaren, niet zullen hanteren. Waarom dan, vraag ik mij af, zal men N-VA hiervoor verantwoordelijk stellen? Het andere deel van het verhaal, de bijzondere jeugdzorg, die nu hervormd zal worden is ook niet alleen sociaal bepaald, wel cultureel bepaald. De idee is dat mensen niet heter zijn omdat ze de middelen hebben, wel kan men ook niet beweren dat mensen die zich oppassend gedragen slechts bange kleinburgers zouden zijn. Moet men mensen de huid vol schelden die hun kinderen de gewoonten aanreiken om zich te gedragen, zonder zich daar ongemakkelijk te voelen, wat hen wel enige Gemeentelijke administratieve sancties kan besparen? Maar tegelijk zal niemand toch ontkennen dat jongeren de neiging hebben de grenzen af te tasten en dat een zekere welwillendheid vanwege volwassenen niet misplaatst mag heten. Men zal dus wel degelijk moeten nadenken waar het spel eindigt en het kwaad opzet begint.

Je leest wel eens dat N-VA en vooral de voorzitter symbool zouden zijn voor de afwijzing van de geest van Mei ’68. Het is moeilijk dit vol te houden als men er zich rekenschap van geeft dat iedereen tijdens de jaren 1970 en 1980 opgroeide met vele facetten ervan doordrongen is geworden. Maar wat we wel merken is dat bepaalde inzichten die in Mei’68 een kristallisatiepunt vinden, zoals een onnadenkend gauchisme of de gedachte dat men de wereld én de mensen moet veranderen inderdaad ter discussie kan stellen. Vooruitgang? Voorwaarts? Maar waarheen. Toen 20 jaar na mei’68 het systeem in elkaar klapte dat men min of meer als het ideaal voorop had gesteld, dan verliest men natuurlijk ankerpunten. Komt een man als Vaclav Havel, die politieke verantwoordelijkheid opneemt, ter discussie te staan bij vriend en vooral vijand, dan blijkt men hier vooral de kritiek van de vijanden over te nemen, zodat, bij ’s mans dood, men in de media hier van zijn onvoorstelbare zelfvergetelheid niets meer te onderkennen viel. Zelfvergetelheid – met een verblijf in de Praagse gevangenis - maar zonder zelf het denken op te geven. Dat hij ondoordacht zou gehandeld hebben toen hij de politiek van Eduard Benes in 1945-1948 aan de kaak stelde, waarbij ook vanuit Tsjecho-Slowakije de Duitstaligen liet deporteren, toen werd hem dat in 2002 kwalijk genomen. Alleen, die stap om Benes in zijn machteloosheid ten aanzien van de communisten onder de aandacht te brengen, was er voor veel Tsjechen over. Madeleine Albright schrijft dat Havel zich van  dat stondpunt niet heeft gedistantieerd.

De geest van Mei ’68 was voor veel mensen onvoorstelbaar enthousiasmerend, maar ook ontregelend, want burgerjongens en –meisjes kozen voor een ideologie, met veel overgave, waarvan men toch niet kon beweren dat men de gruwelijkheden niet kende. De Goelag was hier bekend, de Culturele revolutie was enthousiasmerend maar men wist wel, in de jaren zeventig dat het echt wel wreed was. Maar het klinkt bizar als de zaak vandaag wordt gepresenteerd. Op de Franse televisie kon men nog onlangs een documentaire volgen over de Franse Communistische Partij en de fellow travellers, artiesten die de partij steunden, zonder er lid van te zijn, of toch, maar zonder dat publiek te maken. Het communisme van deze mensen maakte abstractie van wat het voor Russen, Polen, Tsjechen en Hongaren te verduren hadden, maar wat het maoïsme voor de Chinezen of de Tibetanen inhield, bleef ook onbesproken.

Ik weet het, men vindt die referenties niet meer gepast, maar het is net omdat ik vaststel dat de gebeurtenissen in de jaren van economische groei, de gouden jaren dus, inderdaad studenten en andere jongeren kon verleiden tot de linkse utopieën, maar tegelijk valt op dat die jongeren die buiten dat krachtenveld bleven, best een interessante set van denkbeelden ontwikkelden, die u ongetwijfeld burgerlijk mag noemen, maar wat zou daar fout mee zijn? Voor u is het duidelijk, zoals dat voor Jan Wouters het geval was: wie ook maar eens vijf minuten nagedacht had, werd vanzelf links. De antwoorden die de SP-a  of de PDVA+ uit de hoed toveren, komen inderdaad voort uit een kritiek op het kapitalistische systeem, maar nergens zien we dan hoe ze het alternatief zullen uitwerken. Een goed geordende samenleving? Gehoorzame burgers die braaf de plannen van de overheid uitwerken? Mensen die graag het manna van de overheid ontvangen? En wie zal dan ondernemen? Maar ook, wie zal proberen jonge kinderen voldoende kennis bij te brengen opdat ze zelf ooit zullen leren denken? Want het maatschappijmodel van deze partijen en – het moet gezegd – ook wel van de werknemersvleugel van de CD&V roept vragen op.

U meent dat u op de pianist mag schieten, zo lijkt het als u Jan Jambon en Peter de Decker mag verwijten dat zij praktijken van het ACW hebben bloot gelegd. Als de vragen niet publiek waren gemaakt, had het gerecht in alle stilte een en ander kunnen laten aanslepen. Het belang van het middenveld? Er blijken wel wat mensen van het ACW de rangen van N-VA te hebben vervoegd en er zal altijd wel een organisatie van mensen met gedeelde belangen nodig zijn. Tegelijk merken we hoe vlug zo een groepen, ik denk aan het geval Victor, in de maling genomen worden door grote spelers op de markt.

Uw Filippica tegen N-VA is eindelijk schrijnend, omdat u ermee aangeeft dat u niet zo heel veel nieuwe elementen in het debat heeft in te brengen. Ik denk, maar zal me wel vergissen, dat de visie op mens en samenleving, op arbeidsverhoudingen en menselijke verhoudingen vandaag voor iedereen wat moeilijker af te lijnen vallen dan ooit het geval was. Dat verleden moet niet verheerlijkt worden, maar kan evenmin verguisd worden, het was gewoon een andere tijd. Men kan zich ergeren aan kortzichtigheid, maar toen ik enige tijd geleden nog eens naar Antwerpen reed, merkte ik dat het hele autowegencomplex wel een prachtige aanwinst is geweest en dat het onbegrijpelijk is dat men de nieuwe oeververbinding met schijnargumenten heeft bestreden.

De prooi van de Vlaamse Leeuw? Ach kom, ofwel zijn de burgers in Vlaanderen te dom om te helpen donderen, ofwel zijn velen in staat hun oordeel te vellen en dan is de keuze voor die partij of een andere te legitimeren. 10 jaar geleden haalde Steve Stevaert een monsterscore met zijn gratis-verhaal, vandaag kan de Lijn niet altijd de beloften invullen en worden opnieuw mensen verplicht in de auto te stappen. Het verhaal liep ook ten einde omdat Stevaert het eigen verhaal niet kon blijven argumenteren. Natuurlijk, hij gaf uitvoering aan het devies: “L’imagination au pouvoir!” maar hij vergat dat het goed is in gedachten te houden dat het verboden is te verbieden. De politieke strijd die de volgende 12 maanden zal woeden laat het ergste vermoeden, want men zal blijven zeuren over de onmacht van de N-VA een werkelijk alternatief te bieden, maar waarvoor is niet geheel duidelijk. Men zal ook blijven volhouden dat de N-VA de verwezenlijkingen van de Verlichting niet zou accepteren. De gelijkheid van man en vrouw? Zou de N-VA er verstek geven? De scheiding van kerk en staat? Bart de Wever heeft in de Kamer een pleidooi gehouden waarin hij stelde dat de staat ook niet kan of mag proberen de beginselen van de kerk aan te vallen. Of men het dan eens is met de inzichten van de kerk is een ander verhaal.

Het zou dus wenselijk zijn uiteen te zetten waar de N-VA voor staat. De partij pleit voor een confederaal België en als het niet anders kan een onafhankelijk Vlaanderen. Mag men dat een onzalige idee vinden, men kan ze niet bestrijden met invectieven zoals men die telkens weer weet te vinden. Men mag het lastig vinden dat een partij vindt dat de middenklasse er toch toe doet, maar men moet dan niet doen zoals Marc Reynebeau in “Het Klauwen van de Leeuw” betoogde, alsof dat een fout inzicht is. Want het mag duidelijk zijn, in Vlaanderen en de meeste welvarende regio’s in Europa en de VSA is het succes van de middenklasse maatgevend voor de algemene welvaart. Alleen regelrechte marxisten kunnen de stelling accepteren dat de middenklasse er niet toe doet. Maar het alternatief is wel dat men wel de belangen van het volk zegt te behartigen, zonder er zelf deel van uit te maken.

Besluiten we dus maar dat uw verhaaltje over de prooi van de leeuw eens te meer blijk geeft van een grote verachting voor mensen, die, zoals uzelf, tot uw ergernis misschien, ook diploma’s haalden van de universiteit en er zelfs eventueel iets mee hebben gedaan, eventueel als hobbyhistoricus.

Bart Haers        

Reacties

Populaire berichten