bij de installatie van een pastoor
Dezer
Dagen
Op gemene grond
waarover men het (niet) eens is
![]() |
Kerk van Zomergem in Oost-Vlaanderen |
Verkiezingen
die alleen nog gaan over wie wint en niet over projecten, verwachtingen,
(Amerikaanse) dromen, versterken de democratie niet. Verslaggeving die wil
peilen naar het aanvoelen van mensen en daarbij blind lijkt voor wat mensen in
beweging zou kunnen brengen, versterken al evenmin het samenleven.
Levensbeschouwelijke discussies en het persoonlijke leven, het blijken vaak
twee werelden. Waar moet dat heen? Ach, zo pessimistisch hoeft het nu ook weer
niet?
Er
was een uitnodiging om de installatie van een nieuwe pastoor voor de fusie van
voormalige parochies - die fusie is voorlopig vooral personeel in de figuur van
de parochiepriester - in Zomergem, maar die ook dienst zal doen in Waarschoot
en Lovendegem, Beke, Ronsele en Oostwinkel. Merkwaardig genoeg spoort de nieuwe
constellatie voor de uitbreiding van het aantal parochies in de streek, zo rond
1200. Demografische mogelijkheden, maar ook een noodzaak, om de christianisatie
in de diepte mogelijk te maken. Ook na de oprichting van de Belgische
kerkprovincie, zou er nog een groot aantal kerken in nieuwe gehuchten bijkomen
met het oog op een dichter bij de parochianen staan van de priester. Dat
project dat in het bisdom Gent van 1836 af uitgerold werd, mocht succesvol
heten en er was personeel te over. Vandaag moet men vaststellen dat het
personeel sterk in aantal is afgenomen en dat het met het aantal gelovigen die
regelmatig ter kerke gaan ook al niet florissant gesteld is. Maar goed, het ging
ook om een familiegebeurtenis en dus ging ik in op de uitnodiging. Mijn kozijn,
E.H. pastoor Willy Haers - men hoort of leest het niet meer op die manier -
werd geïnstalleerd in Zomergem en dat gebeurt met enige ceremonie en een
viering, gevolgd door een receptie.
Terwijl
onze jongens in kaki betogen omdat ze met pensioen moeten wachten tot 63, in
2030, komen de soldaten van de heer, de priesters er maar niet toe echt op
emeritaat te gaan en blijven ze tot hun tachtigste actief. Van rondhangende grijsaards
zal geen sprake zijn, van vermoeiende inzet voor die parochies en de leken des
te meer. Het is een inzet waar men de zin gemakkelijk van kan ontkennen, omdat
men het bestaansrecht, de bestaansreden van de kerk gemakkelijk kan ontkennen,
maar daar vergist men zich in, valt te vrezen. Natuurlijk, de beminde gelovigen
bereiken ook de pensioengerechtigde leeftijd en wij, de iets jongere generatie
hebben de banden met de kerk als instituut en als organisatie, maar ook als
aspect van ons persoonlijk traject opgeschort, meestal afgebroken, al lijken er
nog altijd jongeren via allerlei nieuwsoortige vormen - die ook al redelijk
lang meegaan - zoals de Arkgemeenschappen of anders via Taizé nog wel
affiniteiten te behouden en te ontwikkelen.
Iemand
zegde mij onlangs "je gelooft of je gelooft niet". Inderdaad, op die
manier gesteld is het simpel, maar gezien de discussies die rondwaren in Europa
en de kwestie hoe men het eigen leven zal inrichten, leven, veel mensen niet
enkel raakt, maar onzeker maakt, is het niet zonder belang na te denken op
welke gemene gronden men met elkaar kan praten, spreken over wat men wezenlijk
vindt. Mijn kozijn en ik hebben gedurende al die jaren wel eens gepraat,
natuurlijk en hij was tevens altijd druk met vele taken en veel inzet, maar ik
merkte vaak dat er geen gemene grond meer was voor een gesprek, al probeerde ik
nu net niet te beginnen zeuren over wat de kerk allemaal mis had gedaan. Dan
was er uiteraard geen gesprek mogelijk. Maar priesters hadden, vrees ik, niet
door dat leken zelf ook wel een gesprek wensen, niet over de kerk als zodanig,
maar over het leven in deze tijd en hoe inzichten te delen. We, ik gaf de
indruk vanuit een zekerheid over het eigen gelijk te spreken en mijn
onkerkelijkheid te etaleren. Het knelpunt was echter gelegen in het ontdekken
dat priesters met geschoolde leken moeilijk kunnen spreken omdat er op het oog
geen gedeelde cultuur, intellectuele cultuur meer lijkt te bestaan, wat vooral
vooral voor priesters lastig werd, zodat ze dan nog eenzamer in hun ambt
stonden. Ik wist wel dat Willy Haers in Oudenaarde en later Wetteren wel
degelijk een vriendenkring had opgebouwd, dat hij op zijn talrijke broers en
zussen plus aanhang kon rekenen en dat hij van tijd tot tijd onze heeroom,
pastoor Richard Haers opzocht en later de tantetjes, de zussen van zijn en mijn
vader. Oh ja, om het plaatje compleet te maken: wijlen mijn vader was bij leven
zeer lang kerkmeester, voorzitter van de kerkfabriek, maar ook zette die vader
van mij zich in voor de oudervereniging van de lagere school en de
parochieraad. Wetenschappelijke nascholing voor zijn beroep als tandarts volgde
hij gedurende bijna veertig jaar en hij was en bleef lang geinteresseerd in
literatuur en nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen. Opvattingen die niet strookten
met wetenschappelijke inzichten over bijvoorbeeld de oorsprong van de soorten
of over de Oerknaltheorie vond hij moeilijk te verstouwen, wat wel maakte, denk
ik, dat hij daar mee geworsteld heeft.
Juist,
ja, katholiek ben ik opgevoed, maar ik liet, zoals eerder al gezegd dat
kerkdeur achter me dicht glijden, ging nog wel naar diensten waar ik vond
aanwezig te moeten zijn, maar er was iets met de kerk en met het geloof, dat ik
niet kon accepteren. Goed, ik geloofde niet meer in het credo en dan kan je dat
ook niet met goed fatsoen uitspreken. De persoonlijke god werd en bleef een
oplosbaar probleem en ik had ook kunnen bedenken dat het geen zin heeft om
erover na te denken. Edoch, onder meer de aandacht van filosofen als Leo
Apostel, wiens werk ik leerde kennen, maar ook mijn eigen onderzoek naar de
cultuurpsychologische rol van angst, brachten me bij aspecten van de
christelijke cultuur en samenlevingen die er niet enkel de donkere kanten van
lieten zien. Eerlijk is overigens ook te stellen dat ik wel wist van priesters
die het al eens op jongens of jonge meisjes hadden voorzien, maar dat men niet
iedereen over dezelfde kam kon halen. Ook wist ik uit observatie dat deze
mensen, priesters in de loop der jaren bijzonder eenzaam waren geworden. Het
gedrag van de voormalige bisschop van Brugge, zijn ontvluchten ook van zijn
verantwoordelijkheid blijft een smet voor hem. De toenmalige aartsbisschop
Danneels heeft de oude praktijken blijkbaar ingezet, verhullen, geen aandacht
voor de slachtoffers, het behoud van het status quo nastrevend, zodat men wel
met een ontgoochelend schouwspel te maken kreeg. Maar mag men daarom elke
priester onmiddellijk verdenken? Hoeveel leken maken zich schuldig? Kan men
mensen zonder aanwijzingen verdenken?
Eerst
de mens, dan de ideologie of levensbeschouwing, leerde ik van mijn ouders, zag
ik ook wel om me heen, al zijn we daar we weer wel van verwijderd geraakt.
Pluralisme is een woord dat niemand nog in de mond bestorven lijkt. Pluralisme,
begreep ik onder meer van Leo Apostel en via de uitzendingen van Jean-Pierre
Rondas, Wereldbeelden, kan men maar als men een gemene grond vindt waar men het
over eens kan zijn. Ook dat vergt dus al preliminaire gesprekken, over wat we
delen aan inzichten. Maar zou dat echt zo moeilijk liggen? Of gaat het meer om
een houding, een acceptatie dat de andere iets te vertellen heeft, ook al kan je
daar zelf maar moeilijk bij?
Zondag,
de installatieviering bijwonend merkte ik dat de pastoor er zin in had, hij zag
een nieuw begin en kon een paar gewichten uit zijn rugzak gooien, dingen die
voorbij waren en waar hij niets meer mee aankon, maar uit recente gesprekken
had ik ook al gemerkt dat hij wel nieuwe inspiratie had meegenomen en die
koesterde. Inzichten uit andere levenssferen dan de zijne en met een open blik
op wat mensen aanjagen kan, inspireren kan ook. De uitnodiging had ik dan ook
graag aanvaard en ik heb het gebeuren met een tamelijk frisse blik kunnen
volgen, dat wil zeggen, ik heb ook zo een beetje de ballast afgegooid en kijk
naar wat mensen willen doen, zich inzetten in hun omgeving en zien dat ze niet
alleen welwillende bedoelingen hebben, het ook nog eens doen op een wijze die
wijsheid bergt en openbaart, ervaring dus die met de jaren komt en die op een
subtiele wijze binnen het ritueel, binnen de vastgelegde - vastgeroeste ? -
vormen, woorden, gebaren in zijn geslopen of bewust aangenomen.
Toen
men in de politiek en de economie een jeunisme ging prediken, waarbij ervaring
juist werd afgeschilderd als ballast, blijkt in het volle leven hoe mensen die
hun ervaring onder handen hebben genomen en er niet enkel het negatieve aan
overgehouden hebben, het negatieve mensbeeld overgehouden hebben, een vorm van
wijsheid aan de dag weten te leggen, dat ook een zeker niet weten accepteert.
De gemene grond waarover men het kan hebben, breidt zich uit. Het is niet
zonder belang, omdat wie bijvoorbeeld een bericht opvangt over de toepassing
van euthanasie in Vlaanderen, meteen merkt hoe wij, seculieren, die buiten die
gemeenschap staan niet enkel het eigen lijden afwijzen, maar ook de gedachte
dat we afhankelijk zouden worden, dat we op enig moment hulp zouden kunnen
nodig hebben. De definities van een menswaardig bestaan? Als men bij historici
te rade en bij schilderijen van oude mensen in vroegere tijden - Gustave Van de
Woestijne liet er enkele prangende zien - begrijpt dat wij de mogelijkheid
mogen verwachten om niet alleen oud te worden, soms zeer oud, maar ook nog eens
lang vitaal, kranig en autonoom. Hoe dan om te gaan met het voortijdig
overlijden van naasten? In de familie stierf onder meer de moeder van Willy
Haers op tamelijk jonge leeftijd, onder zeventig dus en ook een andere tante
stierf voortijdig, zoals gezegd. Ik denk dat het avontuur van de medische
vooruitgang, dat ook in de Verlichting een basis kent, ons zeer ver gebracht
heeft, net als de welvaarttoename. Het probleem van het lijden komt dan op een
andere manier terug, niet als direct falen van het gestel, maar juist omdat het
gestel, het lichaam langer meemoet dan de termijn die de natuur lang aan
mogelijkheden bood, zal het ons op zeker ogenblik weer moeilijk worden alles
zelf te beredderen, voeding, kleden, opruimen.
Hier
blijkt het zeer moeilijk een gemene grond te vinden, ook al omdat in de
seculiere visie op mens en het menselijke leven wij baas zijn over het eigen
bestaan, terwijl... tja, de katholieken nog altijd geloven in een soort genade.
Maar linksom of rechtsom, Schopenhauer en Heidegger stelden onze bestaanswijze
als donker en zonder perspectief voor: we zijn in de wereld geworpen en de wil
in de optiek van Schopenhauer is zeker niet vrij. Alleen in de kunst zouden we
een uitweg kunnen vinden. In wezen kan men die voorstelling van zaken,
determinisme dus, ook wel best in christelijke denominaties vinden en niet
zelden gaf ook het katholicisme blijk van dit uitermate donkere mensbeeld:
vrees de hel en de verdoemenis, gehoorzaam dus de priesters.
Het
is bij de studie van de levensbeschouwingen in de achttiende eeuw, als student
en ook later, dat ik de cultureelpsychologische en antropologische aspecten die
in beide stromingen zat, de christelijke levensbeschouwingen en de opgeld
makende filosofieën gelijkelijk aantrof. Het begrip vrijheid, maar ook
autonomie werd wel geponeerd, maar waar Augustinus en Thomas nog ruimte zagen
voor een inbreng van de persoon, werd in de zielenzorg de persoon van de leek
voor de zielenzorger een voorwerp van sturing, correctie en vermaning. De leek
kon zelf niet veel meer uitrichten. Nu heeft het Jansenisme, net als het
Calvinisme bij Augustinus de mosterd gehaald, bleek uit meerdere studies,
terwijl anderen vonden dat Calvijn en de Jansenisten niet het volledige werk in
overweging namen, maar die stukken die met de genadeleer te maken hadden: God
verleent op eigen gezag die genade en mensen kunnen er niets tegen uitrichten. Men
kan dus best even nadenken over dat geloofspunt "sola fide", alleen
door het geloof. Ook in de seculiere samenleving kan men maar beter onderzoeken
of we ons niet aan die gedachte laven. Alleen het geloof in het eigen succes en
de eigen verdienste, zonder enige aandacht voor dat dorp dat nodig is om een
kind op te voeden tot man of vrouw.
Luisterend
naar de wijze waarop de pas geïnstalleerde pastoor ons toevertrouwde hoe hij
zijn taak zag en hoe hij hoopt die te kunnen volbrengen, blijkt daar meer
plaats voor welwillendheid, niet meer voor het strakke leiden van mensen binnen
de enge kaders van een in menig opzicht obsolete leer. Maar ook komt er uit
zijn woorden een inzicht naar voor dat hij zal moeten vertrouwen op de inbreng
van leken, zoals ook in de dienst al bleek. Hoe of hij mensen ervan kan
overtuigen dat het om dat samenwerken gaat, zal moeten blijken, want die leken
zullen mee moeten gaan op dat pad.
Daar
begon het me te dagen dat die visie wel strookt met wat ik zelf vaststel in de
samenleving als zodanig: politici, leiders, willen vandaag bewijzen dat ze er
staan en vooral wie zelf iets wil, tegen hun inzichten in, krijgt dan exposure,
het samen timmeren aan de weg, komt hier niet of te weinig aan bod. Of het nu
een christelijke gemeente, een parochie is, waarvan die pastoor hoopt dat het
meer is dan een aantal mensen die op zondag hun dienstplicht vervullen, zo moet
men vaststellen dat wij zelden nog als burgers aangesproken worden, als mensen
die deel (zouden) moeten hebben aan het wel en wee van de samenleving. Iedereen
kan daar naar eigen inzicht en mogelijkheden over beslissen, maar ook de
seculiere samenleving behoeft de inbreng van burgers. Wie in onze steden en
dorpen rondloopt, zal merken hoe tot in de negentiende eeuw welstellende
burgers hebben bijgedragen tot het publieke patrimonium, belforten, vaak wegen
en uiteraard ook de hoeven en huizen die samen zo een dorp of gehucht vormden.
In de loop van de twintigste eeuw is de sturende, bepalende rol van de overheid
zo overmachtig geworden, dat mensen zich inderdaad tot stemmachines gereduceerd
werden en wie het regime, de toevallige regering steunde was voor die fractie
hoogstens goed voor vreetfestijnen en hulp bij de campagne, borden plaatsen en
zo. Meedenken met het beleid? ho maar.
De bestuursaanpak
zoals die zich ontwikkelde liet zien hoe het beleid steeds weer in gesloten
gremia tot stand kwam, waarbij een interne ratio het overnam van de overlegde
en gezamenlijke afgeklopte eensgezindheid. Intussen nam het aantal mensen toe
die behoorlijk onderwijs genoten hebben en ook wel begrijpen hoe economie begrepen
kan worden. De polderbesturen vormden lang een uitzonderlijk voorbeeld van
zelfbestuur maar de groenen hebben er een bron van ergernis van gemaakt, zonder
te begrijpen dat het ging om een corporatie met gedeelde verantwoordelijkheid.
Hoewel in het onderwijs en de media, bij ideologen de idee leeft dat de
ambachten en gilden van het Ancien Régime alleen maar een verdwenen vorm van
uitbuiting en exploitatie waren, zal men moeten vaststellen dat het
basisdemocratische instituties waren, al had men wel een proeve van verdienste,
meesterschap over te leggen om lid te worden en mee te mogen spreken. Men
heeft, toen ik studeerde, het neocorporatisme zoals dat verbonden werd aan
bijvoorbeeld het solidarisme geprojecteerd op wat er voor de negentiende eeuw
bestond en het allemaal verdacht gemaakt. Was dat ideaal? Wellicht niet, maar
er bestond wel een mogelijkheid om samen aan de weg te timmeren.
Wie
de kerkgeschiedenis kent, weet dat er algauw een breuk kwam tussen leken en
priesters, maar dat was wellicht pas het geval toen de kerk uit de catacomben
kwam en georganiseerd werd in een groter geheel, als staatskerk. De wereld van
leken en ingewijden werd in de middeleeuwen steeds meer geaccentueerd en nog
eens, toen de kerk na de Franse revolutie in de Nederlanden, België
heringericht werd, was die distinctie een kloof geworden, die niet meer te
overbruggen viel. De laatste decennia heeft dat voor toenemende afwezigheid van
betrokkenheid van leken gezorgd en voor moeizame gesprekken.
Maar
ook in de samenleving zien we, zoals Richard Sennett en Susan Neiman betogen,
dat leken en ingewijden elkaar nog nauwelijks op gemene grond kunnen
aanspreken. Wie zijn ego gestreeld wil zien door media-aandacht kan maar beter
scherp van leer trekken tegen het beleid, provoceren. Zo kan men overigens wel eens
grote aandacht voor het eigenbelang maskeren, want men doet alles om een
project van algemeen belang tegen te houden, terwijl mensen die hun steun en
ondersteuning willen uitspreken, van geen tel zijn. In naam van het liberalisme
en de vrije competitie heeft men het bestaan van corporatief georganiseerde
ondernemingen, zoals Comelco van de melkveehouders in het Meetjesland in het
gedrang gebracht. Nu is Comelco deel van Campina en bestuurt die de
aanleveringen op strikt economische gronden, wat boeren dwingt hun jarenlange
inspanningen van teeltverbeteringen op te geven, zelfs verloren te zien gaan.
Die
vervreemding lijkt men ook in het middenveld te moeten opmerken, wat nog eens
tot uiting kwam in het Pietenpakt. Piet is geen moor meer, maar een
schoorsteenveger. Niemand volgt hen, al
wil een zinnig mens ook niet dat een kind met een donkere huid door anderen
wordt uitgekreten voor "voale swette", vuile zwarte. Het probleem ook
hier: wie het samenleven wil verbeteren, zal niet gauw medemensen uitschelden,
maar wie zichzelf niet meer voor vol aanzien weet, zal zelf in overlevingsmodus
gaan en astrant anderen bejegenen als een bedreiging. Een ondernemer stelde dat
we niet langer in een competitieve samenleving leven, maar men kan aan de
indruk niet ontkomen dat we in strijd van allen tegen allen verwikkeld zijn
geraakt. Nog eens, het middenveld, dat zijn dus vakbonden, mutualiteiten en
vormingsinstellingen, maar ook vrije corporaties van mensen die gezamenlijk
iets willen opzetten, hebben hun belang, maar juist vakbonden en mutualiteiten
hebben hun eigen aard als beweging verloochend en hebben, zeker wat de
mutualiteiten betreft, de idee van lidmaatschap los gelaten, met het argument
dat die hele gezondheidszorg niet meer betaalbaar is zonder hun expertise.
Hoewel ik denk dat de kostprijs voor de terugbetalingen van behandelingen hoog uitvalt,
kan in deze tijd de mutualiteit wel opnieuw de verbinding worden tussen
patiënten, verzekerden en artsen, de gezondheidszorg. Er worden daartoe op het
terrein wel inspanningen gedaan, maar in het publieke debat nemen de leiders
van de mutualiteiten een strijdbare positie in, die niet gedeeld wordt met de
leden op zo een wijze dat die leden ook weerwoord kunnen geven en hun
betrokkenheid laten blijken.
Als
ik zondag in de kerk zat, luisterde naar het koor, de mensen bezig zag er een
mooie dienst van te maken, begreep ik dat het zaak zal zijn de leken opnieuw op
een hoger echelon te plaatsen, als direct betrokkenen en belanghebbenden best
ook dat belang voorop kunnen stellen, even vergetend dat ze aan hun huis en
aanhang moeten denken. Toch besefte ik dat het andere knelpunt niet uit het oog
verloren mag raken, dat zij die ingewijd zijn - voor priesters is dat
letterlijk het geval - voor de samenleving zijn de ingewijden de kleine kring
beslissingsmakers en hun adviseurs die werken vanuit een concept van
kennisverwerving en -verwerking die hen ver boven het gemeen plaatst, waarbij
nagelaten wordt die informatie ook tijdig en goed te delen, zodat er een gemene
grond kan ontstaan.
De
boosheid van velen onder ons ontkennen helpt niet, maar zelf dan maar liever
achter de glazen wanden van bestuursinstellingen blijven zitten, zal vooral die
woede alleen doen toenemen. Wie zoals Tinneke Beeckman vaststelt dat men te gemakkelijk
maatschappelijk ongemak alleen sociaal-economisch wil duiden, zal met mij dus
ook denken over de vraag hoe of men op gemene grond kan samenwerken. Een
belangrijk facet vormt het delen van kennis en het vermogen van burgers
erkennen om met die kennis om te gaan. Vaak ziet men dat in het licht van het
verdedigen van de eigen positie, zelden als een voorwaarde om tot
gemeenschappelijke actie te komen, minstens begrip voor het beleid.
Na
afloop van de dienst en de receptie, sprak ik nog even met mijn kozijn en
vertelde hem mee dat ik een meer dynamische mens had gezien, die tegelijk ook
niet meer geneigd lijkt alle touwtjes in handen te nemen en te houden, zoals
het voor zijn voorgangers te doen gebruikelijk was. Maar voor mezelf kwam ik
ook tot de vaststelling dat we in de samenleving ook op zoek moeten gaan naar
een gemene grond, waar we gezamenlijk de kwesties kunnen bekijken. Natuurlijk
zijn verkozen politici uit hoofde van hun mandaat verantwoordelijk, maar wij
zijn het ook. Het recht op opstand, blijft gelden, maar tot
medeverantwoordelijkheid voor de soms complexe situaties moet men ook kunnen
aansporen. Het blijft de verzuchting van Ruth Andreas-Friedrich aan het einde
van de oorlog, die ze in Berlijn had meegemaakt, samen met anderen strijdend
tegen de nazi's, al zouden we er ons niet kunnen bij voorstellen, dat toen het
erop aankwam samen te werken aan iets nieuws, om iets nieuws te beginnen,
vonden ze elkaar niet meer. Hoewel ze links was tijdens de oorlog, heeft ze na het
verlies van haar man, de dirigent Andreas vastgesteld dat het reëel bestaande
communisme ook niet op samenhorigheid in de feiten gericht is. Anders dan
anderen heeft ze zich niet in de DDR gevestigd maar is ze naar München
verhuisd.
Onze
samenleving laat echter toe dat we niet enkel schaduwen voor morgen zien, want
er valt veel bereidheid bij burgers te zien, maar ook bij overheidsmensen een
gebrek aan bereidheid om die inbreng naar waarde te schatten. Kerk en
samenleving staan voor hetzelfde probleem: niet enkel de harten winnen van
mensen, terugwinnen, maar vooral hen de ruimte te laten mee aan de weg te
timmeren en vooral beter de besluitvorming te verantwoorden. De media hebben
als vierde macht dan ook niet enkel de taak fouten van het beleid aan te
stippen, maar ook over het algemeen belang het licht te laten schijnen. Zolang
men geen gemene grond ervoor vinden kan... blijf ik mee zoeken.
Bart
Haers
Reacties
Een reactie posten