Beleid en het leven van de geest, oordeelsvermogen
Kritiek
Oordeelsvermogen en
maatschappelijk debat
![]() |
Walter Bagehot, (1836 - 1877) was journalist, zakenman en essayist. Schreef onder meer over de constitutie. |
Er
gaat geen dag voorbij dat een issue aan de orde komt, waarvan men duidelijk
merkt dat men de zaak niet afdoende onderzocht heeft. Of het nu over het
M-decreet gaat, dat de inclusie van personen met een beperking moet bevorderen,
een oefening die zeer lovenswaardig is, maar in de praktijk op de klippen
blijkt te lopen, dan wel over het bijvoederen van dieren aan de
Oostvaardersplassen of het aanleggen van een stuw op de Dender, telkens ziet
men dat er een instantie ontbreekt die afweegt wat er nuttig, noodzakelijk en
wenselijk moet heten. De reorganisatie van de ziekenhuizen kan men nauwelijks
volgen, omdat er zoveel parameters in het geding zijn, van betaalbaarheid van
de zorg tot de specifieke omstandigheden van patiënten. Probeer dat maar eens
samen te voegen. En ja, de politiek zou in haar overwegingen meer aandacht
kunnen besteden aan het afwegen van doel, middelen en uitkomsten, ongewenste
neveneffecten incluis.
Het is
een oud zeer waar ik me vaak vragen bij stel: wie beschikt over het
oordeelsvermogen dat toelaat om van een kwestie voors en tegens tegen elkaar af
te wegen, waarbij men bereid is de vele facetten grondig door te nemen. Men
zegt wel eens dat het een gave is de kern, de essentie van een probleem eruit
te halen en de rest terzijde te schuiven. Soms is het batig van een probleem de
essentie, het belangrijkste te vatten maar vervolgens merkt men dat men veel
niet in ogenschouw heeft genomen, zodat het uitrollen van een beleid vaak
nergens toe leidt, omdat men de kern wel raakte, maar niet het hart en het
aanvoelen van mensen heeft weten mee te krijgen.
Men
begon op zeker moment in een onbedoeld natuurgebied, de Oostvaardersplassen,
grazers en paarden de vrije loop te geven en dat zo dat mensen zo weinig
mogelijk de dieren zouden bemoederen, want de natuur zou wel bepalen welke
zouden overleven en welke in koude winters ten onder zouden gaan. De grazers en
paarden waren nodig om te verhinderen dat het landschap zou dichtgroeien met
bomen en riet, vervenen zou waardoor de biotoop van aard zou veranderen. Het is
dus correct te stellen dat het aanvoeren van dieren een artificiële ingreep was,
maar vertel dan eens hoe de dieren er op natuurlijke wijze terecht hadden
kunnen komen? Nu zien we wel dat in Vlaanderen, Limburg en West-Vlaanderen het
aantal everzwijnen snel toeneemt, bij gebrek wellicht van natuurlijke vijanden.
De voedselpiramides zijn verbroken, verbrokkeld, want de ecosystemen hebben wij
mensen overhoop gehaald. Toch valt er veel voor te zeggen de dieren op en rond
de Oostvaardersplassen hun weg te laten gaan en de weg van alle leven, zonder
al te veel ingrijpen van mensen.
Het
probleem doet zich nu voor dat dit verdedigbare beheersplan voor de grazers en
andere dieren voor de goegemeente niet strookt men een ander principe, dat men
dieren niet hoeft te laten lijden, onnodig laten lijden. Onze omgang met dieren
is gewijzigd, al bedenk ik me wel dat ik mijn oom, die paarden hield zijn
paarden niet had willen zien lijden en ook op het boerenerf van mijn grootvader
zal wel gezorgd zijn voor de paarden en de runderen, want niet alleen
vertegenwoordigt die veestapel kapitaal, toch was het ook de trots van de boer
dat zijn hof er spik en span bijlag en dat ook de dieren gezien mochten worden.
Vandaag denken we graag dat boeren alleen nog industriëlen zijn die hun dieren
maximaal willen laten opbrengen, terwijl we dan vergeten dat er inderdaad
industriële exploitaties zijn, maar dat boeren die aanpak altijd met een zekere
afkeuring bejegenen, al kunnen ze vaak niet anders dan meegaan met de
industriële veehouderij. Nu vinden we die excessen niet meer te aanvaarden, zegt
men, maar onze omgang met dieren, hoevedieren en wilde dieren, blijkt sentimenteel
geworden.
Natuurlijk,
er bestaat een filosofische strekking die stelt dat we onze antropocentrische
benadering van rechten niet kunnen handhaven, maar toch denk ik, dat de idee
dat dieren rechten zouden hebben berust op een eenzijdige manier van het begrip
recht, zonder rekening te houden met het vermogen verantwoordelijkheid op te
nemen, wat men ook van olifanten niet kan verwachten. Wel is het onze taak, nu
we de natuur op deze aarde en zeker in dichtbevolkte gebieden als de Lage Landen
bij de Zee helemaal tot cultuurlandschap hebben omgevormd, met enkele vlokjes
echte natuur, dat in stand te houden, vooral denkend aan complexe leefvormen,
ecosystemen dus.
Onze
verhouding tot dieren in het bijzonder en de natuur als zodanig is heel erg
dubieus, want het volstaat niet de bijen rechten te geven als we ertoe bij
blijven dragen dat ze domweg uitsterven, wat ook voor ons geen beste zaak is,
want het voedselproductiesysteem dreigt onderuit gehaald te worden.
Rentmeesterschap? We vinden het een tjevenwoord, maar in wezen waren het
liberale filosofen, ook John Stuart Mill, die niet alleen zochten naar wat ons
drijven zou, het maximaliseren van het plezier, waarmee hij aantoonde dat het
maximaliseren van geluk voor zoveel mogelijk mensen best wel eens een zware
belasting zou kunnen vormen op de natuur. Filosofen, ook filosofen worden vaak
samengebald in een woord of een gedachte, maar het werk van Mill omvat meer dan
dat ene werk over vrijheid, zo belangwekkend als het is.
Nu in
delen van Azië en Afrika niet enkel meer armoede een issue is, maar toenemende
welvaart best mogelijk blijkt en steeds meer mensen weet te bereiken, schiet
men hier wakker en bizar genoeg lijken we hen die welvaart te misgunnen. Het
zal echter een kwestie van goed overleg worden, waarbij wij er niet op moeten
rekenen dat we ze nog eens met kralen en spiegels in het ootje kunnen nemen.
Tegelijk
zien we klaarblijkelijk niet in waarom deze mensen uit delen van Afrika
hierheen komen, niet meer de lange weg te voet – enfin, grotendeels wel – via de
Nijl, voor-Azië en doorheen de Balkan tot ze de Noordkaap bereikten. Out of
Africa? Zo gaat het verhaal over het grote avontuur van de mensheid. Volgens
paleontologen zou er aan het einde van IJstijd maar een kleine groep mensen in
Europa geleefd hebben, in Zuid-Frankrijk. Het is alles moeilijk in te schatten,
al blijkt het uitlezen van genomen tot nieuwe resultaten te leiden die ook
archeologisch onderschreven worden. Het komt me voor dat we ons als wezen, als
soort, in een poging onze individualiteit te overstijgen nog niet goed kennen
en dat wetenschappelijke benaderingen vaak precies vertrekken vanuit enkele
aannames, die andere benaderingen uitsluiten. Is het zo dat we nog altijd door
de natuur, door de evolutie bepaald zouden worden, dan moet het ook duidelijk
zijn dat we daar sinds het einde van de laatste ijstijd wel een en ander aan
hebben toegevoegd, ook al verliep dat niet altijd lineair, terwijl dat voor een
goed begrip wel zo handig is. Nu volgen migranten, gelukzoekers opnieuw die
paden, vanuit de hooglanden van Ethiopië of van de oevers van de Niger. We
weten ons er geen weg mee, terwijl ze hier een welvarende plek vinden waar ze
deel aan willen hebben. Wij vinden dat ongehoord, of we nu van goede wil zijn
of niet.
Denken
we maar aan de wijze waarop we doorheen de geschiedenis momenten zien waar we
hard zijn voor mensen die niet aan minimumvereisten voldoen, mensen met een
beperking of andere ‘gebrekkigen”. De geneeskunde heeft heel wat bereikt en
wellicht kunnen we nog verder gaan, inzake welbevinden, waarbij we het erover
eens zijn dat we lijden moet vermijden of door genezing en herstel wegwerken. Maar
niet altijd lukt dat, of vergt het levenslange zorg. Ik heb zelden horen zeggen
dat Stephen Hawkins aan zijn aandoening en de gevolgen ervan zou geleden
hebben, want hij had dat alles overwonnen; is dat niet teveel een uiting van
beate verering?
Overigens,
mensen kunnen zich wel bevinden, ook al weten ze dat er een en ander niet is
zoals ze het zouden willen. Mensen met fysieke beperkingen, zoals blindheid,
doofheid, motorische ook, kunnen, zegt men harder lijden aan hun beperking, al
kan het ook anders en valt dat slechts individueel te overzien. Mensen met een
mentale beperking lijken wel eens redeloos gelukkig, al zijn er ook die in
stilte lijden. Men wil hen via meer inclusie leiden, via allerlei
voorzieningen, naar meer welbevinden, maar kinderen met (zware) moeilijkheden
in het reguliere onderwijs kan dan wel theoretisch wenselijk zijn, men lijkt
niet te willen inzien dat het principe an sich voldoende zou zijn opdat de
ondernomen actie ook gunstig uitpakken zou voor alle partijen, de onderwijzers
v/m en leraren in het secondair, maar ook niet voor de leerlingen en studenten,
of ze nu al dan niet met een beperking af te rekenen hebben.
De
moeilijkheid is dat wie principes hanteert en zich niet voor concrete
omstandigheden interesseert, het risico loopt schade aan te richten bij mensen
die daar geen boodschap aan hebben. Het is goed aandacht te schenken aan mensen
met een beperking en ik zag hoe mensen bij de scouts, sportorganisaties voor
mensen met een mentale beperking veel betekenen, voorkomen uit engagement en
met grote inzet van krachten. In gedachten herbeleef ik die ontmoetingen en
begrijp ik niet altijd die inzet, maar zie er wel het goede van in. Ook met mensen
die professioneel voor mijn broer en andere mensen met een beperking zorgden,
heb ik leren omgaan en hun inzet, liefde leren te waarderen. Maar of een leraar
v/m in het gewoon onderwijs dat allemaal kan opbrengen, zonder de valide
kinderen te veronachtzamen, lijkt me heel moeilijk te realiseren, zelfs een
bovenmenselijke opdracht.
Vanuit
het evolutionaire denken is ons, schreef Susan Neiman, bijgebracht dat
altruïsme niet bestaat en dat het nobelste engagement altijd wel ook een
egoïstische toets heeft, wat ook uit de bovenstaande voorbeelden afgeleid zou
kunnen worden. Maar die jongeren in de scouts in Eeklo en Gent, Abajaa ook, zij
deden dat misschien wel met de inzet om mensen met een beperking mooie momenten
te bezorgen, waar ze goed in lukten. Het was en is ook minder vrijblijvend dan
een nobel principe onderschrijven zonder zelf met de uitvoering ervan belast te
zijn. Het is mogelijk dat mensen zichzelf even vergeten om voor iemand zorg op
te nemen, soms een leven lang. Ook mantelzorgers doen dat, zonder veel voor
zichzelf op te eisen.
Natuurlijk
zouden er geen mensen met een beperking onder ons moeten zijn, maar de
geneeskunde kan veel, ook bij premature geboortes baby’s in leven houden, waar
er nog altijd iets mis kan gaan. Ook denk ik dat tegelijk dat we gevoeliger
zijn geworden voor en afkeriger van mensen met een beperking, of armen, zieken.
We vinden het lastig als iemand in een rolwagen op een terras komt zitten, die
nauwelijks kan bewegingen en alleen gekke geluiden kan maken. Ook ik had het
daar wel eens lastig mee, maar tegelijk, die ellende is er nu eenmaal en we
kennen niet altijd de oorzaken van aandoeningen of beperkingen, ook al doen we
nog zo hard ons best. Meer nog, het probleem blijkt dat we zo hard zoeken naar
oorzaken dat we weer andere mensen onrecht aandoen.
Wat
heeft dit alles met oordeelsvermogen te maken? Dat we niet zeker kunnen zijn of
we voldoende ingevoerd zijn en tegelijk zijn we zo gefixeerd op en geobsedeerd
door “feiten” dat we er niet altijd moeite voor doen aspecten onder ogen te
nemen, die we ons kunnen inleven, vanuit onze verbeelding. Natuurlijk moeten we
de waarheid geen geweld aandoen en wat we weten ernstig onder ogen zien. Speculeren
over wat mensen in ellende voeren kan, hoeft niet, net zo min als we zomaar
kunnen aannemen dat mensen niet capabel zouden zijn het goede leven te leiden,
wegens gebrek aan opleiding en kennis, terwijl mensen die inderdaad niet dat
geluk hebben, vaak goed weten hoe het moet, al kunnen we dat niet becijferen.
Opgeleide mensen kunnen ook wel brokken maken.
Complottheorieën
zouden nu wijder verspreid zijn dan ooit voordien, maar ik ben daar niet
helemaal zeker van, want waar ze vroeger voortkwamen uit een tekort aan
beschikbare kennis, komen ze nu wel voort uit een wantrouwen tegen de media,
zonder dat men zich de moeite getroost tot een kritische lezing te komen. Nu,
we moeten ook wel vaststellen dat we niet altijd veel voorbeelden krijgen van
kritische analyses, behalve als en indien dat goed uitkomt. De ongelijkheid in
de samenleving is een feit, dat we antropologisch kunnen duiden, maar tegelijk
weten we dat ongelijkheid voor individuele mensen altijd weer anders beleefd kan
worden. Zonder voor lijdzame apathie te pleiten, denk ik te mogen stellen dat
er mensen zijn die weten dat ze minder te makken hebben dan andere en zich daar
best bij voelen, want ze kunnen voor zichzelf zorgen en hebben een relatief
goed leven.
Welke
instantie zou nu tot dat veelomvattende oordeel moeten komen, in plaats van
kort door de bocht met een apodictische uitspraak te komen aanzetten? Wijzelf
uiteraard, maar het vergt oefening en van tijd tot tijd ook de moed om te
zwijgen of het oordeel op te schorten. Men hoeft geen angst te hebben voor de
complexiteit van het leven, van mensen en dingen, waarbij men dan denkt verlamd
te worden. Het vergt wel overzicht en het vermogen niet enkel de eigen besognes
in ogenschouw te nemen. In die zin lijkt de universiteit een ideale biotoop te
zijn waar men wel complexe vergelijkingen kan onderzoeken en oplossen, maar
studenten leren algauw dat je alles in een A4-tje moet kunnen vatten. Alleen al
de vele publicaties rond WO I laten zien hoe erg we onze inzichten beperken als
we ons alleen met de feiten die algemeen gekend geacht worden, inlaten, terwijl
duidelijk is dat de posities die in juni, juli en augustus 1914 werden
ingenomen door de onderscheiden partijen, achteraf de toets van de kritiek niet
kunnen doorstaan. Toch zien we dat academici en academische historici graag
zich tot de kern van de zaak beperken, zoals verwoord in artikel 231 van het
Verdrag van Versailles 1919.
Evengoed
is het mogelijk na te denken over kwesties als eugenese en preventief
gezondheidsbeleid, dat wil zeggen dat we wel kunnen menen dat het beter is dat
we zo goed mogelijke mensen zouden voortbrengen, maar dat zou om te beginnen in
strijd met een inzicht van Kant, namelijk dat we geen mensen mogen beschouwen
als middelen. Men zal mij voor de voeten werpen dat het niet de bedoeling is
dat die betere mensen een instrument zijn, maar het lijkt me niet moeilijk te
bedenken dat mensen die een kind ter wereld brengen, via de natuurlijke liefdesdaad
en een lange zwangerschap, van dat kind gaan houden, al loopt het wel eens mis;
hoe het gaat met kinderen die omwille van verminderde vruchtbaarheid bij vader
of moeder via IVF ter wereld komen, met dezelfde liefde ontvangen en opgevoed
worden, wordt vaak als een succesverhaal gepresenteerd. Vooruitgang moet men
niet afwijken. Maar IVF is een oplossen van medisch-fysiologische problemen bij
een ouderpaar, bij eugenese gaat het om een (doortastend) beleid om zo goed
mogelijke mensen ter wereld te zetten. In die zin had Theodore Adorno een punt
toen hij de link tussen Verlichting en Auschwitz zag, inclusief dus het
Lebensbornprogramma van de Nazi’s, iets wat als een onzinnige associatie wordt
afgedaan.
We
beschikken als mensen over een oordeelsvermogen, over denkvermogen om feiten af
te wegen. Maar feiten vergen een context wil men er een en ander van begrijpen.
Soms denk ik dat we te gemakkelijk schwärmen met de Aufklärung, terwijl die
Verlichting zelf vooral een periode van discussie was waar vele inzichten
werden gepresenteerd. Men kan Candide van Voltaire lezen als een leuke fabel,
maar het past wel in een discussie die Voltaire met Leibniz aanging over de
vraag of we in de beste der mogelijke werelden leven, maar het
Goudlokjes-paradigma, laat zien dat we als mensheid mogen boffen dat onze
planeet net ver genoeg van de zon staat en een eigen interne dynamo heeft,
waardoor een eigen elektromagnetisch veld in stand gehouden wordt, wat ons
beschermt tegen gevaarlijke straling, waarbij er ook nog eens voldoende
zuurstof en stikstof aanwezig is om het leven mogelijk te maken, al lijkt de
aanwezigheid van zuurstof er niet vanzelf gekomen te zijn. Het
goudlokjesverhaal gaat ook over de plaats van de zon in de Melkweg en van de
afstand van de Melkweg tot de oorsprong van het universum, zodat er al
voldoende atomen met hogere complexiteit ontstaan waren, op de tabel Mendelejev
dus hoe hoger het atoomnummer, hoe meer protonen er in de kern zitten.
Waterstof heeft er dus 1, zuurstof 2.
Laten
we elkaar dus geen illusies voorhouden, want terwijl we steeds meer begrijpen
van het menselijke genoom, van de stand van zaken in de Kwantummechanica en de
gevolgen van de Einsteiniaanse natuurkunde, is niet iedereen zo slim van al die
kwesties het alfa en omega te vatten, als er al iemand is die de omega ervan
heeft gezien, weten we dat die wetenschappelijke kennis, inclusief de
Evolutietheorie, voor velen dode letter is en onbevattelijk blijft, vaak omdat
men het strijdig acht met de eigen geloofsopvattingen, meestal omdat men de
taal en werkelijkheid ervan niet kan inzien. Men kan evenwel niet zomaar en met
succes die geloofsopvattingen van tafel vegen, want er zijn nu eenmaal mensen
die eraan hechten, of men moet, zoals Lenin en Stalin plachten te doen
aanhangers uit de samenleving rangeren, vooral de toonaangevende figuren, popes
en andere bisschoppen, want dan zal het vanzelf wel verdwijnen. Ook kennis zou
de neiging tot godsgeloof inperken, maar ook dat is een illusie gebleken.
Overigens, als geloof mensen meer welbevinden brengt zonder dat het hen in de
verleiding brengt anderen wegens ongeloof of heidens gedrag te veroordelen, kan
dat geloof voor henzelf en voor anderen heilzaam blijken, in de mate dat het
hen tot inzet en engagement beweegt, voor anderen.
Voltaire
werd door Jonathan Israël als een halfbakken verlichtingsfilosoof weggezet,
Edmund Burke verdient zelfs geen of beter alleen een negatieve beoordeling.
Maar Burke leefde in een regime waar de koning nog weinig met de zaken van
landsbestuur betrokken werd, het parlement een grote greep hadden over het
beleid en Bagehot kon een halve eeuw later stellen dat de koning geen
hinderpaal meer vormde voor rechtmatig bestuur. Helemaal gelijklopend waren de
levens van Burke en Bagehot niet, maar wel blijft van belang te begrijpen dat
Bagehot zijn denkbeelden ontleende aan dezelfde werkelijkheid als degene die
Burke deed besluiten dat de Franse Revolutie voor de burger geen feest mocht
heten.
In het
maatschappelijk debat, tot slot merken we dat er geen ruimte is voor afgewogen
oordeel en genuanceerde uitspraken, wegens gebrek aan tijd, ook omdat zo een
afgewogen oordeel wel eens ten koste kan gaan van snel en effectief handelen.
Misschien is dat laatste zo, maar de zee, oceaan van regelgeving waar burgers
in een moderne democratie mee te maken krijgen, laat zien hoe schadelijk zo een
aanpak wel niet is. Dan zou men wensen dat er meer vanuit de wetgeving aan de
rechters overgelaten werd, zonder dat rechters op de stoel van de regering gaat
zitten. Nu May in het UK porno via het internet niet verder verspreid wil zien,
want jongeren zouden ermee in ongerede raken, van blote borsten en copulerende
hengsten en rondborstige dames. Er zijn mensen die er veel geld aan verdienen,
maar of het echt schadelijk is? Een verbod is van den gekke, want men lijkt op
die manier ook de betere voorlichting voor jongeren te censureren. Een beetje
kennis van het eigen lichaam en dat van de ander kan geen kwaad, als men niet doodongelukkig
wil worden; zou dat het heimelijke doel zijn van de Britse conservatieven? Alleen een eenzijdige benadering kan tot zo
een stompzinnige censuur leiden en een gebrek aan vertrouwen in mensen.
Aandacht
voor het oordeelsvermogen en hoe we afwegingen kunnen maken, over oorzaken en
gevolgen, over (politieke) actie en ongewenste neveneffecten, het blijft in
politieke debatten en gesprekken met politieke wetenschappers altijd
achterwege. Bovendien neemt men, een zelfverklaarde elite graag aan dat
burgers, hoe goed ook opgeleid geen kaas gegeten hebben van de kennis nodig om
tot zinvolle actie te komen. Via google en andere zoekmachines kan een redelijk
mens al ver komen, zonder met die gegoogelde informatie te denken zelf arts of
ingenieur te zijn. Waarom zouden studenten zich met rechtsfilosofische verhalen
inlaten, zoals Maxim Februari zegde, als ze met een paar A4-tjes al uit de
voeten kunnen, denken te kunnen. Terwijl net de rechtsfilosofische benadering
voor advocaten en magistraten zinvol kan uitpakken. De rechter moet blind zijn voor het aanzien van een gedaagde, hij of zij moet de zaak wel goed overzien en de vele juridische en maatschappelijke aspecten ervan in overweging nemen.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten