Alicja Gescinska goes to Schumann
Kritiek
Filosofen aan de bak
In de modder van het Warandepark
![]() |
Over de "Roeping-Lezingen" ging het nog niet in de discussie tussen Alicja Gescinska en Tinneke Beeckman. Toch blijven die lezingen uit 1917 behartigenswaardig.. |
Kort
nadat Alicja Gescinska kond deed dat ze op een lijst zou staan voor de Europese
verkiezingen, op een verkiesbare derde plaats nog wel, vond Tinneke Beeckman,
ook filosoof dat het met filosofen in de politiek niet zelden fout gaat. Alicja
Gescinska ging dan maar in de tegenaanval, om te laten zien dat het geen kwaad
kan dat filosofen hun inbreng hebben in de gremia van de macht, wat het
Europese parlement wel degelijk is. Nu spreken filosofen niet graag over macht
en wat en ermee kan aanvangen. Maar de dames discussiëren niet over de macht en
onmacht, al zien we er wel de glans van…
Waarom
ik over de macht begin in dit debat ligt eraan dat het functioneren van het
bestel berust op een verdeling van de macht, door Montesquieu bedacht, want
macht ligt best niet in een hand en dus werd de macht toebedeeld aan
verschillende instanties, die wij nu kennen als de wetgevende macht, de
rechterlijke macht en de uitvoerende macht. Het schema voor ogen is best van
belang om de organisatie van de politiek te begrijpen, maar het legt niet afdoende
bloot hoe macht en politiek enerzijds en de samenleving anderzijds zich tot elkaar
verhouden. Aan de hand van de discussie over een nieuwe klimaatwet en de
aanpassing van de grondwet blijkt duidelijk hoe men een bepaalde macht om onze
samenleving klimaatneutraal te maken, wil mobiliseren tegen de zetelende macht,
waarbij men niet wil discussiëren over de neveneffecten en de (on-)wenselijkheid
van bepaalde evoluties voor de samenleving als gemeenschap dat beleid zou
kunnen hebben. Interessant is dat de groep die dit wilde bewerkstelligen in het
parlement een (stuk) soevereiniteit opeist en daarmee aantoont waarom het van
belang is dat in een democratie meerdere stemmen aan het woord kunnen komen,
ook al verkoopt men dan soms onzin, zoals met het cultuurpessimisme van Baudet
het geval is. Maar blijven we toch maar nadenken over hoe macht functioneert en
hoe men als burger met een politiek mandaat aan de slag kan.
Het
begrip soevereiniteit valt overigens gemakkelijk in allerlei richtingen uit te
leggen, maar de visie van Carl Schmitt lijkt aangewezen, zoals ook Chantal
Mouffe voorstelde, namelijk dat pas Macht hebt wanneer je de mogelijkheid hebt
de noodtoestand af te kondigen en daar de middelen voor kunt mobiliseren om die
te handhaven; maar je hebt ook de strijd om die macht, die in een parlementaire
democratie toch wel getemperd wordt, wat Schmitt nu net had zien mislopen tijdens
de sukkelgang van Weimar. Het is niet zonder belang te zien dat de man dacht
via de Nazi’s iets te kunnen bereiken, maar uiteindelijk, zoals Martin
Heidegger niet aan de vaststelling onderuit kon dat denken over Politiek en
Macht twee verschillende aangelegenheden zijn en de hamvraag is wie dan het macht en gezag manipuleren kan. Manipuleren neem
ik zo letterlijk mogelijk en het gaat om het hanteren van alle hefbomen om iets
gerealiseerd te krijgen, inzake propaganda of de bouw van de autowegen… Heeft
de kamer de mogelijkheid om jobs te creëren? Of de minister van werk…
In een
facebookpost noemde ik de kritiek van Tinneke Beeckman een mooie analyse, maar
vond ik tevens dat bijvoorbeeld net Alicja Gescinska het anders of beter zou
kunnen doen. Mevrouw Gescinska vond het geen mooie analyse, met goede
argumenten en toch denk ik dat in de analyse van mevrouw Beeckman de (gewone)
argumenten tegen politiek zelf geuit worden, waarbij dan vooral het handwerk
voor ogen gehouden wordt, zoals een teveel aan pragmatisme en/of opportunisme,
dan wel grootsheidswaan. Ik denk niet dat het doorgaans zo functioneert, dat
men alleen met grote kwestie aan de slag is, niet nu maar ook niet ten tijde
van Louis XV of ten tijde van de Republiek der Verenigde Provinciën, de jaren
van Johan de Witt en de Ware Vrijheid. Het komt mij voor dat men heel weinig
aandacht besteedt aan het onderscheid tussen de dagelijkse gang van zaken en de
grote twistpunten, waarover zowat iedereen die er toe doet en niet toe doet
over komt spreken. Afgezien van revolutionaire momenten kan het dat het bestuur
vrij stabiel verloopt en weinig rimpelingen lijkt te veroorzaken, terwijl er in
werkelijkheid wel degelijk een en ander aan de hand is, maatschappelijke
veranderingen, technologische revoluties of geografische verschuivingen, maar die
ziet men niet als men gewoon afgaat op
bijvoorbeeld het werk van wel eens eerder oppervlakkige historici. Jean-Christophe
Petitfils toont bijvoorbeeld aan in zijn biografie van Louis XV dat deze koning
voortdurend met een op het scherp van de snee gevoerde strijd geconfronteerd
werd over de plaats van de Franse Kerk, voor of tegen Gallicanisme, het
Jansenisme en de vrijstelling van belastingen waar een deel van de adel en de
kerk van genieten – de dingen zijn nooit zo simpel. De stroom aan pamfletten
tegen de koning en Madame de Pompadour, zijn aangewezen maîtresse, de discussie
over de oorlogsdoelen, het verbreken van het verbond met Pruisen en de omkering
der bondgenootschappen, het is alles deel van de regeringsperiode, maar wie
beter gaat toekijken, merkt dat de koning met zijn raadgevers ook over veel
andere zaken van gedachten wisselt en beslist, zoals de aanleg van wegen en de ontsluiting
van afgelegen gebieden en precies een vrij doortastende hervorming van de
belastingen, samen met Maupoue uitgewerkt. Maar men kan de oefening maken rond
het beleid van Maria-Theresia ten aanzien van de Oostenrijkse Nederlanden en
hoe courant beleid en belangrijke breuklijnen beide hun belang hebben.
Wat
Johan de Witt aangaat, de Raadspensionaris van Holland die van 1651 af vanuit
die positie de uitvoerende macht van de Republiek vorm geeft, waarbij de
groeispurt op economisch vlak vriend en vijand verbazen. De strijd tussen de
partij van de prins en van de strikte obediëntie, met onder andere de theoloog
en dominee Voetius en de meer liberale groep rond de Witt, die een ideologie
van vrijheid ontwikkelde, maar vooral dus dag na dag bezig was met lopende
zaken, maar ook met de oorlog tegen Engeland, met het huzarenstuk, de vernietiging
van de Britse vloot bij Chatam op de Medway. De clash tussen de partij van de
Prins, de latere Koning-stadhouder en de handelselite van Amsterdam, Holland,
eindigt met de lynchpartij op Cornelis en Johan de Witt had weinig filosofisch,
maar Spinoza was er wel danig van onder de indruk. Het punt was, denk ik, dat
na twintig jaar bestuur van de Republiek, Johan de Witt de sociale en
economische verhoudingen danig had verbeterd dat de crisis van 1672; het
rampjaar waarin Louis XIV de Republiek bijna helemaal onder de voet liep,
fataal werd, temeer omdat een deel van het volk door contraremontstrantse
dominees, hun hoop altijd weer vestigend op de Oranjes opgehitst waren, onder meer
met vlugschriften die overal werden verspreid en voorgelezen. Ondanks de lotsverbetering
koos het volk voor de reactie.
We
moeten dus opnieuw nagaan hoe we politiek bedrijven, want nu doen we precies
wat Chantal Mouffe beschrijft, namelijk dat partijen en omstanders, het
commentariaat vooral, een strijd op leven en dood voeren om de tegenstander te
vernietigen, minstens ongeloofwaardig te maken. De intellectuele elite verzet
zich wel eens uit gemakzucht tegen wat hen populistisch voorkomt, waarbij ze
vaak ook wel hun eigen anti-elitaire discours onder het tapijt vegen. Zo ga je
kiezers van Forum voor Democratie niet tegenhouden, maar zo krijg je ook geen
inzicht in hoe politici aan een grote populariteit komen, zonder veel in de
media te komen of alleen uitgekreten worden. Vergeten we niet dat Louis XV voor
de Franse propagandist Ernest Lavisse – hij noemde zichzelf historicus – een “roi
excécrable” was, terwijl bij nader toezien zijn regeringsperiode best wel
interessant was, al had hij natuurlijk geen verdienste aan het werk van
Voltaire of Diderot, wel aan de economische groei van Frankrijk toen. Is het
niet eigen aan elk bestuur te denken dat men alles onder controle heeft,
terwijl niemand daar behoefte aan heeft. Louis XVI dacht er goed aan te doen de
belastinghervorming van Louis XV ongedaan te maken, waarmee hij zichzelf en
zijn (latere) mnisters als Necker voor een onmogelijke opdracht stelde, het
financiële evenwicht te herstellen en de staatsschuld onder controle te
krijgen.
In
discussies als deze over de plaats van een filosoof ten opzichte van het
politieke en het politieke bedrijf in het bijzonder, ontbreekt de discussie
over bestuurskundige aspecten zoals de vraag hoeveel transparantie nuttig is en
mogelijk, over de vraag hoe ver een overheid kan en mag gaan in het bewaken van
de openbare orde, versta, hoeveel vrijheid burgers moeten opofferen omwille van
de veiligheid. Paul Frissen schreef daarover een paar interessante boeken,
waarin aandacht voor het bestaan van “arcana imperii” wordt gevraagd, omdat
volkomen transparantie over alles enerzijds ertoe zou strekken dat het
overzicht verloren wordt en vervolgens omdat bepaalde moeilijke beslissingen
niet zomaar in het publieke domein vorm kunnen krijgen. Echter, wanneer mensen
openheid van zaken vragen, eisen, dan zal men die wel moeten geven.
Elke maand
brengen onze kranten aan wat er verandert voor u en mij en soms vraag ik mij af
waarom dat zo nodig moet, want alles altijd veranderen, dat geeft een zeker
gevoel van onzekerheid en onduidelijkheid. Anderzijds, soms vergt een kleine
bestuurlijke accentverschuiving een hoop andere, nieuwe regels om rechtszekerheid
van de burgers te verzekeren. Vaak blijkt over die ‘kleine’ besluiten
nauwelijks een debat gevoerd te zijn, maar werd het pragmatisch aangedragen
door deze of gene administratie. Politici, verkozenen des volks worden geacht
in het parlement die wetten uit te vaardigen, maar vaak komen die van de
administratie en als de verantwoordelijke minister noch het parlement het initiatief
stoppen, krijgt men een vorm van sluipende besluitvorming.
De
analyse van Tinneke Beeckman sprak mij in die zin wel aan dat zij vond dat
filosofen ipso facto uitgaan van een ideale situatie waarnaar men moet streven terwijl
de werkelijkheid weerbarstig zou zijn en dat zo een wil tot verandering kan botsen
op weerstanden, soms zelfs van het “menu peuple”, het grauw, zoals men dan de
kritiek en de gewelddaden van de Gele Hesjes – hoewel het vooral Casseurs waren
die Parijs en de Champs Elysées plunderen en in vlammen zetten – want de
prijsverhogingen voor brandstoffen kwamen er al onder Hollande en werden verder
doorgevoerd om de klimaatafspraken van Parijs na te komen. Toch denk ik dat
Alicja Gescinska wellicht niet zal meegaan in een gratuit discours, al kan het
altijd nog dat ze mee moet accepteren wat anderen in haar partij zeggen. Dat
probleem, van de solidariteit binnen de partij en bestaande machtsverhoudingen,
komt al te zelden aan bod en doorgaans als er een politicus v/m is die moeilijk
doet en uit de pas loopt.
Voor
zover ik de werkzaamheden van het Europees Parlement kan volgen, ligt het niet
voor de hand zich met al die items in te laten die daar aan bod komen. Maar de
werking verloopt dan ook vaak in commissies, waar kleinere groepen, wat dat ook
mag heten, over dossiers van gedachten wisselen, over het verbieden van glycofaat
of de opvolging van de kwaliteit van drinkwater, dat te maken heeft met
plastiek dat verloren gaat in de natuur, maar ook, denk ik dan over de
drinkwaterproductie dat via waterleidingen in de huizen komt, waarbij dan toch
de kaderrichtlijn Waterkwaliteit in beeld komt en dus het probleem van nitraatvervuiling
en bijgevolg de mestproblematiek, kortom de omvang van de veestapel. Toch komen
dergelijke thema’s niet altijd in de nieuwsberichten op radio en televisie. Dat
geldt overigens ook voor de zittingen van het Vlaams Parlement en de federale
kamer, al werd daar een verbetering gerealiseerd met Villa Politica en Vlaams
Parlement TV – al zag Actua TV voorheen de zaken ruimer en was er ook aandacht
voor het federale parlement, zonder veel commentaren. Dat sommige politici zich
wel eens in de picture willen werken, zal wel voor de hand liggen, maar na
verloop van een paar jaar blijkt wie dossiers in de vingers krijgt en hetzij
vanuit de oppositie hetzij vanuit de meerderheid aan het woord komt in
commissievergaderingen of de plenaire zittingen. De rol van een parlementslid
is overigens ook niet vanzelfsprekend, want de regering verdedigen, gaat ook
niet altijd vlotjes.
Hoe of
een politicus v/m ook een filosoof kan zijn, mevrouw Beeckman, komt mij voor
een vraag van groter belang te zijn. Want het gaat er toch om, refererend aan Hannah
Arendt, dat men politiek bedrijven moet vanuit de gedachte dat men vooral
vrijheid scheppen moet en geen schade toebrengen mag. Zij zette de activiteit
van het politieke in de sfeer van het handelen, dat wil zeggen bezig zijn met
kwesties die hun belang hebben, maar het dagelijkse overstijgen. De
gebeurtenissen rond Publifin en de recent uitgevaardigde regeling dat politici
niet via een managementvenootschap hun opdrachten in allerlei agentschappen en
organisaties die door de overheid buiten de administratie geplaatst werden. Een
beetje filosoof zal zich ook vragen stellen over de kwaliteit van informatie
over het handelen van politici aangaat, maar de media figureren in een steeds
complexer wordende markt waarbij de ebitda belangrijker is dan de kwaliteit van
informatie en documentatie. Nu goed, ook burgers zonder mandaat kunnen hier
natuurlijk over nadenken, maar dan mag toch ook aangegeven worden dat men er
niet altijd in gesteund wordt. Politici, burgers met een mandaat hebben een
drukke agenda, want ze moeten mensen zien en vooral gezien worden, zoals de
koningen van weleer. Tijd voor rustige gesprekken schiet daar dan bij in. Die
druk zouden we misschien milderen, zouden de nieuwsmedia kunnen milderen, als
er meer over de inhoud gediscussieerd werd, minder over de strijd op leven en dood.
Bij
dit alles moet ook nog blijken of politici wel kunnen zonder enige filosofische
reflectie, want als men spreekt over zoiets als de Waarden der Verlichting, dan
kan men dat niet ongestraft doen, wanneer men tegelijk tot een besluitvorming
komt die de autonomie van het individu inperkt. Ook mag men hopen dat politici
een idee hebben van de wereld zoals die klaarblijkelijk is en eventueel kan men
dan speuren naar verbeteringen. Wat met gelijkheid of gelijke kansen in het
onderwijs? Het zijn thema’s die nogal eens losjes uit de pols geschud blijken.
Of wat met vloeibare waarden, zoals Herman De Dijn die op tafel legde? En dan
komen er nog eens ethische vragen op het bord, waar conservatieven lijnrecht
tegenin wil gaan, enfin, men denkt dat het om een conservatieve reactie gaat,
maar in zekere zin, zo blijkt wel vaker, gaat het om een reactie tout court
tegen de wereld zoals die zich aandient. Hoe zit het overigens in deze met de
kwestie rond Verantwortungsethik en Gesinnungsethik? Precies in discussies over
populisme zou het inzicht van Max Weber enig soelaas kunnen bieden.
Wie,
zoals na de Statenverkiezingen in Nederland dan botweg tegen de (relatieve)
winnaar begint te fulmineren, doet de kiezers geen recht, die voor Baudet heeft
gestemd. Hoe het dan wel moet? Misschien proberen te begrijpen waarom mensen
die zelf zeggen anti-elitair te zijn, vooral voor elitair gescholden worden in
andere middens. Het zal er op aankomen dat we opnieuw proberen in te schatten
wat de politiek moet en kan regelen, maar ook hoe men het samenleven bevorderen
kan. Dat vergt uiteraard meer ruimte om al die vragen te onderzoeken, maar hebben
we nog wel tijd een en ander grondig te overdenken, want ook denken, grondig
overdenken is handelen, eerder dan tijdverlies.
Bart
Haers
Reacties
Een reactie posten