Politiek in tijden van Corona en anders ook
Kritiek
Complexiteit
en verwevenheid
![]() |
Een boek dat zeker het lezen waard is en mijn aandacht vroeg. Een recensie komt er nog, maar het inspireerde wel dit onderzoek naar de reden waarom politici zich geen blijf weten met hun opdracht. |
Vreemde tijden, dat voelt
iedereen, maar onduidelijk is wat het zal brengen en dat maakt het voor nagenoeg
iedereen lastig om zomaar uit te gaan van zekerheden. Die zekerheden zijn niet
altijd even gemakkelijk te vatten. Daarom moeten we maar proberen in de vele
verhaallijnen enige duidelijkheid op te diepen. De vraag is dan waar we willen
vertrekken. Door net de complexiteit te erkennen en aanvaarden, hoeven we de
schijn niet op te houden dat het simpel en overzichtelijk is. Natuurlijk, elke
poging tot benadering blijft een reductie van een werkelijkheid die we niet
helemaal overzien.
Het uitgangspunt van de
politieke context waarin politici, mediamensen en burgers handelen ligt niet
per se bij wat wij willen dat het is, want het publieke lichaam, de samenleving
is meer dan de som van de individuen aangezien die individuen op meerdere manieren
met elkaar interageren en elkaar indicaties geven van wat mogelijk is of wat
wordt afgewezen. Het politieke debat vormt daarbij de smeer, die zorgt dat
geweld niet aan de orde is, maar tegelijk lijkt het debat daarbij wel eens
frustrerend te verlopen. Overigens is het politieke debat niet het gehele debat,
want in een cultuur wordt over nagenoeg alles gesproken, al was het maar om
verboden uit te vaardigen of posities van mensen uit te klaren, vast te leggen.
Er bestaat niet van nature een neiging om taboes, die vastgelegd lijken door
goden of hun hogepriesters, maar ook door gewone mensen zonder veel macht
gedragen worden, omdat het koesteren van een deviante mening nu eenmaal
prestigeverlies met zich kan brengen. Het maatschappelijk functioneren van
individuen blijft altijd weer een kwestie van een lange leerschool, waarbij men
leert hoe men mensen kan aanspreken, over wat men mag zeggen en doen, waarbij
de democratisering van de samenleving een zekere ontspanning heeft opgeleverd.
Juist wie het systeem tot in de puntjes kent en er de ernst niet van
accepteert, kan het systeem benutten, maar lang duurt het liedje doorgaans
niet. Toch is er ruimte voor een vrije appreciatie van de gebeurtenissen, zodat
er inderdaad geen eensgezindheid bestaat over politieke uitgangspunten.
Er zijn legio twistpunten in
onze samenleving waarover men wel beslissingen moet nemen omdat de
consequenties anders uitvallen al naar gelang de keuzes die men maakt. Dat is
het wezen van de democratische politieke organisatie. Politiek gaat, zoals
Francis Fukuyama uitgebreid beschreef enerzijds over de strijd om de macht, de
soevereiniteit en vervolgens over hoe men die macht aanwendt. Daarbij speelt de
organisatie van de bureaucratie een belangwekkende rol, die men vaak in de
debatten over beleid voor evident houdt, maar dat niet is, ook daar zit altijd
politieke inbreng, vanwege de rekrutering van het personeel. In de strijd om de
macht zelf heeft men de neiging de participanten te beperken tot een kleine
kring van gelijken, die liefst zo weinig informatie en beslissingsmacht
delegeren. In een moderne samenleving blijkt dat evenwel onbegonnen werk, omdat
de competenties zeer verbreid zijn wegens de hoge scholingsgraad. Velen hebben
dus meer dan vage noties van wat nodig is voor een goed werkend bestel. Zij
kunnen zich dus een oordeel vormen over wat noodzakelijk is en wat wenselijk of
verkieslijker is. Die structuren zijn er
niet vanzelf gekomen, maar berusten heel vaak op wat de omstandigheden met zich
meebrachten. Wim Blockmans beschrijft in zijn studie, synthese ook “Medezeggenschap.
Politieke participatie in Europa voor 1789” hoe in de onderscheiden landen van
Europa van Portugal tot Novgorod en Moskou de ontwikkeling van medezeggenschap
al dan niet succesvol tot stand is gekomen, maar ook hoe succesvol een bestel
kon zijn net op grond van de participatie van meerdere groepen. Het voorbeeld
van Polen, waar de Sejm gedomineerd werd door een adelsgroep die bovendien de
keuze van de koning in handen had, dat uiteindelijk als land faalde, omdat de
ondermaatse betrokkenheid van die adel bij het in stand houden van het bestel
vanwege hun doorgedreven nastreven van het klassebelang en tragische onderfinanciering
van het staatsapparaat en dus het leger tot volkomen onmacht leidde, waar
Rusland, de Habsburgers en Pruisen als grootmachten gretig gebruik van maakten.
Modernisering van een staat, blijkt uit het relaas van Blockmans erin te
bestaan dat de medezeggenschap over het staatsapparaat en het leger niet bij
een kleine groep zou berusten. Toch geeft hij tegelijk aan dat tussen 1650 en 1789
de vorsten en hun apparaat net meer beslissingsmacht naar zich toetrokken, om
het beleid beter te stroomlijnen en tegenstand in de kiem te smoren. Het
absolutisme kon leiden, naar mijn inzicht ten tijde van vorsten als Louis XV
tot efficiënter bestuur, maar net Louis XV had af te rekenen met grote
weerstanden, juist van de adelsgroepen, omdat hij met zijn ministers zocht naar
uitbreiding van de belastbare massa, dat wil zeggen de adel wilde verplichten
bij te dragen aan ’s rijks financiën.
Geschiedenis kan dan wel een
aangenaam tijdverdrijf wezen, het kan zelden onze acties verschonen of vergoelijken,
maar vooral laat ernstig onderzoek en reflectie te begrijpen dat onze koortsachtige
omgang m et de actualiteit nergens toe leiden zal, omdat we voortdurend schema’s
hanteren die misschien niet adequaat mogen heten. Voor het begrijpen van het
politieke gebeuren, de stemmingswisseling bij de burgers en het vaak opspelende
ongenoegen, zowel vanwege elites als van wat men dan het gemene grauw noemde,
noemt, want als mensen hun leven kunnen leven, de indruk hebben niets tekort te
komen, veel mogen verwachten, die ook ingelost zien, zullen niet zo gauw in
opstand komen. Wat de laatste jaren aan de hand was, leek op een stokken van
dat mechanisme, omdat mensen zagen dat enkelen enorme fortuinen konden
verdienen, met nuttige en andere diensten, terwijl de mogelijkheden voor de
samenleving en groepen toch nog groot waren, vaak meer dan we zelf kunnen
verzinnen, wat echter werd gezien als een sluipende stagnatie. De economische groei
na de dip van de financiële en de Eurocrisis was bvb. in Nederland
indrukwekkend en leek het wat minder in Europa, in meerdere opzichten was het
leven goed en velen genadig. Toch leek dat niet voor iedereen voldoende, maar
dat mag des mensen heten.
Toch hebben dat aanvoelen – dat het
minder leek te worden – en de druk vanwege allerlei groepen in de samenleving
de regeringen, zeker ook in dit land, Vlaanderen en België de urgentie doen
voelen van maatregelen op meerdere terreinen tegelijk, waar ze wel
machtsmiddelen voor in handen hadden. Het sociale leven zou niet leiden onder
het rookverbod, noch onder de jarenlang volgehouden campagne voor nuchter
rijden. Het is evenwel gebleken dat in dorpen kroegen sloten en dat (oudere)
mensen geen plaats meer vonden om elkaar te treffen. De gele hesjes kwamen niet
uit de lucht vallen, want ook hier zijn er dorpen die leeglopen. Het beleid
werd aangestuurd door experten die, met de beste bedoelingen blind bleken voor ongewenste
neveneffecten van het beleid dat ze voorstelden. Onder meer Suzan Neiman en
Martha Nussbaum, maar ook Paul Frissen hadden daar oog voor. Richard Sennett
betoogde meermaals dat een nieuwe stadswijk bouwen, meer is dan wat theoretisch
goed geordend lijkt. Het gaat om een leefmachine en daar hebben niet alle experten
evenzeer oog voor.
Wat men zich niet altijd blijkt
te realiseren is dat, zoals ook uit het bovenstaande zou moeten blijken, dat
een samenleving wel cartesiaans gedissecteerd kan worden, heel nauwkeurig in
helder afgelijnde velden, maar het is mogelijk dat men aan het einde van de
werkzaamheden nog geen beter idee heeft van hoe samenlevingen, primitieve evengoed
als moderne samenlevingen functioneren. Antropologen kunnen vele facetten
beschrijven van een cultuur en van het fenomeen cultuur in algemene zin, maar
een heldere en sluitende definitie van wat cultuur nu is, valt niet te
formuleren. Ook wat de plaats van de politiek in een samenleving zou moeten
zijn, blijft altijd deels een moeilijk te bevatten gegeven, omdat er ook
overlap is met andere domeinen, zoals de munt, militaire avonturen en het
temperen van hongersnoden, om slechts die te noemen. Maar er is aan de ene kant
het politieke leven, een politieke cultuur, oud of nieuw, met gebruiken, taal
en attitudes, voorrangsregels en er is het bestuurlijke geheel, dat de
samenleving toelaat te functioneren, vertrouwend op de goede gang van zaken.
Het doel van de bestuurlijke
organisatie heeft diepe wortels in de algemene cultuur, maar we stellen die
zelden in vraag, omdat we vaak aan de politiek een hoger doel toekennen,
terwijl dat pas geleidelijk gegroeid is en vaak niet zonder opstand en rebellie
tegen de zittende machten. Ook de revolutie zelf is behoorlijk ingeburgerd,
zodat men wel eens de indruk krijgt dat die nog weinig om het lijf zo hebben.
Opstand is een moreel recht, maar leidt lang niet altijd tot veranderingen die
men zozeer wenst, want men heeft niet altijd voldoende greep op de
gebeurtenissen. Opstand kan overigens ook de eigen belangen schaden, zoals
meermaals is gebleken. In een democratie met een parlementaire assemblee kan
men via verkiezingen een wens tot verandering uitdrukken, maar men moet
voldoende mensen vinden die dezelfde weg op willen. Toch lukt het soms een
systeem grondig te hertekenen, zoals Emmanuel Macron deed bij de laatste
presidents- en parlementsverkiezingen in Frankrijk. Of hij het goed doet? Hij
krijgt veel kritiek, maar andere partijen zijn niet bij machte betere voorstellen
aan het publiek voor te stellen. De pensioenhervormingen waren en zijn nodig,
maar het debat gaat over privilegies en er lijkt geen mogelijkheid te vinden te
zijn, om de plannen van de regeringen te zien als een optie voor de toekomst,
waarbij intergenerationele solidariteit aan de dag gelegd wordt. Het gewicht
van oude regelgevingen die men niet gewijzigd zien wil om geen verlies te
hoeven lijden, om geen voorrechten te verliezen.
Het is voor politici vaak niet
evident om een discours dat men al te lang en tegen beter weten in hanteert bij
te sturen. Lukt het wel, dan vergt ook veel moed, omdat men de achterban niet
kan beloven dat de oude beloftes ingelost zullen worden; al te vaak evenwel
zijn die door de omstandigheden ingehaald en obsoleet geworden. De vooruitgang op technisch en
wetenschappelijk vlak, maar ook de economische situatie waarin de schaarste
niet meer het grote vraagstuk is, omdat producten zeer goedkoop in grote massa’s
geproduceerd worden en even laag geprijsd worden aangeboden, zodat heel wat
goederen lang niet meer zo kostbaar zijn als vroeger, al stellen mensen zich
vragen over de kwaliteit, maar dat blijkt – ook – vaak een kwestie van verloren
prestige tot uitdrukking te brengen.
Intussen merkt een oplettend
mensenkind dat de regeringen sinds mensenheugenis worstelen met de vraag hoe ze
het zuur moet toedienen en het zoet in de etalage kan zetten. Besparingen waren
met de regelmaat van regeringswissels nodig, omdat men niet lang genoeg een
beleidskeuze aanhoudt, maar tegelijk kan het zijn dat omstandigheden dat ten
ene male verhinderen, wat impliceert dat de overheid wel (nog) met schaarste te
maken heeft. Denken we aan de crisis van 2008 toen Lehmann Brothers omviel en
de vele misstanden in het financiële systeem aan de oppervlakte kwamen, voor
wie er zich nog geen rekenschap van gegeven had. Niall Ferguson beschrijft in
een essay “het belang van geld”, waarin de vele facetten van de geldeconomie
beschrijft, van de Sumeriërs tot de grote crisis van 2008, hoe banken, dankzij
of te wijten aan maatregelen van Bill Clinton de grenzen van het gezonde
bankieren achter zich gelaten hadden, door banken rechtsstreeks te laten
deelnemen in bedrijven, met deposito’s. Ook was er de truuk om slechte
kredieten, kredieten waarvan men wist dat de onderschrijvers ze nooit zouden
kunnen inlossen, te verpatsen in een fraaie verpakking. De regering Bush jr.
heeft hier steken laten vallen, uitgaande van de gedachte dat wat goed is voor
de economie ook goed is voor het land. De belastingverlagingen voor bedrijven,
het gebrek aan een degelijk sociaal netwerk en het gebrek aan bescherming van
kleine bedrijven, hebben de middenklasse in de VSA danig verzwakt en de armste
bevolkingsgroepen alle illusies op een betere toekomst. Simpele maatregelen? Eerder
goed gemikte wetgeving om concrete belangen van de elite te beschermen?
Het is het probleem dat sinds
Ronald Reagan steeds vaker aan de orde kwam en nu tot het uiterste werd
doorgedreven – het nieuwe Coronavirus zorgt voor heel wat staatsingrepen – was dat
de “deep state” het leven van mensen nodeloos zou bemoeilijken en teveel zou
kosten in termen van overheidsbeslag. De verlaging van de belastingen voor
grote fortuinen en ondernemingen kan men vergelijken wat tijdens het Ancien Regime
in Polen is gebeurd: groeps- en standsegoïsme hebben de staat compleet
onmachtig gemaakt, al was het maar om de eigen grenzen te verdedigen. Nu denkt
men dat de VS op dat vlak nog afdoende machtig zijn, maar in de VS blijkt dat
de samenleving ernstig te lijden heeft onder het voortdurende desinvesteren in
de publieke ruimte, behalve dan in de politie.
Een land runnen is niet iets dat
één man of vrouw nog kan overzien en dat is finaal niet nodig, als de inzichten
in de samenleving tussen bestuurders en burgers gedragen worden, wat niet
betekent dat er geen discussie mag gevoerd worden over verbeterpunten. Maar wat
we hoger zegden over de cultuur in ruime zin, komt hier uiteraard mee in het
geding: eigen aan een publieke cultuur is dat burgers, waartoe uiteraard ook ambtenaren,
politici en agenten van de ordediensten behoren een aantal aannames delen over
wat goed is en wenselijk. Het gaat erom dat er inderdaad een soort fatsoen
bestaat, waarbij het graaien in de kassen van de publieke lichamen niet
getolereerd kan worden, dat de overheden het aanwenden van machtsmiddelen,
waaronder het geweldmonopolie met inzicht en voorzichtigheid inzetten. In zo
een cultuur geldt ook dat burgers wel weten wat mag en kan, zonder dat de overheid
voortdurend met oekazes kan uitpakken. Het begrip vrijheid komt hier niet in
het gedrang, want zoals we weten is een zekere orde ook de garantie dat we
ruimte kunnen gebruiken voor onze eigen verlangens, zonder dat we daarmee
derden in problemen of gevaar brengen. Het zijn precaire kwesties, die in een
aantal gevallen alleen door de rechter beslecht kunnen worden.
Van belang is dan te begrijpen
dat wanneer de overheid zich teveel richt op openbare orde en erger, op
controle van individuen, zonder dat er redelijk aanvoelen van gedeeld belang en
gemeenschappelijke belangen aan ten grondslag ligt. Het individu hoeft niet
onder te doen voor het belang van de samenleving, de discussie over “volonté
génerale” zoals Jean-Jacques Rousseau die gedachte formuleerde en zo de weg
vrijmaakte voor de dictatuur van de meerderheid, maar het individu kan ook niet
zonder meer de belangen van het geheel negeren. Aanleg van wegen was al in de
achttiende eeuw een heikele zaak omdat
er toen ook rechten, eigendomsrechten in het geding kwamen. Maar Louis XV
slaagde er wel in die tegenstand afdoende af te houden om een begin te maken
met een geografische eenmaking van Frankrijk. Frankrijk is uiteindelijk pas aan
het einde van de negentiende eeuw taalkundig en geografisch een geworden,
dankzij de aanleg van spoorwegen en de verbetering van de (water)wegen. Ook in
de Habsburgse Nederlanden werd aardig wat aan de weg getimmerd. Waar Chris
Vandenbroecke aantoonde dat tijdens de achttiende eeuw door de toename van de
huisnijverheid de welvaart in Binnen-Vlaanderen sterk steeg en vanuit het
Waasland met nieuwe benaderingen, gebruik van stadsmest, de oogsten
verbeterden, zijn er andere historici die deze welvaart niet menen te kunnen onderschrijven.
Vandenbroecke baseerde zich niet op een set van bronnen, of op een fenomeen om
tot de conclusie te komen dat de samenleving er in Vlaanderen rond 1780 beter
uitzag dan rond 1704 toen Louis XIV zijn laatste oorlog in de Spaanse
Nederlanden voerde. Huizenbouw, de vernieuwing van publieke gebouwen en de
inkomsten van lokale en hogere overheden uit belastingen, directe en indirecte
vormde daarbij een belangrijke basis, omdat die toelaten over langere termijn
de reële inkomsten van de overheden vast te leggen. Eenmaal Frankrijk en
Habsburg in 1756 een verbond hadden gesloten verdween ook het risico van een
oorlog vanuit het Zuiden.
Dit stuk gaat over complexiteit
en verwevenheid, omdat we de indruk hebben dat beleidvoerders en analisten,
commentatoren graag vanuit een strikte, vooral simpele causaliteit werken,
terwijl de geschiedenis laat zien dat veranderingen, opgelegd door machthebbers
maar voortkomend uit een gedeeld besef dat de situatie niet goed is, wel
degelijk vertaald werden in grotere welvaart en tevredenheid van de burgers. Maar
met Bernard Mandeville moeten we ook vaststellen dat een samenleving van enkel
deugdzame mensen niet kan deugen. Mandeville schreef ook een pleidooi voor
prostitutie, waarbij hij meende dat de aanwezigheid van ondeugd voor de
samenleving een motor kan zijn. In veel moralistische geschriften werd en wordt
gesteld dat ondeugden de samenleving schade toebrengen. Dat is duidelijk, zal
men zeggen en wie wil er zich tegen verzetten, want goede mensen zorgen toch
voor veiligheid en zekerheid. Alleen is het nog maar de vraag of men altijd wel
weet wat deugdzaam handelen is, als men in bijzonder omstandigheden terecht
komt, waar men met macht en verleiding van macht en de douceurtjes ervan. Maar
ook deprivatie van macht en prestige kunnen ertoe bijdragen dat mensen zich
niet aan de heersende fatsoensnormen weten te houden.
Dat is voor de samenleving niet
zonder betekenis gebleken, maar wat het allemaal impliceert, juist, dat zijn
hele bibliotheken van verhalen, romans en historische studies. Het kan dus best
dat politici en burgers in hun uitspraken en handelingen niet altijd menen wat
ze uitbrengen. Men kan daar geschokt over zijn, men kan het ook doorzien.
Echter, als alle spelers op het veld moral hasard verkiezen en dus de anderen
laten boeten voor hun overtreden van de regels, dan kan het systeem danig
sputteren. Het kan net overigens handig zijn voldoende fatsoen een de dag te
leggen en zich niet laten betrappen op vormen van hypocrisie. Al blijkt dat dan
weer moeilijk omdat iedereen elke geste en uiting leest vanuit de eigen
uitgangspunten.
Doet de staat uitgaven die ons
niet nodig lijken, omdat het sterk lijkt op het dragen van water naar de zee,
dan zal men toch wel heel goed de argumentatie moeten bekijken en vooral de
praktijk. Nieuwe fatsoensregels maken dit overigens des te gemakkelijker om een
zweem van verdenking ten aanzien van iemand die een der regels overtreden zou
hebben, want men ligt uiteraard op vinkenslag. Iedereen beloert elkaar en men
vergeet dat men een mandaat heeft om het land te besturen, om de mensen de
nodige zekerheden te brengen. Het punt
is dat politici en het bestel dat hen omringt, kabinetsleden, experten, het
tegensprekelijke debat nergens kan claimen, zeker niet in bijzondere
omstandigheden hoe de samenleving zal reageren op de besluitvorming waarmee men
naar buiten komt. Juist bij crisistijden merkt men dat regeringen en
regeringsleden vaak nogal inert blijken voor de omstandigheden, omdat men
gefocust is op de onderlinge competities, waarbij er op verschillende niveaus
aardig wat gesteggeld wordt. Het duurt dus wel altijd even voor men zich van de
ernst van de situatie doordrongen weet, maar dan nog is het een hele stap om
tot handelen over te gaan. Men kan niet zomaar afgaan op kwade wil, maar als er
geen goede wil is, komt men ook nergens. Toch zijn politici wel degelijk onder
de indruk van het feit dat mensen best begrijpen dat ze elkaar moeten ontzien,
vrijwaren van besmetting indien nodig en waar mogelijk mensen helpen die
zichzelf niet meer kunnen redden in de hoge nood die ze kennen. Dat is wellicht
de les die men naderhand best niet vergeten zal.
Complexiteit? Soms lijkt het een
stopwoord, maar deze crisis laat zien dat het nog zwak uitdrukking geeft aan
hoe verweven alles is en hoe moeilijk het is ongewenste neveneffecten en
tegenspraak te voorkomen bij besluitvorming. Maar er is een leven dat zich niet
laat aflezen, omdat het gewoon de dingen des daags zijn, die we doen,
onnadenkend, vanzelfsprekend en we zijn verbaasd wanneer het niet meer kan, de
gewone bezoeken aan de wijnbar of andere bezigheden. Het gaat erom dat we die vanzelfsprekendheden
pas nu echt lijken te waarderen. Restaurantbezoek is uitgesloten, maar het is
lastig te begrijpen waarom we voorheen zo vaak hyperkritisch waren, terwijl er
gewoon goed gewerkt, c.q. gekookt werd. Laten we dus ook maar eens nadenken
over hoe we zelf stonden tegenover de gang van zaken in normale tijden. Ook de
overheid zelf overigens heeft vaak niet goed gezien wat de gevolgen waren van
beleidskeuzes, maar tegelijk is duidelijk dat de wereld die alleen op het
economische perspectief mikt, zichzelf in problemen werkt, want crises zijn er
altijd geweest, zoals historici uitleggen aan de hand van bronnen. Ziektes zijn
ook metgezellen geweest van de levende wezens, inclusief de mensheid. Alleen,
toen de pest van Justinianus het Byzantijnse rijk trof en ook Europa, Noord-Afrika,
werd dat in de geschiedschrijving zo op het oog niet meegenomen. Dat wil
zeggen, we waren er niet op bedacht dat die pest in de zesde eeuw zo een grote
omvang had en de geschiedschrijving was er niet op gericht, tenzij het niet
anders kan, zoals in 1345 – 1348 dergelijke trivialiteiten onder de aandacht te
brengen. Ook klimaatveranderingen of de vulkaanuitbarsting van 1783 op IJsland
die Europa zeer teisterde, onder meer met misoogsten. Maar wij vonden dat de
geschiedschrijving de triomftocht van de mensheid over de natuur moest
vertellen, calamiteiten passen daar niet in, ondanks de veelvoudige en
veelzijdige gevolgen.
Het is van belang te begrijpen
dat macht een factor is in de samenleving, waar we altijd mee te maken krijgen,
al krijgen niet altijd mensen toegang tot macht die er goed mee om kunnen – dat
vinden wij – maar ook blijkt vaak dat wie macht verwerft, in allerlei
instituties en organisaties op dat moment de focus verliest of niet meer goed
weet waarheen men het schip wil wenden. Het is in discussies over politiek dus
wel relevant dat we nagaan hoe politici met macht willen en kunnen omgaan. Want
dat komt ook tot uitdrukking in de wijze waarop men naar de samenleving en naar
mensen kijkt, waarbij vaak minachting nauwelijks onderdrukt wordt. Het
koesteren van een zeker idee “de la France”, zoals Charles de Gaulle dat voorstelde
in vele van zijn optredens, impliciet en expliciet, dreef hem ertoe aan zijn
mensen in te zetten op een versnelde modernisering van Frankrijk, terwijl
latere politici daar geen idee meer over hadden.
Het volstaat echter niet als
staatshoofd zo een zeker idee te hebben, een goed omschreven idee, bleek in
1968 en 1969 voor de president dat eerder een handicap, want men kon hem stevig
het vuur aan de schenen leggen. Toch zou de middenklasse hem finaal volgen,
maar het referendum werd een verloren slag. Bovendien, stel ik me al vele jaren
de vraag wat de studenten, de vakbonden en de president zelf aan concreet
beleid voor ogen hadden staan. Alleen de vakbonden konden daar een enigszins
coherent verhaal over vertellen. Het is overigens wel zo dat concreet beleid al
in de middeleeuwen voor revolte en opstand kon zorgen, tegelijk valt op dat vervolgens,
wanneer de macht verzet werd, het beleid niet wezenlijk veranderde, al zaten er
andere partijen aan het roer.
Tot slot, zonder dat we tot een
conclusie komen, moeten we vaststellen dat concreet beleid altijd in een
context tot stand komt, dus soms omdat er druk van de straat komt of anders uit
de salons. Het algemeen stemrecht dat in 1919 aan mannen werd geboden, had niet
direct tot gevolg dat alle verzuchtingen van de arbeiders in beleid werd omgezet.
Het zou tot na WO II duren voor vrouwen ook stemrecht kregen. Het punt is dat
dit wel het beleid veranderd heeft, mee de vernederlandsing van Vlaanderen
heeft gestut, al waren niet alle politici in Vlaanderen daar erg op gebeten en
waren er anderen die de situatie liever hielden zoals ze was, maar dat lukte al
niet voor de oorlog, laat staan erna. Het doel van politiek is macht verwerven,
behouden en in een democratie de macht billijk verdelen. Besturen veronderstelt
het bezit van macht, gezag en autoriteit, legitimiteit ook en die komen er maar
als een bestuur als rechtmatig ervaren wordt en de baten van werk en leven
iedereen passend toevallen. Bestuur vergt niet a priori strijd, de politieke strijd
om macht kan goed bestuur in de weg staan. Goed bestuur eist dat de bestuurders
bekwaam zijn de samenleving te begrijpen en de eisen van de tijd te lezen. Dat
laatste zal wel controversieel lijken, maar wat tijdens de eerste petroleumcrisis,
na 1974 aan de orde was, terwijl dezer dagen een probleem van een totaal andere
orde van grootte wacht op een aanpak. Dan is het inderdaad een goed bestuur
nodig, dat de complexiteit van de situatie onder ogen ziet en begrijpt dat elk
plan van aanpak best oog heeft voor vliegwieleffecten en multiplicators.
Niet enkel economisch speelt dat
een rol, ook de samenleving in de vele facetten die we eraan ontwaren, werkt niet
altijd volgens eenvoudige regels van causaliteit. Er is meer werkzaam, er is
ook inertie en er zijn krachten die evoluties versnellen, omdat meer mensen dezelfde
keuzes maken. Welvaart komt er in fine niet alleen omdat een vorst het wil,
maar ook niet omdat al zijn onderdanen dat elk voor zich wensen, maar omdat men
met een hoop mensen verwachtingen heeft van een goed leven en zich daarvoor
inzetten wil. Dat creëert gewoontes, dat brengt ook discipline met zich mee,
maar ook een zekere mate van recalcitrant gedrag, om de zaak te kruiden. Als
het simpel was, was er geen verandering, geen ontwikkeling en hoefden we geen
bestuur. De complexiteit vergt precies bestuur en leidt ook tot een
machtsstrijd op verschillende niveaus.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten