De vooruitgang en veranderingscultus

 

Reflectie

 

 



Democratie, macht en samenleving

  




Ferdinanc Domela Nieuwenhuis, bracht
het socialisme in Nederland op gang,
maar was tevens een buitenbeentje, die
in de Partij op weerstand botste,
omdat hij het (Duitse) intellectualisme
een verdringing vond van de arbeiders.
(1846-1919)

Links vreest dat rechts zal winnen bij de volgende verkiezingen, de centrumpartijen dat ze de kiesdrempel nauwelijks zullen halen en rechts wil wel vooruit, maar wordt op de hielen gezeten door een denken dat aantrekkelijk is door eenvoud van analyse en oplossingen. Zijn de oude gedachten versleten geraakt? Of hebben we met de veranderende constellaties inzake gezondheid, demografie, economische mogelijkheden en technische mogelijkheden (dit stuk had misschien door een AI module geschreven kunnen zijn) zoveel parameters en paradigma’s zien verschuiven dat we even niet meer weten waarheen we moeten kijken.

 

Laten we eerst even vaststellen dat onze samenleving en het leven in onze samenleving al gedurende meer dan een eeuw in een proces van toenemende complexiteit is terechtgekomen, waarbij de mogelijkheden voor individuen op een beter leven steeds toenemen, tot nu, maar dat zegde men rond 1985 ook. Een goed leven leiden mag dan ook geen probleem zijn, heet het, maar de werkelijkheid laat zien dat dit toch niet vanzelfsprekend mag heten, omdat de mogelijkheden die we zien en aangereikt krijgen, met een prijs komen, want we moeten zelf ook het nodige inbrengen, niet alleen in en door betaalde arbeid, beroepsactiviteiten, maar ook in het sociale leven en zelfs in de private leefomgeving. Kennis nemen van de mogelijkheden gebeurt niet systematisch, omdat we pas met het opgroeien en het bereiken van wat men vroeger, in katholieke tijden, de jaren des onderscheids noemde, in staat blijken die te vatten, naarmate onze behoeften toenemen, of beter, we aan die behoeften toekomen.

 

De cultuur waarin de samenleving vorm krijgt, die we als samenleving vorm geven maar ook als individu, terwijl die cultuur ons tot individuen vormt – die wederkerigheid lijkt me kenmerkend – draagt ertoe bij dat we niet zomaar een idee over hoe onze samenleving en cultuur in elkaar zitten kunnen presenteren, want wat zijn de wezenlijke elementen, wat zou bijzaak zijn? Is de vrijheid van het individu de crux? Of is het feit dat alles, onze handelingen en onze beschikbare informatie om ons handelen te sturen zo verweven zijn met wat anderen ons brengen dan wel onthouden, waardoor er bijvoorbeeld misverstanden kunnen ontstaan. Maar we weten van Baldassare Castiglione dat men zich aan het hof van een vorst maar staande kan houden als men goed weet te veinzen, laten zien wat men wil kenbaar maken, maar vooral geheim houden wat anderen niet hoeven te weten. Net als Niccolo Machiavelli wist Castiglione uit ervaring hoe het leven in zo een slangenkuil kan zijn. Zijn boek “Il libro del Cortegiano” kan ons heel wat bijbrengen hoe men een bedreven man op vele terreinen kan zijn, een goed krijgsheer, een bedreven schermer, maar vooral ook goed van de tongriem gesneden, in staat tot scherpe replieken en met verbositeit omklede stilzwijgendheid. Maar zoals Geoffrey Parker over Filip II van Spanje vertelt, inspireerde Castiglione hem om goed af te schermen wat zijn ware oogmerken zijn, zoals in het geval van de inquisiteur die in Engeland voor hem en Maria Tudor de protestanten heeft vervolgd en op de brandstapel gebracht. Terug in Spanje, liet Filips hem gevangen zetten en uiteindelijk vermoorden, onder het mom dat de goede dienaar van de vorst toch zelf besmet was geworden door ketterse inzichten. Was het zo, of ging het om het vermijden dat iemand te veel macht zou krijgen. Blijkbaar kende Stalin dat gevaar ook, want wie Berlijn bevrijdde, riskeerde bij terugkomst in de USSR vervolging door de NKVD, strafkamp en andere ellende.

 

Het ligt voor de hand dat we Filips II een kwalijke reputatie toedichten, omwille van Alva, maar Filips hield hem ver van het Hof, maar zette hem wel in, onder meer om de Portugese troon in te pikken en – tot zijn eigen scha en schande – de Nederlanden te onderwerpen. Laten we er ons evenwel voor hoeden dat we Filips II niet voldoende plaatsen in het krachtenveld waar hij in verwikkeld was. Hoewel hij door de omvang van zijn landen, zeker na 1580 de machtigste vorst in Europa was, kon hij niet anders dan voortdurend in oorlog zijn met Frankrijk, Engeland, Venetië, de Ottomaanse sultans en de paus, zelfs de paus. Een half jaartje heerste er vrede, de rest van zijn lange regering was er oorlog en dus ook in de Nederlanden. Egmont en Horne werden terecht gesteld, Willem van Oranje, met toestemming van de koning, vermoord, hoewel ze ten tijde van Karel V nog behoorlijk met elkaar overweg konden. Het punt is wellicht dat Filips de raad van zijn vader op de letter toepaste en wie te machtig dreigde te worden, uitgeschakeld of verbannen moest worden, zoals Alva, maar ook Willem van Oranje.

 

We huiveren van de wijze waarop Filips II, maar ook Hendrik VIII en ook wel de Duc de Guise tijdens de godsdienstoorlogen hun tegenstanders aanpakten. Hier was nauwelijks verhulling, maar het laten gelden van de macht, vorstelijk of anders ook door God gesanctioneerd. Toch bereikten ze maar zeer ten dele hun doelen, die kwam met een hoge prijs. Les ducs de Guise hebben met hun onbuigzame ijver voor de katholieke kerk heel wat bloedvergieten op hun naam. De kroning van Henri IV was niet direct het einde, maar de koning diende wel voortdurend slag te leveren wat zijn beleid niet ten goede kwam. Hij werd in de herinnering de koning bij uitstek, legendarisch en zelfs enigszins volks, ondanks zijn hoge geboorte. Hij veranderde deels de spelregels, door meer macht bij zichzelf te centraliseren en dat ondanks de afkeer van katholieken, die de protestant Henri IV niet vertrouwden.

 

Al vroeg viel het mij op dat in de boeken die ik las over Filips II en Hendrik VIII de machtsuitoefening als een gegeven werd aanvaard, waar men niet omheen kan, maar die daarom ook evident was, al waren er altijd stromen en onderstromen die aanspraken van de vorst dorsten uit te dagen. De strijd om de macht en om die verworven macht te behouden, het blijft nog altijd een wat onderschat thema, omdat we, zo lijkt het, die macht zien als een abstract gegeven, maar vooral omdat we sinds we de underdog verheerlijken niet zelf met macht geassocieerd willen worden. Macht geeft handelingsruimte, noem het vrijheid, maar ook verantwoordelijkheid en die vrijheid willen we liefst sluiks hanteren, de verantwoordelijkheden, die leggen we bij de omstandigheden. Het is dus nuttig en noodzakelijk ook in een democratie na te denken over macht. Het principe dat wie de noodtoestand kan afkondigen en handhaven (soevereine) macht bezit en kan hanteren. Die visie van Carl Schmitt over macht werd in het debat lang afgeserveerd want de auteur stond toch aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Zou het? Hij was, zoals onder meer Martin Heidegger zover gegaan zich in te schrijven in het programma van de NSDAP en het Naziregime, maar algauw was de omhelzing over, zeker voor Carl Schmitt, die van de Nazi’s vond dat ze bereid waren tot revolutie en dat zinde hem niet, net zo min als de communisten hem konden bekoren.

 

Carl Schmitt stelt een vraag die ook vandaag aan de orde is: wie kan de noodtoestand uitroepen en doen naleven. Als de Coronapandemie iets geleerd heeft, dan is het dat in uitzonderlijke omstandigheden het handhaven niet zoveel voeten in de aarde heeft omdat de bevolking mee wil, de recalcitrante tegenstanders van de lockdowns en de vaccinatiecampagnes hebben in feite weinig steun gekregen – in een miljoenensamenleving komt men gauw aan grote verzamelingen tegenstanders, ook al blijft dat maar een fractie van de bevolking – van de burgers, net omdat velen begrepen dat de maatregelen, na het zien van beelden uit Bergamo en Spanje, aanvaardbaar maar lastig werden bevonden, mits de handhaving redelijk bleef. Persconferenties waar de regeringstop en experts gebombardeerd werden met vragen die getuigden van een grote argwaan tegen burgers, leidden tot soms stupide antwoorden en al even dwaze overdrijvingen – zoals het verbod op een bankje in het park te gaan zitten -, die de zaak niet vooruit konden helpen.  Uiteindelijk leek men in staat tot een proportionele aanpak geneigd, al bleek er recent nog een rechter bereid een onnodig zware boete zware boete op te leggen voor het niet (correct) dragen van het mondmasker, maar dat is een indruk, die wel blijft hangen bij burgers. Een fout gedragen masker wordt zo een dure grap, zonder dat er nog aanleiding toe is. De trage molens van justitie? Nu het recht via allerlei systemen gedigitaliseerd kan worden, aldus Maxim van Februari, dreigt het gevaar dat die macht de noodtoestand uit te vaardigen niet meer ter discussie gesteld kan worden. Algoritmes kunnen handig zijn, als ze normerend gaan werken, ontstaat een probleem van legitimiteit maar verhindert blinde handhaving ook het moreel handelen van mensen. Het is een dossier dat door het lawaai van complotdenkers tot nu niet goed behandeld kon worden.

 

Het opzet van beleidmakers naspeuren vergt wel eens omslachtig onderzoek, want het is niet altijd duidelijk wie aan de touwtjes trekt of beter, wie de beleidmakers stuurt. Het gaat dus om de vraag die Carl Schmitt ons voorhoudt: wie kan de noodtoestand afkondigen? Vat men de vraag te zeer naar de letter, dan lijkt ze zonder grond, maar dat is net het punt, het gaat erom wie kan bepalen wat mag en niet, zoals het rookverbod in publieke plaatsen. Iedereen vindt het normaal, maar geleidelijk zijn er ook andere beperkende maatregelen, zelfs over het voedsel dat we consumeren. Het is wel wezenlijk dat we ons rekenschap geven van het belang van gezond leven, alleen is de vraag of men gezond leven ten behoeve van het eigen welbevinden en zonder omzien naar de omstandigheden van individuen kan opleggen of via nudging afdwingen. Gezond leven? Natuurlijk, maar het blijft maar de vraag of men behoefte heeft aan zovele legers van gezondheidsexperts. Ook maken we ons tegelijk te weinig zorgen om de mentale gezondheid van burgers, personen, maar tegelijk lijkt het erop dat men beroep doet op coaches die niet altijd even betrouwbaar zijn. De vrije markt? Juist ja, maar tegelijk vindt men nauwelijks of geen personeel voor de geestelijke gezondheidszorg en als er dan iemand over de rooie gaat, blijkt niet zelden dat hij of zij al enige tijd op een uitzichtloze wachtlijst staat. Zoals een psychiater verzuchtte, kan men wel geld vinden voor kleine, overzichtelijke euvels, maar is het voor Ernstige Psychiatrische Aandoeningen (EPA’s) moeilijker om de best passende behandeling tijdig te starten, zodat de kans op herstel en een goed leven optimaal is.

 

Wie het over het beleid hebben wil, zal algauw merken dat eenvoudige, op het oog logische benaderingen best veel emotionele  reacties kunnen opwekken, al was het maar dat we ons gemakkelijk bestolen voelen. Vooral dreigend prestigeverlies kan tot heftige opstoten leiden, maar het komt zelden in de analyses aan de orde, omdat wie verlies moet incasseren, dat best aan zichzelf kan wijten, want het hangt allemaal vooral van onszelf af, ook als we geen greep hebben op wat er zich rondom afspeelt. Wie het lastig heeft met nieuwkomers in de wijk is een xenofoob, erger, een racist, terwijl de betrokkene het gewoon lastig vindt dat zijn of haar straat van aanblik verandert en wellicht ook treurt om de fijne tijden van weleer, toen men elkaar kende en al eens een glas dronk gezeten op de drempel van het huis. Men heeft geprobeerd die houding verdacht te maken, maar vergeten dat de burgers die zich bedreigd voelen, al is het voor wie in de betere wijken woont en zich altruïsme kan veroorloven, moeilijk te vatten, ook hun gevoelens hebben en dat heeft het wederzijds begrip niet bevorderd. Het menselijke onderkennen, betekent ook de zwakke plekken aanvaarden, ook bij zichzelf, maar we geloven wat graag daar boven te staan. Dat men nu spreekt van grote spanning tussen de provincie en de Randstad, gaat blijkbaar voorbij aan het  feit dat ook in stedelijke gebieden de politieke oplossingen voor niet altijd als reële problemen ervaren kwesties het wederzijds onbegrip in de hand heeft gewerkt. Journalistiek, juniors in politieke partijhoofdkwartieren, onderzoekers aan universiteiten spreken een gemeenschappelijke taal, zelfs mensen die de main( stream – die van die hoofdstedelijke, hooggeschoolde elite – cultuur  afwijzen hanteren vaak de regenteske cultuurtaal. Dat geldt ook in Vlaanderen, al spreken die zelfbenoemde leden van de elites nu net graag een tussentaal om populair te zijn. De doelstellingen die men nastreeft worden niet altijd uitgesproken, laat staan besproken want de regenten vinden die doorgaans evident en dan hoeven er geen woorden aan besteed worden. De situatie in Groningen laat zien dat men niet begrijpen wil, in den Haag en Amsterdam, dat patrimonium verliezen door de aardbevingen zwaar aankomt en niet alleen financieel. Nederland gaat gebukt onder verschillende crises die ook maar niet tot bevredigende oplossingen leiden. De stikstofcrisis laat zien hoe de Zuidas mee verantwoordelijk is voor de wijze waarop landbouwers zich in de schulden steken, maar hun inbreng blijft doorgaans buiten beeld. De studiefinanciering zorgt door de recente hervorming, waarbij de basisbeurs opnieuw in de plaats komt van de studielening, die in 2015 werd ingevoerd ter vervanging van de basisbeurs. Studenten stapelen sindsdien een zware studieschuld op, die in het slechtste geval een leven kan meegaan en gevolgen voor andere aan te gene leningen, voor een woning bijvoorbeeld. Hugo de Jong vond dat duidelijk niet erg, hij ried een meisje dat erover kloeg niet op d’r eentje haar huis te kunnen kopen, net geen sugar daddy aan, wel een rijk vriendje. Dat is toch niet meer van deze tijd? Oh ja, er is ook nog de trainerende afhandeling door het ministerie (van Financiën) van de toeslagenaffaire. Wellicht zie ik nog een aantal controversiële beleidsdiscussies over het hoofd, maar het geheel van de problemen overweldigt zeker de Nederlandse regering, maar ook de regenten die achter de schermen het beleid schragen en nieuw beleid ontwikkelen.

 

Het punt is dat de meetinstrumenten die economen en sociologen hanteren abstractie maken van stoorzenders en ook politici hanteren zo hun eigen meetinstrumenten, waarbij de test, gesprekken met burgers uitblijven. De tevredenheid van burgers met lokaal beleid wordt naar aanleiding van gemeenteraadsverkiezingen breed uitgesmeerd, maar burgers die tevreden zijn met hun leven in Gent, Brugge of Lievegem, waarderen niet a priori het gevoerde beleid, omdat dit wel eens lastig blijkt, zoals de afsluiting van Gent centrum voor een deel van de inwoners en nog meer voor wie even buiten de stad woont, omwille van de LEZ, maar er zijn ook andere kwesties, zoals de kostprijs van de parkings voor wie buiten het stadscentrum wonen en die niet per se beroep kunnen doen op het openbaar vervoer, omdat dit voor hun wijk kwalijk is georganiseerd. Participeren aan het openbare leven, cultuur, boeken, gedachtewisselingen of amusement, wordt dan wel zeer moeilijk en ook wel duur. Het beleid roept vragen op, maar onze eigen voorkeuren moeten we dan ook te berde brengen. Een nieuwe voetbaltempel voor Club Brugge? Ik ga niet vaak naar het voetbal kijken, of zelfs gewoon niet, maar dat betekent niet dat ik tegen zo een nieuw stadion zou zijn, want ik gun het de Club én de Vereniging wel, de supporters en het is feest als er grote matchen gespeeld worden. Ik woon op Assebroek? Tja, maar dat stadion had ook in Loppem gebouwd kunnen worden, maar het ACW protesteerde tegen de familie van Caloen, heet het. En de terreinen aan de Blankenbergse steenweg konden ook al niet voldoen, wegens een andere bouwmagnaat die er ook gronden heeft. Nu is de bestaande site in het geding en plop, een paar tegenstanders, gewone burgers, heet het, tekenen beroep aan. Gewoon? Tot blijkt dat de vertegenwoordiger banden heeft met een politieke partij, zijdelings ook weer gelinkt aan Cercle. Ik heb het van horen zeggen, maar het was mijn aanvoelen al toen ik hoorde dat er protest zou komen tegen de laatste plannen, die door de stad al vergund waren. Burgers mogen op hun rechten staan en zijn mondig, hebben gestudeerd, maar toch zou men, ook vanwege opiniemakers de houding van de mensen die zich verzetten evengoed onderzoeken als die van de politici en de overheid. Burgers kunnen het belang van andere burgers kwaadwillig tegenwerken, maar dat blijft vaak in een waas van juridische claims hangen.

 

Het cruciale probleem? Politici gaan ervan uit, zeker ministers dat zij a priori bekwaam zijn voor hun takenpakket, terwijl het meestal om juristen gaat, lang niet altijd bio- of andere ingenieurs. Alleen Zuhal Demir durft dat al eens te berde brengen, waarbij politici van andere gezindte wel eens vergeten hoe belangrijk passend advies blijkt, ook al gaat het tegen de aannames in, ook al woedt er controverse over. Maar bovendien blijft de gedachte van Robert McNamara rond zoemen, dat het publiek niet weet wat er echt speelt, terwijl de regering er alles aan doet om te verhinderen dat het publiek dat ooit zou weten. Hoewel er bij de leden van de Oeso doorgaans ook consensus bestaat over transparantie van het beleid, er wetgeving bestaat dat overheidsinstellingen verplicht op verzoek van burgers informatie vrij  te geven, blijft men ervan uitgaan dat burgers d’office een soort vulgum pecus zouden vormen, onwetend, maar wel hooggeschoold. In een aantal gevallen kan dat zo zijn, maar de beschikbare kennis is breder dan ooit beschikbaar en uiteindelijk zijn vele burgers ook betrokken op enige manier bij het regeringsbeleid. Valt dat te becijferen? In feite wel, denk ik, maar het zal altijd wel ter discussie staan of bijvoorbeeld leraren basisonderwijs of Secondair Onderwijs wel over voldoende kennis beschikken, of alumni van onze universiteiten vatbaar zijn voor wetenschappelijke uitleg over zoiets als corona of biodiversiteit. Journalisten zien niet dat zij, door zich voor te doen als alwetend en het publiek als onwetend, in beide gevallen quod non, het publiek ook wegduwen van het publieke debat. Caroline Van de Plas, medeoprichtster van BBB laat zien hoe men mensen, veel burgers naar het kiesbureau krijgt en ervoor zorgt dat ze stemmen. Zoals Ad Melkert vaststelde, geeft deze dame geen blode verhaaltjes, wel probeert ze het handelen van de overheid opnieuw perspectief te geven. Dat is wat ook anderen proberen, maar altijd te zeer omfloerst. Zo zal men het debat niet voeren over wat zeker bewaard moet worden, over wat de democratie werkzaam, betrouwbaar en veilig maakt. Klinkt raar wellicht, dezer dagen, maar vaak krijgt de overheid de schuld van zaken, waar anderen voor verantwoordelijk zijn, zoals de bankencrisis, de klimaatcrisis, of voor het gebrek aan passende reacties, terwijl de beslissingsbomen laten zien dat een autoritair regime wellicht ook geen oplossing heeft, omdat de chef niet altijd voldoende belangstelling aan de dag legt, omdat de ondergeschikten ook niet altijd oog hebben voor het algemeen belang, omdat de burgers niet geloven dat een corrupte overheid wat dan ook vermag. Maar is er dan geen corruptie in een democratie? Jawel, maar als er sporen van gevonden worden, zijn de garen raap, komt justitie tussen en worden er gepaste maatregelen genomen. Duurt het soms even? Natuurlijk vindt men die sporen niet direct, omdat die ook vakkundig gewist worden. Het punt is dat we de discussie over de macht van de machine(s) en wie daarachter zit, niet mogen laten rusten. Het doel van politiek is in essentie de omgang met macht en wie over macht en gezag beschikken mogen dat in de gezamenlijkheid  overleggen, maar delicate discussies kan men toch beter in de achterkamertjes bespreken en tot besluiten komen. Het is dan wel zaak die besluiten behoorlijk toe te lichten, zodat de kiezer weet wat er speelt, want het uitbrengen van een stem is geen instant beslissing, zoals men vaak wil doen geloven als de verkeerde partijen winnen, maar burgers spreken daarover, soms zelfs stilzwijgend.

 

Onze klachten over de democratie kunnen terecht zijn, ze zijn daarom niet wezenlijk, want ook in andere regimes kan het aardig fout gaan. Waar we wel omzichtig mee om moeten gaan is hervormingsijver, vooruitgangsgeloof en de idee dat er ergens een vaste en onwrikbare, onbetwijfelbare waarheid, een ideologie dus zou te vinden zijn en een blauwdruk voor de ideale maatschappij. Kan men niet zonder geloof in een betere ordening der dingen, dan kan men er zich maar ook beter van bewust zijn dat de samenleving niet voor een gat te vingen is, dat een antwoord op een probleem, zeg maar het begrotingstekort geen antwoord zal bieden. Dus ja, een democratie lijkt wel eens morsig, maar dat blijkt dan per slot van rekening wel beter dan het morele moeras van een dictatuur, waar enkelen baat bij hebben, velen er bij inschieten en de samenleving dreigt te verarmen. Maar een democratie werkt niet, met trainerende politici, traag malende administratieve molens en een onmachtige justitie. Kan het zomaar kloppen? De werkelijkheid is dat veel wel werkt, maar dat de media bij voorkeur kijken naar incidenten, zoals in de kinderopvang, waarbij men vanwege de overheid lang het sociale statuut van het personeel in de opvang heeft gelaten zoals het was, terwijl men wel meer vrouwen/moeders(in hope) op de werkvloer wilde. Alle partijen in het Vlaams Parlement oplossingen hebben aangedragen, maar nu en dan valt op dat men alleen de voordelen aanvinkte en schaduwzijden zedig onbesproken liet. Maar met een deugdelijke kinderopvang staat of valt ook het werkgelegenheidsbeleid en de strijd tegen armoede. Hoe of dat laatste wel zo succesvol is verlopen, kan men niet enkel aan onwil toeschrijven, want het probleem is dat men – net zoals 120 jaar geleden – toch nog altijd goede en slechte armen heeft, de goede leggen een verbetertraject af, de anderen blijven – het moet gezegd, klinkt het dan – steken in hun kwalen en tekortkomingen. Intussen zijn er heel wat voorzieningen die vanuit hun bestaansreden heel wat nuttig werk verrichten om mensen in armoede te helpen. Structureel? Dat hangt af van definities die wel eens controversieel lijken.

 

Het stikstofverhaal laat zien hoe moeilijk het is voor een regering, voor de overheid over meerdere legislaturen heen de zaken goed uit te leggen en vervolgens passend beleid met de nodige vasthoudendheid uitvoering te geven, waarbij men ook overtuigingskracht in het geding moet brengen. Het probleem van stikstofdepositie(-waarden) is dat het ons mensen niet direct raakt, omdat het de negatieve uitkomst is van een noodzakelijke beleidsomslag, streven naar het behoud van biodiversiteit. Hoe verhouden biodiversiteit en stikstofdepositie zich tot elkaar? En vooral, waarom is die biodiversiteit nu helemaal van belang? Het is maar of we voldoende weten over de biosfeer, hoe het leven net onder de grond en op de bodem, maar ook in de lucht zich ontwikkeld heeft, maar van ongewervelde organismen tot vissen, vogels en zoogdieren, schimmels en zwammen, bacteriën en virussen, het zijn geen van elkaar onafhankelijke systemen, maar de systemen beïnvloeden elkaar en houden elkaar min of meer in evenwicht, mocht de uiterst succesvolle soort, Mens, er niet geweest zijn.  Maar biodiversiteit belangt ons wel degelijk aan, zoals het verhaal van de stervende bijenkolonies laat zien, want zonder de bijen zouden de boomgaarden weinig vrucht dragen. Doch ook het vernielen van de levende bovenlaag van de aardbodem heeft gevolgen voor de voedselproductie, want er tiert wat, onder onze voeten.

 

Het beleid staat dus voor hete vuren, waarbij gemakkelijke oplossingen niet mogelijk lijken, maar tegelijk ook ongemakkelijk blijken voor u en mij. Wil men het aantal auto’s op de weg verminderen en vrachtwagens van de weg halen, dan moet aan randvoorwaarden voldaan worden, zoals, wat de vracht betreft, binnenschepen die niet altijd de last mile kunnen afleggen, maar de overslag, tijdelijke opslag zou te duur wezen en uiteindelijk, zegt men dan, komen er toch vrachtwagens aan te pas. Wat kan het beleid hieraan verhelpen? Misschien moeten we wat meer naar elkaar toewerken, in plaats van de dividenden boven alles te stellen. Kan niet, heet het, maar winstmaximalisatie kan contraproductief werken, al vond Milton Friedman dat falende bedrijven geen probleem vormen, want die gaan toch ten onder, terwijl ze ook de concurrentie vervalsen. Echter, om tekorten in het aanbod, zoals bleek tijdens Corona, zal men nu, zeer onfriedmaniaans, wel van overheidswege via programma’s ontwikkelen om de industrie te bewegen die tekorten weg te werken. Tegelijk merkt het zeer succesvolle ASML dat machines maakt om chips te produceren, mag niet meer aan China leveren, maar Taiwan is de grote producent van chips, wat het des te meer tot een prooi van China maakt, om strategische redenen.

 

Het is ingewikkeld, zegt u? Natuurlijk, omdat onze samenleving fijnmazig is geworden en wetgeving door nieuwe, onoplettende wetgevende initiatieven nog meer de gang van zaken kan doen vastlopen. Wat op het eerste zicht evident lijkt en de ratio zelf, blijkt na afweging met andere wetgeving onmogelijk stand te houden. De wet die de kernuitstap moest regelen had gevolgen die men nu niet wenst, want die wet bepaalde dat (nieuw) onderzoek naar nieuwe elektriciteitsproductie op basis van nucleaire energie niet (meer) mag. Is dat wenselijk, nu we ons gecommitteerd hebben aan het onder controle brengen van de klimaatverandering? De democratische ordening van de samenleving, de machtsverwerving via verkiezingen, er valt op af te dingen, maar de vrijheden waarover we beschikken, zouden we die willen opgeven?

 

Bart Haers

 

 

Reacties

Populaire posts