De vooruitgang en veranderingscultus
Reflectie
Democratie, macht en samenleving
Links vreest dat rechts zal winnen bij de volgende verkiezingen, de centrumpartijen dat ze de kiesdrempel nauwelijks zullen halen en rechts wil wel vooruit, maar wordt op de hielen gezeten door een denken dat aantrekkelijk is door eenvoud van analyse en oplossingen. Zijn de oude gedachten versleten geraakt? Of hebben we met de veranderende constellaties inzake gezondheid, demografie, economische mogelijkheden en technische mogelijkheden (dit stuk had misschien door een AI module geschreven kunnen zijn) zoveel parameters en paradigma’s zien verschuiven dat we even niet meer weten waarheen we moeten kijken.
Laten we eerst even vaststellen dat onze samenleving
en het leven in onze samenleving al gedurende meer dan een eeuw in een proces
van toenemende complexiteit is terechtgekomen, waarbij de mogelijkheden voor
individuen op een beter leven steeds toenemen, tot nu, maar dat zegde men rond
1985 ook. Een goed leven leiden mag dan ook geen probleem zijn, heet het, maar
de werkelijkheid laat zien dat dit toch niet vanzelfsprekend mag heten, omdat
de mogelijkheden die we zien en aangereikt krijgen, met een prijs komen, want
we moeten zelf ook het nodige inbrengen, niet alleen in en door betaalde
arbeid, beroepsactiviteiten, maar ook in het sociale leven en zelfs in de private
leefomgeving. Kennis nemen van de mogelijkheden gebeurt niet systematisch,
omdat we pas met het opgroeien en het bereiken van wat men vroeger, in
katholieke tijden, de jaren des onderscheids noemde, in staat blijken die te
vatten, naarmate onze behoeften toenemen, of beter, we aan die behoeften
toekomen.
De cultuur waarin de samenleving vorm krijgt, die we
als samenleving vorm geven maar ook als individu, terwijl die cultuur ons tot individuen
vormt – die wederkerigheid lijkt me kenmerkend – draagt ertoe bij dat we niet
zomaar een idee over hoe onze samenleving en cultuur in elkaar zitten kunnen
presenteren, want wat zijn de wezenlijke elementen, wat zou bijzaak zijn? Is de
vrijheid van het individu de crux? Of is het feit dat alles, onze handelingen
en onze beschikbare informatie om ons handelen te sturen zo verweven zijn met
wat anderen ons brengen dan wel onthouden, waardoor er bijvoorbeeld misverstanden
kunnen ontstaan. Maar we weten van Baldassare Castiglione dat men zich aan het
hof van een vorst maar staande kan houden als men goed weet te veinzen, laten
zien wat men wil kenbaar maken, maar vooral geheim houden wat anderen niet
hoeven te weten. Net als Niccolo Machiavelli wist Castiglione uit ervaring hoe
het leven in zo een slangenkuil kan zijn. Zijn boek “Il libro del Cortegiano”
kan ons heel wat bijbrengen hoe men een bedreven man op vele terreinen kan
zijn, een goed krijgsheer, een bedreven schermer, maar vooral ook goed van de
tongriem gesneden, in staat tot scherpe replieken en met verbositeit omklede
stilzwijgendheid. Maar zoals Geoffrey Parker over Filip II van Spanje vertelt,
inspireerde Castiglione hem om goed af te schermen wat zijn ware oogmerken
zijn, zoals in het geval van de inquisiteur die in Engeland voor hem en Maria
Tudor de protestanten heeft vervolgd en op de brandstapel gebracht. Terug in
Spanje, liet Filips hem gevangen zetten en uiteindelijk vermoorden, onder het
mom dat de goede dienaar van de vorst toch zelf besmet was geworden door
ketterse inzichten. Was het zo, of ging het om het vermijden dat iemand te veel
macht zou krijgen. Blijkbaar kende Stalin dat gevaar ook, want wie Berlijn
bevrijdde, riskeerde bij terugkomst in de USSR vervolging door de NKVD,
strafkamp en andere ellende.
Het ligt voor de hand dat we Filips II een kwalijke
reputatie toedichten, omwille van Alva, maar Filips hield hem ver van het Hof,
maar zette hem wel in, onder meer om de Portugese troon in te pikken en – tot
zijn eigen scha en schande – de Nederlanden te onderwerpen. Laten we er ons
evenwel voor hoeden dat we Filips II niet voldoende plaatsen in het
krachtenveld waar hij in verwikkeld was. Hoewel hij door de omvang van zijn
landen, zeker na 1580 de machtigste vorst in Europa was, kon hij niet anders
dan voortdurend in oorlog zijn met Frankrijk, Engeland, Venetië, de Ottomaanse
sultans en de paus, zelfs de paus. Een half jaartje heerste er vrede, de rest
van zijn lange regering was er oorlog en dus ook in de Nederlanden. Egmont en
Horne werden terecht gesteld, Willem van Oranje, met toestemming van de koning,
vermoord, hoewel ze ten tijde van Karel V nog behoorlijk met elkaar overweg
konden. Het punt is wellicht dat Filips de raad van zijn vader op de letter
toepaste en wie te machtig dreigde te worden, uitgeschakeld of verbannen moest
worden, zoals Alva, maar ook Willem van Oranje.
We huiveren van de wijze waarop Filips II, maar ook
Hendrik VIII en ook wel de Duc de Guise tijdens de godsdienstoorlogen hun
tegenstanders aanpakten. Hier was nauwelijks verhulling, maar het laten gelden
van de macht, vorstelijk of anders ook door God gesanctioneerd. Toch bereikten
ze maar zeer ten dele hun doelen, die kwam met een hoge prijs. Les ducs de
Guise hebben met hun onbuigzame ijver voor de katholieke kerk heel wat
bloedvergieten op hun naam. De kroning van Henri IV was niet direct het einde,
maar de koning diende wel voortdurend slag te leveren wat zijn beleid niet ten
goede kwam. Hij werd in de herinnering de koning bij uitstek, legendarisch en
zelfs enigszins volks, ondanks zijn hoge geboorte. Hij veranderde deels de
spelregels, door meer macht bij zichzelf te centraliseren en dat ondanks de
afkeer van katholieken, die de protestant Henri IV niet vertrouwden.
Al vroeg viel het mij op dat in de boeken die ik las
over Filips II en Hendrik VIII de machtsuitoefening als een gegeven werd
aanvaard, waar men niet omheen kan, maar die daarom ook evident was, al waren
er altijd stromen en onderstromen die aanspraken van de vorst dorsten uit te
dagen. De strijd om de macht en om die verworven macht te behouden, het blijft
nog altijd een wat onderschat thema, omdat we, zo lijkt het, die macht zien als
een abstract gegeven, maar vooral omdat we sinds we de underdog verheerlijken
niet zelf met macht geassocieerd willen worden. Macht geeft handelingsruimte,
noem het vrijheid, maar ook verantwoordelijkheid en die vrijheid willen we
liefst sluiks hanteren, de verantwoordelijkheden, die leggen we bij de
omstandigheden. Het is dus nuttig en noodzakelijk ook in een democratie na te
denken over macht. Het principe dat wie de noodtoestand kan afkondigen en
handhaven (soevereine) macht bezit en kan hanteren. Die visie van Carl Schmitt
over macht werd in het debat lang afgeserveerd want de auteur stond toch aan de
verkeerde kant van de geschiedenis. Zou het? Hij was, zoals onder meer Martin
Heidegger zover gegaan zich in te schrijven in het programma van de NSDAP en
het Naziregime, maar algauw was de omhelzing over, zeker voor Carl Schmitt, die
van de Nazi’s vond dat ze bereid waren tot revolutie en dat zinde hem niet, net
zo min als de communisten hem konden bekoren.
Carl Schmitt stelt een vraag die ook vandaag aan de
orde is: wie kan de noodtoestand uitroepen en doen naleven. Als de
Coronapandemie iets geleerd heeft, dan is het dat in uitzonderlijke
omstandigheden het handhaven niet zoveel voeten in de aarde heeft omdat de
bevolking mee wil, de recalcitrante tegenstanders van de lockdowns en de
vaccinatiecampagnes hebben in feite weinig steun gekregen – in een
miljoenensamenleving komt men gauw aan grote verzamelingen tegenstanders, ook
al blijft dat maar een fractie van de bevolking – van de burgers, net omdat
velen begrepen dat de maatregelen, na het zien van beelden uit Bergamo en
Spanje, aanvaardbaar maar lastig werden bevonden, mits de handhaving redelijk
bleef. Persconferenties waar de regeringstop en experts gebombardeerd werden
met vragen die getuigden van een grote argwaan tegen burgers, leidden tot soms
stupide antwoorden en al even dwaze overdrijvingen – zoals het verbod op een
bankje in het park te gaan zitten -, die de zaak niet vooruit konden helpen. Uiteindelijk leek men in staat tot een
proportionele aanpak geneigd, al bleek er recent nog een rechter bereid een
onnodig zware boete zware boete op te leggen voor het niet (correct) dragen van
het mondmasker, maar dat is een indruk, die wel blijft hangen bij burgers. Een
fout gedragen masker wordt zo een dure grap, zonder dat er nog aanleiding toe
is. De trage molens van justitie? Nu het recht via allerlei systemen
gedigitaliseerd kan worden, aldus Maxim van Februari, dreigt het gevaar dat die
macht de noodtoestand uit te vaardigen niet meer ter discussie gesteld kan
worden. Algoritmes kunnen handig zijn, als ze normerend gaan werken, ontstaat
een probleem van legitimiteit maar verhindert blinde handhaving ook het moreel
handelen van mensen. Het is een dossier dat door het lawaai van complotdenkers tot
nu niet goed behandeld kon worden.
Het opzet van beleidmakers naspeuren vergt wel eens
omslachtig onderzoek, want het is niet altijd duidelijk wie aan de touwtjes
trekt of beter, wie de beleidmakers stuurt. Het gaat dus om de vraag die Carl
Schmitt ons voorhoudt: wie kan de noodtoestand afkondigen? Vat men de vraag te
zeer naar de letter, dan lijkt ze zonder grond, maar dat is net het punt, het
gaat erom wie kan bepalen wat mag en niet, zoals het rookverbod in publieke
plaatsen. Iedereen vindt het normaal, maar geleidelijk zijn er ook andere
beperkende maatregelen, zelfs over het voedsel dat we consumeren. Het is wel
wezenlijk dat we ons rekenschap geven van het belang van gezond leven, alleen
is de vraag of men gezond leven ten behoeve van het eigen welbevinden en zonder
omzien naar de omstandigheden van individuen kan opleggen of via nudging
afdwingen. Gezond leven? Natuurlijk, maar het blijft maar de vraag of men
behoefte heeft aan zovele legers van gezondheidsexperts. Ook maken we ons tegelijk
te weinig zorgen om de mentale gezondheid van burgers, personen, maar tegelijk
lijkt het erop dat men beroep doet op coaches die niet altijd even betrouwbaar
zijn. De vrije markt? Juist ja, maar tegelijk vindt men nauwelijks of geen
personeel voor de geestelijke gezondheidszorg en als er dan iemand over de
rooie gaat, blijkt niet zelden dat hij of zij al enige tijd op een uitzichtloze
wachtlijst staat. Zoals een psychiater verzuchtte, kan men wel geld vinden voor
kleine, overzichtelijke euvels, maar is het voor Ernstige Psychiatrische
Aandoeningen (EPA’s) moeilijker om de best passende behandeling tijdig te
starten, zodat de kans op herstel en een goed leven optimaal is.
Wie het over het beleid hebben wil, zal algauw merken
dat eenvoudige, op het oog logische benaderingen best veel emotionele reacties kunnen opwekken, al was het maar dat
we ons gemakkelijk bestolen voelen. Vooral dreigend prestigeverlies kan tot
heftige opstoten leiden, maar het komt zelden in de analyses aan de orde, omdat
wie verlies moet incasseren, dat best aan zichzelf kan wijten, want het hangt
allemaal vooral van onszelf af, ook als we geen greep hebben op wat er zich
rondom afspeelt. Wie het lastig heeft met nieuwkomers in de wijk is een xenofoob,
erger, een racist, terwijl de betrokkene het gewoon lastig vindt dat zijn of
haar straat van aanblik verandert en wellicht ook treurt om de fijne tijden van
weleer, toen men elkaar kende en al eens een glas dronk gezeten op de drempel
van het huis. Men heeft geprobeerd die houding verdacht te maken, maar vergeten
dat de burgers die zich bedreigd voelen, al is het voor wie in de betere wijken
woont en zich altruïsme kan veroorloven, moeilijk te vatten, ook hun gevoelens
hebben en dat heeft het wederzijds begrip niet bevorderd. Het menselijke
onderkennen, betekent ook de zwakke plekken aanvaarden, ook bij zichzelf, maar
we geloven wat graag daar boven te staan. Dat men nu spreekt van grote spanning
tussen de provincie en de Randstad, gaat blijkbaar voorbij aan het feit dat ook in stedelijke gebieden de
politieke oplossingen voor niet altijd als reële problemen ervaren kwesties het
wederzijds onbegrip in de hand heeft gewerkt. Journalistiek, juniors in
politieke partijhoofdkwartieren, onderzoekers aan universiteiten spreken een
gemeenschappelijke taal, zelfs mensen die de main( stream – die van die
hoofdstedelijke, hooggeschoolde elite – cultuur afwijzen hanteren vaak de regenteske
cultuurtaal. Dat geldt ook in Vlaanderen, al spreken die zelfbenoemde leden van
de elites nu net graag een tussentaal om populair te zijn. De doelstellingen
die men nastreeft worden niet altijd uitgesproken, laat staan besproken want de
regenten vinden die doorgaans evident en dan hoeven er geen woorden aan besteed
worden. De situatie in Groningen laat zien dat men niet begrijpen wil, in den
Haag en Amsterdam, dat patrimonium verliezen door de aardbevingen zwaar aankomt
en niet alleen financieel. Nederland gaat gebukt onder verschillende crises die
ook maar niet tot bevredigende oplossingen leiden. De stikstofcrisis laat zien
hoe de Zuidas mee verantwoordelijk is voor de wijze waarop landbouwers zich in
de schulden steken, maar hun inbreng blijft doorgaans buiten beeld. De
studiefinanciering zorgt door de recente hervorming, waarbij de basisbeurs
opnieuw in de plaats komt van de studielening, die in 2015 werd ingevoerd ter
vervanging van de basisbeurs. Studenten stapelen sindsdien een zware
studieschuld op, die in het slechtste geval een leven kan meegaan en gevolgen
voor andere aan te gene leningen, voor een woning bijvoorbeeld. Hugo de Jong
vond dat duidelijk niet erg, hij ried een meisje dat erover kloeg niet op d’r
eentje haar huis te kunnen kopen, net geen sugar daddy aan, wel een rijk
vriendje. Dat is toch niet meer van deze tijd? Oh ja, er is ook nog de
trainerende afhandeling door het ministerie (van Financiën) van de toeslagenaffaire.
Wellicht zie ik nog een aantal controversiële beleidsdiscussies over het hoofd,
maar het geheel van de problemen overweldigt zeker de Nederlandse regering,
maar ook de regenten die achter de schermen het beleid schragen en nieuw beleid
ontwikkelen.
Het punt is dat de meetinstrumenten die economen en
sociologen hanteren abstractie maken van stoorzenders en ook politici hanteren
zo hun eigen meetinstrumenten, waarbij de test, gesprekken met burgers
uitblijven. De tevredenheid van burgers met lokaal beleid wordt naar aanleiding
van gemeenteraadsverkiezingen breed uitgesmeerd, maar burgers die tevreden zijn
met hun leven in Gent, Brugge of Lievegem, waarderen niet a priori het gevoerde
beleid, omdat dit wel eens lastig blijkt, zoals de afsluiting van Gent centrum
voor een deel van de inwoners en nog meer voor wie even buiten de stad woont,
omwille van de LEZ, maar er zijn ook andere kwesties, zoals de kostprijs van de
parkings voor wie buiten het stadscentrum wonen en die niet per se beroep
kunnen doen op het openbaar vervoer, omdat dit voor hun wijk kwalijk is
georganiseerd. Participeren aan het openbare leven, cultuur, boeken, gedachtewisselingen
of amusement, wordt dan wel zeer moeilijk en ook wel duur. Het beleid roept
vragen op, maar onze eigen voorkeuren moeten we dan ook te berde brengen. Een
nieuwe voetbaltempel voor Club Brugge? Ik ga niet vaak naar het voetbal kijken,
of zelfs gewoon niet, maar dat betekent niet dat ik tegen zo een nieuw stadion
zou zijn, want ik gun het de Club én de Vereniging wel, de supporters en het is
feest als er grote matchen gespeeld worden. Ik woon op Assebroek? Tja, maar dat
stadion had ook in Loppem gebouwd kunnen worden, maar het ACW protesteerde
tegen de familie van Caloen, heet het. En de terreinen aan de Blankenbergse
steenweg konden ook al niet voldoen, wegens een andere bouwmagnaat die er ook
gronden heeft. Nu is de bestaande site in het geding en plop, een paar
tegenstanders, gewone burgers, heet het, tekenen beroep aan. Gewoon? Tot blijkt
dat de vertegenwoordiger banden heeft met een politieke partij, zijdelings ook
weer gelinkt aan Cercle. Ik heb het van horen zeggen, maar het was mijn
aanvoelen al toen ik hoorde dat er protest zou komen tegen de laatste plannen,
die door de stad al vergund waren. Burgers mogen op hun rechten staan en zijn
mondig, hebben gestudeerd, maar toch zou men, ook vanwege opiniemakers de
houding van de mensen die zich verzetten evengoed onderzoeken als die van de politici
en de overheid. Burgers kunnen het belang van andere burgers kwaadwillig tegenwerken,
maar dat blijft vaak in een waas van juridische claims hangen.
Het cruciale probleem? Politici gaan ervan uit, zeker
ministers dat zij a priori bekwaam zijn voor hun takenpakket, terwijl het
meestal om juristen gaat, lang niet altijd bio- of andere ingenieurs. Alleen Zuhal
Demir durft dat al eens te berde brengen, waarbij politici van andere gezindte
wel eens vergeten hoe belangrijk passend advies blijkt, ook al gaat het tegen
de aannames in, ook al woedt er controverse over. Maar bovendien blijft de
gedachte van Robert McNamara rond zoemen, dat het publiek niet weet wat er echt
speelt, terwijl de regering er alles aan doet om te verhinderen dat het publiek
dat ooit zou weten. Hoewel er bij de leden van de Oeso doorgaans ook consensus
bestaat over transparantie van het beleid, er wetgeving bestaat dat
overheidsinstellingen verplicht op verzoek van burgers informatie vrij te geven, blijft men ervan uitgaan dat
burgers d’office een soort vulgum pecus zouden vormen, onwetend, maar wel
hooggeschoold. In een aantal gevallen kan dat zo zijn, maar de beschikbare
kennis is breder dan ooit beschikbaar en uiteindelijk zijn vele burgers ook
betrokken op enige manier bij het regeringsbeleid. Valt dat te becijferen? In
feite wel, denk ik, maar het zal altijd wel ter discussie staan of bijvoorbeeld
leraren basisonderwijs of Secondair Onderwijs wel over voldoende kennis
beschikken, of alumni van onze universiteiten vatbaar zijn voor
wetenschappelijke uitleg over zoiets als corona of biodiversiteit. Journalisten
zien niet dat zij, door zich voor te doen als alwetend en het publiek als
onwetend, in beide gevallen quod non, het publiek ook wegduwen van het publieke
debat. Caroline Van de Plas, medeoprichtster van BBB laat zien hoe men mensen,
veel burgers naar het kiesbureau krijgt en ervoor zorgt dat ze stemmen. Zoals
Ad Melkert vaststelde, geeft deze dame geen blode verhaaltjes, wel probeert ze
het handelen van de overheid opnieuw perspectief te geven. Dat is wat ook
anderen proberen, maar altijd te zeer omfloerst. Zo zal men het debat niet
voeren over wat zeker bewaard moet worden, over wat de democratie werkzaam,
betrouwbaar en veilig maakt. Klinkt raar wellicht, dezer dagen, maar vaak
krijgt de overheid de schuld van zaken, waar anderen voor verantwoordelijk
zijn, zoals de bankencrisis, de klimaatcrisis, of voor het gebrek aan passende
reacties, terwijl de beslissingsbomen laten zien dat een autoritair regime
wellicht ook geen oplossing heeft, omdat de chef niet altijd voldoende
belangstelling aan de dag legt, omdat de ondergeschikten ook niet altijd oog
hebben voor het algemeen belang, omdat de burgers niet geloven dat een corrupte
overheid wat dan ook vermag. Maar is er dan geen corruptie in een democratie?
Jawel, maar als er sporen van gevonden worden, zijn de garen raap, komt
justitie tussen en worden er gepaste maatregelen genomen. Duurt het soms even?
Natuurlijk vindt men die sporen niet direct, omdat die ook vakkundig gewist
worden. Het punt is dat we de discussie over de macht van de machine(s) en wie
daarachter zit, niet mogen laten rusten. Het doel van politiek is in essentie
de omgang met macht en wie over macht en gezag beschikken mogen dat in de
gezamenlijkheid overleggen, maar
delicate discussies kan men toch beter in de achterkamertjes bespreken en tot
besluiten komen. Het is dan wel zaak die besluiten behoorlijk toe te lichten,
zodat de kiezer weet wat er speelt, want het uitbrengen van een stem is geen
instant beslissing, zoals men vaak wil doen geloven als de verkeerde partijen
winnen, maar burgers spreken daarover, soms zelfs stilzwijgend.
Onze klachten over de democratie kunnen terecht zijn, ze
zijn daarom niet wezenlijk, want ook in andere regimes kan het aardig fout
gaan. Waar we wel omzichtig mee om moeten gaan is hervormingsijver,
vooruitgangsgeloof en de idee dat er ergens een vaste en onwrikbare,
onbetwijfelbare waarheid, een ideologie dus zou te vinden zijn en een blauwdruk
voor de ideale maatschappij. Kan men niet zonder geloof in een betere ordening
der dingen, dan kan men er zich maar ook beter van bewust zijn dat de
samenleving niet voor een gat te vingen is, dat een antwoord op een probleem,
zeg maar het begrotingstekort geen antwoord zal bieden. Dus ja, een democratie
lijkt wel eens morsig, maar dat blijkt dan per slot van rekening wel beter dan
het morele moeras van een dictatuur, waar enkelen baat bij hebben, velen er bij
inschieten en de samenleving dreigt te verarmen. Maar een democratie werkt
niet, met trainerende politici, traag malende administratieve molens en een
onmachtige justitie. Kan het zomaar kloppen? De werkelijkheid is dat veel wel
werkt, maar dat de media bij voorkeur kijken naar incidenten, zoals in de kinderopvang,
waarbij men vanwege de overheid lang het sociale statuut van het personeel in
de opvang heeft gelaten zoals het was, terwijl men wel meer vrouwen/moeders(in
hope) op de werkvloer wilde. Alle partijen in het Vlaams Parlement oplossingen
hebben aangedragen, maar nu en dan valt op dat men alleen de voordelen
aanvinkte en schaduwzijden zedig onbesproken liet. Maar met een deugdelijke
kinderopvang staat of valt ook het werkgelegenheidsbeleid en de strijd tegen
armoede. Hoe of dat laatste wel zo succesvol is verlopen, kan men niet enkel
aan onwil toeschrijven, want het probleem is dat men – net zoals 120 jaar
geleden – toch nog altijd goede en slechte armen heeft, de goede leggen een
verbetertraject af, de anderen blijven – het moet gezegd, klinkt het dan –
steken in hun kwalen en tekortkomingen. Intussen zijn er heel wat voorzieningen
die vanuit hun bestaansreden heel wat nuttig werk verrichten om mensen in
armoede te helpen. Structureel? Dat hangt af van definities die wel eens
controversieel lijken.
Het stikstofverhaal laat zien hoe moeilijk het is voor
een regering, voor de overheid over meerdere legislaturen heen de zaken goed
uit te leggen en vervolgens passend beleid met de nodige vasthoudendheid uitvoering
te geven, waarbij men ook overtuigingskracht in het geding moet brengen. Het
probleem van stikstofdepositie(-waarden) is dat het ons mensen niet direct
raakt, omdat het de negatieve uitkomst is van een noodzakelijke beleidsomslag,
streven naar het behoud van biodiversiteit. Hoe verhouden biodiversiteit en
stikstofdepositie zich tot elkaar? En vooral, waarom is die biodiversiteit nu
helemaal van belang? Het is maar of we voldoende weten over de biosfeer, hoe
het leven net onder de grond en op de bodem, maar ook in de lucht zich
ontwikkeld heeft, maar van ongewervelde organismen tot vissen, vogels en
zoogdieren, schimmels en zwammen, bacteriën en virussen, het zijn geen van
elkaar onafhankelijke systemen, maar de systemen beïnvloeden elkaar en houden
elkaar min of meer in evenwicht, mocht de uiterst succesvolle soort, Mens, er
niet geweest zijn. Maar biodiversiteit
belangt ons wel degelijk aan, zoals het verhaal van de stervende bijenkolonies
laat zien, want zonder de bijen zouden de boomgaarden weinig vrucht dragen.
Doch ook het vernielen van de levende bovenlaag van de aardbodem heeft gevolgen
voor de voedselproductie, want er tiert wat, onder onze voeten.
Het beleid staat dus voor hete vuren, waarbij
gemakkelijke oplossingen niet mogelijk lijken, maar tegelijk ook ongemakkelijk
blijken voor u en mij. Wil men het aantal auto’s op de weg verminderen en
vrachtwagens van de weg halen, dan moet aan randvoorwaarden voldaan worden,
zoals, wat de vracht betreft, binnenschepen die niet altijd de last mile kunnen
afleggen, maar de overslag, tijdelijke opslag zou te duur wezen en uiteindelijk,
zegt men dan, komen er toch vrachtwagens aan te pas. Wat kan het beleid hieraan
verhelpen? Misschien moeten we wat meer naar elkaar toewerken, in plaats van de
dividenden boven alles te stellen. Kan niet, heet het, maar winstmaximalisatie
kan contraproductief werken, al vond Milton Friedman dat falende bedrijven geen
probleem vormen, want die gaan toch ten onder, terwijl ze ook de concurrentie
vervalsen. Echter, om tekorten in het aanbod, zoals bleek tijdens Corona, zal
men nu, zeer onfriedmaniaans, wel van overheidswege via programma’s ontwikkelen
om de industrie te bewegen die tekorten weg te werken. Tegelijk merkt het zeer
succesvolle ASML dat machines maakt om chips te produceren, mag niet meer aan
China leveren, maar Taiwan is de grote producent van chips, wat het des te meer
tot een prooi van China maakt, om strategische redenen.
Het is ingewikkeld, zegt u? Natuurlijk, omdat onze
samenleving fijnmazig is geworden en wetgeving door nieuwe, onoplettende
wetgevende initiatieven nog meer de gang van zaken kan doen vastlopen. Wat op
het eerste zicht evident lijkt en de ratio zelf, blijkt na afweging met andere
wetgeving onmogelijk stand te houden. De wet die de kernuitstap moest regelen
had gevolgen die men nu niet wenst, want die wet bepaalde dat (nieuw) onderzoek
naar nieuwe elektriciteitsproductie op basis van nucleaire energie niet (meer)
mag. Is dat wenselijk, nu we ons gecommitteerd hebben aan het onder controle
brengen van de klimaatverandering? De democratische ordening van de
samenleving, de machtsverwerving via verkiezingen, er valt op af te dingen, maar
de vrijheden waarover we beschikken, zouden we die willen opgeven?
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten