Debat over Historische Canon
Kritiek
(G)een
canon voor Vlaanderen
De Koninklijke Vlaamse Academie van België voor kunsten en Wetenschappen hield in het Hotel Belvédère een uiteenzetting voor breed publiek over de controversiële Canon voor Vlaanderen, waar de regering veel van verwacht, zeker als het gaat om het versterken van de betrokkenheid van jongeren bij Vlaanderen, een sterkere Vlaamse identiteit dus. Drie leden van de academie schreven een standpunt uit over die canon en de Academie gaf hun de kans dit te publiceren en er dus ook met een geïnteresseerd publiek over van gedachten te wisselen. Waar leidde het toe. In dit stuk proberen we vanuit de wijze waarop kennis verwerven over het verleden en hoe we tot inzichten komen de zaak te benaderen, met dank aan het gepubliceerde standpunt.
In een tweede luik van de bijeenkomst werd gevraagd
aan leraren geschiedenis wat zij vonden dat in het programma zou moeten
opgenomen worden, waarbij men oog diende te hebben voor de verschillende
niveaus waarop geschiedenis zich kan afspelen, globaal, regionaal of lokaal en
of een fenomeen inzicht gaf in bepaalde groepen of zelfs enkelingen in de
samenleving. Dat was een boeiende oefening, maar leidde er toe dat ik mij
afvroeg of beproefde methodes geen betekenis meer hebben, want luidde het moto “Wat
is het waard geleerd te worden”, dan staan historici v/m niet altijd vreedzaam
met elkaar te keuvelen.
“Wat is het waard geleerd te worden”
Voor historici zal de eigen specialisatie altijd wel
bovenaan het lijstje staan, maar toch is de vraag rechtmatig want kijkend naar “Het
verhaal van Vlaanderen”, waar de bijzondere wending die de cultuur nam tijdens
de 12de eeuw helemaal buiten beeld verdween, vroegen we ons af,
waarom die periode geen aandacht kon of mocht krijgen. Ook de merkwaardige
achttiende eeuw had aandacht moeten krijgen, omdat na de Oorlogen van Louis XIV
de Oostenrijkse Nederlanden een herstel kenden van de economie en de welvaart
voor de (kleine) luyden ook toenam. Het is een visie die niet geheel zonder
controverse is, omdat Chris Vandenbroecke met zijn demografisch onderzoek
volgens sommige collegae wat te optimistisch was over de werkelijke
leefsituatie van de mensen. Zou het dan niet wenselijk zijn dat men die kritiek
grondig met argumenten onderbouwde, op basis van de bronnen die Vandenbroucke
hanteerde, staten van goed en molengeldenregisters, naast andere. Het concrete
verwijt luidt dat Vandenbroucke teveel aandacht bestede aan de groei van de
koopkracht van kortzitters die ’s winters via thuisarbeid, met weefgetouwen of smeedwerk,
nagels onder meer, een aardig supplementair inkomen verwierven.
En inderdaad, de Staatshervorming, maar ook de taalwetgeving,
uitgewerkt door onder meer Frans van Cauwelaert ontbrak in de reeks met Tom
Waes en dat moet men wel betreuren, want de taalwetgeving heeft vandaag nog
steeds belang, ook voor de VRT. Hoe of de taalwetgeving met de steun van
arbeiders – taalregeling in bedrijven – of pastoors en leraren – zoals de Heremanszonen,
die van hun leraar Jacob F.J. Heremans (Antwerpen 1825 – Gent 1884) aandacht voor het Nederlands kregen en mee aan
de kar gingen trekken. Taalminnaars? Allicht, maar uiteraard kenden zij goed Frans,
zoals ook August Vermeylen goed in beide talen beslagen was en zijn pen wist te
roeren. Dat men in “Het” verhaal van Vlaanderen voor deze ontwikkelingen geen aandacht
heeft, valt te betreuren, want zelfs in een superdiverse samenleving is er een
gemeenschappelijke taal nodig om de samenleving draaiende te houden. En de
discussie over de tussentaal mag ook wel eens gevoerd, want waar oude
sociaaldemocraten als Geert van Istendael als radiojournalist een baken was,
kwam er in de jaren 1980 een strekking in de Germaanse filologie en de
sociologie opwellen, die vond dat cultuurtaal hanteren een vorm van uitsluiting
betekende voor wie het niet kennen kan… Ook dat is historie.
Kan men eigenlijk wel een canon van de geschiedenis instellen
dan wel uitvaardigen die zich beperkt tot Vlaanderen, zoals we het nu kennen?
Het korte antwoord is “Neen” en het is op meerdere gronden ook onwenselijk.
Maar dat mensen een canon meekrijgen in het onderwijs, naar aanleiding van
quizzen en andere entertainmentprogramma’s of fictie in druk en film, zoals
Daens, staat ook buiten kijf. Priester Adolf Daens verdient een plaats in het
collectieve geheugen, maar een kritische biografie kan helpen de figuur beter
te leren kennen. Uit zijn optreden zouden de Christene Democraten in Aalst en
omgeving voortkomen, die deels in de Volksunie zouden opgaan of dakloos worden.
Maar de vraag die in het Standpunt werd gesteld was van een andere orde: kan men
op grond van politieke overwegingen de bevolking een kenniskader meegeven van
de geschiedenis? Is de intentie
voldoende of gaat het om het doel, c.q. mensen hun Vlaamse identiteit
helpen aan te scherpen? En dan komt de vraag opduiken of dit manipulatie is of
erger, indoctrinatie. Pro memorie: men kan het de Belgische overheid niet
verwijten dat figuren als Ambiorix of Simon Stevin, maar ook Jan Breydel en
Pieter de Coninck door standbeelden werden voorgesteld als helden van het jonge
koninkrijk België, omdat een land zich nu eenmaal moet legitimeren, zeker als
het de vrucht is van een omwenteling. Henri Conscience schreef, min of meer
gesteund door het Hof, door de koning(en) op zijn eentje, naar het voorbeeld
van sir Walter Scott of in Nederland Jacob van Lennep, die ook graag oude
geschiedenissen oprakelde een historische canon, van de Moord op Karel de Goede
tot de Boerenkrijg en de Loteling. Maar ondanks de steun van het hof voor Conscience,
was het vooral de schare lezers – en toehoorders – die het werk van de auteur
bekend en geliefd maakten. Overigens is dat ook een fenomeen dat onze aandacht
verdient, maar belangrijker is de vaststelling dat Conscience en van Lennep hun
faam en verdienste zelf bewerkstelligd hebben. Dat zowel het verhaal over de
Kerels van Vlaanderen als van de Leeuw van Vlaanderen niet echt de toets der (moderne)
historiografie doorstaan, mag ons niet ontgaan, maar met Henri Pirenne en Paul
Fredericq kwamen academische historici op de voorgrond die een hele school
zouden uitbouwen, die nog bekend staat als de Gentse Historische School. Het verschil
tussen die academische praktijk en de
productie van (volkse) geschiedschrijving lijkt wel eens onoverbrugbaar, maar
naarmate de lessen geschiedenis in het Secondair Onderwijs meer professioneel
door academisch geschoolde historici werd geadstrueerd, kon men de kennis van
het verleden zien toenemen, al weren er nog wel eens leraren v/m die er een
saaie bedoening van maakten. Anderen gaven in een moeite de eerste aanzetten tot
inzicht in de Evolutietheorie bij te brengen. En de geschiedenis was dan wel
vaak toegespitst op onze contreien, er was ook ampel aandacht voor waar het
zich aandiende, aandacht voor de geschiedenis elders in Europa, zoals omtrent
de Poolse Delingen, de oorlogen van Napoleon en de Franse Revolutie of
inderdaad Newton, Le Grand Louis, aka Le Roi Soleil of – in mindere mate de Republiek
der Verenigde Provinciën, met Johan van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en Johan
de Witt, het Stadhouderloze tijdperk.
Is dat het allemaal waard geleerd te worden? Aandacht voor
het verleden is niet gratuit en het beeld dat we van dat verleden leren kennen
en ons gaan vormen, hangt dus af van wie het ons bijbrengt en met welke
bedoelingen. Moet ik mij Vlaming weten, omdat God mij Vlaming schiep? De
werkelijkheid is dat de media, van entertainment tot sportjournalisten en politieke
journalisten ons graag een zelfbeeld voorhouden, dat me niet zint, omdat het te
bepalend is. Zelfs al kijk ik wel naar wielerwedstrijden, ook in het
Winterseizoen, het veldcrossseizoen dus, dan nog vind ik dat niet definiërend,
omdat ik het evengoed niet systematisch doe. En bier, Mosselen-Friet zijn ook
niet altijd aan mij besteed. Mezelf een Bourgondiër vinden? Het kan gebeuren,
maar het definieert zo weinig, blijft hangen in de heerlijke banaliteit, maar
blijft een poging tot identificatie.
In Nederland kwam, na de moorden op Pim Fortuyn (2002)
en Theo van Gogh (2004) de identiteitsbeleving in Nederland in het centrum van
het publieke debat te staan. Kwam er aan de ene kant vanuit de academische wereld
zelf een canon tot stand in 2006 onder voorzitterschap van Frits van Oostrum,
de auteur van een boeiende en iet of wat controversiële biografie van Jacob van
Maerlant, op eigen initiatief en ad usum scholarum, dan kwam de Wetenschappelijke
Raad voor het Regeringsbeleid met een rapport over identificatie. De eerste
paragraaf stelt meteen het resultaat van het onderzoek ondubbelzinnig vast:
“Het beleidsmatig inzetten van de
nationale identiteit kan contraproductief werken. Een open benadering, die
uitgaat van verschillende processen van identificatie met ons land, is te
prefereren. Deze biedt meer mogelijkheden om – bij open grenzen, culturele
diversiteit en transnationale verhoudingen – de spanningen tussen Nederlanders
het hoofd te bieden. Dat is de bevinding van de WRR in het rapport Identificatie
met Nederland (rapport nr. 79, 2007).
Prinses, nu koningin Maxima, van Argentijnse
afkomst, met een kosmopolitische inslag vroeg zich af hoe zij zich met
Nederland kon identificeren, wat voor haar door haar positie nog vrij eenvoudig
lijkt, maar voor nieuwkomers, mensen met een migratieachtergrond blijft het
zoeken en behelpen, tenzij men erin slaagt in het VWO mee school te lopen en
naar de hogeschool te gaan. Maar dan nog blijkt het niet altijd evident
aanvaard te worden. Want kan men zich identificeren met een groep, een samenleving
waar men geen herkenning en erkenning van krijgt, waar men niet echt toe
behoren kan? Het blijkt moeilijk via de verhalen van de Vlaamse samenleving
zich in te leven in die samenleving, zeker als het over de oorlogen gaat, van
Poitiers in 732 tot de belegeringen van Wenen ten tijde van Karel V en nog in
de zeventiende eeuw. Ook de kruistochten vormen een struikelsteen, omdat men
dan Christelijk Europa verwijt op veroveringstocht te zijn gegaan. Hoe zal men
dat verhaal vertellen en vooral, waarom moet het vertaald worden?
Het gaat erom de wereld te begrijpen zoals
die zich aandient, zonder daarbij een teleologisch standpunt in te nemen. Kan
het verleden doen dromen, onze jongeren laten dromen? Zo een kruistocht, zeker
de eerste is op het oog goed bekend, met de oproep van paus Urbanus II en de
oproepen van een pater die door het land, Europa maar vooral Frankrijk en
Duitsland trekt. Paus Urbanus was nauw betrokken en als (geestelijke)
aanmoediging was er de aflaat en de belofte dat men niet in de hel zou branden.
Maar tegelijk paste deze onderneming in de politiek van Cluny, de grote
kloosterorde die had geïnvesteerd in het pacificeren van Europa, door de godsvrede
en andere beperkingen op oorlogsvoering in te voeren. Door een groot aantal
ridders op weg te sturen, zou Europa meer vreedzaam worden. De oprichting van
Latijnse koninkrijken in de bracht een bijna 2 eeuwen durende aanwezigheid in
het Midden-Oosten met zich mee, gekenmerkt door aanslepende conflicten die met
wisselend succes voor beide partijen het leven leken te bepalen. Een Willem van
Rubroeck, over wie weinig bekend is, behalve zijn reisverslag van de weg die
hij nam naar Karakorum, waar de Khan van het Mongoolse rijk zich bij tijd en
wijle bevond. Dat de Franciscaner monnik de tocht naar Mongolië maakte, niet
als diplomaat voor Louis IX, de Heilige, maar als missionaris, op verzoek –
eerder een vermeend verzoek – kan men ook als een interessant gebeuren en ja,
van Rubroeck kwam uit Vlaanderen, al ligt zijn geboortestreek wel in Frankrijk
sinds de zeventiende eeuw.
Kan men de Kruistochten, die niet allemaal
tot een goed einde gebracht werden, de Vierde eindigde in Byzantium door
toedoen van de Byzantijnen, waar de graven van Vlaanderen nauw bij betrokken
waren, niet lovenswaardig vinden, toch waren die ondernemingen voor het toenmalige
Europa van belang, al kregen ze dan weer te maken met stevig verzet. Rond
dezelfde tijd kwam een nieuwe veroveringsfase vanuit Cordoba in problemen, met
het sterven van El Mansour. Vanuit Vlaanderen is dat Verweggistan, zoals ook de
bedevaart naar Santiago de Compostella, in gevaar kwam door het opdringen van
de Moorse overmacht, wat blijkbaar wel ook onze streken kon raken. Historisch
hebben de kruistochten hun belang omdat er ook een cultuurverschuiving
ontstond, want de relaties met het Byzantijnse rijk werden doorheen die
tweehonderd jaar van de Christelijke koninkrijken tegen 1300 uitgeteld waren en
de orde van de Tempelridders, die rond 1307 door Filips IV geconfisqueerd
werden en de leden opgepakt. In 1314 werden Jacques de Molay en anderen dan op
de brandstapel terechtgesteld, waarover Maurice Druon schreef in “Les Rois Maudits”.
Moeten we dat weten, wel beseffende dat het Machiavellistische opzet van de
Franse koning veel schijnargumenten heeft aangedragen, waardoor nu nog altijd
mensen gefascineerd op zoek zijn naar de schat van de Tempeliers. Maar net dat
Machiavellisme, de lef van de koning om zelfs indien nodig de paus, die in
Avignon verbleef en in bedwang gehouden werd met een dwangburcht op de andere
oever van de Rhône, komt in het verhaal van Vlaanderen niet aan bod omdat de veldslag
bij Kortrijk noch de hoofdzaak noch het einde betekende van het conflict. Het
is misschien geen fundamenteel of kardinaal punt, maar tegelijk in het licht
van het Europese verhaal wel illustratief voor het toenemend zelfvertrouwen van
vorsten, bijgestaan door geschoolde raadslieden, zoals Enguerrand de Marigny.
Men zegt vaak dat Europa nooit een eenheid zou kunnen zijn, omwille van de vele
culturen, maar moet men die visie niet herzien? Door het christendom en het
gebruik van het Latijn, na de val van Rome ontstond een grote eenheid in de
Europese cultuur, waarbij de volkstalen lange tijden onbelangrijk bleven voor
zaken van bestuur, maar wel hun ontwikkeling kenden. De eenheid kwam tot uiting
via de handel, via een nieuwsoortig financieel systeem met foorbrieven en de
latere doorontwikkeling via wisselbrieven; zodat men geen grote hoeveelheden
baar geld hoefde mee te nemen op lange en vaak gevaarlijke reizen, van de
Nederlanden naar de Rhône en Italië of naar de Hanzesteden in het Noorden.
Frankrijk, François I durfde het aan tegen
Karel V een verdrag te sluiten met de nieuwe heersers in Byzantium, die om hulp
te bieden dan maar Wenen gingen belegeren in 1529. Zoals men weet blijkt ook
hier dat vijandschap niet absoluut is en vorsten hun zaken hoe dan ook proberen
op te lossen. Dat de Spaanse Habsburgers met de Turkse heersers streden om de heerschappij
op de Middellandse Zee kan men ook niet vergeten en de slag bij Lepanto liep
dan wel gunstig af, vooral het feit dat men de Ottomanen op zee kon verslaan,
zou de verhoudingen op de Middellandse Zee voortaan bepalen, maar redenen tot
krijgsverrichtingen bleven er.
In een canon van Vlaanderen is daarvoor
geen plaats, maar wie de geschiedschrijving sinds Pirenne goed overschouwt,
merkt dat het niet vanzelfsprekend is in die oceaan van feiten – ontstaan als
gevolg van toenemend bronnenonderzoek – een verhaal te brengen dat zonder meer in
onze tijd zijn beslag krijgt. Er zijn meerdere verhalen, naast de mogelijke
raakpunten tussen bijvoorbeeld het sociale verhaal en het demografische, zoals
het verhaal van de migratie uit Vlaanderen naar Wallonië in de 19de
eeuw. Maar dat verhaal had te maken met een relatieve overbevolking omdat de
thuisnijverheid in de Franse Tijd was stilgevallen en later in Gent vervangen
door fabrieksarbeid. In een nationalistisch perspectief valt dat verhaal
moeilijk te situeren, want blijkbaar waren in de jaren 1880 de rekruten voor
het leger, degene die in het leger waren geloot, kleiner van gestalte dan de
Waalse rekruten, na de zware hongersnood in de jaren 1845 - 1848. Hoe
Vlaanderen grote gezinnen kende en in Franstalige steden en de industriegebieden
de gezinnen een beperkt aantal kinderen kenden, was anders ook te merken in
steden als Gent en Antwerpen, eens de economische groei op gang kwam. Wij zien
de beluiken en de gordel van wijken rond de stad, gebouwd aan het einde van de
negentiende eeuw, naast de statige woningen op nieuwe assen in de stad. Maak
daar maar eens een mooi verhaal van, maar het beeld dat we hebben van de geschiedenis
laat dat niet altijd toe, omdat die samenleving, door de industrialisering niet
enkel arbeiders behoefde, maar ook in toenemende mate klerken, schrijfhanden,
die de steeds complexer wordende administraties van bedrijven, naast productie
ook banken en verzekeringen, naast handelaars van (luxe-)producten. De stad
wordt nog meer dan voordien een kluwen van functies en mensen die al die
beroepen gestalte moeten geven, opdat het niet zou stilvallen. In dat klimaat
ontstonden spaarkassen en voorlopers van de mutualiteiten, ook coöperatieven,
zoals Vooruit. Het Gentse model, het socialistische model dat daar ontwikkeld
werd, inspireerde overigens ook andere socialistische en christendemocratische
bewegingen, die ook veel kracht putten uit zelforganisatie.
Is er dan geen identiteitsbesef nodig?
Samenleven vergt een zekere mate van cohesie, te vertalen als onderling
vertrouwen met mensen die men niet vanzelfsprekend ontmoet, laat staan kent.
Evengoed kan men dat identiteitsbesef begrijpen als het delen van een
gemeenschappelijke cultuurtaal, die men ook in de media deelt, al blijft het
wel zo dat in tijden van schotelantennes de betrokkenheid op dezelfde media
achteruit is gegaan. Stefan Zweig bedacht ook, nadenkend over de verdeeldheid
in het Oostenrijks-Hongaarse statencomplex met vele volkeren, dat wie dezelfde
kranten leeft in hetzelfde land kan leven. Zoals we weten waren de Hongaren, Tsjechen
en andere volkeren zeer gedreven door een nationale koorts, omdat ze zich in
Kakanië niet zo best voelden. Figuren als Tomas Masaryk zouden na WO I de
oorlog van een onafhankelijk land waarmaken. Maar Tsjecho-Slowakije viel als
een van de eerste landen aan de Nazi’s ten prooi. De discussie over de rechten
van de Sudeten-Duitsers was het breekijzer, de welwillendheid in München gaven
Hitler de kans Bohemen helemaal in te lijven. Oostenrijk was zelf zo instabiel
dat een sterke leider een goede uitkomst bleek. Na WO II werd Tsjecho-Slowakije
een satelliet van Moskou, Oostenrijk was tot 1955 een neutrale staat met een
bezetting door de geallieerden. Nadien werd Oostenrijk een soevereine staat,
die lid zou worden van de EU. Eenvoudige zinnetjes, maar er schuilt heel wat
achter, wat we alleen door bronnenonderzoek kunnen bevroeden, primaire bronnen
zijn echter voor ons doorgaans onbegrijpelijk, de Tsjechische dan toch, studies
in andere talen kunnen dan helpen. Het verleden verkennen is niet voor iedereen
weggelegd, net omdat het materiaal zo overweldigend is en ook wel omdat niet
elk feit even relevant blijkt. Het is zaak na te denken over hoe historische
ontwikkelingen te begrijpen vallen, want de ratio lijkt of blijkt wel eens ver
te zoeken. Dieper graven in de menselijke ziel kan dan helpen, dat wil zeggen,
zowel de groepsdynamiek van zo een koninklijk of grafelijk hof als bij het volk
in steden kan men maar beter naspeuren.
Geschiedenisonderwijs kan nu eenmaal de
indruk wekken dat al die evoluties en de trage loop van andere fenomenen er wel
toe moeten leiden dat onze wereld zoals we die kennen al zou zijn voorgeprogrammeerd,
terwijl dat ten enenmale onmogelijk moet heten. De Vlaamse Beweging voor WO I
was totaal anders van ingesteldheid dan na de oorlog zou blijken, al waren er
dan wel al jonge kerels als Marcel Minnaert die scherp uit de hoek kwam. De
belevenissen aan het front waren voor veel soldaten uit de aard der zaak
complex en overweldigend. Wie stierf kon het niet meer navertellen, maar wie
het overleefde was niet altijd geneigd het alsnog te doen. Toch waren er
groepen, mensen met hogere studies achter de rug die begrepen dat ze een
politieke strijd niet uit de weg mochten gaan. Tijdens het Interbellum zouden
opvattingen botsen, met aan de ene kant de aanhangers van een conflictmodel,
die zich in VNV, Verdinaso en DeVlag zouden terugvinden rond 1933 en volgende
jaren, aan de andere kant was er het parlementaire werk van Frans van
Cauwelaert, de taalwetgeving van de jaren 1920 en 1930, en zijn medestanders. Van
Cauwelaert wel eens een platbroek werd genoemd, maar in wezen kan men zijn bijdragen
aan de situatie van het Nederlands in het België van de jaren vijftig en
zestig, door via die wetgevende initiatieven – die ook gestemd werden – niet
voldoende naar waarde schatten, want de Vernederlandsing van de Vlaamse
samenleving was beoogd en zoals het zich laat aanzien ook in hoge mate heeft
bereikt.
Een canon opstellen kan het beeld van het
verleden in hoge mate inperken en de samenhang van de geschiedenis, maar ook de
onverwachte – voor de tijdgenoot – wendingen buiten beeld houden. Om het verhaal
te brengen in het onderwijs kan men dus maar beter proberen de verschillende
aspecten van een cultuur onder de aandacht brengen, economie en sociale
verhoudingen, politieke instellingen en technische ontwikkelingen, maar ook
geografische gegevenheden hebben hun belang en klimaatveranderingen spelen hun
rol, waarbij het wel zo is dat onverwachte gebeurtenissen, zoals grote
overstromingen en droogtes of extreem natte gebeurtenissen lokale gemeenschappen
of zelfs vorstendommen voor onoplosbare problemen konden stellen, terwijl het middeleeuws
optimum, voor onverwachte overvloed leek te zorgen waar de tijdgenoot wel de
vruchten van plukte, maar geen idee had van wat er gaande was. Ook de
Pestepidemie en de lange nasleep had gevolgen voor de samenleving en vooral
individuele levens. Een vulkaanuitbarsting?
Er zijn er verschillende, maar in 1783 barste op IJsland een aardbeving los,
die afkoeling, misoogsten bracht en een transport van giftige lucht, zoals Emanuel
Le Roi Ladurie dat beschreven heeft. Of die vulkaanuitbarsting en het jaar
zonder zomer werkelijk de Franse Revolutie op gang kan hebben gebracht, is dan
weer een ander vraagstuk.
Bij de cultuurontwikkeling spelen grote
stromingen, zoals de geschiedenis van de religie een grote rol, maar ook
intellectuele noviteiten, zoals de publicatie van de Encyclopedie waaraan Denis
Diderot en Voltaire hadden meegewerkt, maar misschien waren de drijverijen van
de Jansenisten in Frankrijk ook van groot gewicht, zoals Jean-Christian Petitfils
in zijn studies van Louis XV en Louis XVI aan de orde stelde, naast pogingen
van de adel, onder meer de hertogen van Orléans, om het vorstelijk absolutisme
af te schaffen en terug te keren naar de adelsmaatschappij. De Franse Revolutie
zou daartoe aangejaagd zijn geworden maar anders hebben uitgepakt dan verhoopt.
Tot slot hebben de auteurs van het
standpunt het over de vraag of een partij een canon kan opleggen. Neen, dunkt
mij, maar het hangt af van wat de andere meerderheidspartijen in gedachten
hebben. Meer principieel is het niet goed dat men geschiedschrijving (opnieuw)
zou instrumentaliseren, omdat men dan kwesties als het vrij academisch
onderzoek opnieuw in het gedrang zou brengen. De kwestie is ook of men terug
moet naar de tijd dat geschiedenis vooral een histoire évènementielle heette en
vooral de faits et gestes van vorsten en helden te berde bracht en het grotere
beeld van samenleving in langzame of versnelde evolutie niet te berde bracht,
behalve als er een omwenteling of opstand zorgde voor een andere rolbezetting. Een
canon van Vlaanderen heeft tot slot geen betekenis omdat de geschiedenis van en
in onze contreien niet zonder wisselwerking met het ommeland is verlopen. Vlaanderen
in de 12de eeuw had een grote macht, de graaf dus en zijn curia,
maar de steden kwamen hun deel van de koek opeisen. Na het verdwijnen van een
graaf in Byzantium werden diens dochters met macht omkleed, maar wie spreekt
nog over Johanna en Margareta? Om maar te zeggen, het wordt algauw kerseneten
(met hoge heren), terwijl evoluties uit beeld bleven. De geschiedenis van
abdijen? Tja, waarom men zich met religieuze instituties inlaten, maar tot in
de 18de eeuw hadden die door grondbezit, financiële macht en
politieke invloed een belangrijke greep op hun omgeving. Of de universiteit van
Leuven – en zelfs even in Gent tijdens de zestiende eeuw – van belang was, kan
men niet zomaar op grond van vooroordelen bepalen. Derhalve blijkt dat als men
al een canon van Vlaanderen zou willen uitwerken, dan nog zal er heel wat
gesteggeld kunnen worden over de criteria om feiten naar voor te schuiven en
ja, die feiten dienen omkleding. En toch zegt iets me dat het interessante oefening
is, zoals bij het opstellen van een tijdlijn, dat het beeld van het verleden
eerder veelomvattend en complex zal uitpakken, dan men het zich nu kan
voorstellen. Maar zal dat resultaat nog als canon kunnen gelden, want te
uitgebreid, te gelardeerd? Op de vleugels van de tijd kan men inderdaad met
vrucht door de geschiedenis zoeven, maar het boek met die titel was toch zowat 450
pagina’s om te lezen.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten