Waarom goede historiografie ertoe doet

Brief

Over het wezen van een 
Wetenschap: historiografie

Brugge, 4 augustus 2013

Lectori Salutem,

Daniel Ellsberg zorgde ervoor dat een
geheim rapport gemaakt in opdracht
van Robert Macnamarra publiek werd
wat in de afloop van de oorlog in
Vietnam van gewicht was. Alleen vraag
ik me nog altijd af hoe de publicatie
op de besluitvorming van Nixon en
Henri Kissinger invloed heeft gehad.  
Sommige mensen kunnen het niet nalaten de historiografie aan te wrijven dat het geen wetenschap is, maar gewoon bla-bla-bla-gelal. Men zou het daarbij kunnen laten, want elke argumentatie in deze blijkt toch telkens weer boter aan de galg. Maar gelukkig zorgt voor de gepaste achtergrond een eminent heerschap, de EU-Commmissaris voor Handel. Hij stelt eens te meer dat er in Vlaanderen mensen zijn die zich nationalisten noemen en sinds WO I blind zijn voor de gevaren van die stroming. Dat er in België al sinds de stichting mensen waren die vonden dat de Nederlandse taal haar plaats dient te hebben in dit land – ik denk aan Georg Bergmann uit Lier, advocaat die zijn eed in Mechelen in het Nederlands heeft afgelegd – maar door de Franstalige elite werd deze verwachting altijd weer afgewezen. Ook Kardinaal Mercier vond dat het Nederlands niet geschikt was voor het wetenschappelijke bedrijf, terwijl in Nederland op dat moment al een paar wetenschappers hun Nobelprijs voor wetenschappen in de wacht hadden gesleept. In 1912, zo liet Rik van Cauwelaert niet na nog eens in de verf te zetten, vond Jules Destrée, die als minister bevoegd voor Cultuur de Vlaamse kunstenaars niet vergat, dat de Vlamingen het land hadden overgenomen. Met andere woorden, de strijd in België ging eerst over de rechten voor wie Nederlands sprak – inderdaad vaak dialect, zoals Berlaers – maar toen de afwijzing niet omgebogen werd in een geest van samenwerking en respect, werd die strijd er een om de staatsstructuren.

Bruno de Wever heeft in zijn doctoraat, Greep naar de Macht, ampel aangetoond dat het nationalisme in Vlaanderen tijdens het Interbellum gevoed werd door een grote rancune tegen de Belgische overheden. Maar anderzijds was de voedingsbodem voor het VNV er een die overal in Europa voet aan de grond kreeg: ontgoocheling over de democratische instellingen, die niet bij machte bleken de welvaart van de enkeling noch van de samenleving te verzekeren. De zwakke performantiegraad van de overheid had hier dus een ontegenzeggelijke invloed op keren van de geesten waardoor de poging dit probleem op te lossen door de instelling van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen teniet werd gedaan.

Maar we zouden het hebben over de vraag of geschiedenis meer is dan bla-bla-bla, zelfs aanspraak mag maken op wetenschappelijkheid. Eigen aan wetenschap, zegt men is dat men op enig moment tot elegant uitgeschreven wetten komt die tot in de perfectie de kring van oorzaak en gevolg, de volkomen gedetermineerde realiteit kan beschrijven. Kan men niet aantonen dat een situatie A, in beweging gezet door een hefboom B vanzelf tot een nieuwe situatie C leiden moet die volstrekt beantwoordt aan wat men had voorspeld, dan is er van wetenschap geen sprake. Het spreekt voor zich dat men ten aanzien van de gemeenschap en het samenleven een mensen ook een ander paradigma zou kunnen hanteren, dat van de scheikunde en hoe elementen zich met elkaar verbinden blijkt in samenlevingen wel vaker aan de orde te zijn dan alleen het uitoefenen van fysische krachten. Edoch, misschien brengt de historiografie eigen paradigmata voort, eigen metaforen ook, die het begrijpen van kleine dan wel gigantische conglomeraties van mensen mogelijk maken.

Nu is genoegzaam bekend dat op het terrein van de Faits et gestes van bestuurders en ander volk de voorspelbaarheid niet altijd even goed vast te stellen valt. Maar dat heeft ermee te maken dat menselijk handelen zelden of nooit in een laboratorium tot stand komt, maar ook weten we al sinds lang dat ook de psychologie, die het individuele handelen van leden van de soort homo sapiens sapiens bestudeert niet altijd voldoende gegevens kan verzamelen om tot strikt causale beschrijvingen van dat handelen te besluiten.

Nu heeft nagenoeg elke sociale wetenschap, of moeten we zeggen humane wetenschap met dit euvel af te rekenen, omdat handelen in het vrije veld onvoorspelbaarheid impliceert. Nogal wiedes, hoor ik al roepen, niet elke mens is toegerust om volkomen rationeel te handelen. Mensen handelen, reageren, denk ik dan, soms op gronden die niet rationeel blijken, maar intuïtief of – en volgens sommigen is dat nog treuriger –  gedreven door hun emoties, die notoir onvoorspelbaar zouden zijn. Soms wel, maar soms ook niet. Moeten we dan die hele boetiek van filosofie, Letteren en sociologie, geschiedschrijving per definitie van de universiteit halen? Rechten en Geneeskunde overigens werken ook niet alleen volgens het principe van strikte causaliteit, maar blijken niet blind voor de eigenheid van het geval, casuïstiek dus. De letteren, filosofie, wiskunde maar ook geneeskunde behoren vanouds tot de universitaire opleidingen, wat op zich nog geen argument hoeft te zijn, maar omgekeerd kan de faculteit van de letteren en wijsbegeerte ook niet wegdenken van de universiteit, omdat die disciplines voor de humane rol die de universiteiten hebben, onontbeerlijk zijn. Te vrezen valt dat ook hierover geen eensgezindheid zal bestaan, want voor sommigen moet de universiteit voor alles een diplomafabriek wezen. In dat opzicht hat Arthur Schopenbauer wellicht een punt als hij de universiteit van middelmatigheid betichtte.    
Maar laten we toch even kijken hoe de actuele wetenschappelijke obsessie met het formalisme van causaliteit kon ontstaan. In het goede gezelschap van de filosoof Stephen Toulmin – schreef hij niet An Introduction to the Philosophy of Science (1953)? -, moet men immers vaststellen dat René Descartes in de loop van de zeventiende eeuw de politieke en religieuze troebelen van zijn tijd niet goed kon duiden en dat er ook in de universiteiten wel eens nonsens werd verkocht. Zelf las ik – hopelijk met enige verlichting tot gevolg – zijn werk Return to Reason (2001) in een goede Nederlandse vertaling, waarin Toulmin uitlegt hoe het wetenschappelijke betoog – buiten de kringen der wetenschappers – vaak grote aandacht krijgt als men in de actuele wereld geen houvast meer lijkt te vinden. Dat wil zeggen, wat betreft Descartes, dat zijn methodes en zijn streven naar heldere inzichten inderdaad veel indruk maakten op zijn tijdgenoten, sterker nog, dat hij veel aandacht kreeg en toch door de kringen rond de Franse Koningen in de ban werd gedaan. Hij viel niet enkel de kerk aan, maar ook veegde hij de vloer aan met de interpretaties van Aristoteles zoals die aan de universiteiten werd gedoceerd. In de Republiek vond de filosoof een veilig onderkomen, waarbij het aan pennen- en andere twisten niet ontbrak om in 1649 naar Zweden te reizen waar hij koningin Christina het nodige had te onderwijzen, op haar verzoek. Christina heeft zich uiteindelijk laten dopen, maar dat feitje alleen vertelt nog niets over haar leven, noch minder over de tijd waarin ze leefde. Het vergt wel enig werk om daar zicht op te krijgen, maar een goede encyclopedie geeft al een eerste aanzet, meer ook niet.
 We moeten natuurlijk ook nog eens melden dat het werk van Descartes en zijn leer – althans, zo stelde men het voor – door zowel de Paus als Louis XIV veroordeeld werden en verboden. Toch zou het werk van Descartes blijvend op de markt beschikbaar blijven en door Leibniz en anderen van commentaren en kritische aanmerkingen voorzien worden.
Ik denk dat men die hele geschiedenis, niet enkel van Descartes zelf, maar ook de reflecties van Toulmin en ook wel de geschiedenis van de repressie tegen het denken van Descartes en andere – veroordeelde – wetenschappers en filosofen, die het Aristotelische, Ptolemaeische wereldbeeld onder druk zetten, niet kennen kan als men niet afdoende met de methodologie van de geschiedschrijving vertrouwd is. Er is allereerst een technisch aspect, zoals de paleografie, want men kan geen teksten lezen als men niet geoefend is in het lezen van handschriften (over de kennis van Latijn, Grieks, Hebreeuws, Oud-Frans en Middelnederlands nog maar te zwijgen, maar die mocht men lange tijd verondersteld aanwezig achten). Ook de studie van oorkonden behoort tot de basisbagage, maar zoals men weet hebben ook historici zich met statistische verwerking van data ingelaten, van zodra die beschikbaar werden. Men kan denken aan het omslaan van beden, de Koninklijke – vorstelijke vraag – om financiële steun voor oorlogen, wat tot een hele administratie aanleiding gaf, waarbij bijvoorbeeld het aantal haarden in een stad of landelijke omschrijving geteld werd waardoor een hoop informatie zijdelings mee aan het licht komt. Voor de geschiedschrijving van de latere samenlevingen worden demografische, economische en landschappelijke analyses, aan de hand van bijvoorbeeld gedetailleerde boedelbeschrijvingen, oftewel staten van goed, mogelijk.
Het resultaat van dit onderzoek, dat vele facetten van zowel het persoonlijke leven als van de grote evoluties in de samenleving beschrijven kan, geeft er soms aanleiding toe dat men inderdaad moet vaststellen dat men niet besluiten kan tot vaststaande wetmatigheden, maar wel kan men zoiets onderkennen als recurrenties, feiten of klusters van feiten die zich in gelijke omstandigheden op verschillende momenten telkens weer laten aflezen uit het bronnenmateriaal. Er zijn ook andere inzichten ontstaan, zoals bijvoorbeeld het verband tussen een technologische voorsprong, die kan leiden tot de (indruk van) stilstand. Jan Romein beschreef dit fenomeen in een essay “De dialectiek van de vooruitgang” – na te lezen in “Onvoltooid verleden” is dat een idee die me wel is bijgebleven want soms kunnen oude inzichten ook hun waarde behouden. Het mag wonderlijk heten maar de wet zou ook omgekeerd werken, reversibel zijn en anderen wezen erop dat achterstand op een bepaald domein tot onverwachte vooruitgang aanleiding heeft gegeven. Prof. Dr. Chris Vandenbroecke stipte aan, niet tot ieders genoegen, dat Vlaanderen in de achttiende eeuw een groene revolutie kende, vergelijkbaar met de evolutie in Engeland, waarbij de productie van voedingswaren, aardappelen op kop, maar ook nieuwe vormen van bemesting, ertoe bij hebben gedragen dat de voeding van de mensen tegen lagere kost beter verzekerd kon worden, wat tot een demografische boom aanleiding gaf. Ook de ontwikkeling van de huisnijverheid bleek in de loop van de 18de eeuw voor een versnelde groei van de welvaart aanleiding te hebben gegeven. In de negentiende eeuw zorgde de industrialisatie van de textielindustrie – op het oog – voor een crisis op het platteland en toen de aardappelziekte de oogst twee jaar na elkaar deed mislukken (1845 -1848), bleek men niet in staat die crisis op te vangen.
De demografie was immers zo dat men een teveel aan handen had. Nu, men heeft lang gesteld dat die achterstand die Vlaanderen toen opliep, tot in de jaren 1960 zou hebben doorgewerkt, maar wie beter toekijkt, merkt dat men van verschillende zijden die achterstand, die bijvoorbeeld bij de rekruten voor het leger werden vastgesteld, want de Vlaamse waren iets kleiner dan hun Waalse leeftijdgenoten, niet verder onderzocht heeft. Ook het analfabetisme had haar betekenis, maar het schoolbezoek nam ook in Vlaanderen toe – wat in de eerste schoolstrijd tot uiting kwam -, zo blijkt uit bronnen uit de onderwijsgeschiedenis. Dat men er hier rekening mee dient te houden dat die rekruten tot 1903 exclusief via het lotelingenstelsel werden opgevist en dat pas van 1913 de dienstplicht helemaal werd ingevoerd, dat is dan ook geschiedenis, maar welke argumenten deden afzien van het oude systeem van loting én vrijkoop en deden kiezen voor dienstplicht, blijkt minstens zo belangrijk, want men had nood aan geschoolde rekruten, die ook wel eens zelfstandig konden denken: de wapens werden dan ook complexer. Het gaat natuurlijk om gemiddelden. Verder is het zo, als men de uitbouw van de textielindustrie rondom Gent ziet, vanaf 1813 en dat tot in recentere tijden, toen nieuwe industrieën hun plaats vonden, dit voor een stevige economische basis heeft gezorgd. Het beeld wordt genuanceerder dan ideologische benaderingen voor lief willen nemen en dat, geachte lezer, vormt de meerwaarde van gedegen historisch onderzoek.
Men kan natuurlijk beweren, zonder veel kennis van zaken dat de Verlichting een Frans verschijnsel was, waarbij alleen de atheïsten een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Wie de periode van het begin van de 17de eeuw tot de late 18de eeuw overziet merkt hoe de Republiek, zelfs de Zuidelijke Nederlanden hun bijdrage hebben geleverd, zowel door mensen die oorspronkelijke gedachten lieten drukken als door hen die ervoor zorgden dat die inzichten ook een groter bereik kregen. Als we naar de brieven kijken van de in dit opzicht onvermijdelijke Isabelle de Charrière, ook gekend als Belle van Zuylen, dan zien we bijvoorbeeld een Boswell verschijnen, James Boswell die vanuit Schotland naar Londen trok en later ook in Utrecht studeerde, waarna we hem zijn grand tour zien maken, tot Corsica, waar hij Pasquale Paoli ontmoette en erg hoog zitten had, want die laatste wilde Corsica bevrijden van de Franse bezetter. Oh jee, een nationalist, wat erg.
Laten we maar niet proberen de bezwaren tegen de geschiedschrijving onder tafel te vegen, daar is in zekere zin reden toe, zoals ook Yvan vanden Berghe schreef in “1969 – het jaar van Jelena” want hem was het een tegenvaller gebleken, toen hij doctoraal onderzoek had gedaan naar de invloed en inwerking van de Aufklärung in de streek van Brugge. Nu zou men voor minder ontgoocheld zijn, hoor ik de lezer al denken, maar wie de studie van de historicus die later internationale verhoudingen zou doceren aan de Universiteit Antwerpen, over het Brugge in de 18de eeuw leest – wat wel moeilijk is omdat het boek helaas nog nauwelijks te vinden is – merkt dat zijn benadering tot boeiende inzichten had kunnen leiden, als er een ruimer (wetenschappelijk) debat aan was besteed. Maar ook merkt men dat zijn ontgoocheling voortkwam uit het feit dat de veelheid van data die hij ter beschikking had, niet tot een betere theorievorming aanleiding kon geven.
Dat bezwaar kan men niet van tafel vegen en het is voor mij ook altijd boeiend gebleven erover na te denken waarom dit zo is. Men kan niet voor alle feiten die men als historicus ontwaart en waarvan men bewijs vindt in de bronnen ook een oorzaak of een verklarende context vinden. Mij valt op dat men, om nog maar eens het interbellum onder de aandacht te brengen, van die periode in de meeste, vaak al te beknopte voorstellingen van zaken een hoop zaken terzijde schuift, al kunnen die in de keten van oorzaak en gevolg wel hun belang hebben: de houding van de Franse delegatie bij de Vredesconferentie van 1918 – 1920 in Parijs en voorsteden waarbij ze dachten de Duitse regering te kunnen doen boeten voor de oorlog door hen van de onderhandelingstafel te houden en vervolgens een niet te overziene morele schuld en een al evenmin te overziene boete op te leggen, met de steun van de andere partijen op de conferentie heeft de al gespannen situatie in Duitsland er niet op verbeterd, net zomin als de bezetting van het Ruhrgebied door Franse en Belgische troepen in 1923-1924. Men noemt de visie van Hitler en anderen hierop een mythe, de dolkstoot-mythe, maar helaas was er grond voor deze voorstelling van zaken.
Maar is het nu werkelijk zo dat Kennedy de verkiezingen won in de campagne van 1959 dankzij zijn geslaagde optreden tijdens televisiedebatten, de eerste in de Amerikaanse geschiedenis? Want, zegt men, op de radio had Nixon het heus niet slecht afgebracht. Nu, betrouwbare opiniepeilingen zouden hier duidelijkheid kunnen brengen, maar voor zover ik kan overzien zijn die niet echt voorhanden – er zijn wel enquêtes opgenomen, maar die hadden zowel voor de kandidaten als voor de media hun instrumentele belang. Finaal is dat beeld van een transpirerende Nixon ook bij ons blijven hangen, maar we kunnen van de regering Kennedy wel zeggen dat er een andere aanpak mogelijk bleek, zoals de plannen te concretiseren om de reis naar de maan mogelijk te maken, een volstrekt hopeloze en nutteloze onderneming, zoals men sindsdien wel eens beweert – over de Cuba-crisis en de inzet van troepen in Indochina, Vietnam valt ook nog wel een en ander te zeggen, maar dan komen we inderdaad uit bij Daniel Ellsberg en Watergate. Maar toen, 6 jaren na de dood van Kennedy, bracht de landing op de maan – onder Nixon – toch wel heel wat teweeg, zowel inzake technologie als inzake het mensbeeld. Nu bevinden er zich nog restanten van die ambities inzake ruimtevaart in het zwerk, zoals 3 tuigen die het zonnestelsel nu wel helemaal verlaten (zouden) hebben. “Zouden” omdat men de grens van het zonnestelsel ondanks alle harde wetenschap nog niet goed heeft kunnen bepalen: het hangt af van de criteria, zoals de zwaartekracht van de zon en tot waar die merkbaar is – hoe die merkbaar zou zijn op de paar ton schroot aan de grenzen, valt naar men zegt wel te berekenen en voor zover er nog signalen komen, kan men dat ook vaststellen – of gaat het om de zonnewind, de grens tot waar de uitstoot van gas en materiaal uit de zon merkbaar is en die in principe ruimtetuigen zou kunnen voortbewegen. Er is natuurlijk ook nog het elektromagnetische krachtveld van de zon, waarbij men, voor zover ik er iets van snap toch ook de invloed van grote planeten in dit zonnestelsel hun invloed moeten laten gelden. Op mij heeft die onderneming van Voyager I en II altijd wel  de nodige indruk gemaakt, al blijkt het na 36 jaar misschien wel over met de interesse. Intussen blijkt Voyager I op 20 maart 2013 het, ons zonnestelsel verlaten te hebben, op grond van vaststellingen over de vertraging van de deeltjes in het zonnestelsel en de toename van de deeltjes van interstellaire herkomst.
Geschiedenis an sich, zouden we sofistisch kunnen zeggen is inderdaad vanzelfsprekend een beetje blablabla, want men kan alles tot de geschiedenis rekenen, terwijl we weten dat veel aan onze aandacht ontsnapt omdat we er gewoon geen idee van hebben. Daarom is het beter zich tot de academische geschiedschrijving te beperken, als we het over het wetenschappelijke karakter ervan willen hebben. Dat proces van kennisverwerving voltrekt zich, zoals bij andere disciplines, volgens een patroon van nieuwsgierigheid en vaststelling van (voorlopige) lacunes in de kennis, waartoe werkhypotheses opgesteld worden en vervolgens onderzoek verricht om die te toetsen.  Soms kan men met nieuw onderzoek, dat wil zeggen nieuw onderzoek van gekend materiaal of onderzoek naar vooralsnog onbekend materiaal die lacunes invullen, maar dat is niet altijd het geval. Hadden we het voorheen al over de methodes om de bronnen te kunnen lezen en gebruiken, dan nog zijn er de bronnen zelf en eenieder weet hoeveel er in de loop der tijden verloren is gegaan. Maar er is ook, als men het goed bekijkt, ontiegelijk veel bewaard, zodat we voor recentere tijden haast versmachten in de bronnen en er inderdaad best statistische methodes op worden losgelaten. Alleen is het dan ook nog eens een keer zo dat op zeker ogenblik instellingen of personen de herinnering van die later kwamen gingen bespelen, met gedenkschriften, van kronieken en annalen tot monumenten, zoals het ara Pacis Augustae in Rome, dat door Mussolini werd gerecupereerd maar nu in een moderne building veilig blijkt opgeborgen – en zo ging de eigen betekenis wel verloren, wat met het musealiseren van de geschiedenis altijd wel het geval is – waardoor het de historici gegeven is de vele aspecten van een bron goed te onderzoeken en rekening te houden met de elementen die de waarheidsvinding zouden kunnen inperken of juist bevorderen. Als een secretaris van de Paus in Avignon zich ongunstig uitlaat over de Franse Koning Jan II- zon rond 1355, dan is het nog altijd nodig om meer materiaal te verzamelen, er de waarachtigheid van te onderzoeken, of beter de partijdigheid want ook partijdige teksten kunnen relevante informatie opleveren.
Men kan geschiedenis bla-bla-bla noemen, want de media maken er soms een potje van: in een krantenartikel, enfin in het magazine spreken over de mislukte aardappeloogst van 1845 terwijl men het over gebeurtenissen heeft van 10 jaar of meer vroeger – de tekst is niet geheel duidelijk over de chronologie, wat net werkt als de rode lap op een stier, voor historici, het respect voor de (verifieerbare) data – roept wantrouwen op. De onafhankelijkheid van dit land, ondanks alle hoerapatriottisme van de afgelopen weken, zorgde economisch voor problemen, al is niet elke historicus zomaar geneigd de onafhankelijkheid als oorzaak van de malaise te zien en draait men de zaken liever om en was de malaise in het koninkrijk der Nederlanden net de oorzaak van de Belgische omwenteling – waarvoor men dan niet per se data aandraagt. Dat Gent en Antwerpen, maar – alles wel beschouwd ook de bourgeoisie in Luik – dat avontuur niet zagen zitten en finaal verbaasd waren dat het was het gelukt, dit land onafhankelijk te maken, vormt een van die hoofdstukjes waarover men dus weinig zal lezen, want men schrijft liever waarom dat avontuur dan wel gelukt is, met alle tribulaties voor de groene tafels van de internationale instellingen inbegrepen, zelfs de weigering van deze of gene kandidaat-koning. Hier was overigens het congres van Wenen en de opvolger, het  Concert van Europa toonaangevend, waarin de quadruple alliantie een belangwekkende rol speelde. Mag men hier nog van bla bla bla bla spreken?
Ieder zijn meug, maar toch denk ik dat die houding blijk geeft van weinig interesse voor de samenleving zoals die nu is en hoe het zover is kunnen komen, maar ook spreekt er een gebrek aan interesse uit voor de verschillende manieren waarop men aan wetenschappelijk onderzoek kan doen, waardoor de resultaten vanzelf anders van aard blijken. Maar de wet van de Remmende voorsprong en de wet van de stimulerende achterstand vind ik anders wel mooi gevonden.
Er bestaat een behoorlijke bibliotheek voor een geïnteresseerd publiek over hoe en wat het betekent aan geschiedschrijving te doen, naast uiteraard een bibliotheek wetenschappelijke werken. De kritiek dat geschiedschrijving geen wetenschap zou zijn is al een paar decennia geleden beslecht zo te zien want alvast publicaties van eigen bodem krijgen nog weinig aandacht in de brede media en ook uitgevers lijken minder geneigd er energie in te steken en risico voor te nemen. In Nederland merkt men dat historiografie, onder meer in de vorm van biografieën, maar ook als zodanig, over feiten en evoluties van staatkundige of economische aard, van culturele en – tja, het is niet anders – van intellectuele aard zien er wel het daglicht, terwijl het bij ons vaak genoeg om ideologische, zeg maar gepolitiseerde historiografie gaat, wat er wel aanleiding toe kan geven dat historiografie en geschiedenis het niveau van de borreltafel niet altijd weet te overstijgen. Maar aan die borreltafel kan ook wel goed gesproken worden, dat hangt van de deelnemers aan het gelag af.  En ja, men kan ook goede verhalen vertellen, gebaseerd op gedegen historisch onderzoek. Ook bla-bla-bla?
Vale,
Bart Haers
 




Reacties

Populaire berichten