banaliteit van het goede

Kritiek

Het vermogen prestaties van anderen
Te waarderen
Wie doet wat moet, behoeft wel/geen lof

Deze keuze drukt zonder meer waardering uit,
omdat prof. dr. Chris Vandenbroecke intussen
6 jaar overleden, had wel eens tijd voor een gesprek
over geschiedenis of over politiek.
Was het vroeger beter? Velen denken dat het zo niet kan zijn, anderen menen precies in het gedachte verleden net wel grond te vinden voor betere menselijke omstandigheden. Voor de een is ambachtelijkheid iets dat van geen belang meer kan zijn, voor de ander, Richard Sennett is ambachtelijkheid net tijdloos en kan het altijd weer een nieuwe invulling krijgen. En met ambachtelijkheid gaat een andere vorm van waardering samen, dan de idolatrie voor sterren, die we vandaag kennen. Waardering, of gebrek eraan blijkt aan de grondslag te liggen van burn out. En de verklaring daarvoor, zo denk ik dan, zou men toch ook moeten zoeken. Alvast de behoeftepiramide van Abraham Maslow vermelden de noodzaak van waardering voor de medewerker, werknemer, maar men kan dit ook in het dagelijkse leven onderkennen. Alleen, Maslow bleek een theorie te hebben ontworpen die niet te staven valt via onderzoek. Doorgaans is dat een doodsteek voor zo een voorstelling van zaken. Het probleem is dat Maslow de behoeften hiërarchisch ordende en dat eerst de lichamelijke behoeften en dan geleidelijk de meer persoonlijke, intellectuele behoeften bevredigd zouden moeten worden met finaal de waardering, dus. Men kan dat natuurlijk wel afwijzen, maar de gedachte dat bijvoorbeeld waardering op de werkvloer van belang kan zijn voor het persoonlijke welzijn van de medewerkers, mag men toch niet over het hoofd zien. En nog eens, misschien geldt dit ook voor echtelieden of vrienden, voor mensen die elkaar in de sportclub treffen.

Soms hoort men dat dit niet het geval is, dat mensen als wolven tegenover elkaar staan op de tenniscourt of op het golfterrein, want sommige mensen zijn bijzonder competitief. En niet voluit voor de overwinning gaan beschouwt men dan als een affront, een belediging, want hoe kan men zich verheugen in een zege als de tegenpartij niet voluit is gegaan? Maar goed, sport is dan ook een sublimatie van het oude strijdersgemoed dat ons kenmerkte en ons in staat stelde tegen gevaarlijke dieren en tegen vijanden, mensen dus, opgewassen te zijn. Dat de strijd vaak een kwestie van groepswerk was, vergeet men daarbij wel eens. Wellicht is dat een goed aanknopingspunt waar we het gebrek aan waardering voor derden kunnen vatten, al weten we natuurlijk wel dat van de late 18de eeuw af, vanaf het moment dat de demografie de mens tot een steeds anoniemer wezen werd, het individualisme werd geformuleerd als een levensvorm die de oude collectieve verbanden definitief afschreef,  maar dat blijkt men niet zo gauw in de analyses op te nemen. Vroeger was het anders, maar het hangt van onze appreciatie af, bijvoorbeeld over omgangsvormen of het dat vroeger beter vinden. Het verleden helemaal afbranden lijkt mij echter niet aangewezen. Nu vind ik niet het individualisme een probleem, net zo min als autonomie, maar beide benaderingen van het menselijke bestaan hoeven de samenlevingsverbanden niet uit te sluiten.

Het vermoeden zou kunnen opkomen dat ik het ook over helden zou willen hebben, maar daarover had ik het vroeger al, toen ik me met het boek van Susan Neiman inliet, Morele helderheid. Anders dan Bas Heijne vond ik niet dat haar onderzoek naar wat helden voor ons zouden kunnen betekenen, weemakend zou werken, wel integendeel. Alleen blijft het de vraag of er in onze shire, gouw, ons genoeglijke leven wel plaats is voor helden. Sporthelden zijn er altijd wel genoeg en soms ook in de populaire muziekindustrie, maar daarbuiten wordt het moeilijker helden te vinden, want op een enkele professor na, een enkele bedrijfsleider of een klassieke muzikant, blijft men steken bij wat de media vertellen. Maar voor die mensen die hun gewone leventje leiden en lijden, geldt, zo blijkt telkens weer, dat ze non-descript zijn, van geen tel, het vermelden niet waard. Dat lijkt me te eenvoudig. Wie het maakt in Vlaanderen, zo lijkt het wel, enfin, wie de eer heeft op radio en televisie enige bekendheid en faam te verwerven, zal zich zo vlug als mogelijk framen als een working class hero én bij gelegenheid de vloer aanvegen met de kleine luiden. Slechts weinigen doen die moeite niet, zoals Rik Torfs, maar vele anderen, ook al brachten ze twaalf schooljaren door op het Sint-Barbaracollege, zullen nog de schijn wekken dat ze uit een eenvoudig milieu kwamen en dat de verdienste geheel bij hen ligt, zoals Philippe Herreweghe onlangs bij Berg en Dal deed. Meteen blijken de ouders simpele zielen, die niet wisten waar hun zoon zou terecht komen. Naderhand bleek het verhaal minder zwart-wit, maar toch die afkomst uit de kleine middenstand, liefst nog uit de arbeidersstand blijkt voor deze meritocraten van wezenlijk belang.

Dat de ouders wel eens een droge boterham aten om hun zoon of dochter te laten studeren, dat die ouders er werkelijk belang in stelden en eer in wilden leggen dat zoon of dochter het ver zou schoppen, lijkt hen te ontgaan. Dat die ouders dus veel meer eer toekomt bij het succes van de bekende Vlaming, dan die wil toegeven, moet dus wel opvallen. En toch, eens die BV dan over ernstige zaken gaat spreken, dan zal de depreciatie voor de Vlamingen moeilijk te vermijden zijn. Hoewel dus zelf afkomstig uit een bescheiden milieu en meritocratisch opgeklommen, zal deze of gene vervolgens Vlaanderen zien als een regio van middelmaat en kleinburgerlijkheid. Een journalist van de Standaard had het niet zo lang geleden zelfs over het uitrangeren van de middelmaat. Maar wat, als ik vragen mag, is dan middelmaat? Precies, journalisten wier horizon Vlaanderen is en menen dat men slechts over het buitenland kan spreken als het iets met Vlaanderen uitstaans heeft. Heerlijke middelmaat, moet ik zeggen.

En toch, zal u opmerken, wilde ik het over waardering van mensen hebben. Wel, ik moest langs deze passage, waarbij ik overigens moet opmerken dat ik het werk van Philippe Herreweghe zeer weet te waarderen. Alleen, dat framen verbaasde me toch van hem.

Op zich lijkt dat overigens ook onschadelijk, maar in werkelijkheid laat het zien hoe men zichzelf als een onverschrokken klimmer op de sociale ladder wil voorstellen en hoe dieper het beginpunt ligt, hoe groter de afgelegde weg lijkt. Hoe men vergeet dat in de jaren 1950 tot 1980 de maatschappelijke ladder met groter gemak dan ooit voordien beklommen kon worden, komt mij voor de grootste negatie van de recente geschiedenis te zijn. Chris Vandenbroecke werd een gewaardeerd prof geschiedenis te Gent, maar zijn vader was een wever in Waregem, Ludwig Heyde werd eerst priester en vervolgens hoogleraar filosofie in Nijmegen en was de zoon van een arbeider in een textielfabriek te Waarschoot en zij waren dus naast vele anderen echte working class heroes en hebben in hun vak meer dan middelmatige verdienste al liggen zij niet in de bovenste lade van de meeste critici.

Laten we wel wezen, waardering, menselijke waardering hoeft niets te maken hebben met bekende lui, maar wat we met elkaar uit te staan hebben, het goede en ook wel eens moeilijke momenten. Waardering heeft niets verering te maken, maar met het leven in de wijk, de buurt, ook al leeft men in een verstedelijkt gebied. Het komt mij voor dat dit facet van het samenleven vandaag niet meer echt naar waarde geschat wordt. Natuurlijk kan er een vorm van sociale controle bestaan, waarbij oudere vrouwen elkaar van alles overbrieven, maar die sociale controle per definitie als negatief inschalen, laat onverlet dat mensen niet plots uit de straat kunnen verdwijnen en dus ook niet maanden op hun bed dood liggen. Overigens, misschien is het voor jongeren wel eens lastig dat mensen hen op de verkeerde plaatsen opmerken, tegelijk kan het hen helpen het goede pad terug te vinden.

Maar waardering blijft ook wel eens uit op de werkvloer, want als er al veel routine aan te pas komt, dan lijkt men vooral oog te hebben voor de ceo, minder voor diens personeel. Een Wouter Torfs lijkt dat anders aan te pakken, ook op andere plaatsen blijkt dat mogelijk, maar ook hier geldt dat de beeldvorming, in de media, ons vaker dan nodig op de conflicten tussen werknemers en werkgevers, directies wijst, maar zelden op de succesverhalen die ze samen schrijven. Zoals ik schreef, het gaat om de routine, misschien wel om de banaliteit van het goede. Want als er zoveel gevallen van burn out zijn, zou dat te maken hebben met een gebrek aan waardering voor de werknemer, enfin, de medewerker, die enkel zijnen nestel zou afdraaien om zo veel mogelijk loon voor de minste inspanning te beuren, terwijl dat pertinent niet het geval is. De mogelijkheid vreugde te vinden in de arbeid blijft overigens voor de meeste deelnemers aan het debat over tewerkstelling ver buiten beeld, want het gaat dan altijd weer over arbeidsvoorwaarden en indien nodig over het voortbestaan van het bedrijf. De verhoudingen binnen het bedrijf zijn doorgaans hartelijker en steunen op wederzijds vertrouwen. Ik denk evenwel dat dit buiten de gehanteerde  schema’s valt, terwijl een bedrijf maar succesvol kan zijn als alle medewerkers bereid zijn hun inbreng te doen, waarbij dan opvalt dat ook dat weer voor kritische kanttekeningen zal zorgen.

Onze samenleving kent eigenaardige standaarden, normen over juist gedrag, waarbij het Kantiaanse principe dat men geen beloning moet verwachten als men goed, het goede doet, maar steeds meer komen we in repressief vaarwater, waarbij de controle op het passende gedrag vormen aanneemt, die ik alvast niet voor mogelijk had gehouden, dertig jaar geleden. De kwestie is, denk ik, dat wie banaalweg doet wat hem of haar passend lijkt, evengoed aan de controledrift van de overheden ontsnapt als een… Anders Breivik. Tegelijk zal men wel, zoals koning Willem-Alexander deed een participatieve samenleving voorstellen, alsof mensen al niet participeren aan hun omgeving en met mensen, magen en vrienden er het beste van proberen te maken. Het laat goed zien hoe men aan de schrijftafel, enfin, achter de pc best in staat blijkt grootse concepten uit te denken, maar dat die in de samenleving goed en wel functioneren, buiten beeld van de experten, die wel vaker het zicht op de dingen verliezen.

Van mensen in de thuiszorg, poetshulpen en andere zeer bescheiden meisjes zal men vooral, heet het, professionaliteit benadrukken, maar de kwestie is hoe men die professionaliteit moet invullen. Kan het zijn dat zij, die dames die bij mensen over de vloer komen, geen enkele vorm van informele contacten zouden onderhouden? Misschien is het net dat wat in het ziekenhuis soms ontbreekt, dat de contacten tussen verplegenden en verpleegden te afstandelijk blijven om zij elkaar niet bereiken kunnen, want de verplegenden hebben er gewoon geen tijd voor – maar ik vrees dat die generalisatie echt en terecht kritiek zal krijgen van verpleegkundigen, of bijval, als zij zich niet in staat achten inderdaad hun patiënten voldoende aan te spreken en te beluisteren. Professionalisme ziet men vaak als volledige inzet, zonder tijd te hebben voor gesprekken en af en toe een grap, neen, professionalisme betekent gewoon doen wat moet en bijzondere waardering, daar doet men niet aan.

Graag werken, zegt men is een deugd en tegelijk krijgt men via de media voortdurend berichten over problemen om en rond het werk, de werkvloer, van camera’s in de kleedruimtes tot andere vormen van controle. Dat mensen best zelf, als ze zich gewaardeerd voelen, zichzelf en hun collegae stimuleren om het goed te doen, weet men, maar ook hier geldt dat dit onvoldoende gecontroleerd en gestuurd kan worden.

Uiteraard zal men zeggen, dat waardering goed is, maar er is geen tijd voor complimenten. Zou het? Als daarmee ziektedagen beperkt kunnen worden, waarom zou men er dan geen tijd voor maken? Omdat het allemaal niet goed controleerbaar zou zijn, want de verkeerde een complimentje maken voor het geleverde werk, dat zou pas gedoe opleveren. Natuurlijk, je moet je personeel dan kennen en uitzoeken wie wat doet en hoe dat verricht wordt. Sommige mensen weigeren in het kleinbedrijf te gaan werken omdat de druk te hoog zou liggen, maar de vraag is maar hoe dat afgewogen wordt. De baas zit een kantoor verder of kan u dagelijks zien, dat kan mensen zenuwachtig maken of net versterken. Management is vaak gericht op beheersing en controle, terwijl een eigenaar-bedrijfsleider tegelijk meer veeleisend kan overkomen, maar ook gemoedelijker eens het vertrouwen is gevestigd. Doorgaans kent zo een zaakvoerder ook nog eens het werk zodat hij of zij dicht bij de werkvloer blijft, terwijl ingehuurde managers vaak ver van de werkvloer blijven.

We moeten vaststellen dat we dezer dagen gemakkelijker afbrekende kritiek uitventen, zoals het Federaal Agentschap voor Voedselveiligheid, dat afgelopen week doodleuk stelde dat het voortaan de rapporten over bezochte eethuizen en restaurants publiek zou maken. Men vraagt zich af welk doel dit dient, want als ik uit ga eten, ga ik ervan uit dat de keuken in en op orde is en dat we er met gerust gemoed kunnen aanschuiven. Overigens, ook andere recensies van zo een eethuizen komen mij nodeloos agressief voor. Ben je in een andere stand en je wil een frietje eten dan wel een viergangen-menu, dan kan je toch wandelt je keuze maken. En anders zoek je iets op middels de tablet. Laat dan de website van het restaurant spreken, maar valt het tegen, dan is eens en nooit en meer. Desgevraagd kan je enkele bedenkingen uiten, maar toch niet urbi et orbi een negatieve recensie plegen. Ik denk dat het weinig zin heeft, want doorgaans is de kwaliteit goed, de sfeer geschikt en blijkt de nadronk best aangenaam.

Het goede heeft in onze samenleving geen naam, de problemen worden makkelijk geframed als behorende tot de menselijke natuur, terwijl het voor wie enigszins opgelet heeft in de lessen biologie duidelijk moet zijn dat de mens als wezen van begin af aan in groepen leefde, die naarmate de tijd vorderde en de omstandigheden veranderden, steeds groter werden en minder op grond van verwantschap gevormd werden. In die zin was, zo mag toch stilaan duidelijk worden, het nationalisme een poging om een overkoepelende identiteit te bieden, waar de oude verwantschapsgroepen niet meer gelden. Een mens, geen enkele mens was vroeger anoniem, want zelfs de vreemdeling kreeg al gauw een naam. Vandaag zijn mensen anoniem in de ogen van anderen. Ik denk evenwel niet dat de ander per se “de hel” moet zijn, zoals Jean-Paul Sartre het stelde. Mensen kunnen het elkaar wel lastig maken, maar tegelijk zijn we ook in staat elkaar het nodige te gunnen en elkaars welbevinden te ondersteunen. Maar net de vele discussies waarin men – Johan Sanctorum, Huyse, Abu Jahjah, vele anderen – De Vlaming onder vuur neemt en vaak is dat allerminst vriendelijk vuur omdat die Vlamingen toch geen smaak, geen cultuur, geen opvoeding en geen kennis hebben, laten zien hoe gevaarlijk veralgemeningen wel niet zijn: naast de kwestie en volkomen voorbijgaande aan de vele nuances en verschillen in onze samenleving, zoals in bijna alle samenlevingen in de ontwikkelde wereld. De Vlaming, het product van reductie van 6 miljoen Vlamingen, ken ik niet, soms tot mijn vreugde, maar vaak ook tot mijn leedwezen.

Wat mensen doen? Wie zal het zeggen. Maar wie meent van en met anderen alleen negatieve ervaringen te hebben, die negeert het banale en het goede dat elkeen kan overkomen. De ruzies tussen buren? Ja, die zijn er, net zoals familieruzies over erfenissen. Maar we kunnen nooit aangeven waar het wel goed gaat, omdat er geen pro justitia’s over gemaakt worden, toch? En als er al partnergeweld is, wat ik niet waag te betwijfelen, dan zal men toch moeten nagaan hoe dat mogelijk is geworden. Of zullen we het hebben over de mensen die uitkijken naar de komst van hun poetshulp? Van de thuisverpleging? Van de buurvrouw die een doosje pralines brengt? Geen belang? Ik denk dat we te weinig oog hebben voor het banale en het goede, te gemakkelijk de banaliteit van het goede over het hoofd zien, zodat we ons gaan blind staren op wat mis gaat. Hoe kunnen we een goed zicht krijgen op onze samenleving, op elkaar als we te beroerd zijn die andere een compliment te geven? Vriendelijk zijn of beleefd zijn, het kost geen geld, zijn mijn vader soms, als we weer eens arrogant uit de hoek kwamen. Nu begrijp ik zijn vriendelijke aanmaning.


Bart Haers   

Reacties

  1. Je schrijft terecht: " Men vergeet dat in de jaren 1950 tot 1980 de maatschappelijke ladder met groter gemak dan ooit voordien beklommen kon worden, komt mij voor de grootste negatie van de recente geschiedenis te zijn. Chris Vandenbroecke werd een gewaardeerd prof geschiedenis te Gent, maar zijn vader was een wever in Waregem. ...." Het ergert me ook al lange tijd dat veel academici - vooral onderwijssociologen - de grote democratisering en onderwijskansen ontkennen. Jammer uiteraard ook dat veel arbeiderskinderen - en ook minister Smet - die veel onderwijskansen gekregen hebben door het onderwijs en gestimuleerd door de ouders - de indruk wekken dat ze door puur toeval (geluk) in het aso en in het universitair onderwijs terecht gekomen zijn, of dat het enkel hun eigen verdienste is. Niets is minder waar.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Inderdaad, de omgeving blijkt vooral negatieve invloeden uit te oefenen. Ik vraag me inderdaad wel eens af waarom onderwijsdeskundigen zo (verdoken) ideologisch te werk gaan en intussen het onderwijs verder het Nederlandse spoor op helpen. Het antwoord? De invloed van Mei "68? Misschien, maar het zou toch betreurenswaardig zijn mochten ze zelf hun uitgangspunten niet eens heroverwegen, toch?

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie plaatsen

Populaire berichten