Er is niet alleen Oorlog

Kleinbeeld

Nieuwsgierigheid en begrip
Verzegelde lippen vertellen wel iets

De ruïnes van Dendermonde na de passage van de Duitse
troepen in 1914 is nagenoeg uit het geheugen verdrongen,
tot enkele jaren geleden de oorlogshernneringsindustrie op
stoom kwam. Maar dan nog, Dendermonde herinnert men zich
niet, de Vlaamse velden zijn een icoon. Dat wringt. 
Erwin Mortier beschrijft hoe zijn grootmoeder met de twee wereldoorlog verbonden is, haar leven speelde zich af tegen en werd, zo stelt hij, gekleurd door de oorlogen. Moeilijk zich zoiets voor te stellen, kan het niet zijn en bovendien, stel ik vast, kan dit echt wel echt een goed begrip in de weg staan. De oorlogen hebben levens gekraakt, verwoest, soms nieuw leven, niet altijd even gewenst, voortgebracht, maar tegelijk blijft het benarren dat hij nog maar eens doet alsof de geschiedenis alleen dan gemaakt is geworden. Zijn essay draagt de titel: verzegelde lippen, maar zijn ze echt verzegeld, of kunnen wij hun verhalen niet zomaar begrijpen? 

Nu zou ik zelf ook wel eens een verhaal kunnen vertellen, over mijn ene grootvader in de polder van Sint-Margriete, dicht bij de grens, over mijn overgrootvader, Gustave Dumon, die tijdens de oorlog werd getroffen door een granaatscherf. Ik schreef er eerder al over, omdat het een deel is van de familiegeschiedenis, al zal de volgende generatie er niet zoveel over weten. Waarom er in Brugge geschoten werd, was me lang niet duidelijk, tot ik zag dat de Duitse Kriegsmarine in Zeebrugge een onderzeebootbasis had, waar de Britten graag mee afrekenden. De bevelseenheid was in Brugge gekazerneerd, net als het personeel, bij het Fort Lapin[i]. De harde winter in 1917 zorgde ervoor dat kanalen bevroren waren. Misschien wilden de Britten van de gelegenheid gebruik maken om de officieren van de Kriegsmarine te raken. Feit is dat mijn overgrootvader geraakt werd en voor dood naar het Sint-Jan gebracht werd, in de binnenstad. Een arts, dokter Joseph Sebrechts moet toen een deel van zijn faam verkregen hebben. maar vooral was het een vorm van medische hardnekkigheid die hem een lang leven schonk, want hij werd, ondanks zijn zware verwondingen, ondanks de naar de normen van vandaag misschien onvolkomen esthetische afwerking - mijn overgrootvader was blind aan een oog, had geen neus meer en een ijzeren plaat in het hoofd - 92 jaar oud. Hij stierf in de week voor Nieuwjaar 1972 en was in de familie een icoon, maar tegelijk, uiteraard voor de jongste achterkleinkinderen nagenoeg onbenaderbaar.

Veel is er niet over verteld, een oudtante gaf een relaas, maar de herkomst van de granaatscherf noch de inspanningen van de arts stonden centraal. maar wel het gebed en de oproep het lot te dragen. Maar toch werd het gebeuren gememoriseerd in geschrifte en was er wel dankbaarheid voor de arts. Dat lijkt contradictorisch, maar het geeft aan hoe moeilijk het was te begrijpen wat er door dokter Sebrechts verwezenlijkt is geworden. Maar de man die in Brugge was gebleven terwijl meerdere collegae mee waren afgetrokken en in legerhospitalen hebben gewerkt, was voor de verzorging van patiënten een reddende engel. Toch denk ik dat we ons geen idee van zijn technische onbeholpenheid kunnen vormen, zodat zijn persoonlijke kunnen extra in de verf komt te staan, alsook zijn hardnekkigheid. Soms zou ik zo een ziekenhuiskamer - of -zaal - wel eens willen zien, maar tegelijk is er het besef dat onomkeerbaarheid moeilijk te omzeilen valt.

In die zin kan het stuk van Erwin Mortier mij niet overtuigen, want de zwijgzaamheid over het verleden kan ook een blijk van wijsheid geweest zijn, een aanvaarden van het feit dat men vooruit moet. Mortier vergist zich daarom door de nadruk te leggen op de oorlogen als epochemakend voor de betrokkenen. Het blijft tegelijk zo dat de periode 1918 - 1925 in de officiële geschiedschrijving weinig kansen krijgt en in de verhalen herleid worden door de grote initiatieven om  wat verwoest werd weder op te bouwen. De samenleving zocht in de bezette landen en in de oorlogsvoerende landen voor grote veranderingen. Zo ziet men de vrouwen terug naar de haard keren, op last van de terugkerende mannen, wat ook na 1945 opnieuw aan de orde zou komen: herstel van de orde.

Maar bijvoorbeeld de jaren 1920 in Europa, van land tot land verschillend zorgde voor vormen van verwerking van het oorlogsgebeuren. Tegenover Erich Maria Remarque stond Ernst Jünger in het volle leven, maar Jünger was en blijft eerder een man van de daad, zoals het Futuristisch Manifest dat in 1912 had verwoord. De moderniteit, gepaard aan esthetische en elitaire overtuigingen brachten hem ertoe de nazi's als inferieur aan hun taak te beschouwen, maar hij laat ook zien, denk ik, hoe de tijd voor deze mensen, die gewoonlijk niet tot grootse daden  geroepen werden nu plots wel macht verwerven. Erwin Mortier zal hier waarschijnlijk niet veel mee hebben, maar het mag duidelijk zijn, denk ik, dat hiermee het leven en geschiedenis als verweven vormen ontoegankelijk worden.

Natuurlijk was er de Spaanse griep, die gedurende 1 jaar jonge levens wegmaaide, maar hoe of dat zomaar kon, blijft altijd een moeilijke kwestie. Globalisering, want men moet zich toch maar inbeelden dat toen miljoenen mensen zich al of niet motu proprio verplaatsten, meestal op bevel van hogerhand. Maar ook blijft het nog maar de vraag wat buiten Europa gaande was, want dat wordt door de oorlog verduisterd. En dan, na de oorlog, hoe werd het leven toen? Moeizaam verliep de heropbouw in België, in Nederland was de economie ook tot stilstand gekomen en in Duitsland, tja, daar was het ook behoorlijk mis. Maar Frankrijk was misschien nog het meest de oriëntatie kwijt, al kennen we alleen de zegerapporten. De oorlog was gewonnen, in het Verdrag van Versailles stond dat Duitsland de morele schuld droeg van de oorlog en hiervoor zou betalen. De bezetting van het Ruhrgebied in 1923 - 1924 was voor Duitsland vernietigend, maar ook de moeilijkheid voor Ebert om zich tot het volk te verhouden, de moorden op Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht en Walter Rathenau, hebben op Duitsland geen gunstige invloed gehad. De omgang van mijn tijdgenoten met WO I blijft wat mij betreft weinig begripvol. Niet voor de mensen, maar voor daden die men stelde, zowel de militairen, de chefs van staven, de officieren op het terrein en de piotten. Maar na de oorlog begon het leven opnieuw, waarbij sommigen oude verwachtingen niet meer inlosbaar achtten en daarom nieuwe wegen zochten, terwijl anderen wanhopig het oude leven wilden hernemen. De politici stonden voor soms onoplosbare problemen, zoals het herstellen van de veestapel, van het industriële patrimonium en de infrastructuur. Zelden heb ik een essay gelezen over hoe of het leven in Vlaanderen tussen 1919 en 1939 evolueerde. Maar ook de veranderingen na WO II, die zowel tijdens de "Trente glorieuses" als nadien aan ons kwamen aandrijven en soms ons overweldigden, maar waar we de vruchten van plukken of mee rekening hebben te houden, verdienen dezer dagen een meer uitvoerig onderzoek.

Historia non facit saltus, de geschiedenis maakt geen sprongen, maar mensen die gevangen zijn in contingentie, ervaren het leven vaak zelf als een weg met af en toe een sprongetje of van tijd tot tijd een reuzenstap, een hink-stap-sprong en dan wordt het uitkijken, want men gaat het avontuur aan. Mij dunkt dat vredestijd niet minder avontuurlijk is, zelfs niet van geweld gespeend blijkt als oorlogstijd, maar wie zou nostalgisch zijn naar die jaren waarover de betrokkenen, naar Mortier zegt, zwijgen. Dat ze niet echt zwijgen, lijkt hem te ontgaan, maar hun spreken is voor ons onbegrijpelijk. Gewoon omdat wij nu anders leven, maar ook andere verwachtingen koesteren. Want de roman van Stefan Hertmans maakt vooral duidelijk dat het niet eenvoudig kan zijn de bloederige geschiedenis over te brengen: Veel van de dagelijkse ervaringen smelten samen tot een aantal momenten,  tot een besef wel misbruikt te zijn en miskend, maar tegelijk gewrongen te zitten door loyauteit aan het land. Hierin sluit de roman aan bij wat Gerard Walschap schreef in "autobiografie van mijn vader".

Het punt is dat Erwin Mortier blijkbaar hoopt op deze manier tot een historische sensatie te komen, maar in feite blijft die ruimte afgesloten, omdat de auteur de eerste wereldoorlog, de grote oorlog niet ziet in de continuïteit van de dingen, waarin de oorlog uiteraard en tegelijk een cesuur vormt. Hoezeer dat zo was blijkt uit bronnen, zoals het verhaal van een aantal aalmoezeniers die aan het IJzerfront niet in staat bleken hun ambities achterwege te laten en soms met de legeroverheid in botsing kwamen. Sommigen mochten hout gaan hakken aan de Orne, oudere pastoors in den lande bleken na de eerste schok over de barbaarse inval in ons land toch weer vast te stellen dat het land hem vreemd was gebleven. Zelfs de Vlaamse voorman Frans van Cauwelaert moest vaststellen dat zijn inspanningen bij de regering van nationale eenheid in Le Havre weinig vruchten afwierpen. Zelfs Franstalige Vlamingen stelden vast dat die inspanningen gerechtvaardigd waren, zoals Jean-François Maes schreef. Voor ons is dat alles geschiedenis, maar voor hen was het brandend actueel en lastig om goed te zien wat er gaande was. Bovendien verdroegen sommige figuren niet dat wat Vlaams was geaccepteerd zou worden, wat sommige Vlaamse commentatoren dezer dagen nog steeds stommelings overnemen. . Aan de andere kant zag men dan burgers en militairen recalictrant reageren, wat hen op straffen en blamen van de militaire overheden kwam te staan. En ja, er waren ook activisten, maar zou men hen, die lui in Gent in 1917 echt willen vergelijken met de lui die in 1940-1945 kozen voor ideologische collaboratie?

Maar goed, over Cyriel Verschaeve en zijn handelen tijdens WO I zal men niet spreken, want de man ging in de tweede in de fout. Ongetwijfeld was dat zo, ongetwijfeld was hij een schwärmer, maar tegelijk, ook al hoort men dat niet graag was België voor WO I niet zo vijandig tegenover de Duitsers, was de aandacht voor wat er in Berlijn, Leipzig en München gaande was groter dan wij ons nu kunnen inbeelden. De oorlog kwam voor talloze burgers toen onverwacht, maar de overheid had ook niet echt begrepen dat ze in een ander kader zou moeten denken en handelen. Het valt op dat Erwin Mortier het leven van haar grootmoeder weerklank geeft, maar niet via die weg haar moeder, zijn overgrootmoeder niet over het voetlicht krijgt. De reden waarom mij dat wel frappeert is dat men toch vooral kijkt naar mensen die min of meer tot handelen in staat zijn, onze aandacht mogen krijgen, want de herinnering van een kind is weliswaar waardevol, maar vertelt weinig over de afwegingen die mensen maken die over hen zorg dragen.

Maar nog eens, het meest storende is dat voor Erwin Mortier die cesuur die WO I was, zo centraal zet, dat men de jubeljaren, de jaren van ongebreidelde vooruitgang, ook voor (welstellende) boeren en waarbij de mogelijkheden, door mechanisatie in onze ogen nog traag, maar in de ogen van de mensen toen zeer snel is gegaan. Dat verschuivend perspectief blijft voor velen die naar het verleden kijken een vaak onopgemerkt gegeven. De oorzaak is dat we naar het verleden niet kijken vanuit een brede interesse op mens en samenleving, maar naar bepaalde gebeurtenissen, die ons bijzonder zouden aanbelangen. Dat dan bepaalde aspecten niet in beeld komen, mag niet verbazen. Moet men dan per se geschoold historicus zijn om met enig inzicht over de zaken te spreken? Ongetwijfeld niet, maar men kan ook historici niet uitsluiten. Ter gelegenheid van 21 juli stelde men in het Warandepark een vroege pantserwagen op, die was nagebouwd, maar of we daarmee dichter bij de beleving van toen kwamen, blijft nog maar de vraag, want we vinden op vele plaatsen in Vlaanderen sporen van de volgende oorlog, de Amerikaanse en Britse tanks en jeeps die de oorlog toen zo mobiel maakten.

Wat ook opvalt in het beeld dat Mortier schetst, wat mij overigens nog meer frappeert, is het gebrek aan inzicht in de veranderende inzichten, zowel bij elites als de bevolking. Ook in de jaren na 1920 zien we enkele opvallende transformaties die nog eens sterker uitpakken tijdens de eerste decennia na 1950. Maar het is wel zo dat men juist die jaren tussen het einde van de oorlog en de Wereldtentoonstelling in 1958 als sombere jaren wil voorstellen, maar als ik verhalen hoor van mensen die toen studeerden of pas aan de slag gingen, was het best wel boeiend. Jawel, vliegtuigreizen waren nog niet voor eenieder weggelegd, maar autoreizen kwamen er wel. Ach, vergeleken met twintig jaar later, zo rond 1978 was het natuurlijk allemaal nog wat minder, net zoals de huishoudelektronica nog niet was ingeburgerd, zouden de transistorradio's nog hun intrede doen en begon de wereld van de populaire muziek via rado én televisie pas geleidelijk een plaats op te eisen. En daarmee kwam er ook nog iets anders aan de orde: de stilering van het collectieve geheugen. Want men kan natuurlijk geloven, aannemen dat de beeldmedia objectief feiten uit heden en verleden weergeven, maar het is intussen wel duidelijk dat de framing wel degelijk invloed had op wat tijdgenoten zelf denken over het verleden waar ze zelf deel aan hebben gehad. En dus valt het op dat de intocht van de Duitse legers in Brussel in 1914, die  voortdurend door de stad en voorsteden trokken, zolang de krijgsverrichtingen rond Antwerpen nog niet afgerond waren, beschrijft ook Karel van de Woestijne als een langdurige intocht[ii], maar hij nuanceert, scherpt aan, tekent uit en laat begrijpen dat voor Brussel de oorlog een ramp is, maar dat de mensen het overleven kunnen. Tegelijk krijgen we een hoop geruchten te verwerken, die de auteur van overal opvangt, ook van zijn artistieke vrienden.  

Het blijft opvallend dat we nu, terwijl de gebeurtenissen van 100 jaar geleden politiek een hoge hectiek bereikten, nauwelijks vermeld zien worden: de voorkeur van Charles Woeste, die zoals Boerke Naas, zijn frak wilde tonen en na een schot van de Kaizer zou hij doorgang verlenen. Anderen vonden dat België de eigen neutraliteit moest bewaken. Wat we niet weten, valt mij dan toch op, of Frankrijk bij België voorstellen gedaan heeft om vriendschappelijk hulp te verlenen om zo de inval bij Luik tegen te gaan. Feit is dat de Fransen stonden te popelen om Belgisch grondgebied te betreden, maar ten koste van alles de indruk wilden bewaren dat ze niet de neutraliteit zouden schenden. Het was dansen op een slappe koord. Dat eens de oorlogshandelingen begonnen, de Duitsers maar niet door dit land geraakten en dat elke poging om snel naar Sedan te trekken mislukte, de oorlog zelf zich liet zien zoals ze was, mag ons niet ontgaan.

Pas dan begint dat moeilijke verhaal: hoe beleven mensen, mannen, al dan niet onder de wapens, vrouwen, kinderen, de gebeurtenissen, waar ze doorgaans weinig greep op hebben. Kijkend naar een oorlogsgebied als het Oosten van Oekraïne, waar geen ouderwetse oorlog tussen staten gevoerd wordt, ziet men hoe het voor mensen eerst gaat om het "fressen" maar toch, de keuze voor of tegen de rebellen moeten ze elk moment weer maken: lijfsbehoud en integriteit liggen dichter bij elkaar dan men denkt.

Oh ja, sommige mensen die van leer trekken tegen Israël dezer dagen, omdat die staat teveel oorlogsslachtoffers zou maken, moeten misschien bedenken dat geen staat, geen samenleving zo bedreigd is als precies Israël, want een nederlaag, zo stelt men, betekent het einde voor Israël als staat, maar ook, evenzeer, betekent het dat de politici er zich vaak van bewust zijn dat het militaire beleid de samenleving kan bedreigen. In Het recht op terugkeer beschrijft Leon de Winter hoe Israël steeds kleiner zou kunnen worden als burgers het niet opbrengen de samenleving vitaal te houden. Het is een donkere, duistere toekomstvisie over een staat die, zoals Hannah Arendt al in 1945 - 1950 aangaf, keuzes maakte die misschien wel goede antwoorden bood op directe kwesties, vitale kwesties ook, maar net daarom autodestructief konden uitpakken. Hoe Israëli daarmee omgaan, hoe mensen die zoals Arendt Europees én joods zijn belangt ons aan omdat zij hun kritiek niet sparen, maar tegelijk loyaal blijven aan hun gemeenschap.

De kritiek op het Israëlische militaire beleid, als zou men geen onderscheid maken tussen burgers en militairen, blijft nazinderen, want hoe kan men een vijand bevechten die zichzelf voortdurend - in de beste traditie van de guerilla - verstopt achter de burgerbevolking. De vraag of de strijd van Hamas gerechtvaardigd is, komt nooit, zelfs niet met een begin van twijfel, aan de orde. Dat betekent dat men zich geen vragen stelt over de politiek van Hamas, wat vaak ten koste gaat van de politiek van Abbas op de Westoever, die vaak overweldigd wordt door de strijdvaardigheid van Hamas. Maar welk doel dient men? Hoe wil men dat bereiken?

Een Vlaamse dokter had het over een holocaust op de Gaza, of in Gaza, maar als Hamas de wapens neerlegt, bomaanslagen afzweert en weigert nog te investeren in militaire infrastructuur, zou het dan niet kunnen, misschien ben ik naïef, dat Israël ook deuren zal openen? Zelf ben ik altijd bijzonder terughoudend geweest ten aanzien van beide partijen, maar sinds 1972, toen ik op televisie zag hoe Israëlische atleten en burgers werden aangevallen door Palestijnse terroristen, was de idee toch dat terreur ook gerechtvaardigd moet worden. Pas veel later kwam ik tot het inzicht dat men recht heeft op opstand, maar dat de middelen die men hanteert niet ten koste kan laten van de eigen achterban. Hannah Arendt heeft in haar boek "Eichmann in Jeruzalem" veel kritiek geoogst, maar naast de discussie over "de banaliteit van het kwaad" en over de rol van Joodse prominenten die hun medeburgers en medevervolgden niet altijd eerlijk hebben geinformeerd over wat er te gebeuren stond of meer nog, mensen aan te zetten Amsterdam of Warschau te verlaten, tijdig, voor het wegvoeren zou beginnen - een discussie die haar van haar beste vrienden vervreemdde en waaruit de kracht blijkt van het waarheid spreken - is deze discussie over de politiek van Israël, van Ben Gurion wel degelijk cruciaal, maar die werd al te vaak over het hoofd gezien. Maar nog eens, de terreur van een gewapende oppositie kan gerechtvaardigd worden, meer nog, Israël heeft ook nog eens zelf een traditie van guerrilla tegen de Britten, die Palestina als Mandaatgebied bestuurden, zodat men weet, aanvoelt dat de Israëli bereid waren oppositie, zelfs gewapende oppositie op de koop toe te nemen. Ben Gurion en vele andere politieke leiders, tot Benjamin Nethaniahu, waren gepokt en gemazeld in die jarenlange strijd. Israël zelf is niet zonder zonde.

Men kan vanuit dit aanvoelen van complexe realiteiten ook terug kijken naar ons eigen verleden. De Teutoonse terreur, zoals men die noemde nadat duidelijk was geworden hoe Leuven, Dinant, Visé en Charleroi, Virton ook, Dendermonde ook door Duitse militairen zijn aangepakt, kan men niet verantwoorden: de Duitse militaire overheid schond het bestaande oorlogsrecht, waarbij men burgers aanpakte zonder het onderscheid tussen burgers en militairen te handhaven. Men zal begrijpen dat Duitsland hier wel een morele schuld draagt, want deze terreur tegen burgers, om welke reden dan ook, was van een orde die men voordien sinds de Dertigjarige en Tachtigjarige oorlog in Europa niet meer gekend was. Over de Ottomanen op de Balkan zou het ook kunnen gaan, maar dat was een ander soort langdurig conflict en bezetting. Maar ten gronde was de bezetting en de formule die de bezetter vond, voor de burgers van cruciaal belang. Hoe schatters oogsten hadden te voorspellen, hoe economische infrastructuur werd afgebroken en naar Duitsland getransporteerd, toonden dat de oorlog wel degelijk totaal kon worden. België en Luxemburg waren de enige landen die volledig bezet waren - op de Westhoek na - en kregen het experiment aan den lijve te ervaren. Het is zo dat België meevocht, maar het was de vorst niet wenste dat zijn troepen, ondanks diplomatieke druk in te zetten in uitzichtloze offensieven. Daar valt alleen maar waardering voor op te brengen, want een legerleider zal zijn soldaten niet nodeloos in het vuur gooien. Maar de grootste slachtoffers waren de burgers en bij de herdenkingen van WO I blijft dat een onderbelicht facet. De steun van neutrale staten, van diplomaten en van een aantal industriëlen, die Relief for Belgium opzetten, mag men ook niet onderschatten. De moderne vorm waarin men die wist te gieten, moet ons ook aanbelangen[iii].

Derhalve denk ik dat Erwin Mortier ons nog maar eens murw slaat met leed, dat we niet kunnen ontkennen, maar de hele dynamiek van het gebeuren, ook de besluitvorming blijft buiten beeld: wat kon een schatter doen om boeren een deel van hun oogst voor eigen gebruik, maar ook om aan de lokale vraag te voldoen in plaats van te moeten leveren aan de bezetter, dat zijn kwesties die minstens evenveel aandacht verdienen. Maar dat soort overwegingen vragen te veel historische studie en daar zijn we helaas niet aan toe. Er wordt waardevol werk geleverd, zoals over de verdeling van de Amerikaanse voedselhulp, waarbij mensen hulp kregen of ze nu katholiek waren of niet, of ze nu passend leefden, dat alles werd vervangen door een recht op bijstand. Maar de herdenkingsagenda verdraagt dit soort diepgaande studies niet, journalisten worden er zo te zien kregel van.

Kortom, ik ben niet de enige die het moe wordt van het herdenken van WO I en dan nog vooral omdat het niet tot reflecties leidt. Ik ben het moe dat men Israël op haar verantwoordelijkheid wijst, maar de positie van Hamas en andere Palestijnse instituties niet ondervraagt. Recht op opstand? Zeker. Recht op gewapend verzet? Evenzeer. Maar als doel  en middelen niet ook humaan te verantwoorden blijken, moet men de kritische aantekeningen niet sparen. Wie zijn eigen mensen in het vuur gooit, vrouwen en kinderen, mag toch ook eens kritisch bejegend worden. Goed, de Gaza-strook is smal, dichtbevolkt en weinig geschikt voor oorlogshandelingen. Maar of dat verantwoordt burgers als menselijk schild te gebruiken en de tegenstander het onmogelijk maakt dat onderscheid te maken, het blijft ook stof voor discussie aanbrengen, behalve voor wie Israël ook het bestaansrecht ontzegt. Maar dat er op Israël al van begin af aan kritiek moet geleverd worden en dit ook is gebeurd, mag men niet ontkennen. Selectieve lectuur van feiten, het blijft de gesel van deze samenleving waar men altijd weer tot een duaal schema komt: ja of nee. De eeuwige derde mogelijkheid, daarvoor is men blind en dat getuigt van intellectueel puberaal gedrag.

Men kan zich ook afvragen waarom sommigen zo kleingrutterig omspringen met de oorlog, waarbij men zich blindstaart op soldaten, maar vergeet dat het militairen waren met een grote staat van dienst - wat heet - die volgens een vaste logica handelden, niet altijd, zoals Albert I of Harry Plummer wel deden, de opportuniteit en de mogelijkheden goed hebben ingeschat. Kleingrutterig is ook het verwijt aan de zogenaamde commerçanten in de Westhoek, die vervolgens zelf boeken bij de vleet gaan plegen, zonder echt eigen onderzoek te verrichten. Sophie de Schaepdrijver heeft daarbij de toon gezet en dat valt te betreuren.

Bart Haers






[i] De oorlogshandelingen die niet met het IJzerfront te maken hebben blijken ons maar matig te boeien.
[ii] http://www.dbnl.org/tekst/woes002verz10_01/woes002verz10_01.pdf. Het relaas beslaat meerdere pagina's en is na en eerste publicatie als krnatenbericht vervolgens ook als boek gepresenteerd geworden. De subtiliteiten van dit relaas blijven bij alle herdenkingsactiviteiten opmerkelijk genegeerd.

[iii] http://kwestievanverwondering.blogspot.be/2013/11/een-dagje-boekenbeurzen.html. Het kan dus maar weer herhaald worden dat sommige boeken weinig of geen weerklank krijgen, die het wel verdienen. Een artikel van Reynebeau, (http://www.standaard.be/cnt/dmf20131030_00817238)  laat zien dat men sommige boeken echt beter in de etalage kan zetten. 

Reacties

Populaire berichten