Leven zonder Bach?

Dezer Dagen

Norbertijnen in het dorp
Orgelmuziek en de dingen des daags

Norbert van Xanten, 1080 - 1134 en
oprichter van de orde van Prémontré.
De abdij vn Grimbergen behoort ook
tot die orde. Daar had op zondag 29
juni het laatste orgelrecital plaats
van de reeks die jaarlijks in het voorjaar
wordt ingericht. Kamiel D'hooghe
nam voor dat recital de honeurs waar.
Het viel al vaker voor dat ik naar een orgelconcert van Kamiel D'hooghe ging en een aantal keer schreef ik er ook over en dan denk ook ik: zou ik niet een keertje overslaan? Maar de man viert dit jaar 85 jaar en om allerlei redenen leek het me wel goed er toch nog eens over na te denken. Want een mooi een concert was het wel, daar in de abdijkerk van Grimbergen, waarbij we nog maar eens merkten dat kunst mensen een ervaring van "enhancement" kunnen geven. Enhancement kan verbeteren  betekenen, maar het ook veredeling en dat zal niet iedereen graag horen. Het is dan ook van belang goed aan te geven wat ik hiermee aan de orde wil stellen.

Zondagmiddag van de ring rond Brussel afrijden, Grimbergen in en dan een goede parkeerplaats zoeken bij de abdij en de kerk die paradoxaal genoeg altijd onvoltooid is gebleven. Maar het interieur met de pracht van de 18de eeuw, het houtsnijwerk, de beelden en schilderijen, het blijft overweldigend en eens te meer blijkt dat een bezoek aan zo een oord veel onthult, maar vooral veel verborgen houdt. Pas na verloop van tijd en de verbondenheid groeit, zal men de verfijning, de zorg voor afwerking en vooral het samenbrengen van verschillende media, beelden, schilderijen, houtsnijwerk tot een verheerlijkend geheel. Nu kan men natuurlijk altijd beweren dat met het vervagen van de kerk in het leven ook die kunst aan betekenis verliezen moet, maar met Pascal Mercier moet ik altijd weer vaststellen dat ik niet zou  kunnen leven in een wereld zonder kathedralen maar evengoed wil ik dat vrijmoedig kunnen beleven en inperkingen van mijn denken hoef ik niet, de beperkingen van mijn inzichten moet ik dan weer wel voor lief nemen.

Bach? Elk jaar is het weer zo dat Klara een stuk van Bach op de 1ste plaats van de top 100 zet. Enfin, wij zouden dat doen, of beter, nog al die anderen die menen te kunnen stellen dat het derde Brandenburgs concerto of het "Wir setzen uns mit Tränen nieder" of "Erbarme dich" als de absolute top neer, terwijl dat onbegonnen werk is. Neem nu Preludium en fuga in d BWV 539, dat naar de heer D'hooghe 's avonds bij de dis uitlegde, oorspronkelijk voor viool was geschreven, zou zijn geschreven. We horen het allicht te zelden om het echt op de hitlijst te zetten, of niet in geschikte omstandigheden. Toen ik het opzocht op het net, heb ik het uiteindelijk niet beluisterd, omdat orgelmuziek op de radio of uit een stereo-installatie altijd weer een deceptie blijkt.

De organist bracht zes koralen, de zogenaamde Schüblerkoralen, want uitgegeven door de muziekuitgever Johann Georg Schübler, die zelf ook leerling was geweest van Johann Sebastian. De koralen brengen in een zeer verdichte vorm de stemming van een cantate ten gehore, die Bach eerder had uitgewerkt. Het is al bij al een vreemde muziekpraktijk, maar maakt de musicus Bach des te intrigerender, omdat duidelijk wordt dat de men werkelijk geen blijf lijkt te weten met zijn creativiteit, of zou het een commerciële truc geweest zijn? Hetzelfde materiaal steeds weer recycleren? De zaak is mogelijk dat Bach inderdaad zeer veel werk op zich nam en zijn grote gezin wilde onderhouden, maar tegelijk zou men dan vaststellen dat zijn vondsten, ook bij recyclage niet zo wonderlijk nieuw zouden uitpakken. Het gaat er dan om dat wij niet vertrouwd zijn met de muziekpraktijk van die dagen.

Kamiel D'hooghe legde voor hij aan het koororgel plaats nam om een sonate van de Hamburgse Bach, Carl Philipp Emanuel Bach te vertolken uit dat de traditie van orgelconcerten in de abdij  hoe de hele traditie van orgels in onze kerken en dus ook in de abdijkerk wel heel erg verbonden is gebleken met de wijze waarop men tegen de kunst zelf aankeek. Het heeft ertoe geleid dat de prelaat van de abdij en de organist samen hebben moeten werken aan zowel het restaureren aan het orgel op het doksaal als het koororgel. Het gaat er natuurlijk om, denk ik dan, dat we bij tijd en wijle de hele orgelmuziek wat moe zijn, of dat we, zoals in de jaren na WO II echt zijn geloven dat alleen technische vooruitgang van node was. Maar de modernisering van het grote orgel dateerde van voor WO I, toen een Brusselse orgelbouwer er een heel nieuw orgel van maakte dat echter maar goed vijftig jaar bespeelbaar is gebleken. Door toedoen van Monumenten & Landschappen en de orgelbouwer Potvlieghe kon men er opnieuw een bespeelbaar orgel van maken, maar dat ook nog weinig geleek op het werk dat Forceville en Goynaut uit 1751 hadden gerealiseerd. Het blijft fascinerend te zien hoe complex zo een orgel wel niet is, maar hoewel we leven in een tijd waarin we techniek, technologie beaat bejegenen, hebben we zelden interesse voor hoe zoiets dan werkt. De orgelbouwer is een ambachtsman en voor men steigert, dat zou nog altijd een vormen veredeling van arbeid mogen heten. Ambachten? Bah, dat is van een andere tijd, maar het vermogen om zoiets op te bouwen, met al die materialen en gereedschappen, dat kunnen we toch niet zomaar als prutswerk afschrijven. Ook dit is kunde en als ik het wel begrepen heb, zoekt men in Japan of Zuid-Afrika mensen die orgels kunnen bouwen, net omdat men Bach en een hele cultuur wil leren kennen.

De orgelmuziek beluisteren, lijkt ook al niet iedereen gegeven, maar eens men daar zit en omgeven door de schepping in steen, albast en hout, die in zijn totaliteit meer is dan de som van al die fraaie sierstukken, blijft het wel een heel overweldigende ervaring. Hoewel er natuurlijk onderhoud geweest is en af toe nieuwe elementen zijn ingebracht, waant men zich even in de gouden eeuw, maar slechts weinigen in Vlaanderen en Brabant zijn ertoe geneigd die periode zo te kenschetsen. De reden is, zegt men mij dat we er zo weinig van afweten, maar het lijkt mij, gezien de inspanningen van historici als Hugo Soly en Chris Vandenbroucke, eerder zo dat het niet past in de visie op onze geschiedenis. Onder meer Jan Art heeft er in zijn onderzoek naar de herkerstening tijdens de negentiende eeuw op gewezen dat het kerkbezoek in de tweede helft van de 18de eeuw, dus voor de politiek van Jozef II en de afbraak tijdens de Franse annexatie eraan kwamen al sterk was teruggelopen, maar ik weet wel dat in die 18de eeuw de zorg voor kerkgebouwen en een bepaalde vorm van mecenaat ertoe bijdroeg dat die kerken aangekleed werden. Want in zekere zin ademde die 18de eeuw in de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden, Duitsland en ook Frankrijk, Engeland... toch onderkennen we niet, nauwelijks hoe belangwekkend die periode geweest is in het algemene verhaal van de cultuur; het belang voor de filosofie is helder, maar dat lijkt me dan wel een zeer enge kijk op de zaak. De kunsten bloeiden, de welvaart nam toe en er was geen stad of er was wel een orkest, een kapelmeester en een cantor. Toch lijkt men van die evolutie niet te kunnen begrijpen dat als er al veel mindere goden in het vak waren, er toch ook een hoge cultuur is uit voortgekomen die niet (alleen) aristocratisch was.

Luisterend naar de Fantasia in a Klein, waarvan ik mij nog wel herinnerde het eens gehoord te hebben, vond ik hoe de jonge Bach inderdaad veel middelen ter beschikking had om zijn inventies te verwerken en uit te werken. Luisterend verloor ik ook de draad van mijn gedachten en dat is wat muziek in optima forma nog het best vermag: ons even toelaten gewoon te luisteren, zonder gedachten. Eenvoudig is dat niet, want het is een andere tijdservaring die de muziek en dus de uitvoerder weet te bewerken. De compositie is bekend, de uitvoering is dan altijd nog een groot avontuur. Als daarna dan een koraal volgt die de smeekbede herhaalt "Ach, bleib bei uns, Herr Jesu Christ" (BWV 649) dan blijft die afwezigheid hangen.

Nu kan men wel eens horen dat de bekende Toccata en fuga in re klein (BWV 565) een paradestuk moet heten, maar Bach schreef dit nog in zijn jonge jaren, met het oog, denken we dan te epateren. Waarom ook niet? Kunst is toch niet altijd kleiner maken, banaal blijven? En zo een zelfstandig kunstenaar, want hoezeer J.S. Bach ook verbonden met al dan niet prestigieuze plaatsen, zoals Weimar en Leipzig, moeten we begrijpen dat het voor hem en diens opdrachtgever altijd prestigieus was als de hofmuzikant of cantor kon uitpakken met bijzondere zaken. Overigens, heeft Bach niet af en toe kerkmeesters, ouderlingen tegen zich in het harnas gejaagd? Nu zou, aldus Kamiel D'hooghe dit werk, net zoals de preludium ook eerst voor viool solo geschreven geweest zijn, waarbij driestemmigheid wel mogelijk is, maar veel vraagt van de violist. Nu, op het terrein van de exegeten zullen we ons niet begeven.

Zonder filosofie geen vrienden? Of zonder vrienden geen filosofie, zoals Hans Achterhuis schreef. Maar, ook de muziek verdraagt de eenzame ervaring in de huiskamer niet altijd. Ook daar geldt: zonder vrienden klinkt de muziek misschien wel, maar, zijn het dan geen holle cimbalen? Muziek ervaren wekt ook, heb ik wel eens gemerkt een zekere welwillendheid op bij de toehoorders m/v want men weet zich deel van een gelijkaardige ervaring al blijft die persoonlijk. Tijdens de receptie in de abdij, een nieuwbouw gedeelte, de Ostzaal - genoemd naar de schilder Alfred Ost - waar men ook lezingen organiseert en andere activiteiten mogelijk maakt, spraken verantwoordelijken van de abdij, van de cultuurraad en de gemeente hun waardering uit voor Kamiel D'hooghe en zijn inspanningen voor het orgel, de orgels van Grimbergen. Niet alleen de orgels droegen zijn zorg weg, maar ook dat ze bespeeld zouden worden, zouden klinken. Evident? Ik heb de indruk dat dit vandaag gemakkelijk uit het oog verloren worden, want de organisatie van orgelconcerten, zoals andere muzikale avonden, middagen, aperitieven blijft voor de organisatoren altijd weer een heikele kwestie. Nu is D'hooghe wel een naam in de orgelwereld in Vlaanderen en daarbuiten, maar men hoort niet zo vaak zijn naam in de brede media. Toen ik donderdag vernam dat Ring TV er inderdaad een item aan had besteed, bleef ik na het bekijken ervan verbaasd dat bijvoorbeeld Klara er geen aandacht aan denkt te hoeven besteden.

Het probleem is dat het muziekleven vaak geteisterd wordt door de idee dat alleen het beste goed genoeg is, maar het zelf luisteren in concertzalen en op andere plaatsen waar muziek gemaakt wordt minstens zo belangrijk is. De partituur zo goed mogelijk uitvoeren, daar kan geen discussie bestaan, maar of het werkelijk zo is dat er maar een uitvoering de beste zou zijn, lijkt mij overroepen. Die namiddag in de abdij immers had ik nog maar eens ervaren dat het orgel bespelen wel degelijk een grote onderneming moet heten, waarbij men, zoals de organist zegde ook een derde hand nodig heeft en bovendien moet de uitvoerder twee handen, twee voeten en een goed hoofd hebben. De organist, intussen 85 jaar, enfin in de verwachting in november die verjaardag te mogen vieren, is het wel toevertrouwd.

Na de receptie waar een aantal bekenden en ook de familie van de organist aanwezig waren - helaas kan zijn echtgenote dit niet meer beleven, wat ons dan weer bij de discussie brengt hoe belangrijk een goed werkend brein wel niet is - kon het gesprek vele kanten op, maar even buiten rondkijkend, kwamen weer bedenkingen opzetten over de betekenis van zo een abdij in de lokale gemeenschap, maar ook en vooral voor onze cultuur.

Hemelse monniken, Aardse mannen, luidt de titel van een onderzoek van Ludo Milis, nu blijkbaar alleen nog te verkrijgen in tweedehands en toch is het boek van belang om alvast de Benedictijnse abdijtraditie te begrijpen voor wat de middeleeuwen betreft.   Naast de opmerkingen over de spanning tussen instituut en charisma, laat Milis ook zien dat de abdijen in het licht van hun voortbestaan heel ingenieus omsprongen met hun levensmiddelenvoorziening. De gelofte van armoede gold voor hen als persoon, niet voor het instituut.

Norbertus, bisschop van Xanten in de 11de en begin 12de eeuw greep terug op de regel van Augustinus om een leven van getuigenis uit te bouwen en gaf daarmee zijn kritiek op de situatie van het kloosterleven in die periode. Het verschil met Benedictus die het abdijleven zag in een traditie van eremijten, zonder, zoals de Karthuizers zouden doen afzonderlijk in cellen te leven, zag Norbert, in navolging van Augustinus de rol van zijn beweging in het licht van de nieuwe tijd. Anders dan de Franciscanen en Dominicaten is het geen bedelorde, maar het is tegelijk een meer op de wereld gericht instituut. Waar Bernard van Clairveaux de regel van Benedictus in alle strenghei d bevestigde, tegen de geest van de oude benedictijner orden in, waar de rijkdom van de orde geen bezwaar vormde, wilde hij de orde de allergrootste soberheid oplegde. De Norbertijnen zouden die soberheid niet als waarmerk kiezen, maar wel de inzet voor stichting en onderwijs, pastorale zorg ook ter hand nemen. De witte pij? Men moet bedenken dat de witte pij geweven is van ongeverfde wol en dus niet anders dan een teken van soberheid kan heten. Zwarte pijen, waren dus eerder een teken van een zekere poenigheid.

Met Norbert van Xanten is nog iets aan de hand, want hij werd in 1124 naar Antwerpen gestuurd om er een ketterij, die door ene Tanchelm werd verspreid te bestrijden. De man predikte tegen onwaardige priesters en zelfs tegen de instelling van het priesterschap zelf. Vooral het afwijzen van onwaardige priesters past in de traditie van Augustinus die al in de 5de eeuw de ketterij van de Donatisten had bestreden. Ook zij vonden dat onwaardige priesters geen sacramenten mochten uitdelen. Institutioneel is het handig als men priesters niet mag aanspreken op hun onwaardig gedrag, menselijk is het goed bekeken van Augustinus en Norbertus dat men priesters niet zomaar hun menselijke tekorten worden verweten. Maar soms lijkt het erop dat de kerk zichzelf op grond van Augustinus heeft afgeschermd tegen kritiek aan het adres van priesters die apert in de fout gingen. Tot de dag van vandaag is dat dispuut in de kerk, waar ook andere bestrijders van de kerk en Rome, de Paus dus, op hamerden dat priesters vaak onwaardig bleek hun ambt naar behoren uit te voeren omdat hun gedrag niet strookte met hun woorden, niet naar behoren opgelost: men houdt soms te lang mensen de hand boven het hoofd die misschien beter terug zouden keren naar de lekenstaat. Maar aan de andere kant heeft men leken nooit over deze kwestie onderhouden, zodat mensen, leken nogal graag bereid waren hun priester met roddels te omgeven, ook als daar geen grond voor was. Vandaag valt het op dat wij leken voor priesters niet meer de achting kunnen opbrengen die ze als mens wel eens verdienen, omdat ze zonder voorbehoud en zonder het eigen gemak voorop te stellen zieken en eenzamen gaan bezoeken. Wij leken? Natuurlijk, wie niet gelooft hoeft de priester niet in zijn ambt of als ambtsdrager te erkennen, maar het zou toch van tolerantie getuigen als men hen niet precies om hun roeping zou minachten. Aan de andere kant, bedenk ik mij, moeten ze dan wel iets willen betekenen voor leken, maar dat is een lang en oud verhaal.

Nu de RKK in Europa, het oude Europa nog weinig aanhang lijkt te hebben en zo die er is, de neiging blijkt te hebben te kiezen voor soms extreme standpunten, zoals het heraanknopen bij de oude Mechelse Katechismus of het weigeren te erkennen dat de wet die de toepassing van Abortus of Euthanasie regelt voor een aantal mensen een goede en wenselijke zaak is, terwijl vele tegenstanders van de RKK zich te gemakzuchtig beroepen op oude kritieken, soms aanvaardbaar maar lang niet altijd, komt een mens voor een dilemma te staan: hoe kan men het waardevolle van die traditie bewaren en nieuw leven inblazen zonder opnieuw te verzinken in een moeras van morele superioriteit? De betekenis of het ontbreken van zinvolle bijdragen vanwege de kerk aan de samenleving alleen toeschrijven aan de feilbaarheid van mensen, c.q. de bedienaren, pakt nogal zwak uit omdat men blind blijft voor de bijdragen van kerk, geloof en doctrine, maar ook de praktijk, ondermeer via de abdijen die men niet kan ontkennen. Van de leprozerieën tot de zielenzorg, er zitten gunstige en andere aspecten aan vast. Mijn houding noemt men wel eens dubbelzinnig, omdat ik geen partij zou kiezen voor of tegen de kerk, maar het is precies het bewustzijn van die zeer lange geschiedenis, waarin kerk en samenleving vaak op gespannen voet stonden met elkaar, dat het mij moeilijk maakt met een cahier de doléances te volstaan, want de zegeningen zijn er ook. Zoals de kerk mensen gekraakt heeft, heeft ze er ook velen de kans gegeven zich te ontwikkelen. Soms waren er dorpspapen en prelaten die de leer belangrijker achtten dan de mensen met wie ze van doen hadden, maar er waren er ook die vervolgens de leer zelf gingen onderzoeken en al eens met originele antwoorden durfden te komen. De muziek die Kamiel D'hooghe met zoveel overtuiging ten gehore bracht, die niet katholiek was, maar toch de orde van de katholieke kerkdienst, eucharistie wist te ontwikkelen, zou wel eens kunnen wijzen op wat aan het einde van de achttiende eeuw in Holland en allicht ook Duitsland aan de orde was: niet langer de leer of de vorm, de praktijk waren van belang, maar ook de wens een welwillende gemoedsrust aan de dag te leggen. Na de Restauratie zou de kerk in Vlaanderen niet zomaar haar rol in de schoot geworpen krijgen, want anders dan we nu aannemen heeft de kerk tussen 1834 en 1960 wel degelijk veel geïnvesteerd in mensen en middelen en lange tijd ook kunnen overleven in weerwil van de groeiende kritische houding bij leken, ook binnen de kerk. Pas na 1980, toen de leegloop van de kerk een feit bleek en de seminaries een na een de deuren sloten, bleek dat de kerk niet echt meer over voldoende middelen te beschikken om mensen te mobiliseren.

En toch, net omdat een terugkeer naar vroeger tijden niet meer kan, zal men opnieuw beroep dienen te doen op charisma, maar ook op artistieke vormen, die leken en wijdelingen, priesters en bisschoppen kunnen meenemen in het verhaal. Dat is niet zomaar belangrijk voor de kerk als zodanig, maar misschien wel voor de samenleving, mits de kerk dan bij mogelijk succes niet zou hervallen in de oude zonde van de morele superioriteit. Muziek kan dan de zeden verzachten.

De orgelmuziek die Kamiel D'hooghe ten gehore bracht, zal ook zachtjes wegdeemsteren, als er geen organisten meer zijn en geen kerken waar die muziek uitgevoerd wordt. Maar dan zal ook al dat fraais verdwijnen, dat echter nooit alleen maar museale waarde kan hebben of zich laten herleiden tot het niveau van weetjes: wanneer werd de abdij van Grimbergen opgericht (1128 en wel door Norbertus zelf)? Welke leefregel volgt men? Wie leidt de orde en hoe staat die tegenover de kerk? En wat hoe kan de abdij van Grimbergen nu nog functioneren? Daar wordt het dan wel zeer stil en ware er niet de orgeltraditie, ik zou het ook niet weten.  

Men kan nu wel menen, heiden als ik ben geworden - hoewel, velen zullen hieraan twijfelen - dat het onze zaak niet is, maar de vaststelling hoe velen zich met Jonathan Israël beroepen op een visie op de 18de eeuw die veel enger is dan waartoe de observaties toelaten te besluiten, merk ik dat vandaag vele vragen, over het artistieke en het esthetische, maar ook het ethische en onze kennis der dingen van natuur en cultuur onbehandeld blijven. Hebben we daartoe een autoritaire kerk nodig? Geenszins, maar ook geen blind navolgen van en wetenschappelijk determinisme. Ons menselijk handelen en denken is niet voorspelbaar verbonden aan een brein dat we nog niet geheel doorgrond hebben opdat zingeving en bewustzijn, vrijheid en verantwoordelijkheid zomaar op de schop mogen. Het menselijke leed dat de kerkelijke autoriteit aangericht heeft, lijkt nu voldoende om mensen met hun zorgen en problemen in verband zingeving in de kou te laten staan: want als men het niet wetenschappelijk kan verwoorden, bestaat het niet... want moreel consulenten kunnen finaal nauwelijks beroep doen op zoiets als spiritualiteit, al is die ook, zoals Leo Apostel het aantoonde best mogelijk in een atheïstishe benadering van de wereld.

De (orgel-)muziek van Bach speelt ook een opmerkelijke rol in de roman "het Kralenspel" van Hermann Hesse, die een vorm van cultuur beschreef waarvan na lectuur moet besluiten dat die steriel geworden is. Vandaag, nu de orgelcultuur nog wel levendig is in een kring van getrouwen, maar niet altijd meer het grote publiek blijkt te bereiken, terwijl de liturgische rol van het orgel ook uitgespeeld is. Het orgel en de complexiteit van de uitvoering vormt daarbij een paradigma voor de wijze waarop Hesse denkt dat men eens met zowel wetenschappelijke inzichten als muzikale thema's zal omspringen. Bij het horen en beluisteren van de muziek, uitgevoerd en beleefd zonder media, behalve het orgel  kwam het me voor dat de kunst van Bach zich tot een meer vitale benadering leent dan het eindeloos herhalen van de frases. Maar dan hebben we wel nood aan een blijvende en vitale uitvoeringspraktijk. Kamiel D'hooghe leidde zijn opvolgers op en moeten maar hopen dat het verhaal doorgaat, want hoezeer men de Barok, hoezeer men Bach ook vereenzelvigt met wiskunde, contrapunt en fuga, want daar was hij een vernieuwer, toch zal men de muziek er niet bij uit het gehoor verliezen.

Na het concert van Kamiel D'hooghe kreeg ik alvast de ervaring opnieuw dat zo een abdijkerk, een kathedraal wel degelijk een bijdrage kan leveren aan het goede samenleven, in de mate dat we ook de muziek die er gespeeld wordt laten binnendringen, niet enkel in ons hart, maar ook in ons denken, ook als we ons een wijle terugtrekken in het nunc stans. Tijdens de maaltijd naderhand bleek het gesprek voor de gevierde een moment van delen van zijn welbevinden. Zonder vrienden geen muziek, het blijft altijd weer zo.

Eens thuis bedacht ik mij dat die bekende Toccata en Fuga wel een bravourestuk mag heten, het blijft naklinken en ook nog eens de geest verblijden, ook al kan men er geen woorden bij bedenken. 


Bart Haers

Reacties

Populaire berichten