Brein en menselijk surplus





Reflectie




Schepper Geest
Geen zelfbeeld van een dorre rationalist




Keizer Rudolf II van Habsburg, in een
tijd waarin de geesten verschillende
domeinen gingen verkennen,
van het rationalisme van Descartes
tot het corpus hermeticum waar
Giordano Bruno mee aan de
slag was gegaan. 
Hoe krijgt men het voor elkaar te beweren dat de religie de oorzaak van alle ellende is, terwijl Adorno met even groot gemak vond dat de Nazi's de verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd moeten heten en dus de uitgangspunten van de Verlichting zouden hebben verder doorgedreven. Kortom, men zoekt graag naar de barbaren onder ons, waarbij gelovige mensen, christenen of andere gespeend blijken van gezond, redelijk verstand, van verstand tout court. Nou moe, wie dat beweert, kent de geschiedenis niet en begrijpt het wezen "mens" niet.

Natuurlijk gaan we er prat op dat we rationeel kunnen denken, dat wil zeggen dat we in staat blijken dingen die er zijn te benoemen en in relatie te brengen met andere dingen. Maar we zijn ook in staat dingen die er zijn maar niet tastbaar te benoemen en het een plaats te geven. Meer nog, we kunnen soms complexe relaties onderkennen die alles behalve gegeven zijn in de natuurlijke gang van zaken. Rationalisme en sciëntisme gaan in die zin onder de lat door, omdat ze bovendien - om begrijpelijk te blijven - vaak domweg simplistische en reductionistische inzichten als toppunten van het denken ten beste geven. E =mc² kan men altijd nog wel te berde brengen, maar wat het betekent, blijkt doorgaans minder bekend. Het gaat dus over de relatie tussen energie en massa, die eerst niet te vinden was in de bijzondere relativiteitstheorie die Einstein in 1905 presenteerde. Pas in 1907 zou hij de formule presenteren die zo iconisch werd. Maar iconisch of niet, de bewijsvoering van Einstein zelf is minstens een moment van stille bewondering waard.

Een van de vragen die men nooit moet stellen aan wie de formule debiteert, luidt: met welk natuurkundig probleem was Albert Einstein bezig toen hij de gedachte aan de relatie tussen massa en energie ging onderzoeken, want dat blijkt nog altijd niet geheel bekend, namelijk dat gegeven de ontwikkelingen in de natuurkunde zelf de wetten van Newton, de grote Isaac Newton niet meer volstonden om het allemaal afdoende te verklaren, begrijpelijk te maken. Nu had de Franse natuurkundige Poincaré al een en ander bij elkaar gezocht en bleek de Nederlander Hendrik Lorentz enkele concepten voorbereid had die Albert Einstein in zijn theoretische onderzoeken wist te verbinden: licht als golf/golven, waarbij de aard van de (lege) ruimte ter sprake moest komen, iets waar Christiaan Huygens over had gespeculeerd. De kwesties die Einstein behandelde zoemden in de wetenschappelijke centra, maar Einstein zelf werkte buiten de universiteit, zijn aannames bleken gedurfd maar ook wel steekhoudend.

Aan de andere kant ontwikkelde Niels Bohr in diezelfde periode ook een ander model dat we kennen als de kwantumfysica, waarbij vooral de aard van materie in haar elementaire deeltjes tot ontwikkeling kwam. Waar Einstein de wiskunde diende aan te passen aan wat hij wenste uit te drukken, dienden er voor de kwantumfysica een nieuwe chemie en nieuwe laboratoria ontwikkeld te worden. Overigens, de studie van het licht vergde ook al nieuwe materialen en zo leek het wetenschappelijke onderzoek zelf de technologie vooruit te stuwen.

Wat dit alles voor gevolg had, valt niet altijd goed te overzien, wel is duidelijk dat de wetenschappelijke inzichten een niveau van abstractie en onvatbaarheid bereikten die we vandaag juist weerlegd zien door aanhangers van het rationalisme en sciëntisme en ook ontdekt, wie er zich mee inlaat, men dat die natuurkunde en wiskunde begrippen als oorzaak-gevolgrelaties zelden zo direct aan te geven vallen als men het graag laat voorkomen. Bizar genoeg komt men in sommige domeinen terug bij een Aristotelische notie van de noodzakelijke voorwaarde Het gevolg is en blijft dat we niet alles kunnen overzien en zeker vanwege de humane wetenschappen blijkt men niet (meer) bij machte het eigen omgaan met de werkelijkheid te koppelen aan een iet of wat doorgedreven visie op natuurkunde, chemie en biologie. Het feit dat men graag van statistiek gebruikt maakt in de sociale wetenschappen, doet verder niets af aan de onmondigheid als het over complexe wetenschappelijke kwesties gaat. Maar ook de werkelijkheid, bijvoorbeeld de gevolgen van de toename van de scholingsgraad krijgt maar zelden passende benaderingen.

Nu, mocht u eraan twijfelen, mijn honger naar wetenschappelijke kennis spitst zich wel eens toe op die ene vraag: hoe kon uit pure materie, anorganische stof organisch materiaal ontstaan. Sommigen menen te weten hoe het in zijn werk is gegaan, anderen menen nog steeds dat er ergens een scheppend begin van biologisch leven moet geweest zijn. Het ontstaan van enzymen, van RNA kan men eventueel linken aan de overgang van anorganische chemie naar biochemie.

Geen enkel antwoord blijkt tot nog toe een consensus op te leveren en dus blijft men achter met die vragen over begin en einde, over het eeuwige, zoals anderen, onder meer Boyle het dan weer voorstellen. Was er altijd een heelal in plaats van de theorie dat er 13,7 miljard geleden in een singulariteit een expansie ingezet heeft die is blijven doorgaan, zonder dat het systeem in elkaar klapte. Philip van Loocke heeft hier een meer dan verdienstelijke poging gedaan de bevindingen van het wetenschappelijk onderzoek in een overzichtelijke syllabus samen te brengen. Luister en lees ik wat andere filosofen hierover te vertellen hebben en hoe mensen zich verzetten tegen religieuze opvattingen en praktijken, dan denk ik dat ze er geen interesse voor hebben, hoe het wetenschappelijke denken ten eerste vaak berust op intuïties die vervolgens experimenteel getoetst worden of die met wiskundige bewijsvoering aan de orde gesteld worden. Men meent immers dat intuïties niet zouden berusten op kennis, maar de hele discussie over het genie van Einstein, maar reeds van Newton en zelfs van Archimedes, laat zien dat een betekenisvolle intuïtie er maar kan komen als men heel goed de voorhanden zijnde kennis overwogen heeft en vaak voortkomt uit onvoldaanheid over een bepaald inzicht dat men probeert beter te doorgronden, al blijkt het er ook vaak om te gaan dat nieuwe instrumenten, zoals betere lenzen de observaties verbeteren en dus vanzelf tot nieuwe inzichten kunnen leiden. Het onderzoek naar het systeem van de voortplanting begon al veel vroeger maar pas toen men spermatozoïden kon zien onder de microscoop ontstond de idee van de bevruchting door mannelijke zaadcellen van vrouwelijke, maar het hele verhaal van de bloemetjes en de bijtjes werd pas later vollediger verklaard. Harry Mulisch begint zijn roman "De ontdekking van de hemel" waarin het verschil tussen geloven en weten en alles wat beheersbaarheid te maken heeft ironisch zelfverzekerd door twee engelen die de persoon moesten creëren die de stenen tafelen terug zou brengen naar de hemel, met een uiteenzetting van Cartesiaanse aard: alle mogelijke combinaties van zaadcellen met een eicel worden gekoppeld aan een zielevonk, zodat elke mogelijke combinatie van twee gameten leidt tot het bezoek van een vonk, die de natuurlijke wezens een nieuwe, goddelijke inblazing zou geven. Het eeuwige licht, dus?

Deze dialoog waarmee de roman aanvangt laat een opvallend spottend mengsel zien van geloofswaarheden en de wetenschappelijke inzichten toen de roman werd geschreven. Mulish schreef ook over de Gollem van Praag, volgens een legende het werk van kabbalisten in opdracht van keizer Rudolf II. Het gaat om een legende, maar het geeft iets weer van de onvoorstelbare mengelmoes van inzichten die tijdens de late renaissance aan bod kwamen. Voegen we daar nog aan toe dat de inzichten van Giordano Bruno, gepuurd uit het Corpus Hermeticum waarbij een pre-Mozaïsche mens- en wereldvisie werd ontwikkeld met het oog op het herstel van de vele obediënties in de christelijke wereld en men merkt dat de ideeëngeschiedenis niet zo helder mag heten als men ons graag wil voorhouden.

Mijn fascinatie voor het concept van de Geest, de heilige geest die zoals men weet deel heeft aan de heilige drievuldigheid, komt voort uit de vaststelling dat men zich geen blijf wist met datgene waartoe mensen in staat zijn en ook nu nog merkt men dat wat de werking van het brein betreft nog veel onduidelijk is; zoals Bert Keizer schreef is dat brein onverklaarbaar bewoond.

Het zou dus best wel eens zinvol kunnen zijn die vele intellectuele faculteiten waarover mensen beschikken, zij het niet altijd in dezelfde mate, te overdenken, want men kan dan menen dat het brein op een telefooncentrale lijkt, zoals goed honderd jaar geleden gedacht werd dat die voorstelling wel iets zou kunnen voorstellen of een computer met ponskaarten, zoals in de jaren vijftig... zodat we nu spreken van een harde schijf, terwijl al die metaforen het onvoorstelbaar complexe van het brein niet bij benadering raken.

Nadenken over wat we vermogen, dat we talen kunnen leren, als het goed is meerdere talen en dat mensen in hun enthousiasme andere mensen kunnen aanspreken. Zelfs zonder het christelijke sausje blijft het verhaal uit de Handelingen der Apostelen wel mooi en het overwegen waard. Want we hebben dus weinig handvaten om ons over ons denken zinvol uit te laten en bijvoorbeeld de relatie tussen menselijk denken en de wereld waarover we plegen te denken te benaderen. Het ene brein geeft het andere via taal en via non-verbale communicatie veel door en aangezien we met veel zijn, bestaan er dus ontelbaar veel mogelijke interacties.

De scheppende geest mag dan in ons huizen, we blijven intussen ook nog eens min of vrije personen, met een eigen, uniek karakter. Zou men hieraan in het politieke en pseudo-intellectuele debat  wat meer gewicht toekennen, de gemakzucht waarmee men nu anderen, zij die wel geloven, zelfs omdat het absurd zou zijn of opdat ze zouden begrijpen, dan zou er wellicht ook enig begrip ontstaan voor fobietjes, lankmoedigheid voor mensen, maar ook bereidheid hen te sterken in wat zij kunnen en ervaren. Het zou tot slot ook een nieuwe start kunnen geven aan de humane wetenschappen, ook aan de geschiedschrijving en een begrijpende literatuurwetenschap. Er ligt nog veel werk op de plank, maar in de huidige sfeer van negatie van het menselijke surplus, blijft men vaak steken in primaire aannames, die niet meer onderzocht worden.

Het werk van de geest, de menselijke geest, die tot meer dan zelfbeklag in staat is, zou meer aandacht verdienen, want het is maar zo dat we tot veel goeds in staat zijn, maar elkaar ook om allerlei redenen ook kwaad kunnen berokkenen. Maar het blijft ook deels een terra incognita en dat vinden we niet altijd even aangenaam. Maar toch, het scheppende vermogen van de geest mag ons verwonderen, al vindt men ook daar niet zo heel veel aan, omdat die creativiteit niet altijd zo goed uitpakt. Kan kloppen, maar men kan van mensen niet enkel het negatieve onthouden, want dan heeft men niet een goed beeld van wat en wie we zijn.  

Bart Haers  
  

PS Pas onder het schrijven werd me duidelijk dat enkele gedachten van Mulisch mee mijn overwegingen hebben gestuurd. De gedachte dat de Verlichting op zeker moment, niet in de oorlog, maar in de gelijktijdig opkomende beweging van het postmodernisme als in het hernieuwde geloof in het wetenschappelijke, zij het in een vereenvoudigde voorstelling van zaken, dus in de loop van de jaren 1980 en 1990, met grote waardering voor het Darwinisme en de Big Bangtheorie, een einde kon nemen, was mij altijd vreemd voorgekomen. Maar zoals gezegd, de Verlichting is geen stel buislampen, maar is een beweging die vele mensen van uiteenlopende opleiding en inzichten in het kielzog heeft meegenomen. 


Reacties

Populaire berichten