De redekunst: "Je vous ai compris"
Reflectie
De elite & de rest:
kracht van de retorische
verleiding
waarom visies niet (meer) botsen
![]() |
Charles de Gaulle hield op 4 juni 1958 in Algiers zijn bekende rede waarin hij ronduit zegde: "Je vous ai compris". Daarmee kon hij het conflict in Algerije geleidelijk beêindigen. |
Volgens
een rapport gaat het populisme nooit meer weg en dus moeten we ermee leren
leven, terwijl het volgens mij erop neerkomt dat mensen als Thierry Baudet en
anderen inderdaad een verleidelijk discours in de aanbieding hebben, maar er
wordt wel op afgegeven, nooit op ingegaan. Het debat wordt vervangen, evengoed
vanwege de elites, door afwijzing en verwijten van redeloosheid. Nog maar eens
komen we bij de retorische traditie Humanisme genaamd.
Wie
vertrouwt op de rede en goed weet te denken, kan maar tot een conclusie komen,
werd ons op college geleerd, maar een wiskundeleraar toonde ons dat eenzelfde
uitgangspositie toch verschillende antwoorden kon opleveren. Later legde hij,
toen ikzelf een licentiaat geschiedenis geworden was, uit hoe de natuurkunde
vaak vooruitgang boekte als onderzoekers de beschikbare wiskunde opzij durfden
te zetten om hun waarnemingen of theoretische bespiegelingen te vertolken, wat
ook Klaas Landsman heeft beschreven in ten onrechte afgekraakt boek. Die
leraren van toen en van nu hadden vaak echt wel zin om zich met hun leerlingen
op moeilijke wetenschappelijke paden te begeven, die zelfs niet in de
eindtermen opgenomen zijn, terwijl kritisch denken, c.q. het onderzoeken van
een stelling nu net de kern van het onderwijsproject in het ASO zou moeten
uitmaken.
Maar
niet alleen vormt het examenstof, wat opvalt dezer dagen is het een nagenoeg
vergeten aspect is van het studeren, dat de opgedane kennis bij tijd en wijle
opnieuw geordend wordt door het vermogen zelfstandig te denken. Ik bespeur en
sta er niet alleen in, een grote hang naar conformisme in het denken over de
dingen, over mens en samenleven. Men zegt voor pluralisme te staan, maar
aanvaardt niet dat anderen kritisch staan tegenover het vermogen van de
wereldgemeenschap om de klimaatverandering in de hand te krijgen. Dat er sprake
is van een klimaatverandering kan men inderdaad moeilijk negeren, al heb ik wel
eens de indruk dat de argumenten voor die stellingname à la tête du client
aangedragen worden. Zelf ben ik geen ecologist, maar wel de mening toegedaan
dat we zorgzaam met de grondstoffen, met water en lucht moeten omspringen.
Tegelijk kan niemand erom heen dat we met steeds meer mensen op deze aarde
leven en dat we bovendien alsmaar langer leven. Waarom men het klimaatprobleem
zozeer geïsoleerd benaderd en tegelijk het gebeuren als de Kwintessens van onze
(verdorven) soort voorstelt, blijft mij
een raadsel.
Men
wijst, deels terecht, de klimaatontkenners terecht, dat ze bewust met data
goochelen, maar men kan moeilijk ontkennen zelf ook de data gemanipuleerd te
hebben, zeker in een eerste fase, toen men met de golfstick-grafiek heeft
uitgepakt, want het klimaat schommelde voor 1750 rond een redelijk stabiel
kantelpunt, maar een graad meer of minder kan grote gevallen hebben. Ook nu is
het gegoochel met het verhogen van de gemiddelde temperatuur dubieus, omdat men
mensen in Europa een bepaalde boodschap wil brengen, terwijl die in andere
delen van de wereld een andere betekenis en gevoelswaarde kunnen hebben.
Bovendien onthoudt men er zich van relaties tussen gedrag en gevolg,
bijvoorbeeld inzake fertiliteit en vergrijzing onder de aandacht te brengen.
Het feit ook dat men nu eens over fijn stof spreekt en dan weer over
temperatuursveranderingen - zonder altijd over de overheersende windrichting en
de neerslaghoeveelheden in kaart te brengen - zorgt voor toenemende aversie.
Ook
inzake de migratiestromen, waarvan de VS en Europa denken het slachtoffer te
zijn, ziet men niet alle plaatjes, want enerzijds blijven mensen vaak hangen in
megasteden als Mexico of Rio de Janeiro, ook in Afrika kent men zulke
groeipolen, bovendien is daar de natuurlijke bevolkingsaanwas door geboorten
versterkt omdat men meer medische voorzieningen heeft opgebouwd en omdat, zo
blijkt ook, de fundamentele armoede langzaam getemperd wordt, wat mensen
betrokken bij ontwikkelingssamenwerking niet graag zien publiek worden. Bovendien
zit Europa met een vergrijzing, waarbij instroom best de gaten die vallen op de
arbeidsmarkten ingevuld kunnen worden. Dat men niet altijd blij is met de
instroom omdat er nieuwe culturen ingebracht worden, kan men begrijpen, maar
als we goed toekijken, zien we meer en meer mensen opduiken die er een veeleer
seculiere opvatting op na houden, alleen blijken die dan weer, als sinds Ayaan
Hirsi Ali niet altijd gewaardeerd worden.
Niemand
kan ontkennen dat er in verschillende domeinen een eenheidsdenken ontstaan is,
dat men als elitair voorstelt, waarbij kritiek niet wenselijk is. Het mag
duidelijk zijn dat een deel van die inzichten zelf het product zijn van wat men
de kritische theorie noemde, waarbij men de bestaande inzichten net omdat ze zo
algemeen onderschreven werden, onderuit schoffelde. De bourgeoisie was out en
de bourgeois wereldbeschouwing werd gewoon van tafel geveegd, zegde men, want
men bleef in wezen trouw aan de bestaande inzichten. Marxisme leent zich immers
ook tot een economisch discours, blijft in essentie een economisch discours.
Wat
we intussen merken is dat journalisten en het commentariaat er vaak niet in
slagen hun boodschap overtuigend over te brengen, terwijl populisten net wel de
gave van het woord ten volle beheersen en ook hun boodschap weten te doseren.
Zij gaan ervan uit dat hun publiek hen wel zal begrijpen en haken tegelijk in
op wat in de samenleving vrij algemeen lijkt te leven. Thierry Baudet stelt
bijvoorbeeld dat Europa, de Europese Unie, een gigantisch misverstand zou
wezen, terwijl men toch wel rekening moet houden met de inherente ontwikkeling
van instellingen, waarbij ook de Commissie en de Raad van staatshoofden en
regeringsleiders hun gewicht in de schaal leggen. De raad, die nu een president
kreeg, was in feite door Valéry Giscard d'Estaing opgezet om de lidstaten en
vooral dus de regeringen van de lidstaten een grotere invloed te geven op de Europese
besluitvorming en het gaf er soms sporen aan, dan weer bleek de Raad
besluitvaardigheid af te remmen.
Baudet
hoeft geen grote moeite te doen, lijkt het, om zijn toehoorders te overtuigen,
maar hoewel het feit dat hij vanuit het niets twee zetels kon halen, niet niets
is, op een erg beviste vijver, moet men zich toch afvragen of Baudet, Wilders,
maar ook Rutte zich niet vergissen als ze zo tegen Europa in het geweer gaan.
Maar wie heeft nog een kijk op wat Europa ons bracht en brengt in een
veranderde wereld. Met objectieve data, waarheidsgetrouw weergegeven komt men
niet ver, maar bijvoorbeeld D'66 lukt daar wel aardig in. Het is immers zo dat
feiten maar betekenis krijgen als ze in een bepaald kader worden aangedragen.
In
die zin is het niet zo dat er een objectieve waarheid over alles kan gebracht
worden, ook al niet omdat men die niet in één geut kan brengen. Bovendien is er
de vraag of en hoe mensen in hun dagelijkse leven die werkelijkheid ervaren. Er
wordt veel angst aangepraat, over mogelijke ziekten, over de onvermijdbare dood
en over de Europese beschaving die bedreigd zou worden. Maar het zijn wij die
dat al of niet toelaten en wat onze beschaving is, dat geven wij vorm. Er zijn
maar weinig politici die het publiek willen meenemen in dat verhaal. Liever
spreekt men over de bedreigingen, zelden over de verwachtingen.
In
wezen gaat een goede redenaar ervan uit dat hij of zij weet wat het publiek,
zijn achterban zal willen horen, maar de redenaar kan daarvan vertrekkende
proberen dat publiek alsnog te verrassen, ten goede. Vele redevoeringen die ik
hoorde zwommen doelloos door het zwerk en hadden begin noch einde. Uiteraard
kan men vinden dat het publiek niet volgen wil, maar zoals Emmanuel Macron
aantoonde, kon hij met zijn discours van enerzijds- anderzijds of beter nog van
het "en même temps" en zo wel meer formules meer om aan te geven dat
een eenduidige benadering nergens toe leiden kan. Natuurlijk als men
"enerzijds anderzijds"-formuletje voortdurend gaat hanteren om geen
beslissing te hoeven nemen of geen duidelijk standpunt aan te dragen, dan wordt
het wat zielig. Tegelijkertijd merkt men dat velen juist voor straffe
uitspraken gaan die naderhand geen steek blijken te houden. Straffe beloftes
die men niet waar kan maken, krijgen vaak minder aandacht, behalve als die van
populisten komen, dan pertinent onware uitspraken. Fake News? Zo oud als de
straat en soms zelfs gehanteerd als strategisch element in een conflictrijke
omgeving. Maar men moet de leugen dan wel ontmaskeren.
Hoe
kan men stevig en stabiel leiderschap beloven, als men niet weet wat er op de
regering en het land af zal komen? Theresa May dacht dat mensen dat van haar
vroegen, maar als ze met die 'mensen' moet spreken, geeft ze niet thuis. Op dat
vlak zijn de media ook best onvermurwbaar en genadeloos, want wie zal duidelijk
maken dat een politicus m/v mensen hardvochtig heeft benaderd, zoals Sarkozy,
toen hij een lastige burger wandelen stuurde in straattaal "Casse-toi,
pauvre con". Dat is geen retoriek, zou men denken, maar het is wel
degelijk communiceren en kan een politicus, afhankelijk van de omstandigheden
gouden eieren brengen of net windeieren. Er zijn weinig redenaars die het
publiek echt kunnen bezielen, zeker niet in open samenlevingen. Winston
Churchill kon het aan het begin van WO II, toen hij zijn vastberadenheid
uitsprak, tegelijk zijn gehoor meegaf dat hij weinig meer dan bloed, zweet en
tranen kon beloven. En wat zegde Hitler allemaal, dat zoveel mensen hem wilden
volgen. Zoals we weten is 52 % een heel groot deel van de bevolking, maar nooit
meer dan net iets meer dan de helft. Hitler haalde bij de laatste vrije
verkiezingen 32 % en toch kon hij zo, via het werk in de achterkamertjes de
macht veroveren. Nadien haalde hij bij plebiscieten monsterscores.
Maar
wat zegde hij? Telkens als men hem toont in Nurnberg of elders, lijkt hij quasi
onverstaanbaar - overigens, ook de Lenin die in oktober 1917 de macht greep en
een rede hield van op een balkon zou voor het publiek nagenoeg onverstaanbaar
geweest zijn en toch juichte men hem toe. Omdat de belofte van een succesvolle
greep naar de macht voor de aanhang voldoende was. Hitler reisde heel Duitsland
door, na de mislukte putsch in de Feldherrnhalle en de korte gevangenschap die
erop volgde. Hij sprak er voor overtuigden en had charisma in de ogen van hen
die al achter hem stonden. Met andere woorden, het succes van een redenaar
hangt af van zijn of haar ban met het publiek. De jonge sociaaldemocraten die
met de S.A. van Röhm het gevecht aanhingen, zullen allicht ook niet onder de
indruk geweest zijn van het charisma van Hitler.
Dezer
dagen zien we dat sommige moslims in de greep kunnen komen van een Imam, die
weet wat de jonge discipel verwacht en zal hem daar ook mee voeden. In de
samenleving, de onze, zijn er maar weinig momenten dat mensen niet verwachtingsvol
naar een leider zouden luisteren, denken we vaak, maar de meeste succesvolle
stemkanonnen zoals Verhofstadt, Steve Stevaert en Yves Leterme bouwden hun
charisma op via de media en in interviews. De Wever, die ook behoorlijk
succesvol is, testte en test nog steeds zijn vermogen als redenaar, maar dat
hoeft niet elke dag. De rol van de media in het bouwen aan een charisma is dus
zeker niet van belang gespeend, maar tegelijk zijn die media wellicht niet
vatbaar voor de inhoudelijke onderbouwing van een redevoering. Want een
redevoering is, indien goed gecomponeerd, als een stuk muziek of theater, in de
beste betekenis van het woord, waarbij je van bij het begin gegrepen kan worden
en vervolgens meegenomen worden op een tocht, waar aan het eind de toehoorder
vol bewondering de redenaar kan toejuichen, onbezwaard. Blijkt dat journalisten
dan graag met enkele zinnetjes uitpakken, die zogenaamd de teneur weergeven.
Wat
doet de redenaar? Hij last er enkele slogans in, die gemakkelijk te onthouden
blijven, ook voor journalisten. De redenaar heeft dan wellicht de rationele
filters bij het publiek opgerold en het kritisch vermogen omzeild en toch zal
ook wie het goed voorheeft met de samenleving van diezelfde retorische middelen
gebruik moeten maken, wil men dat mensen overtuigd raken van de intenties van
de redenaar, ook als men er nog een aantal bedenkingen bij heeft. Dat is wat
populisten goed weten, met overtuiging ook weten over te brengen, terwijl de
zogenaamde goedmenende en weldenkende politicus er vaak niet in slaagt verder
te komen dan wat gedraai en een wezenloos verhaal vertelt. Trump kon men op
onjuistheden betrappen, maar diens publiek smult ervan en elke kritiek op Trump
had als uitwerking dat de president bij zijn achterban nog meer achter hem ging
staan. Niet de onjuistheden kwelde deze achterban, wel het gevoel dat iemand
hen begrepen had. Hillary Clinton had er geen verhaal tegen. Ook Franklin Delano
Roosevelt, Theodore Roosevelt en uiteraard Abraham Lincoln konden hun publiek
bereiken.
Goed
nadenken over wat men het publiek wenst over te brengen, dat blijft de kern van
de zaak. Men moet niet klagen dat populisten hun publek wel bereiken, wel kan
proberen zonder zelf in populisme te vervallen dat publiek aan te spreken en te
overtuigen. Martha Nussbaum heeft over de vertaling van woede in redevoering
een aantal interessante opmerkingen geschreven aan de hand van beroemde
voorbeelden, zoals de rede van Martin Luther King. De woede erkennen is al een
noodzakelijk ingrediënt, maar vervolgens kan men meegaan in die woede of er net
een nieuw begin van maken, iets nieuws brengen. Maar respect uitdrukken voor
dat publiek, direct en indirect kan ook geen kwaad. Wie echter in het jargon
van de bestuurskamers blijft steken, zal weinig respect uitdrukken en ook net
de woede van het publiek eerder aanjagen en dan keren. Europese redenaars, let
op uw zaak.
Bart
Haers
Reacties
Een reactie posten