De Verlichting? Kan men niet tegen zijn, noch verheerlijken
Reflectie
De waarden van de verlichting
Sapere aude! altijd vergeten
Alicja
Gescinska had het over de vraag of we niet te lichtzinnig leuren met de notie
Verlichting en Verlichtingswaarden, iets wat me na aan het hart gaat. Men moet
de Ideeënhistorische betekenis en complexiteit van wat we de Verlichting noemen
niet onderschatten noch minimaliseren, maar het gaat om meer dan om de
filosofische teksten die we altijd weer naar voor schuiven.
Het
gaat er allereerst om dat de periode die we als de Europese Verlichting
beschrijven kan laten samenvallen met de publicatie van het “discours de la
méthode” als aanvang en ik huiver ervoor een einde te stellen aan de Verlichting,
al meent men doorgaans dat dit met het overlijden van Immanuel Kant zou
samenvallen. Goethe, Schiller of Hegel,
waar plaatst men die dan? Men kan dus ook niet zeggen dat de Verlichting een
einde nam, wel dat, zoals in het positivisme tot uiting kwam, een aanscherpen
van het rationele denken aan belang won, ook in domeinen waar het
wetenschappelijke metier zich net niet van cijfermatige benaderingen bediende
om inzichten te verwerven en te formuleren. Auguste Comte legde zo voor de
sociologie de basis, maar we spreken dan niet meer van de Verlichting, wel van
de moderne wetenschappen.
Het
klopt dan weer wel dat we de Verlichting, de Franse, Duitse en Schotse situeren
in de achttiende eeuw, maar dan kan men niet enkel naar de enkele sterren aan
het firmament kijken, zoals Voltaire, volgens Jonathan Israël een softe kerel,
terwijl de echte, radicale verlichting bij een Denis Diderot en d’Holbach te
vinden is, maar waar zetten we dan Jean-Jacques Rousseau die de moderne
samenleving een bron van perversie vond en meende dat politieke macht op een
sociaal contract berusten moet. Mevrouw Gescinska heeft gelijk, men kan er geen
lijn op trekken, behalve dan dat zij elk op een eigen manier de bestaande verhoudingen
gingen onderzoeken en gingen strijden tegen onwetendheid, onrecht en
onvrijheid. Maar zij hadden een publiek en er werden boeken gedrukt, steeds meer
boeken, romannetjes ook, maar ook de encyclopedie waaraan Voltaire ook mee
heeft geschreven en andere werken, zoals zeer veel toneel, wat Denis Diderot
aangaat.
Er was
ook een publiek voor deze toenemende stroom aan boeken, want men had tijd om te
lezen, de betere klassen dan toch. Was er ook interesse voor al die vraagstukken?
Er was intussen nog wel censuur en dus gaven auteurs werken anoniem uit of in
Amsterdam, waar een relatieve vrijheid bestond, al mocht men het ook daar niet
te bond maken. Maar, nog eens, hoe belangrijk een Diderot of een David Hume ook
waren, hun werk was al lang vergeten als er niet een publiek geweest was, dat
hun denken de moeite van het bijhouden waard achtte. Lezers die schreven over
boeken die ze hadden gelezen of lieten meebrengen, omdat mensen nu eenmaal niet
vastgeroest in hun stadshotel of landgoed zaten. Overigens, al vond Voltaire
Casanova maar een miezerige kerel, diezelfde Casanova was ook voortdurend
onderweg, om schuldeisers of zelfs de stadsmagistraat in Venetië na zijn vlucht
uit de gevangenis, I Piombi, te ontkomen als een figuur van de eeuw van de
Verlichting, in de mate dat hij net spotte met vele vormen van bijgeloof en onnozelheid
die hij tegenkwam, waar ook allerlei bizarre lieden uit de band sprongen en
niet vergeten werden, zoals een comte de Saint-Germain, die ook met allerlei
experimenten bezig waren rond de eeuwige jeugd en uiteraard alchemie. De idee
van de Zonnekoning, die Louis XIV zo manhaftig uitspeelde lijkt verband te houden
met een traditie uit de Renaissance, die met Marcello Ficino en vooral Giordano
Bruno, de hermetische traditie. Bruno werd verbrand als ketter, maar de visie
die hij propageerde, over de oneindigheid van het heelal spoorde dan wel met de
inzichten en ontdekkingen van Copernicus, ze berusten altijd nog op een
traditie die tijdens de late Romeinse tijd zijn ontstaan, de tweede, derde eeuw
van onze tijdrekening. De tekstonderzoekers in de zestiende eeuw, stelden namelijk
vast dat de tekst niet uit de pre-mozaïsche tijden kon zijn voortgekomen, maar
net dat, die tekstkritiek, was dus ook een voorwaarde van de Verlichting,
terwijl het nu een vergeten spruit lijkt.
Tijdens
de 18de eeuw zagen verschillende mystieke bewegingen het licht,
zoals in de joodse gemeenschappen in Polen en Rusland, maar ook in het
christendom, het protestantisme zag men bewegingen opkomen, zoals de Hernnhutters
zich vormen, die om vervolging te ontkomen in de Noord-Amerika, later de VS een
veilige haven zouden vinden en er met andere groepen een cultuur van
afzijdigheid zouden ontwikkelen, zoals de Amish people, die uit de sfeer van de
anabaptisten kwamen, waar rond 1700 een dispuut over de geredden ontstond en over
hoe strikt men de Goddelijke Leer moet naleven. Men kan nu natuurlijk vaststellen
dat die bewegingen weinig met de verlichting te maken hadden, behalve dat er
sprake is van gelijktijdigheid, toch is dat niet afdoende, want in die
stromingen leefde vergelijkbare vragen over het zijn in de (moderne) tijd, over
gezag en over het goede leven. Het verschil was en is dat zij zich wel nog
intens met god inlieten, met zijn marsorders ook maar tegelijk eens te meer het
zittende gezag aanvielen, dat van de ouderlingen. In dat opzicht pasten ze dan
weer wel in die 18de eeuw. Het zouden overigens Quakers zijn die
zich gingen inzetten voor een verbod op de slavenhandel, vanuit Londen.
In Frankrijk
had men bovendien een conflict rond de bul Unigenitus, die zowat de hele elite
in de greep leek te hebben, omdat de bul, besteld door Louis XIV en op zijn
sterfbed bezorgd door de paus, met het oog op het temmen van de Jansenisten,
onder wie Racine en Blaise Pascal – beide op dat moment al overleden - maar die
waren die met hun werk, bij Racine de tragedies, bij Blaise Pascal uiteraard de
wiskunde, maar ook zijn filosofische bijdragen, bekend buiten de eigen kring
van Port Royal, maar niet minder jansenistisch en dus vielen zij en hun werk
wel onder de censuurmaatregelen. Daarnaast kennen we Pascal nog van de Pensées,
waarin die onder meer over de sprong naar het geloof sprak, als een beredeneerde
gok. Nu was het wel zo dat vanaf 1715 de bul Unigenitus een politiek wapen
werd, waarbij men oog moet hebben voor de pamfletten die toen verspreid werden
in Parijs en dat gedurende decennia. Waren de aanhangers van het Jansenisme katholiek,
de aanpak van Louis XIV van heterodoxe overtuigingen kwam voort uit zijn obsessie
zijn absolute macht te vestigen; in de eerste plaats kwamen de hugenoten in het
vizier door de herroeping van het verdrag van Nantes, vervolgens dus ook de
jansenisten, die er een analoge genadeleer op na hielden als de hugenoten,
namelijk slechts door het geloof kon men genade verwerven, niet door goede
werken of goed te leven, wat tot de bekende bul aanleiding gaf net omdat de
Paus hier een rol te spelen had en die aarzelde lang. Louis XIV
verweet men later dat de bul aanvaarden betekende dat de koning het
gallicanisme zou opgeven, de idee dat de paus de koning niets kon bevelen, ook
niet over kerkelijke zaken. Dat het parlement van Parijs verweven was met de
jansenistische kringen, maakt het conflict alleen maar pittiger. Ook het feit
dat de koning, Louis XV stevige hervormingen oplegde, die de adel en dus ook de
parlementairen financieel raakte, heeft in de pamflettenstrijd gevolgen gehad.
Alleen, als men dus meent te weten dat de koning zich niet inliet met de eisen
en verwachtingen van de nieuwe tijd, dan geldt dat niet voor Louis XV en ook
niet voor Maria-Theresia en Jozef II – al kon die met zijn ambities zijn onderdanen
niet mee krijgen. En wat met Frederik II de Grote? Ze voerden onderling
oorlogen, maar streefden ook naar modern bestuur.
Gemeld
dient ook dat men al vroeg, in de 17de eeuw voorstellingen ziet
verschijnen, zoals bij Adriaan Koerbagh, waarin de bestaande maatschappelijke
orde onder vuur wordt genomen en waarin Koerbagh de ongeletterden – zij die
geen Latijn kenden - wilde bijpraten over recht en rechtspleging, over de
religie ook en over de wijze waarop macht wordt verworven. Koerbagh eindigt in
het Rasphuis, gevangenis en werkhuis ineen, omdat hij de maatschappelijke orde
onderuit haalde, terwijl zijn naam zelden valt als het over de Verlichting
gaat. Hij vertaalde immers moeilijke juridische termen in de volkstaal. De held
van de vroege Verlichting, Spinoza, weigerde dan weer in de volkstaal te
schrijven, omdat hij vreesde dat zijn gedachten bij het volk tot opstandigheid
zou hebben geleid en het heeft lang geduurd voor men de noodzaak aanvoelde om
Spinoza te vertalen in het Nederlands. In 1672 zal Spinoza wel geschokt geweest
zijn toen de orangisten het gistende ongenoegen bij het volk aanwenden om Johan
de Witt, de succesvolle Raadspensionaris uit te schakelen, te laten lynchen.
Maar het is goed mogelijk dat Spinoza en Koerbagh elkaar kenden en zelfs van
gedachten hebben gewisseld.
Zoals
Alicja Gescinska stelt kan men de Verlichting maar bezwaarlijk als een consistent en homogeen verhaal benaderen en
dus zal het ook met de waarden die we de Verlichting toeschrijven opletten
geblazen zijn. Nog eens, zich alleen richten op de topfiguren, of die wij als
topfiguren hebben leren zien, laat onbesproken hoe er in vele steden academies
en loges opgericht werden, waar onder meer ook vaak bibliotheken ter
beschikking waren van de leden. Waren die academies of loges elitair, dan zal
men nog, zoals prof. Brulez eertijds vaststelde dat elitaire karakter niet los
kunnen zien van de sociaal-economische omstandigheden en de toegang tot
scholing. In een loge als “la parfaite Egalité” te Brugge blijkt overigens dat
burgers en edellieden elkaar net in die clubs konden treffen. Het feit dat
Jozef II het als zijn opdracht zag de loges in de Oostenrijkse Nederlanden af
te schaffen, had wellicht te maken met de rol van die organisaties in de
Brabantse omwenteling (1787-1789) want zelf stond Jozef II het modernisme voor,
als verlicht despoot.
Kant
heeft de oude aansporing van Horatius, die eerst bedacht dat goed begonnen half
gewonnen mag heten en dan zegt “Sapere aude!”, wat Kant dan opnam in zijn
onderzoek naar de aard en het wezen van de Verlichting in: “Was ist Aufklärung”, een boekje waar niet zo
vaak naar verwezen wordt. Maar dat dit voor Kant betekent: Durf te weten,
impliceert ook dat wat men te weten zal komen niet altijd aantrekkelijk lijkt
en vooral niet god welgevallig.
“Aufklärung
ist der Ausgang des Menschen aus seiner selbstverschuldeten Unmundigkeit . Unmundigkeit
ist das Unvermögen, sich seines Verstandes ohne Leitung eines anderen zu
bedienen. Selbstverschuldet ist dies Unmundigkeit wenn die Ursache derselben nicht am Mangel des Verstandes, sondern der
Entschlie
ung
und des Mutes liegt, sich seiner ohne Leitung eines anderen zu bedienen. Sapere
Aude! Habe Mut dich deines eigenen Verstandes zu bedienen! Ist also der wahlspruch
der Aufklärung.

Het essay van Kant verscheen in Berlijn, waar
een dominee zich had afgevraagd, in een voetnoot, wat dat Verlichting nu
eindelijk mag heten. Ook Moses Mendelssohn was betrokken bij het dispuut. Maar goed,
we moeten dus zelf denken, ons van onze eigen rede bedienen en daar wordt het
boeiend, want we komen niet altijd, al beschikken we over dezelfde gegevens,
bij dezelfde slotsom, inderdaad omdat de moed ons wel eens ontbreekt een redenering
goed door te denken. Je hebt dan niet genoeg gedacht, nagedacht, heet het dan,
maar hoe weet je dat je ergens een archimedisch punt hebt bereikt of een
kwestie goed doorgrond, zoals bijvoorbeeld het hoe en wat van de natiestaat,
maar het kan evengoed om de vraag gaan hoe je het goede samenleven kan bevorderen.
Denken is een bizar iets, waarbij niet op de laatste plaats de verbeelding aan
de orde komt. Wiskunde was en is voor jongelui die ermee geconfronteerd werden
en worden een nogal saaie bedoening, maar ook in de abstractie kan men
schoonheid ontdekken. Het is een vorm van denken met een eigen, steeds verder
verfijnde taal, waar ook de denkers van de Verlichting, zoals Newton en Leibniz
het nodige hebben bijgedragen, net als Emilie du Châtelet. Oh ja, er waren ook
vrouwen, maar die kregen noch krijgen een plaats in het pantheon van de Verlichting
en men kan du Châtelet geen plaats in het pantheon ontzeggen, zeker niet in het
Pantheon van de Verlichting.
We
weten dat tegen het einde van de achttiende eeuw massa’s boeken op de markt
kwamen en dat leesclubs mensen samen bracht rond boeken. Je had natuurlijk
romans, soms sprong er een uit en bleef behouden, zoals Wilhelm Meisters Lehrjahre,
zoals ook “Die Wahlverwantschaften”, beide van Goethe, waarin vele facetten van
de menselijke bestaanswijze, la condition humaine onderzocht worden met de
gedachte dat we zelf wel iets kunnen doen aan het welbevinden dat we ervaren.
Goethe was ook bezig geweest met mijnbouw en had daar Alexander von Humboldt
ontmoet die rond 1800 een reis, of beter een expeditie zou maken door Venezuela,
Ecuador en Peru, waarbij hij nieuwe onderzoeksmethodes en -apparatuur zou
inzetten waardoor zijn visie op de samenhang der dingen door elkaar geschud
werd en die van zijn tijdgenoten.
Toch zal
men von Humboldt zelden in de traditie van de Verlichting plaatsen, maar als een
van de grondleggers van de natuurwetenschappers, die door observatie en redeneren
samenhang tussen hoogte, vegetatie en gemeten temperaturen het bestaan van
klimaatgordels in berggebieden onderkende en dat ook reeds dacht te kunnen zien
als het systeem van klimaatgebieden van de evenaar tot de polen. Hoewel hij de
zaken niet simpel wenste voor te stellen gaf hij gedurende enige jaren in
Berlijn publieke lezingen, waar vrouwen zeer aandachtige toehoorders waren.
Alicja
Gescinska verdient dus onze ondersteuning wanneer zij stelt dat men niet zo beaat
naar de Verlichting hoeft te kijken en vooral kan men niet beweren dat die
waarden, die toen gegrond werden, volkomen eenduidig zouden blijken en de toets
der kritiek doorstaan. De scheiding van kerk en staat is een bijzondere en in
een aantal opzichten bizarre benadering, vooral was het een handig compromis,
waarin Napoleon en de paus konden berusten – al voerde juist Napoleon een
strakke cesaropapistische politiek. Tijdens de Franse Revolutie was de kerk
afgeschaft, werden priesters gedwongen trouw te zweren aan de republiek en
verdwenen kloosters. De opstanden van Vendée en de Chouans in Bretagne – wie ernaar
verwijst laadt nog altijd de verdenking op zich een conservatief te zijn,
terwijl die langdurige conflicten toch wel heel wat inzet van middelen eisten
vanwege Parijs, de Republiek. Het lijkt op de boerenkrijg, katholiek, maar ook
een verzet tegen de dienstplicht, wat voor het boerenland wel begrijpelijk was,
want in de zomer werd er en gevochten en geoogst. De analyse van de Franse
Revolutie, van de Terreur en van deze opstanden blijft altijd nog onderhevig
aan politieke voorkeuren, terwijl men meer dan tweehonderd jaar later niet
voorbij kan aan de Revolutie en de vele facetten ervan, maar ook kan men nu
toch wel nadenken over de wenselijkheid van bepaalde keuzes, zoals de
instelling van het comité du salut public. De politiek van Maximilien de Robespierre
en van Saint-Just werd geïnspireerd door een aantal inzichten van Jean-Jacques
Rousseau, maar met zoveel geweld uitgevoerd dat men er niet gauw genoeg vanaf
wilde en Robespierre zelf eindigde onder het mes van de guillotine.
Toch
heeft de periode en hebben de publicaties die toentertijd het licht zagen
inderdaad ons denken en ons morele kompas vorm gegeven. Maar als men zegt dat
man en vrouw gelijk zijn in rechte, dan moet men toch nog altijd zoals Olympe
de Gouges het ondernam, de rechten van de vrouw specifiëren, want de heren van
de Revolutie waren er niet zo mee bezig, erger nog, Olympe eindigde ook onder de
valbijl wegens niet zuiver genoeg. Olympe de Gouges was net als Emilie de Châtelet
een geluksvogel, in die zin dat ze zich veel vrijheid hadden verworven om hun
leven naar eigen inzicht te leven en dat was, ook volgens Voltaire een cruciale
voorwaarde voor een goed leven. Welnu, hoezeer hechten we dezer dagen nog aan zelfontplooiing?
Men schijnt er zelfs afstand van te nemen en dus ook van de gedachte aan
autonomie van het individu. Men moet niet temen dat mensen te individualistisch
geworden zouden zijn en vervolgens beginnen over de Verlichting, waar juist het
opvoedingsproject erin bestond, volgens Voltaire en Diderot, dat mensen voor
zichzelf opinies kunnen vormen en kunnen delen, vrij en zonder dwang.
Individualisme zonder zin voor verantwoordelijkheid ten aanzien van derden,
neigt algauw naar een liberataire opvatting in het uiterste geval komt men bij
Max Stirner uit, “Der Einzige und sein Eigentum”, waarin het Ik een absolute
betekenis krijgt, want de anderen zijn misschien niet echt. Individualisme kan,
zoals alle houdingen ontsporen, maar het is wel van belang dat we ons daarvan
bewust zijn.
De
Verlichting vormde voor Adorno en de zijnen de oorzaak, zij het een verre
oorzaak van de Nazirampspoed, want het rationalisme nam de grenzen weg omwille
van de inzet van de instrumentele rede, die dus inderdaad de ratio als middel
inzet om concrete doelen te bereiken, zoals, meen ik dan, ook Lenin had
bedacht. Het punt is dat de kritiek op de Verlichting er vaak aanleiding toe
geeft dat de individuele emancipatie geen doel meer kan zijn, want brave mensen
luisteren maar beter naar wie boven hen is gesteld. Nu gaan Verlichting en Paternalisme
bezwaarlijk samen, al houden we toch wel innig van onze grote intellectuelen, doorgaans
is het er maar een per generatie, die de titel krijgt. Zou het echt zo schraal
wezen? We moeten dus vaststellen dat we van de Verlichting ook wel een en ander
verloren hebben, zeker als het erop aankomt na te denken hoe mensen hun leven
naar eigen inzicht kunnen leiden. Natuurlijk is het zeker wenselijk, gezien de
verlenging van de levensverwachting en de complicaties die daarmee gepaard
kunnen gaan, dat er rond het levenseinde een grotere mate van zelfbeschikking
mogelijk is geworden, waarbij euthanasie mogelijk is onder bepaalde, wettelijk
beschreven voorwaarden. Toch kan die vorm van zelfbeschikking niet de enige
zijn die ons in handen wordt gegeven en daar knelt het schoentje.
De
overheid wil dat mensen gezond leven, om onnodig lijden te voorkomen, maar over
wat voor leed hebben we het dan? Het leven van een gehandicapte persoon kan
inderdaad lastig zijn, mensen met Down zijn wel eens aandoenlijk, ze kunnen ook
voor zichzelf lastig zijn, als ze merken dat bepaalde dingen hen onthouden
worden. Toch kan men moeilijk beweren dat mensen met deze ongewenste genetische
mutatie geen recht van bestaan hebben. Nu er betrouwbare prenatale
diagnostische middelen voor handen zijn, met op kop de NIP-test, kan men hopen
dat kinderen dit lot bespaard zal worden, geboren te worden met die handicap.
Hebben mensen nog het recht om in onwetendheid te blijven of, radicaler nog, in
volle besef van de mogelijkheid van een kind met Down te baren toch de zwangerschap
niet afbreken? Hier staat de vrijheid niet op spel, legde men mij uit, want men
moet lijden voorkomen. Wel, een jonge vrouw stierf in 1944 omdat ze een
hartprobleem had, de blauwziekte werd de aandoening genoemd. Twee generaties
later werd in een gezin afstammende van de ouders van de jonge vrouw een kind
met dezelfde aanleg geboren en artsen konden vrij snel de baby opereren en een
goede toekomst geven.
Neen,
men kan de Verlichting niet minimaliseren, maar men moet ook niet verwachten
een eenduidige nalatenschap te vinden, die zich in enkele frasen laten
samenvatten. Sapere Aude! Dat is blijft het appel en daar moeten we ons aan wijden,
zonder te weten of we goed bezig zijn. Open debat is nodig om te voorkomen dat
we het spoor en de werkelijkheid bijster raken, een werkelijkheid die we ten
ene male moeten leren lezen. Juist tijdens de Verlichting ontstond een denken
waar de gereveleerde waarheid werd verlaten en wij verder moesten zonder de
zekerheden van het geloof of enige autoriteit. Wie die Verlichting hoog heeft
zitten, kan wel met grote interesse naar wetenschappelijke bevindingen kijken, zij
of hij zal ook wel altijd een kritische distantie aan de dag leggen, want zich
laten meeslepen door goeroes of andere inspirerende figuren, soms ook
wetenschappelijke ontdekkingen, zal ook vatbaar blijken voor wat de liberale democratie
in het gedrang kan brengen. Immanuel Kant maar ook Edmund Burke hebben hun
tijdgenoten aangespoord tot denken, al wil mens ons doen geloven dat Burke een
nurkse conservatief was. Met zijn idee dat hij niet hoefde te luisteren naar zijn
kiezers stond hij dichter bij Robespierre dan hem lief moet zijn geweest.
We
hadden het tot slot nog kunnen hebben over de dialogen die de denkers van de
Verlichting met elkaar hielden, soms over een afstand van meerdere generaties.
Voltaire schreef zijn afschuw van de idee van Leibniz, als zouden we in de
beste der werelden leven af in zijn conte philosophique Candide, Adam Smith
veegde in zijn The Theory of moral sentiments de vloer aan met Bernard
Mandeville, die onder meer vond dat er niets mis mee is als mensen door hun particuliere
ondeugden de samenleving verrijken. Mandeville vond dat een volstrekt veilige
samenleving, waar alles tot in de puntjes geregeld is en waar iedereen de
regels naar de letter en naar de geest naleeft, een wel heel dooie boel moet
zijn, waar armoede troef is. Daar hoort men bij discussies over de Verlichting
weinig over.
Ook
Mandeville droeg het nodige bij aan wat we de Verlichting noemen en het had
meer om het lijf dan spotten met de goede zeden. Overigens, in zijn werk over
economie, An Inquiry into the nature and causes of the wealth of nations, stond
Adam Smith dichter bij Mandeville dan doorgaans wordt aangenomen, ook al omdat
hij bedacht dat men economisch handelen waardenneutraal dient te beschrijven,
de welvaart van een natie is groter naarmate de productie en handel toenemen en
die in het voordeel van het land uitvallen. Meerwaarde produceren is een
voorwaarde voor die welstand, collectief dan. Maar goed, ook Adam Smith, die
toch mee vorm gaaf aan de Schotse Verlichting, rekent men lang niet altijd tot
de Verlichting, de Schotse dan, zodat het moeilijk wordt nog hoog ermee op te
geven, maar doen we dat niet, dan verliezen we nog veel meer. Alleen, we moeten
maar eens denken voor onze tijd en voor de komende generaties. Wat dat denken
opleveren zal? Tja, zonder willen blijft het denken een ijdel bedrijf, waar men
groot mee kan uitpakken, zonder dat het ooit iets opleveren zal. Het denken zal
overigens ook zelfvertrouwen vergen, hoe vaag dat ook weer mag lijken. Durf te
denken, zonder zich te beroepen op autoriteiten. Maar zonder betrouwbare
gegevens kan het ook niet.
Tijdens
de Franse Revolutie werd een eredienst van de Rede, een deïficatie van de Rede,
waarbij uiteraard de katholieke kerk het te verduren kreeg, waarbij priesters
ondergronds gingen, op de vlucht of terecht gesteld. De cultus zou de Terreur
niet overleven, want Robespierre vervolgde de leidende figuren, zoals
Jacques-René Hébert en stelde een cultus in van het “Être Suprème”, een
onderneming die schipbreuk leed. Het vertoon wekte spotlust op in de Parijse
straten en na de val van Robespierre viel ook het animo zo te zien weg.
Napoleon bereikte met de Paus en concordaat dat ook in onze contreien nog steeds
gedeeltelijk van kracht is. Maar vooral blijkt het moeilijk zoiets als de Rede
als een (wulpse) deerne voor te stellen, die wellicht ook niet altijd redelijk
begaafd bleef. De Rede? Het blijkt een moeilijk iets er iets over te zeggen,
tenzij in een inperkende zin en dan verliest zo een omschrijving de betovering
die het denken heeft. Men kan niet tegen de Verlichting zijn, maar er wel een
karikatuur van maken, zoals voorstanders en de enkele verdwaalde vermeende
tegenstanders.
Bart
Haers
Reacties
Een reactie posten