Na de Nationale Vlaamse Feestdag, na 11 juli
Kritiek
Wat? Vlaming?
Hoe durft u?
Identiteit, het blijft een behoefte en tegelijk een bron van vrees, angst en beven, want het zou uit de klauw kunnen lopen, maar om daarmee een menselijk streven naar zelfbepaling onder te schoffelen, het blijft een verregaande stap. En onhoudbaar is het ook, want we hebben nu eenmaal een identiteit, ook al bepalen we die niet altijd zelf, maar net dat is punt van discussie, want in het identitaire debat ontzeggen we anderen het recht ons te bepalen, terwijl het toch vanzelfsprekend is dat we onze zelfbepaling, identificatie ook ontlenen aan wat anderen verwachten. Maar Vlaming zijn, of Duitser, Rus of Texaan zijn, dat is nog een ander paar mouwen, vooral als de identiteit zelf belast is met allerlei duistere aspecten, al dan niet terecht.
Aan de ene kant is een Vlaming lange tijd een negatieve
identiteit, omdat de cultuur allesbehalve ontwikkeld lijkt en de armoede
stuitend. Dat er rond 1830 en later wel degelijk een middenklasse was, die zich
affirmeren wil, waarbij orangisten ook nog eens Franstalig waren, omdat de 20
jaar annexatie door Frankrijk het openbare leven zeer beïnvloed heeft. Maar er
is ook de wind van de romantiek die over
Europa waait en in Nederland bracht Jacob van Lennep met zijn historische
verhalen Nederland, het Koninkrijk een nieuwe ziel. Van Lennep, afkomstig van
een regentenfamilie tijdens de Republiek en behouden door de troebele jaren geloodst,
zodat de jonge Jacob van Lennep in een veilige omgeving kon opgroeien. Echte “romantiek”
kan men het werk volgens kenners niet noemen, maar dat hangt dan weer af van
wat wij voor romantiek houden.
De romantiek was dan ook, volgens de schoolboeken, een
reactie op de Verlichting, ware het niet dat er bij al die classificaties wel
eens over het hoofd gezien wordt dat zo een bewegingen en stromingen zelden
homogeen zijn en bovendien niet door iedereen gedragen worden, iedereen die
zich in dit geval met literatuur, muziek of schilderkunst bezighield, als
kunstenaar of als verzamelaar, mecenas of gewoon cultuurproever. Tijdens de
periode die we graag als de Verlichting afschilderen, zagen we in de Duitse landen
de Sturm und Drang opduiken en een breed publiek vinden. Goethe had er deel
aan, maar liet zich niet vangen voor een gat, want hij overleefde de Sturm und
Drang en zou er ook wat meewarig over doen. Met Friedrich Schiller zou hij
enkele werken mogelijk maken, die de tijden konden doorstaan, maar of “Wallenstein”
dan wel “Maria Stuart” romantisch theater moet heten, blijft altijd weer de
vraag. Het gaat dan over de Weimarer Klassik, een kunstbeleving die ook de
eigen geschiedenis ging bevragen.
De hang naar etiketten en labels om periodes en
gebeurtenissen bij elkaar te houden, blijft altijd een opvallende bezigheid,
waarbij men al eens vergeet dat kunstenaars, dat mensen gewoon weten dat ze deelhebben
aan iets, maar er toch hun eigen stempel op drukken. In die zin is aandacht voor
de veelheid aan belangwekkende voortbrengselen natuurlijk wezenlijk om tot
beter inzicht te komen in wat er nu eenmaal leefde. Kan men iemand Willem dan
wel zijn broer Alexander von Humboldt passen in de Duitse nationale
geschiedenis? Het lijkt erop dat men het daar lastig mee heeft en toch waren beide
belangrijker voorttrekkers van een Duitse culturele omwenteling, al zeker na de
val van Pruisen in 1805 toen een aantal mensen rond de Pruisische koning
voortvarend hervormingen zouden opzetten, maar onder invloed van het Congres
van Wenen, zouden de maatschappelijke vernieuwingen en de bestuurlijke
hervormingen op de achtergrond verdwijnen. Maar wat von Hardenberg, vom und Stein
en Wilhelm von Humboldt hadden overwogen en voorgesteld, heeft uiteindelijk wel
gunstige resultaten afgeworpen, al hebben die de geschiedenisboeken niet
gehaald. Dat Wilhelm Frederik IV na Waterloo koos voor een eerder reactionair
beleid met censuur, naar het model van Metternich, kanselier in Wenen, zou zich
verder uitkristalliseren in een scheiding tussen de inzichten van de aristocratie
rond de keizer enerzijds en een burgerlijke cultuur die veel dynamischer werd,
ook meer bijdroeg aan de industriële ontwikkeling van wat Duitsland zou worden.
Dat zou het Duitse noch het Oostenrijkse nationale gevoel goed doen, omdat
precies die cultuurstrijd zou aanwakkeren. Dat aan de vooravond van WO I in
Duitsland een sterk nationaal gevoel leefde bij de militaire en bestuurlijke
elites, gesteund door academici, mag men niet zomaar zien als een aanstoken tot
de oorlog, want zoals Christopher Clark betoogde, was in 1912-1914 de oorlogsbereidheid
in Duitsland en de Dubbelmonarchie niet overweldigend, al had Habsburg wel af
te rekenen met Servisch gestook en een eerste Balkanoorlog.
De discussie over Europa na de val van de Muur laat
ook zien dat niet iedereen bereid is zich als Europeaan te zien, terwijl
bijvoorbeeld het Erasmusprogramma wel aanleiding geeft tot grote geografische
mobiliteit. Desondanks geven Nederlanders en Franstaligen blijk het eigen
nationale hemd belangrijker te vinden dan de Europese rok. Dertig jaar na Maastricht
is duidelijk dat we niet goed weten waar de baten te situeren vallen van die
Europese eenmaking, terwijl we menen goed te weten waar het faalt. Het
landbouwbeleid heeft de boeren geen windeieren gelegd, toch klagen de boeren
altijd over iets, over de administratie aan de ene kant, maar innen graag de
subsidies en haten uiteraard discussies over die subsidies. De boeren in Nederland
klagen over de verplichtingen die de overmatige stikstofdeposities met zich
brengen, maar de hele samenleving moet dat probleem ter harte nemen, anders
valt de bouw stil en er is al woningnood.
Het probleem blijkt te zijn dat we beslissingen van de
overheid, c.q. het parlement niet meer kunnen verbinden aan desiderata van de
kiezer, omdat er behoorlijk wat kwesties zijn die om een oplossing vragen. Ook
in Vlaanderen merkt men dat de politiek geen behoorlijk beleid kan presenteren,
omdat er zoveel kwesties zijn, van tekorten in het onderwijs, dat wil zeggen,
te weinig leraren die beschikbaar zijn om onderwijs te verstrekken, tot vragen
over de zorg, het wegennet – veiligheid en kwaliteit - en tal van andere kwesties. Toch ligt het
probleem dieper, want enerzijds merkt men dat het beroep van leraar v/m minder aanzien
heeft dan veertig jaar geleden, anderzijds heeft men het beroep ook zowat
uitgekleed, omdat de leraar geen autoriteit meer mag hebben, hoogstens een
coach kan zijn, want de leerlingen dienen zelf hun programma vorm te geven,
zelf te ontdekken wat van belang is. Het onderwijsbeleid was gedurende twintig
jaar in handen van deskundigen die de expertise van de leraar in het gedrang
brachten, omdat zij vonden dat klassikaal adstrueren van noodzakelijk geachte
kennis niet meer van de tijd achtten. De weg naar kennis en inzicht kunnen
kinderen, zoals de opvoeding van olifanten bewijst, niet zelf ter hand nemen.
Nu hoort men mij misschien afkomen dat dit voor
geschiedenis ook geldt, bij uitstek zelfs, omdat men de verhalen wel kan vinden
in boeken, maar een enigszins samenhangend verhaal over Griekenland, Rome, de
Middeleeuwen, de Nieuwe Tijden en de Nieuwste Tijden, ondanks alle beperkingen
kan helpen inzicht te verwerven in hoe mensen in andere tijden leefden en
probeerden te overleven, om te gaan met ziekte, hongersnood en oorlogen. Zoals men
weet hadden de Grieken en de Romeinen, zoals andere Indo-Europese volkeren een
centrale trias van goden, die vruchtbaarheid, macht en oorlog verzinnebeelden,
waarbij de rol van de Goden, bij de Grieken geleidelijk erodeerde. Het is die
gemeenschappelijke sokkel, zoals ook de talen fungeren als een
gemeenschappelijke sokkel, waarbij Basken, Hongaren en Finnen enigszins uit de
band springen. Men kan dit niet zomaar onder ogen zien als men zich geen rekenschap
van geeft dat rond 1900 in dit land een Waals ras van een Vlaams/Germaans ras van
elkaar werden onderscheiden. Dat tegen 1900 in de industriegebieden in Wallonië
heel wat Vlamingen werk en woonst hebben gevonden, mag de vreugde om de
eenvoudige voorstelling van zaken niet verbergen. Intussen groeit ook Brussel
stevig en ontstaat er beroering om het feit dat regio’s een ander taalregime
krijgen. Men kan er niet omheen dat in België rond 1900 de wederzijdse
animositeit tussen Vlamingen en Franstaligen vorm krijgt, waarbij de Franstaligen zich zorgen maken om hun positie
in het land en de instellingen. Jules Destrée schreef het al : “On
nous a pris la Flandre”. Maarten Van Ginderachter beschrijft in een artikel
voor Ons Erfdeel naar aanleiding van een controversieel bezoek in opdracht van
de Raad van Europa door Lili Nabholz-Haidegger, Zwitsers academica, waarin
Vlaanderen verweten werd de mensenrechten in België. Dat bezoek kwam er op
verzoek van het FDF in 2002 en verleidde de Franstalige Partijvoorzitters faciliteiten
te eisen voor iedereen in de taal naar keuze met de overheid te corresponderen.
Het bleef een stormpje, maar gaf en geeft aan hoe het ondermijnen van de
staatsstructuren niet van een kant komt. Het zou wel eens allemaal heel ingewikkelder
kunnen zijn en de Vlaamse Feestdag, 11 juli is daar een uitnemend voorbeeld
van.
Hendrik Conscience, Henri van geboorte en met een
Franse vader, zal de drager worden van een nieuw elitair elan, met onder meer “De
loteling”, “Kerels van Vlaanderen” en uiteraard “De Leeuw van Vlaanderen”. Zoals
van Lennep en eerder nog Sir Walter Scott, heeft Conscience de idee opgevat dat
België nationale mythes van doen heeft om een eigen identiteit gestalte te
geven. Hoewel op een foutieve lezing van de bronnen gebaseerd brengt Conscience
met “De Kerels van Vlaanderen” een verhaal dat enige tijd kan beklijven, tot
latere historici de belevenissen van Galbert van Brugge en andere bronnen
opnieuw gaan lezen en vaststellen dat Karel de Goede op 2 maart 1127 werd
vermoord door een clan, de Erembalden, die hun vooraanstaande positie in de
kanselarij van de graven van Vlaanderen dreigen te verliezen, bij een discussie
over de status van de clan, vrije lieden of horigen, hal horigen. De graaf
maakte er allusie op en wilde de machtige groep edelen, want zo staan ze in het
leven, de verworven macht ontnemen, tegen hun zin in, natuurlijk. Over Kerels
spreekt Galbert niet, maar wel hebben de Erembalden zo hun eigen fanbasis, in
het westen, rond Veurne en langs de kust. Men kan nu meewarig doen over de vaststelling
dat Conscience zich beriep op een foute lezing van de bronnen, de
bronnenkritiek was rond 1840 nog niet zo
ver gevorderd, ook al omdat men nog met het uitgeven van de bronnen een aanvang
had te nemen.
Voor de Leeuw van Vlaanderen lijkt Conscience zich
beter te hebben geïnformeerd, ook al omdat hij het doen en laten van Filips IV
de Schone niet buiten beeld laat, maar wel, haast vanzelfsprekend, vijandig belicht.
Over hoe de steden in de greep van het
conflict kwamen, waarbij de patriciërs op het oog voor Filips kiezen, na vage beloftes
over belastingvrijstellingen voor de elites, tegen de ambachtslieden, die hun
vertegenwoordigers naar de zijlijn verwezen zagen, omdat Filips nu eenmaal
kiest voor consolidatie van de macht. Het zijn hedendaagse historici, enfin, die
meer vertrouwd zijn met hedendaagse geschiedenis, die menen dat men de rol van
Filips IV en Engerrand de Marigny zonder argumenten onder kan schoffelen, want
zo kan men van 11 juli 1302 een non-event maken. Krap een halve eeuw later zal
¨Philips de Stoute zijn entree maken als Hertog
van Bourgondië en Graaf van Vlaanderen, waarna de strijd tussen de Nederlanden
en Frankrijk tot in de zeventiende eeuw met tussenpozen zal oplaaien. Veldslagen
evenwel zijn niet altijd de grote kantelpunten die men graag wil aanstippen,
terwijl in de geschiedenis de trage evoluties vaak doorslaggevender zijn, maar
de uitingen van die vaak onderhuidse ontwikkelingen, demografische bijvoorbeeld
maar ook landbouw technische of anderszins technische ontwikkelingen, krijgen
we vaak in (verhevigde) ontwikkelingen te zien, met name in politieke instabiliteit.
Opvallend is dan dat snelle economische groei evengoed als vertraging van de
groei of stagnatie politiek uitdrukking
krijgt in conflicten en verhevigde factiestrijd, waarbij belanghebbenden het
laken naar zich toe willen trekken.
De legitimiteit van de eisen die facties bij zo een conflicten
aandragen en vanaf de zestiende eeuw en zeker ook tijdens de achttiende eeuw,
worden vaak met meer rationele argumenten bevochten via pamfletten, een maatschappelijk
belangrijk medium omdat God en Klein Pierke hun duit in het zakje kunnen doen,
een beetje zoals Twitter of andere sociale media dezer dagen. Een stuk van de
negentiende eeuw werd getekend door het streven naar Eenmaking van Duitsland,
culminerend in de zitting van het Duitse Establishment in Versailles op 18
januari 1871. In Frankrijk komt dan een nationalistische geschiedschrijving onder
meer onder invloed van Ernest Lavisse, die anders dan Jules Michelet die hem voor
was gegaan, ’s lands glorie aan de lezers, ook de schoolgaande jeugd wilde uitventen.
Michelet liet de geschiedenis zelf spreken, liet processen van onderdrukking
zien en democratische bewegingen kregen aandacht, bij Lavisse kon een vorst
maar deugen als die de grootheid van Frankrijk en ook in België probeerde men, tegen
de inzichten van Pirenne in, aan diens werk beeldvorming te ontlenen over ’s
lands glorie, bij voorkeur Franstalig van inslag. Maar in zijn “Histoire de la
Belgique” speelde Vlaanderen, het voormalige graafschap en ook Brabant een
grotere rol dan de Waalse gewesten. Pirenne wilde wat in 1890 België was
historisch onderzoeken en de oudste geschreven bronnen, die komen uit de tijd van
Julius Caesar, wat niet impliceerde dat die geografische ruimte een
rechtlijnige geschiedenis zou hebben gekend van Ambiorix over Anneessens tot koning
Filip. In het begin van de academische archeologie lag de tijdshorizon ook rond
die tijd van de Romeinse aanwezigheid. Vond men ook sporen van de oudere tijden, Keltische sporen
uit de pre romeinse tijd, dan doken die op bij de hoger gelegen heuvelruggen in
Brabant en Luik, waar ook al langer een weg lag van de Rijn naar Boulogne-sur-Mer,
de Via Belgica – al bestaat er (uiteraard) discussie over. Het is historische
kennis, waar we ons niet op moeten laten voorstaan, want overal in Europa vind
men gelijkaardige sporen, afhankelijk van de Romeinse aanwezigheid, maar omdat
de bewoners van Germanië – anders dan Tacitus dacht – misschien wel niet
gecultiveerd waren als de Romeinse elite, maar niettemin toch wel het stadium
van de jagers-verzamelaars ontstegen waren.
Dan komen de (Donkere) Middeleeuwen, waarbij geleidelijk
ook de kustgebieden een belangrijker plaats krijgen en meer ingenomen worden
door bevolking. Wanneer rond 1100 Vlaanderen als graafschap stilaan een
belangrijk gebied wordt, gelegen zowel in het West-Frankische deel, over de
Schelde dus als in het Oostelijke deel, kroon-Vlaanderen en leenplichtig aan de
Franse Koning en Rijksvlaanderen, deel van het Keizerrijk dat minder politiek gewicht
in de schaal kan leggen. Om kort te gaan, Vlaanderen en de bewoners gaan eigen
wegen bewandelen, waarbij er wel vaker conflicten met de graaf aan de orde
komen, maar de graaf weet zich ook schatplichtig aan de steden en in feite komt
er geen moment dat de ene partij de andere definitief overtroeft. Anders dan de
Magna Charta in Engeland met voorlopers, anders dan in Brabant met de Blijde
inkomst, krijgt Vlaanderen een hybride machtsuitoefening, met heftige conflicten
tussen de steden als het moet, maar vaak en evengoed welwillende samenwerking
als de omstandigheden daartoe dwingen.
Men kan dan ook geen geschiedenis van Vlaanderen schrijven,
het huidige gebied dat Vlaanderen noemt, zonder oog te hebben voor wat er in de
Nederlanden, Frankrijk, de Duitse landen gaande is, maar ook niet, zoals Jules
Michelet en Pirenne begrepen hebben, voor wat er bij de bevolking leefde, van
opstanden binnen adelsfacties tot volkse revoltes in geval van grote
prijsstijgingen van broodgraan. Vaak brachten die opstanden nieuwe gronden voor
legitimering van de eigen posities, ook binnen de steden, waarbij men kan
opmerken dat de elites konden kiezen tussen afdreigen van de bevolking dan wel de
ruimte laten voor welvaart voor grotere groepen. Doorgaans klinkt het dat na de
hoogdagen van de lakenindustrie in Gent en het verzanden van het Zwin Vlaanderen
in de loop van de zestiende eeuw haar economische slagkracht verloor. De
opstanden tegen Maximiliaan en Karel, maar vooral de Godsdiensttwisten zorgden
voor economische stagnatie, al vegen we dan wel met de grove borstel, maar we
kijken zelden naar de achttiende eeuw, waar het beeld minder helder is, zoals
Chris Vandenbroecke beschreef. Dat was het werk van boeren, vooral de uitbaters
van kleine boerenbedrijven, die via huisnijverheid hun inkomen aardig wisten
aan te vullen. De Revolutie-oorlogen en de Napoleontische zorgden voor een
stagnatie, maar intussen was de demografische groei in Vlaanderen wel hoog
opgelopen, veel meer dan in Holland en de Republiek het geval was. De Republiek
was aan het einde van de achttiende eeuw in verval, wat aanleiding gaf tot een
heftig conflict tussen de Patriotten en de Regenten. Om maar te zeggen, ook
daar was niet alles peis en vree, maar we horen daar zelden iets over, behalve
wie zich even inlaat met werk van E.H. Kossmann.
De vraag was dus, denk ik, of we ons ergens op kunnen
laten op voorstaan gaat wanneer we ons Vlaming noemen. Het begint met de kennisverwerving
en voorbij korte samenvattingen de complexe geschiedenis te vatten. Maar een
zekere trots op wat onze voorzaten verworven hebben, kan geen kwaad, tenzij het
uitloopt op superioriteitsgevoel, tenzij ook we dat ontzeggen aan mensen die hier
om allerlei redenen zijn aangekomen, door oorlog, economische misère en gewoon
uit zin voor avontuur. Ook zij kunnen zich Vlaming voelen, zoals we wel eens
zien, maar vaak geloven we dat zij zich, zoals Macron opmerkte afscheiden van
de samenleving. Dat gebeurt, maar is dat een gebaar dat motu proprio gemaakt
wordt? Al zal het natuurlijk altijd wel beter kunnen, zien we in de politiek,
de media en onder BV’s wel wat mensen met een voor Vlaanderen ongewone naam,
maar ze volgen de regels van het maatschappelijke spel en van hun rol best
overtuigend. Anderzijds slaagt men er niet altijd in kinderen van de migratie,
zelfs van de derde generatie, afdoende te betrekken bij het onderwijs. Let wel,
ik denk dat het gezeur over een falend onderwijs als het over integratie gaat, niet
met geloofwaardige statistieken onderbouwd kan worden en nog minder kan men
beweren dat het slagen van studenten uit de migratie telkens weer een
gelukstreffer zou zijn.
In Europa zijn er tal van regio’s en sommige willen
zich graag affirmeren als topregio’s, maar het hangt altijd af van onderwijs,
ondernemingen, zowel de werkgevers als de werknemers en het beleid voor een
regio zich een topregio mag noemen, waarbij we ook het ambtelijk apparaat niet
mogen negeren. Of Vlaanderen een topregio is, wordt altijd weer betwist, maar
is altijd minder de prestatie van politici, hoewel kwalijke wetgeving veel
onheil kan veroorzaken, maar desondanks slagen ondernemers er tot nader order
in een en ander te presteren, maar ook werknemers zijn van groot belang,
arbeidsethos onder meer. Wat de Vlaamse overheid, net zomin als andere echt
realiseren is dat burgers zich ook burgers weten en zich zo deel weten van het
geheel, zonder hun eigen positie of belangen achter te hoeven te stellen bij
het publieke belang. Wie dat van burgers zou verlangen, verwachten, zou precies
een beginsel negeren dat Bernard Mandeville had overdacht, namelijk dat
particuliere ondeugden voor het Algemeen noodzakelijke voorwaarden zijn. Waren
er alleen fatsoenlijke lui, dan viel de motor van de welvaart en de staat
vanzelf stil.
Men moet dus niet zonder meer vergen van de burgers
dat zij zich als modelburgers zouden gedragen, in termen van de Vlaamse
staatwording, hoeft men ook niet te eisen dat iedereen smetteloos Vloms zou
zijn. Dat soort veronderstellingen veroorzaakt namelijk een groot verlies aan
talent, aan creativiteit en dat is toch wat het moet worden, Vlaanderen als
grond voor innovatie en vernieuwing. Maar dan moet men niet streven naar homogeniteit
en eenvormigheid, want dat schaadt de ontwikkeling van talenten. Had Gezelle
gelijk met zijn vers “Wees Vlaming dien God Vlaming schiep” een politieke
gedachte in een tijd dat Georg Bergmann en andere Jan Frans Willems(en) bezig
waren de plaats van het Nederlands in Vlaanderen te bevechten, met onder meer
het petitionnement en het afleggen van de ambtseed – als advocaat – in het
Nederlands uit te spreken. Die strijd heeft er in de jaren zestig, zeventig toe
geleid dat het Nederlands in Vlaanderen de taal van media, politiek, bestuur,
gerecht en onderwijs evident gold, maar waar de ontwikkeling van handel en
toerisme in Europa net als de uitwisselingen van jongeren in allerlei programma’s,
vooral via Erasmus vanaf 1988 zorgde voor meertaligheid en het aankomen van
mensen uit andere delen van Europa en daarbuiten. Ook al omdat men elders
Europa steeds meer als een eenheid ziet, met soms referenties aan donkere bladzijden
uit de geschiedenis, kunnen we daar niet altijd goed mee uit de voeten, want we
willen die toegewezen identiteit niet zomaar accepteren. Kortom, er ontstond
een nieuw Vlaanderen, de afgelopen 60 jaar en dat pakt heus niet enkel negatief
uit, wel integendeel. Alleen brengt dat ook aanpassingsproblemen met zich en
nieuwe reflectie op wat voor mogelijkheden het biedt in Vlaanderen te wonen en
te leven. Die reflectie betekent dat ook dat we ons niet moeten blindstaren op
bronnen van trots en zelfverheerlijking, maar evenmin moet men voorwenden dat
het allemaal niets voorstelt. Veel van onze geschiedenis zit vervat in de grote
Europese geschiedenis, niet enkel de conflicten tussen de vorstenhuizen en steden,
landen uiteindelijk, maar ook in wat doorheen de eeuwen aan cultuur werd
voortgebracht.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten