Waarom S. Berlusconi terug kon komen


Lezersbrief

Oproep tot waarachtigheid
Hervormingen in het onderwijs: waarom?

Of  Socrates nu had moeten vluchten of de
doodstraf aanvaarden als opperste vorm
van Parrhesia, blijft nog maar de vraag. Enfin,
men zal die vraag erkennen als zij zich stelt. Intussen
kan ik de oproep tot waarachtigheid van TInneke
Beeckman best wel volgen.  
De titel van het stuk komt aan de orde, maar u zal de naam van de Italiaanse tribuun niet terug vinden. Het is echter geen misleiding, want ik stel de vraag wel. Maar Tinneke Beeckman vraagt zich af waarom er dezer dagen geen debat meer is, maar wel een eindeloze stroom van meningen. Je moet maar durven, zal menig columnist denken, want dit is stielbederf, toch? Niet in het minst, wel de vraag van een filosofe waarom men voortdurend argumenten bovenhaalt die de toets der kritiek niet doorstaan kunnen. Dat zette me aan het denken en bracht me bij Berlusconi, Burlesconi ware een betere theaternaam geweest...

In dezelfde editie een stuk van Joost Vandecasteele die ons ervan doordringen wil dat de taal van de politiediensten misschien wel goed te gebruiken is om de werkelijkheid af te schermen. Hij meent te weten dat slagen voor sommige politiedienders eindelijk maar prikkels zijn en dat de politiemannen die slagen, sorry, prikkels uitdelen zelf het slachtoffer van weerspannigheid beschuldigen. Men vraagt zich af hoe men de waarheid zal achterhalen. Men vraagt zich vooral af of men de waarheid wel achterhalen wil.   

Iemand vroeg me niet zo lang geleden of ik dan niet geloofde in de waarheid en ik had er wel een antwoord op, maar het voldeed mezelf niet helemaal. De juistheid van wiskundige inzichten en natuurwetenschappelijke bevindingen waarvan men bevonden heeft dat ze meer zijn dan een hypothese kan men als geldend voorop stellen. De wetten van de thermodynamica of de idee van de expanderende singulariteit, ook gekend als de Big Bang, hebben hun deugdelijkheid bewezen. Maar het zijn aangelegenheden die altijd gelden en die zelfs gelden als de mens ze niet ontdekt of gevonden had.

Nu beschikte de mensheid niet altijd over een Vesalius, een Copernicus, Newton, Madame Curie om met die dingen bezig te zijn en er het nodige over te zeggen. Niettemin, in het oude Babylon keek men ook naar de sterrenhemel en had men weet van wat de zee was, hoge bergen, de hitte van de woestijn en de koude van Noordelijker gelegen gebieden. Men keek dus naar de bewegingen van de zon en de schijngestalten van de maan en ontdekte regelmaat in de fenomenen. Tegelijk bleef er veel dat onbespreekbaar was met de gewone woorden des daags. Hoe het gegaan is, blijkt moeilijk te achterhalen, maar wellicht al rond het jaar 1000 voor christus ontstonden in verschillende delen van het oude Midden-Oosten, Indië en China opvattingen over het bovenmaanse die niet meer verdwenen zijn. We weten dat de Spiltijd oftewel Achsenzeit – naar Karl Jaspers – een periode is waarin in verschillende gebieden meer gearticuleerde inzichten ontstonden over de aard der dingen, vervat in religie, zoals in Iran, of in wijsgerige concepten, zoals in Griekenland. In India en China deden zich nog andere evoluties voor, het boeddhisme en confucianisme, maar religies zijn het niet terwijl het ook geen filosofische stelsels zijn. Beide hebben een sterke ethische component. Het juiste handelen heeft dan een grotere betekenis dan de waarheid, maar toch gaan beide samen, zoals we konden merken toen een Iraakse minister voortdurend ontkende dat de Amerikanen al in Bagdad waren, terwijl er tanks achter hem voorbij reden. De waarheid ontkennen, mag niet, maar de vraag is in welk domein de waarheid zich aandient.

Het ware relaas van feiten – neem een wielerwedstrijd – heeft haar belang, maar als er een renner verongelukt door schuld van derden, zal dat relaas wel een andere betekenis krijgen. In die zin is het verhaal van de verkeersveiligheid, waarbij men steeds meer gesofistikeerde meetinstrumenten hanteert om mensen te beboeten die de snelheidsbeperking overtreden. Hierbij hanteert men een strenge maatstaf zodat kleine overtredingen beboet worden. Men vindt dat mensen dat moeten aanvaarden voor hun bestwil. Ik denk dat er zich hier een probleem voordoet, want het laat zich raden dat kleine overtredingen vaak te maken hebben met het inschatten van de situatie. Jawel, krijg ik dan te horen, maar het is de wet en die is in de kamer gestemd. Juist, dat verhaal herinner ik mij nog, want wat daar gezegd is over de chauffeur op de weg en het feit dat elke dode op de weg er een te veel is, dan denk ik dat de kloof tussen politici en de burgers er alleen maar dieper en breder op wordt. De waarheid is dat het aantal ongevallen en doden daalt, maar ook dat er op de weg een toenemende agressie onder weggebruikers lijkt te ontstaan. Het is in De Steppenwolf van Hermann Hesse dat zich een scène aandient waarin automobilisten op voetgangers inrijden en voetgangers de aanval met vuurwapens op automobilisten openen, enfin de stalen karkassen inzetten. Uiteraard is het een soort emblematisch uitvergroten van de ervaring van mensen die met deze zware voertuigen moeten leren omgaan. Vandaag is iedereen potentieel automobilist, maar sommigen zijn niet zo heel graag wandelaars en dat botst dan wel eens. Maar het is er ons om te doen dat voor mij dat boek niet over de (zogenaamd dreigende) oorlog ging, want eerst moest de Grote depressie nog komen, wel over de wijze waarop we de moderniteit beleven en vaak niet begrijpen.

Dat is ook wat men in verschillende discussies kan waarnemen, zoals bijvoorbeeld in Dezevendedag, waarin een dame uit Leuven tegenover een volksvertegenwoordiger zat. Zij houdt zich beroepshalve bezig met kindergeneeskunde, mevrouw Chris van Geet terwijl Guy Swennen er weer eens in slaagt met grote maatregelen op de proppen te komt voor aangelegenheden die eindelijk vooral met veel fijngevoeligheid dienen behandeld te worden. Hij vindt dat iedereen recht heeft op Euthanasie als het lijden te groot wordt, ondragelijk wordt, zij meent dat kinderen niet vragen om euthanasie. In het geding is het rechtvaardigheidsprincipe, dat men niet discrimineren mag en al helemaal niet op grond van leeftijd. Klinkt goed en niemand zal het tegenspreken, wel? Toch, want het verhaal van mensen in stervensnood of wanneer een levensbedreigende aandoening gediagnosticeerd wordt, is nooit het verhaal van grote principes, maar wordt, onder meer omdat we beter mensen weten te helpen dan vroeger, een vraag van hoe helpen we iemand, een veertienjarige met een levensbedreigende aandoening? Discriminatie en rechtvaardigheid zijn grote begrippen maar gaan in tegenstelling tot wat men wel eens aanneemt nooit in op contingente omstandigheden, of het nu om psychische omstandigheden, c.q. problemen gaat of andere zware aandoeningen, zoals leukemie of…

Waarom men zoveel nadruk legt op het recht op euthanasie wordt me met de dag minder duidelijk. Het levenseinde is gegeven voor wie geboren wordt, maar hoe we de (lange) weg door het leven afleggen is pas de moeite waard. En dat er zich bij ziekte vele vragen aandienen, ligt voor de hand. Hoe ouder mensen worden, hoe moeilijker die voor henzelf zijn en voor anderen, de behandelende artsen en de nabestaanden. Zelfbeschikking is daarbij een groot goed, maar kan het een vorm van waarachtig handelen heten als men in moeilijke momenten een persoon verplicht daar alleen over te beslissen? Ik ben geen principieel tegenstander van de euthanasiewetgeving, maar ik heb de indruk dat men de zaken hopeloos vereenvoudigt als men de uitbreiding van de wet wil omwille van het vermeende rechtvaardigheidsbeginsel. Er zijn andere considerabilia in het geding, die door deze aanpak niet inbegrepen zijn. Oh ja, er zijn de patiëntenrechten, maar waar vind je daarover informatie als het moment daar is. En vervolgens, gesteld dat men door omstandigheden aan reanimatie toe is, waar moet men dan heen? De arts weet wanneer en hoelang hij die reanimatie kan toepassen, proberen iemand terug bij bewustzijn te brengen. De patiënt kan niet spreken of de eigen wens niet goed overbrengen, maar er is wel een leifkaart met de vermelding niet te reanimeren in voorkomend geval. Wat als de patiënt om persoonlijke reden toch het liefst nog even te leven, de geboorte van een kleinkind of de publicatie van een boek? De idee dat we alles geregeld willen hebben, sluit, zo lijkt het me, wel eens mogelijkheden uit. Het kan geen kwaad dat men bepaalde schikkingen treft, maar in zekere zin botst mijn zin voor een stoïcijnse levensopvatting – die ook de vreugden laat tellen – met de gedachte dat we op alles voorzien moeten zijn. De arts heeft een eed afgelegd en we mogen ervan uitgaan dat die eed geen formaliteit is. Voor het overige kan er over veel gesproken worden, als het nodig is.

We zullen noch kunnen lichtvaardig oordelen over wie voor of niet voor een noodzakelijke therapie kiest, ook als die nog zinvol is, om de eenvoudige reden dat we dat liever aan deskundige artsen overlaten. Juist, ik kies dan niet meer, maar een andere? Maar kan ik bij mezelf een drain steken of andere noodzakelijke ingrepen doen? Laten we het begrip zelfbeschikkingsrecht niet relatieveren, in de betekenis van doen alsof het een illusie is, maar laten we wel met elkaar begrijpen dat zelfbeschikking het maken van keuzes voor het eigen leven betreft, maar ook voor derden met wie we een nauwe band hebben, maar dat de overwegingen om tot die keuze te komen en de afwikkeling daarom niet alleen in onze eigen handen liggen.

De waarheid over wat medisch mogelijk is, de waarheid ook over de kunde van de behandelende arts blijken uit officiële documenten maar hoe die arts op het voor mij noodlottige moment zal handelen, weet vooral hijzelf en zijn/haar medewerkers. Aan het eind kom ik dan uit de narcose en mag ik hopen dat er nog een eindje aan het leven bij gebreid kan worden, eventueel met wat verminderde energie en kracht. Maar zou ik daarom ongelukkig moeten zijn?

Ik denk dat Mevrouw Beeckman het had over de vele discussies betreffende de vermeende herhaling van de jaren 1930, over de keuzes van het ACW en andere beleidsopties. Het valt bijvoorbeeld op dat inzake onderwijshervormingen in het middelbaar onderwijs er zelfs geen sprake is van een werkelijk debat. Meer nog, mag ik mij afvragen wat er waarachtig is aan het principe van de gelijke kansen? Juist ja, men er niets tegenin brengen want wie tegen gelijke kansen is, keert zich tegen de rechtvaardigheid. Maar de mensen die in alle stilte en ijverig het pad effenen, blijken niet altijd blijk te geven van grote aandacht voor de waarachtigheid van hun aanpak. Zo is het duidelijk dat zelfs mensen die afstudeerden bij John Rawls twijfels hebben over de uitvoerbaarheid van zijn theory of Justice. Intussen besteedt Martha Nussbaum veel aandacht aan de vraag hoe men mensen mogelijkheden kan bieden om er zelf iets van te maken. Het scheppen van mogelijkheden houdt een appél in, terwijl de idee van gelijke kansen ons toelaat alleen onze rechten te claimen en verder niets uit te voeren.

De discussie over hoe we in deze tijd ons leven inhoud geven, betekenis geven, in een absurde wereld of – voor de gelovigen in een wereld in het teken van de andere wereld – hangt samen met onderwijs, met het ontwikkelen van culturele vaardigheden en het vermogen onszelf uit te spreken, in particuliere kring of op een groter podium. Maar als ik mag spreken, ben ik dan ook bereid te luisteren? In de discussies met en over geliefden of familie is dat lang niet eenvoudig, maar het gebeurt wel en doorgaans redelijk goed. De andere kant van de zaak is als mensen met belangen die elkaar in weg staan die bereidheid tot luisteren niet hebben en tot spreken, waarachtig spreken evenmin.

Michel Foucault heeft zijn laatste collegejaar in het Collège de France besteedt aan  “Parrhesia”, de moed tot waarheid en hoe Socrates, anders dan Plato de gedachte voorop liet staan dat niet weten geen excuus kan zijn, maar dat de wil tot begrijpen en onderzoeken voorop dient te staan. Overigens, zo kan men lezen, komt Socrates niet altijd tot een besluit of een onbetwijfelbaar inzicht, anders dan sommige filosofen dezer dagen.

Mevrouw Beeckman vraagt dus niemand dat hij of zij hypocriet zal doen alsof men de waarheid spreekt, wel dat wat men zegt in een debat, de argumenten die men aandraagt de beste zijn die men vinden kon en die anderen kunnen waarderen – dus aanvaarden of weerleggen -, net omdat het geen gedachtespinsels zijn maar elementen in een betoog. Het gevoel wordt er niet minder op dat we op enig moment echt niet meer weten hoe laat het is. De klok tikt wel, maar we kijken er niet op hetzelfde moment naar.

Waarachtigheid betrachten, het is wat het vertrouwen versterkt en anders dan begrippen als non-discriminatie zijn dit begrippen, waarachtigheid en vertrouwen, die men kan ervaren en waarin men bedrogen kan worden. Inderdaad kan men zich afvragen of in onze streken mensen echt discrimineren of haten. Men geeft als argument de arbeidsmarkt en het uitgangsleven, maar de vraag is of daar sprake is van discriminatie. Men moet immers een massa elementen kennen, voor men ertoe kan besluiten. Overigens, de strafzaak in Friesland over de moord op een meisje van 16, 13 jaar geleden nu en pas opgelost toen na een DNA-onderzoek een boer uit de streek tot bekentenissen overging, bracht aan het licht hoeveel mensen zich van een racistisch discours bedienden en, vooral dat, de burgemeester en de instanties die betrokken waren bij de opvang van asielzoekers meenden dat er in dat dorp er nog maar een voorlopig kamp bij moest komen. Dat bevorderde de communicatie niet. Racisme is fout? Natuurlijk, de angst van de burgers negeren helpt anders ook niet.

Vertrouwen en waarachtigheid zijn dus niet zomaar kwalificaties in een logisch maar abstract discours, wel niets meer en niets minder dan datgene wat triviale feiten en ervaringen ons aandragen. Het bedrog en de leugen die nu in het politieke gebeuren – inclusief dus de media - aan de orde zijn, lijken wel speciaal uitgevonden voor de bühne. Toch weet een beschaafd mens dat men niet roept naar iemand die een andere mening verkondigt dat het een leugenaar is. Alleen als die andere verifieerbare feiten aan komt brengen die manifest onjuist zijn, kan men het gesprek erop brengen dat het aanvoeren van foute informatie het gesprek niet ten goede vooruit helpt.

Het onderwijsbeleid berust, zegde minister Frank Vandenbroucke en zegt zijn opvolger Pascal Smet, wetenschappelijk onderzoek. Men herhaalt dat ons onderwijs faalt omdat teveel kinderen wier (groot-)ouders niet geboren zijn geen goede resultaten halen. Dat het niet altijd eenvoudig is, hoeft niet opnieuw betoogd, maar het is wel zo dat zij in vele opzichten dezelfde kansen krijgen als andere leerlingen die wel slagen en dan uitblijken in Europese vergelijkingen – zodat per slot van saldo ons onderwijs democratisch mag heten want vergeleken met het onderwijs in de buurlanden is de kostprijs voor de ouders laag, zo niet bijna gratis. Het probleem blijkt dat ze die niet voldoende aangrijpen. De redenen daarvoor raken stilaan bekend en met doet vandaag heel wat inspanningen om jongeren te leren zien hoe ze de stof onder de knie moeten krijgen. Maar niemand kan zeggen dat men die kansen aan anderen zou moeten afnemen of dat men bijvoorbeeld geen doorgedreven talenonderwijs, wis- en natuurkunde zou mogen aanbieden.

Er zijn te veel debatten waar de verifieerbare feiten ondergesneeuwd blijven, niet aan de oppervlakte gebracht worden. Daartoe, dacht ik, hebben we toch verschillende media en dat is toch de opdracht van journalisten. Maar zij blijken niet bereid de eigen uitgangspunten te onderzoeken. Guy Tegenbosch schreef zonder meer dat de onderwijshervormingen erdoor dienden te komen. Anderen zeggen dat de euthanasiewetgeving moet uitgebreid worden. Kritiek hierop wordt niet met feiten onderbouwd, maar afgedaan als verouderd of voortspruitend uit vooroordelen en gebrek aan inzicht. De vooruitgang eist evenwel niet dat we gedachtenloos voortboeren, maar juist waarachtig proberen te begrijpen wat er gaande is en wat er dient te gebeuren. Over de betekenis van feiten is altijd discussie mogelijk, maar de feiten negeren is van een andere orde.  

Bart Haers    

 Lezersbrief

Oproep tot waarachtigheid
Hervormingen in het onderwijs: waarom?

Tinneke Beeckman vraagt zich af waarom er dezer dagen geen debat meer is, maar wel een eindeloze stroom van meningen. Je moet maar durven, zal menig columnist denken, want dit is stielbederf, toch? Niet in het minst, wel de vraag van een filosofe waarom men voortdurend argumenten bovenhaalt die de toets der kritiek niet doorstaan kunnen.

In dezelfde editie een stuk van Joost Vandecasteele die ons ervan doordringen wil dat de taal van de politiediensten misschien wel goed te gebruiken is om de werkelijkheid af te schermen. Hij meent te weten dat slagen voor sommige politiedienders eindelijk maar prikkels zijn en dat de politiemannen die slagen, sorry, prikkels uitdelen zelf het slachtoffer van weerspannigheid beschuldigen. Men vraagt zich af hoe men de waarheid zal achterhalen. Men vraagt zich vooral af of men de waarheid wel achterhalen wil.   

Iemand vroeg me niet zo lang geleden of ik dan niet geloofde in de waarheid en ik had er wel een antwoord op, maar het voldeed mezelf niet helemaal. De juistheid van wiskundige inzichten en natuurwetenschappelijke bevindingen waarvan men bevonden heeft dat ze meer zijn dan een hypothese kan men als geldend voorop stellen. De wetten van de thermodynamica of de idee van de expanderende singulariteit, ook gekend als de Big Bang, hebben hun deugdelijkheid bewezen. Maar het zijn aangelegenheden die altijd gelden en die zelfs gelden als de mens ze niet ontdekt of gevonden had.

Nu beschikte de mensheid niet altijd over een Vesalius, een Copernicus, Newton, Madame Curie om met die dingen bezig te zijn en er het nodige over te zeggen. Niettemin, in het oude Babylon keek men ook naar de sterrenhemel en had men weet van wat de zee was, hoge bergen, de hitte van de woestijn en de koude van Noordelijker gelegen gebieden. Men keek dus naar de bewegingen van de zon en de schijngestalten van de maan en ontdekte regelmaat in de fenomenen. Tegelijk bleef er veel dat onbespreekbaar was met de gewone woorden des daags. Hoe het gegaan is, blijkt moeilijk te achterhalen, maar wellicht al rond het jaar 1000 voor christus ontstonden in verschillende delen van het oude Midden-Oosten, Indië en China opvattingen over het bovenmaanse die niet meer verdwenen zijn. We weten dat de Spiltijd oftewel Achsenzeit – naar Karl Jaspers – een periode is waarin in verschillende gebieden meer gearticuleerde inzichten ontstonden over de aard der dingen, vervat in religie, zoals in Iran, of in wijsgerige concepten, zoals in Griekenland. In India en China deden zich nog andere evoluties voor, het boeddhisme en confucianisme, maar religies zijn het niet terwijl het ook geen filosofische stelsels zijn. Beide hebben een sterke ethische component. Het juiste handelen heeft dan een grotere betekenis dan de waarheid, maar toch gaan beide samen, zoals we konden merken toen een Iraakse minister voortdurend ontkende dat de Amerikanen al in Bagdad waren, terwijl er tanks achter hem voorbij reden. De waarheid ontkennen, mag niet, maar de vraag is in welk domein de waarheid zich aandient.

Het ware relaas van feiten – neem een wielerwedstrijd – heeft haar belang, maar als er een renner verongelukt door schuld van derden, zal dat relaas wel een andere betekenis krijgen. In die zin is het verhaal van de verkeersveiligheid, waarbij men steeds meer gesofistikeerde meetinstrumenten hanteert om mensen te beboeten die de snelheidsbeperking overtreden. Hierbij hanteert men een strenge maatstaf zodat kleine overtredingen beboet worden. Men vindt dat mensen dat moeten aanvaarden voor hun bestwil. Ik denk dat er zich hier een probleem voordoet, want het laat zich raden dat kleine overtredingen vaak te maken hebben met het inschatten van de situatie. Jawel, krijg ik dan te horen, maar het is de wet en die is in de kamer gestemd. Juist, dat verhaal herinner ik mij nog, want wat daar gezegd is over de chauffeur op de weg en het feit dat elke dode op de weg er een te veel is, dan denk ik dat de kloof tussen politici en de burgers er alleen maar dieper en breder op wordt. De waarheid is dat het aantal ongevallen en doden daalt, maar ook dat er op de weg een toenemende agressie onder weggebruikers lijkt te ontstaan. Het is in De Steppenwolf van Hermann Hesse dat zich een scène aandient waarin automobilisten op voetgangers inrijden en voetgangers de aanval met vuurwapens op automobilisten openen, enfin de stalen karkassen inzetten. Uiteraard is het een soort emblematisch uitvergroten van de ervaring van mensen die met deze zware voertuigen moeten leren omgaan. Vandaag is iedereen potentieel automobilist, maar sommigen zijn niet zo heel graag wandelaars en dat botst dan wel eens. Maar het is er ons om te doen dat voor mij dat boek niet over de (zogenaamd dreigende) oorlog ging, want eerst moest de Grote depressie nog komen, wel over de wijze waarop we de moderniteit beleven en vaak niet begrijpen.

Dat is ook wat men in verschillende discussies kan waarnemen, zoals bijvoorbeeld in Dezevendedag, waarin een dame uit Leuven tegenover een volksvertegenwoordiger zat. Zij houdt zich beroepshalve bezig met kindergeneeskunde, mevrouw Chris van Geet terwijl Guy Swennen er weer eens in slaagt met grote maatregelen op de proppen te komt voor aangelegenheden die eindelijk vooral met veel fijngevoeligheid dienen behandeld te worden. Hij vindt dat iedereen recht heeft op Euthanasie als het lijden te groot wordt, ondragelijk wordt, zij meent dat kinderen niet vragen om euthanasie. In het geding is het rechtvaardigheidsprincipe, dat men niet discrimineren mag en al helemaal niet op grond van leeftijd. Klinkt goed en niemand zal het tegenspreken, wel? Toch, want het verhaal van mensen in stervensnood of wanneer een levensbedreigende aandoening gediagnosticeerd wordt, is nooit het verhaal van grote principes, maar wordt, onder meer omdat we beter mensen weten te helpen dan vroeger, een vraag van hoe helpen we iemand, een veertienjarige met een levensbedreigende aandoening? Discriminatie en rechtvaardigheid zijn grote begrippen maar gaan in tegenstelling tot wat men wel eens aanneemt nooit in op contingente omstandigheden, of het nu om psychische omstandigheden, c.q. problemen gaat of andere zware aandoeningen, zoals leukemie of…

Waarom men zoveel nadruk legt op het recht op euthanasie wordt me met de dag minder duidelijk. Het levenseinde is gegeven voor wie geboren wordt, maar hoe we de (lange) weg door het leven afleggen is pas de moeite waard. En dat er zich bij ziekte vele vragen aandienen, ligt voor de hand. Hoe ouder mensen worden, hoe moeilijker die voor henzelf zijn en voor anderen, de behandelende artsen en de nabestaanden. Zelfbeschikking is daarbij een groot goed, maar kan het een vorm van waarachtig handelen heten als men in moeilijke momenten een persoon verplicht daar alleen over te beslissen? Ik ben geen principieel tegenstander van de euthanasiewetgeving, maar ik heb de indruk dat men de zaken hopeloos vereenvoudigt als men de uitbreiding van de wet wil omwille van het vermeende rechtvaardigheidsbeginsel. Er zijn andere considerabilia in het geding, die door deze aanpak niet inbegrepen zijn. Oh ja, er zijn de patiëntenrechten, maar waar vind je daarover informatie als het moment daar is. En vervolgens, gesteld dat men door omstandigheden aan reanimatie toe is, waar moet men dan heen? De arts weet wanneer en hoelang hij die reanimatie kan toepassen, proberen iemand terug bij bewustzijn te brengen. De patiënt kan niet spreken of de eigen wens niet goed overbrengen, maar er is wel een leifkaart met de vermelding niet te reanimeren in voorkomend geval. Wat als de patiënt om persoonlijke reden toch het liefst nog even te leven, de geboorte van een kleinkind of de publicatie van een boek? De idee dat we alles geregeld willen hebben, sluit, zo lijkt het me, wel eens mogelijkheden uit. Het kan geen kwaad dat men bepaalde schikkingen treft, maar in zekere zin botst mijn zin voor een stoïcijnse levensopvatting – die ook de vreugden laat tellen – met de gedachte dat we op alles voorzien moeten zijn. De arts heeft een eed afgelegd en we mogen ervan uitgaan dat die eed geen formaliteit is. Voor het overige kan er over veel gesproken worden, als het nodig is.

We zullen noch kunnen lichtvaardig oordelen over wie voor of niet voor een noodzakelijke therapie kiest, ook als die nog zinvol is, om de eenvoudige reden dat we dat liever aan deskundige artsen overlaten. Juist, ik kies dan niet meer, maar een andere? Maar kan ik bij mezelf een drain steken of andere noodzakelijke ingrepen doen? Laten we het begrip zelfbeschikkingsrecht niet relatieveren, in de betekenis van doen alsof het een illusie is, maar laten we wel met elkaar begrijpen dat zelfbeschikking het maken van keuzes voor het eigen leven betreft, maar ook voor derden met wie we een nauwe band hebben, maar dat de overwegingen om tot die keuze te komen en de afwikkeling daarom niet alleen in onze eigen handen liggen.

De waarheid over wat medisch mogelijk is, de waarheid ook over de kunde van de behandelende arts blijken uit officiële documenten maar hoe die arts op het voor mij noodlottige moment zal handelen, weet vooral hijzelf en zijn/haar medewerkers. Aan het eind kom ik dan uit de narcose en mag ik hopen dat er nog een eindje aan het leven bij gebreid kan worden, eventueel met wat verminderde energie en kracht. Maar zou ik daarom ongelukkig moeten zijn?

Ik denk dat Mevrouw Beeckman het had over de vele discussies betreffende de vermeende herhaling van de jaren 1930, over de keuzes van het ACW en andere beleidsopties. Het valt bijvoorbeeld op dat inzake onderwijshervormingen in het middelbaar onderwijs er zelfs geen sprake is van een werkelijk debat. Meer nog, mag ik mij afvragen wat er waarachtig is aan het principe van de gelijke kansen? Juist ja, men er niets tegenin brengen want wie tegen gelijke kansen is, keert zich tegen de rechtvaardigheid. Maar de mensen die in alle stilte en ijverig het pad effenen, blijken niet altijd blijk te geven van grote aandacht voor de waarachtigheid van hun aanpak. Zo is het duidelijk dat zelfs mensen die afstudeerden bij John Rawls twijfels hebben over de uitvoerbaarheid van zijn theory of Justice. Intussen besteedt Martha Nussbaum veel aandacht aan de vraag hoe men mensen mogelijkheden kan bieden om er zelf iets van te maken. Het scheppen van mogelijkheden houdt een appél in, terwijl de idee van gelijke kansen ons toelaat alleen onze rechten te claimen en verder niets uit te voeren.

De discussie over hoe we in deze tijd ons leven inhoud geven, betekenis geven, in een absurde wereld of – voor de gelovigen in een wereld in het teken van de andere wereld – hangt samen met onderwijs, met het ontwikkelen van culturele vaardigheden en het vermogen onszelf uit te spreken, in particuliere kring of op een groter podium. Maar als ik mag spreken, ben ik dan ook bereid te luisteren? In de discussies met en over geliefden of familie is dat lang niet eenvoudig, maar het gebeurt wel en doorgaans redelijk goed. De andere kant van de zaak is als mensen met belangen die elkaar in weg staan die bereidheid tot luisteren niet hebben en tot spreken, waarachtig spreken evenmin.

Michel Foucault heeft zijn laatste collegejaar in het Collège de France besteedt aan  “Parrhesia”, de moed tot waarheid en hoe Socrates, anders dan Plato de gedachte voorop liet staan dat niet weten geen excuus kan zijn, maar dat de wil tot begrijpen en onderzoeken voorop dient te staan. Overigens, zo kan men lezen, komt Socrates niet altijd tot een besluit of een onbetwijfelbaar inzicht, anders dan sommige filosofen dezer dagen.

Mevrouw Beeckman vraagt dus niemand dat hij of zij hypocriet zal doen alsof men de waarheid spreekt, wel dat wat men zegt in een debat, de argumenten die men aandraagt de beste zijn die men vinden kon en die anderen kunnen waarderen – dus aanvaarden of weerleggen -, net omdat het geen gedachtespinsels zijn maar elementen in een betoog. Het gevoel wordt er niet minder op dat we op enig moment echt niet meer weten hoe laat het is. De klok tikt wel, maar we kijken er niet op hetzelfde moment naar.

Waarachtigheid betrachten, het is wat het vertrouwen versterkt en anders dan begrippen als non-discriminatie zijn dit begrippen, waarachtigheid en vertrouwen, die men kan ervaren en waarin men bedrogen kan worden. Inderdaad kan men zich afvragen of in onze streken mensen echt discrimineren of haten. Men geeft als argument de arbeidsmarkt en het uitgangsleven, maar de vraag is of daar sprake is van discriminatie. Men moet immers een massa elementen kennen, voor men ertoe kan besluiten. Overigens, de strafzaak in Friesland over de moord op een meisje van 16, 13 jaar geleden nu en pas opgelost toen na een DNA-onderzoek een boer uit de streek tot bekentenissen overging, bracht aan het licht hoeveel mensen zich van een racistisch discours bedienden en, vooral dat, de burgemeester en de instanties die betrokken waren bij de opvang van asielzoekers meenden dat er in dat dorp er nog maar een voorlopig kamp bij moest komen. Dat bevorderde de communicatie niet. Racisme is fout? Natuurlijk, de angst van de burgers negeren helpt anders ook niet.

Vertrouwen en waarachtigheid zijn dus niet zomaar kwalificaties in een logisch maar abstract discours, wel niets meer en niets minder dan datgene wat triviale feiten en ervaringen ons aandragen. Het bedrog en de leugen die nu in het politieke gebeuren – inclusief dus de media - aan de orde zijn, lijken wel speciaal uitgevonden voor de bühne. Toch weet een beschaafd mens dat men niet roept naar iemand die een andere mening verkondigt dat het een leugenaar is. Alleen als die andere verifieerbare feiten aan komt brengen die manifest onjuist zijn, kan men het gesprek erop brengen dat het aanvoeren van foute informatie het gesprek niet ten goede vooruit helpt.

Het onderwijsbeleid berust, zegde minister Frank Vandenbroucke en zegt zijn opvolger Pascal Smet, wetenschappelijk onderzoek. Men herhaalt dat ons onderwijs faalt omdat teveel kinderen wier (groot-)ouders niet geboren zijn geen goede resultaten halen. Dat het niet altijd eenvoudig is, hoeft niet opnieuw betoogd, maar het is wel zo dat zij in vele opzichten dezelfde kansen krijgen als andere leerlingen die wel slagen en dan uitblijken in Europese vergelijkingen – zodat per slot van saldo ons onderwijs democratisch mag heten want vergeleken met het onderwijs in de buurlanden is de kostprijs voor de ouders laag, zo niet bijna gratis. Het probleem blijkt dat ze die niet voldoende aangrijpen. De redenen daarvoor raken stilaan bekend en met doet vandaag heel wat inspanningen om jongeren te leren zien hoe ze de stof onder de knie moeten krijgen. Maar niemand kan zeggen dat men die kansen aan anderen zou moeten afnemen of dat men bijvoorbeeld geen doorgedreven talenonderwijs, wis- en natuurkunde zou mogen aanbieden.

Er zijn te veel debatten waar de verifieerbare feiten ondergesneeuwd blijven, niet aan de oppervlakte gebracht worden. Daartoe, dacht ik, hebben we toch verschillende media en dat is toch de opdracht van journalisten. Maar zij blijken niet bereid de eigen uitgangspunten te onderzoeken. Guy Tegenbosch schreef zonder meer dat de onderwijshervormingen erdoor dienden te komen. Anderen zeggen dat de euthanasiewetgeving moet uitgebreid worden. Kritiek hierop wordt niet met feiten onderbouwd, maar afgedaan als verouderd of voortspruitend uit vooroordelen en gebrek aan inzicht. De vooruitgang eist evenwel niet dat we gedachtenloos voortboeren, maar juist waarachtig proberen te begrijpen wat er gaande is en wat er dient te gebeuren. Over de betekenis van feiten is altijd discussie mogelijk, maar de feiten negeren is van een andere orde.  

Bart Haers    


Reacties

Populaire berichten