De bekoring niet schrappen

Dezer dagen

Leid ons niet in bekoring
over de taal en het geweld van de modernisering

detail uit de "Beproevingen van Sint-ANtonius" van Hieronymus Bosch,
waarin de legende van de strijd tussen de asceet Antonius en de duivel
verteld wordt. Zoals Michel Foucault aangaf, kan men deze vorm
van ascese zien als een kerkelijk gebod of als een vorm van "souci de soi".
Het blijkt dat we die laatste gedachten van Foucault niet zo interessant
vinden als zijn wantrouwen tegenover de autoriteiten. Maar zonder
zelfzorg komen we in andere problemen terecht...
Ik las en hoorde dat de bisschoppen en andere theologen het woord bekoring schrapten uit het gebed dat de here Jezus ons zelf heeft gegeven, want dat is de wijze waarop in de katholieke liturgie wordt ingeleid. Nu zou het beproeving worden. Maar een bekoring en een beproeving zijn niet hetzelfde. Meer nog, Antonius en zelfs de here zelve werden aan beproevingen door bekoorlijke voorstellen blootgesteld, zoals ik al uit mijn kinderbijbel leerde - wat Christus betreft. Of waren het verzoekingen, temptaties, bekoringen? 

Bekoring en beproeving lijken dicht bij elkaar te liggen en sluiten op het gevoel bij elkaar aan, maar de bekoring van de zonde is iets anders dan de beproeving ontbering te lijden. Men kan natuurlijk denken dat de armoede tot bekoringen kan leiden, maar de bekoring geldt elke persoon, al is het niet duidelijk waarom de beproeving niet de hardlopende mevrouw op de flanken van de Tour Mallet niet zou bezoeken. Het blijft dus een bizar semantisch spel, waar, zo lijkt het wel, de bisschoppen bezweken zijn voor de kennis van taalexperten.

Hij leide ons niet bekoring
zij leide ons in bekoring
laten we ons meten aan de bekoring
laten we de bekoring waard zijn...

Velen zullen inderdaad liever de bekoring verkiezen en biddend net het omgekeerde vragen, namelijk net wel in bekoring verleid te worden. Het kan een aspect van het katholieke geloof genoemd worden dat de grote zekerheden van gecanoniseerde gebeden net tot allerlei afwijkende gedachten leiden kunnen. Nu zou men denken dat het verhaal dat de bisschoppen de term "bekoring" hebben ingewisseld voor "beproeving" een louter binnenkerkelijke aangelegenheid is, maar het betreft ook onze taal, want ook hier moet men vaststellen dat de taal aan verschraling toe is. Het woord "bekoring" zal dus nog verder in vergetelheid raken en in boeken zal men het al helemaal niet meer tegenkomen, terwijl het in de gesproken taal wellicht helemaal op een koude steen zal vallen.

Maar toch is de idee dat we door iets bekoord kunnen worden of iemand kunnen bekoren een facet van ons emotionele beleving waar we best oog voor kunnen hebben. Samen met de smeekbede "verlos ons van het kwade" is het voor velen onder ons immers allemaal wat gewauwel zonder betekenis. Maar net als men de kerkdeur achter zich heeft laten dicht glijden, begrijpt men, begrijp ik dan toch dat het niet zomaar zinledige woorden, gedachten of smeekbeden zijn.

Het kwade, de bekoring van de verboden vrucht, als men er de soms al te strikte handhaving en interpretaties vanaf haalt, komt men terecht bij een vorm van disciplinering die we vandaag misschien node missen. Het gaat er dan om dat mensen bijvoorbeeld de wellust van de macht niet kunnen weerstaan en dan zou zo een disciplinering de wijze waarop men macht uitoefent gunstig kunnen beinvloeden. De kerk heeft helaas een karikatuur gemaakt van die inzichten over bekoring, beproeving - die men dus diende te zoeken, zoals Gerard Walschap beschreef in "Zuster Vigilia" - door ze al te zeer op vleselijke genoegens te betrekken, terwijl wellust van macht, van gezag en van zelfgenoegzaamheid overal kunnen optreden.

Als we vernemen hoe Amerikaanse Evangelicals erin slagen van de boodschap van "de here" een verheerlijking te maken van het neoliberalisme, maar dit zo zonder enige zelfbeperking doen, dat het de samenleving en vooral personen gaat raken, kraken, dan moet men in het denken over religie wel besluiten dat het de oorzaak is van veel leed. Tegelijk kan men opmerken dat niet iedereen tot zo een donkere lezing van het leven en van bijbelse voorschriften komt. En laat het duidelijk zijn, ook aan de andere kant, bij atheïsten merkt men soms een analoge, maar anders gefundeerde benadering van het ik en de andere op, die weinig bevrijdend werken.

Dan zwijgen we nog van fundamentalistische bewegingen die zwelgen in het bloed van de vergelding, die zweren bij een bepaalde lezing van de Goddelijke Wet en dan komt het persoonlijke leven helemaal in het gedrang. Nog eens, het probleem van de RKK was lange tijd dat ze zoveel inzette op seksuele zondigheid, dat het niet enkel belachelijk werd, maar ook zonder betekenis. Maar vandaag merkt men dat mensen verloren lopen in het eigen leven, zoals ook Marli Huijer lijkt te bevestigen door een gebrek aan een gezonde discipline. Neen, geen kadaverdiscipline, maar het is ons lot dat de taal en het taalaanvoelen dezer dagen ons voortdurend naar het extreme lijken te trekken, want we moeten alles immers ten einde doodenken. Iets is goed, zeer goed en kan dus niet slecht zijn. Het leidt ertoe dat mannen die zich onbehoorlijk gedragen tegenover (jonge) vrouwen, menen dat ze het recht hebben om lomp te zijn. Het gaat ook over lui die op openbare plaatsen niet kunnen weerstaan aan de verleiding hun aanwezigheid door druk gedrag te accentueren. Het gaat dan ook om de ambivalentie van cultuur in het algemeen, waarbij men zich aan de ene kant bevrijd mag achten van alle knellende banden van religie en een hypocriete bourgeoiscultuur en tegelijk tot de vaststelling komt dat zonder enige zelfdiscipline de weg naar verruwing van de zeden weer open ligt.

De religie heeft, of men het graag hoort of niet in de vorming van onze cultuur een grote en niet per se heilloze invloed gehad. De vorming van samenlevingen in Europa hadden vaak wat te veel last van het bevestigen van de machten die zijn, maar tegelijk was er ook, of men er nu echt belang aan hecht of niet, ook een emanciperende kracht die uitging van de kerk, van de constitutie ook van machtsinstellingen. Het hof van een vorst, koning of graaf stond vaak of viel met de medewerkers en naarmate de kerk voor zichzelf beter gevormde mensen aantrok, zagen ook vorsten daar het voordeel wel van in. Machtsuitoefening, leerde Erasmus aan Karel V is een delicaat spel, van macht gebruiken maar ook van afzien van overdreven machtsmiddelen om een doel te bereiken.

Sommigen zullen menen dat ik hier een ontwikkelingsgang van Europa rooskleurig presenteer en eerder positief waardeer, maar zou het ook anders kunnen? Dat er gedurende anderhalve eeuw een scherp conflict heeft bestaan tussen de aanhangers van een liberale democratie zonder theocratische inmenging en aan de andere kant mensen die vonden dat de geestelijke macht van de kerk ook van belang is voor de samenleving, want katholiek, christelijk is goed, neemt niet weg dat sinds de 12de eeuw de contestatie tegen de machthebbers, maar ook de steunberen van de kerk en de macht vaak hun opleiding hadden binnen de kerk, ten behoeve van de kerkelijke administratie. Jan Hus, Luther en Calvijn, maar ook Giordano Bruno, die een pre-mozaïsche religie wilde uitbouwen om de godsdiensttwisten te doen ophouden, waren allen zeer goed geschoold, maar gooiden op enig moment en om verschillende redenen de voorschriften, normen, kerkelijk gezag over boord.

Vandaag is de rol van de kerk in vele discussies behoorlijk getaand, maar men merkt dat van de weeromstuit een beleid uitgestippeld wordt waar fout gedrag gemakkelijker dan voorheen via de wetgeving wordt uitgerold en de handhaving mag niet zoetsappig uitpakken, maar moet precies zero tolerance als norm aanhouden. Daar komt nog eens bij dat men vaker dan een paar decennia geleden moeilijk kan toegeven dat zo een beleid geen ongewenste neveneffecten zou kennen.

Laten we het dus maar over bekoring hebben, bijvoorbeeld de bekoring van een goede, stevige maaltijd overgoten met veel en goede wijn en nog wat achterna. Dezer dagen mag men aan die bekoring niet toegeven om redenen van voedselvoorschriften, om redenen van verkeersveiligheid en omdat men maatschappelijk dronkenschap nog harder veroordeelt dan de wet al doet. Beproevingen, zoals het moeten opvoeden of leven met een kind dat een mentale handicap heeft, worden dan weer als onnodig lijden beschouwd. Een zware accidenten, een onverwachte besmettingen, waar alleen maar paardenmiddelen en soms zelfs amputatie helpen, of gewoon andere ziekten, waar men slechts gedeeltelijk verantwoordelijk voor kan zijn, worden als overbodige beproevingen afgeserveerd. Men moet vaststellen dat het leven an sich geen beproeving mag heten, dat trauma's niet kunnen. De vraag is hoe dat invloed heeft op de wijze waarop we de condition humaine ervaren en dan blijkt dat we inderdaad menen dat leed ondragelijk is. Dat zonder inspanningen ons een weinig glorieus bestaan wacht, wil men de kindjes niet vertellen. Meer nog, als de kleinburgerlijke ouders op woensdag of zaterdag hun bloedjes naar de academie en de sportclub brengen, dan vinden sommige politici dat die ouders zich al te zeer uitsloven. Intussen zien we dat ouders hun kinderen zelfs vergezellen naar de kennismakingsdagen naar de universiteit. Want een onaangename kennismaking moet dus worden uitgesloten. Hier zit een andere bekoring om de hoek te loeren, namelijk dat kinderen, jongeren in een absoluut veilige samenleving zouden leven. Maar het overwinnen van hindernissen en hinderpalen, wel geruggensteund door ouderen, opvoeders, heeft ook betekenis. De zorg van ouders is soms te zeer gericht op het principe dat hun kind geen schade mag leiden, niet dat het iets zou hoeven te kunnen en vooral op eigen benen staan. Boris Cyrulnik heeft hier interessante denkbeelden over gebracht, maar lijken in het debat van geen belang, helaas. Juist het vermogen de weerbaarheid van een kind aan te spreken, geeft dat kind immers een kracht dat het bij zichzelf niet vermoed had.

Tot slot, net het leren omgaan met bekoringen, van een kaas- en wijnavond, van zware nachten in de studentencafés, maar toch slagen bij de examens, dat is toch de kunst. Kwaad berokken aan anderen kan natuurlijk ook altijd, achteloos of bewust. We horen het wel, maar laten het dan aan professionelen over om die ontsporende jongeren en studenten weer op de goede rails te zetten. Maar verder zijn we er nog nauwelijks om bekommerd. Het kwade kan niet bestaan, zeker niet als een metafysische aangelegenheid, maar we kunnen het natuurlijk wel doen. Het is een zaak van menselijk bestaan dat we het allemaal als (lastige) zaken te torsen hebben en het ons liefst zo gemakkelijk mogelijk maken, maar twee filosofen hebben met iets bijgebracht dat ook uit de tekst van het oude Onzevader opklonk, want niet willen blootstaan aan bekoringen of niet tot kwaad vervallen kan men dan wel zien als een bron voor een braaf en oplettend leven, maar misschien gaat het om iets anders: graag leven en goed leven was een kwaliteit die de calvinistische Hollanders de Vlaamse Katholieken benijdden. Aanvaarden dat er bekoringen op onze weg komen, dat we wel eens verleid kunnen worden, kan ons leven net rijker maken. En beproevingen die ons bestaan kruiden, aangaan, een zekere competitiviteit accepteren heeft ook betekenis. Maar dat alles kan negatief uitpakken als we leven vanuit een verachting voor de wereld, voor mensen en de menselijke aangelegenheden aanpakken. Het kan wel zinvol en boeiend blijken, als men naar het woord van Spinoza tot de amor Dei intellectualis kan komen, waarbij God staat voor de Natura. Spinoza meent overigens ook dat de menselijke aangelegenheden ertoe doen, terwijl er voor filosofen vaak een grote bekoring uitgaat van de gedachte dat de menselijke aangelegenheden in het licht van de eeuwigheid van geen belang of waarde zijn. Hannah Arendt had het in haar mens- en wereldbeeld over een liefde voor de wereld en mensen - niet: Dé Mens - en zij tilde net wel zwaar aan de menselijke aangelegenheden en onze omgang met de dingen, de mensen om haar heen. Anders dan bijvoorbeeld Martin Heidegger, hechtte zij ook aan het creatieve beginsel, dat mensen iets van waarde kunnen opbouwen en dat we ook steeds herbeginnen kunnen. Niet de dood bepaalt voor haar het menselijke bestaan, wel het geboren worden en steeds weer kunnen beginnen.

In deze optiek is het goed dat we een woord als bekoring niet geheel schrappen uit onze woordenschat: we kunnen goede mensen worden als we begrijpen dat we soms wel en soms niet op de bekoring, de verleiding mogen ingaan. Duidelijke maatstaven? Laten we het vooral ook over aan onze betrokkenheid, aan onze emotionele inbreng overlaten om te zien wat het beste is, voor onszelf maar ook voor derden, want ook dat is een gedachte die gelukkig in de filosofische discussies een plaats lijkt te krijgen, met dank aan Martha Nussbaum, het belang van emoties in ons handelen en in het samenleven. Overigens geldt dit niet enkel ons bestaan als particulieren, maar zoals Richard Sennett het stelt ook kan men in elk beroep kiezen voor een vorm van ambachtelijkheid, waarbij men niet zozeer de perfectie nastreeft en in de verleiding komt alleen de perfectie goed genoeg te vinden, maar net in het beproeven met veel vakmanschap iets te maken dat zo goed mogelijk is. Beproeving kan met (onnodig geacht) lijden te maken hebben, maar ook met het scheppende beginsel. Het blijft zaak dat goed uit te zoeken en te beproeven. Laten we dus geen woorden onnodig schrappen maar er niet enkel de eigen betekenis van proeven, maar het ook een plaats geven in ons handelen. Lang leve de bekoring? Zeker, maar ook de beproeving mag men niet negeren.

Bart Haers.



Reacties

  1. Waarom zouden we de here moeten vragen ons niet in bekoring/verzoeking te brengen? Bestaat daar gevaar voor misschien dat de here dat wel eens zou (durven) doen?
    Kwestie van sadistisch spelletje misschien ?
    Wat een onzin !
    En onze Bart slaagt er zelfs in daar de amor dei intellectualis van Spinoza bij te sleuren !
    Ik bescheur me van het lachen ! Grappige blog is dit !

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Fijn dat u zich bescheurt, maar laat duidelijk zijn dat die Here God er inderdaad weinig mee te maken heeft , maar anderzijds, als u nooit de verleiding, de bekoring heeft ervaren waar u om tal van redenen of een specifieke niet op kon ingaan, dan heeft u misschien niet geleefd, of het leven over u heen laten komen, wat op hetzelfde neerkomt.

      Verwijderen
  2. Mijn beste,
    Laat ik je geruststellen ; ik heb ongetwijfeld meer geleefd dan dat u zich zelfs maar kan verbeelden. En ik heb aan elke bekoring en / of verzoeking gehoor gegeven en ben er op ingegaan, en ik zal sterven met een glimlach op de lippen !

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dorian Gray klinkt dus beter dan anoniem. Maar toch, ik geloof domweg niet dat u op elke bekoring bent ingegaan, maar inderdaad, gehoor verlenen kan altijd nog.

      Verwijderen

Een reactie plaatsen

Populaire berichten