Aandacht voor casuïstiek



Dezer Dagen


Wat het leven brengt
Over het uitgeversvak, zittenblijven, 
ruimtelijke chaos en burgerschap


Adriaan Geuze als zomergast? Een ingieur? Een
man die wil werd van de grootse projecten, van de
oude polderwerken ten tijde van Simon Stevin over de
Afsluitdijk tot de gemoduleerde afsluiting van
de Oosterschelde. Hij vindt niet dat je
voor een redelijke oplossing moet gaan
maar eerst gewoon wat men zelf denkt
in het geding brengen, net wetende dat
er een redelijke oplossing uit de bus zal
komen. 
Eerst dit, want het moet toch maar betreurd dat een uitgevershuis een verdienstelijk uitgever de wacht aanzegt, zogenaamd omdat hij te Vlaams zou wezen. Hij, Karl Drabbe, gaf Vlaanderen werken te lezen die inderdaad niet tot de meest frivole horen, maar veel ruimte bieden tot reflectie en tot onderzoek. Over het al dan niet dominante Duitsland, de toekomst van Turkije en de evolutie van vloeibare waarden. Maar ook particratie kwam onder vuur te liggen, toen Wilfried Dewachter zijn boek over dat heikele thema op tafel mocht leggen. Kolakowski? Iemand? Niemand? Hopelijk zijn er toch die de filosofische uitgaven, samen met Klement vaak uitgegeven in de boekhandel vonden. Helaas, helaas en nog eens helaas, de kranten hebben voor dit soort publicatie geen vakje tenzij "saai" en vaker "ongepast" want non-fictie is het niet, wel reflectie en onderzoek voorbij de aannames en vooral voorbij de zogenaamde grote namen. Toch blijk een boek als "Door de lens van Spinoza wel degelijk een publiek te hebben gevonden, zozeer dat een andere uitgever Tinneke Beeckman wist te overtuigen naar een ander huis te gaan, maar die verleider is ook al vertrokken en zit nu bij Pelckmans. 't En zal het leven wel wezen, zeker, dat hard en ongenadig afrekent met losers. Het gevolg is wel dat we moeten vrezen dat we in de komende jaren minder boeiende en vooral minder gedegen essays en reflecties zullen vinden. Want jawel, dat verkennen van Kolakowski of het dissecteren van de particratie in Vlaanderen en België moet men ernstig onder ogen zien.

We staan namelijk niet alleen met de vaststelling dat we over sommige kwesties gemakkelijk op onze buikgevoel afgaan en dat velen menen rationeel te denken terwijl ze louter en alleen rationaliseren, excuses zoeken. Neem nu de kwestie van het spijbelen, waar men al tijden lawaai over maakt, omdat het nu eenmaal in de wet staat maar ook omdat men vindt dat spijbelende jongeren geen eerlijke kans zouden krijgen. Is dat geen omkering? Is het niet zo dat jongeren die spijbelen hun kansen vergooien, soms zeer wel wetende wat ze doen? Alleen is het probleem met het onderwijs dat de onderwijsverstrekkers, vooral de onderwijsbeleidmakers sinds wijlen Daniël Coens de leerplicht op 18 jaar betonneerde een norm hebben vastgelegd en een plicht opgelegd aan mensen die niet altijd paraat waren of zijn zich met dat schoolse in te laten. Waarom moet Pietje, Kevin of god weet wie nu naar school? Het is de wet. Van een of ander nobel devies is er geen sprake en van een rozenvingerig ochtendgloren al evenmin.

Pleit ik niet voor spijbelen, dan betreurde ik al vaker dat het onderwijsbeleid alle vreugde in het studeren eruit heeft geperst. Men heeft er de vroegere competitieve geest uit gehaald, waar nog enig begrip voor opgebracht kan worden, maar toch, de competitie helemaal doden... boys will be boys. En dat is het tweede probleem, men zegt dat vroeger onderwijs een kwestie was van stampen, drammen, blokken en wat al niet meer aan woorden beschikbaar is om de te kennen leerstof uit het hoofd dan wel "by heart" te leren. Erin krijgen was een zaak, het foutloos eruit brengen was een andere en daar wrong het schoentje, want het viel nog mee een overhoring Latijnse woordjes te brengen, want dat was dagelijkse routine, voor wiskunde kon het vaak helemaal stroppen, als men dat ene regeltje uit de stelling van Lagrange - maar om welke stelling het ging kan ik helaas niet meer achterhalen - niet kon neerschrijven en dus de hele stelling in duigen viel.

Maar niet iedereen komt zover met wiskunde dat hij of zij met afgeleiden en tussenwaardestellingen te maken zal krijgen. Het is goed dat er een Beroepssecundair onderwijs bestaat en het valt wel eens op dat men neerkijkt op die jongeren die slechts dat niveau bereikt hebben. Ook blijkt dat wie voor een leercontract ging, vaak meer de kneepjes van het vak in de vingers heeft, omdat in de schoolse sfeer de traagste medeleerlingen vaak het tempo bepalen. Dat kan verveling met zich brengen en baldadigheid, afwezigheid ook en dan loopt het mis.

Wie ervan droomt onderwijs op maat te verstrekken, verliest verschillende zaken uit het oog. Ondermeer in het muziekonderwijs blijkt vaak de persoonlijkheid van de leerkracht bepalend voor het enthousiasme van de leerling, voor de vorderingen bij uitstek. Maar juist daar blijkt hoe belangrijk de ingesteldheid van de leerling zelf van belang is, want diens inzet zal finaal bepalen of er iets komt van het studeren van een sonate van Van Beethoven of een ballade van Chopin. Onderwijs op maat? Van wie, waartoe? Onderwijs kan mensen optillen en voor wie hier gewoon het traject kon volgen, merkt soms niet dat instanties als het PMS, nu het CLB, Centrum voor Leerlingenbegeleiding vaak de maat der dingen uit het oog verliezen.

Neem nu Nahima Langri, wier ouders uit Marokko kwamen en die hier geboren werd en opgroeide in Borgerhout, toen een jezuïet in haar omgeving opdook en met kleine en grotere ingrepen de kansen bevorderde, op maat. Maar zij had er zelf voor te strijden en deed het ook. Hetzelfde geldt overigens voor Alicja Gescinska, die nu in de VS als filosofe werkt. Ook zij was zogenaamd voorbeschikt om kapster te worden en werd een boeiende filosofe. Voor hen was onderwijs geen sinecure, geen blote verplichting, maar ze wilden het doen en deden het ook, wellicht met welwillende steun van de ouders en anderen die iets in hen zagen... zoals het eertijds ging voor kinderen van echte arbeiders, die via steun van weldoeners naar het college mochten. Ook daar was sprake van inzet en moed en ook al eens lastige momenten, kleineren soms.

Het overzitten, spijbelen en ander problematisch gedrag komt vaak voort uit het feit dat jongeren vandaag van het onderwijs weinig of niets verwachten. Zelfs het verwerven van inzichten wordt als mogelijkheid geminimaliseerd en sommige pedagogen menen dan nog eens, Bourdieu nabrouwend dat jongeren niet zomaar dat cultureel kapitaal kunnen verwerven. Nou, als dat zo zeker was, dan hadden maar weinigen er echt iets van gebakken. Onderwijs kan zeer verrijkend zijn en kan mensen werkelijk (onverhoopte) kansen aanreiken, maar het verplichtende karakter en vooral het voortdurende gezeur in de media dat men zijn school niet moet afmaken om toch ergens te komen, het klinkt mooi, maar het slaat nergens op. Of beter, de ene mogelijkheid luidt dat men alsnog ergens toe komt, of dat men na gedane studies nergens komt, kan men niet als normerend voorstellen. De relatie tussen het algemene inzicht en het persoonlijke, bijzondere verhaal blijft complex. De andere mogelijkheid is dat men een goed leven leiden kan, evenwel zonder uitschieters, zonder bijzondere prestaties - in de ogen van anderen - en ook dat moet men dan slikken, want dan behoort men tot die losers waarover onze humorfabrikanten het zo graag hebben.

Het blijft opvallend hoe snel mensen, ook al fabriceren ze geen graptjes aan de lopende band, oordelen over zaken van algemeen belang maar nog vaker over zaken van particulier belang, uit het persoonlijke leven van anderen. Toen de krant De Standaard begon met een reeks over lelijk Vlaanderen - Lelijk België kan ook, maar dat valt buiten de horizont - vond ik dat niet zozeer confronterend, wel bedenkelijk gemakzuchtig. Het klopt, landschappen verdwijnen in snel tempo. Winkelboulevards groeien haast vanzelf rond centrumsteden en andere vlekken en niemand die weet hoe het komt. Maar we geloven zo graag, dat het anderen zijn... terwijl actoren op de markt hier handig inspelen op de verschillende wettelijke kaders die samen tot zo een winkelboulevard kunnen leiden, waardoor het landschap waar we doorheen gaan om van a naar b te reizen, volledig verdwenen is achter de gevels en ons ertoe brengt te begrijpen dat dit ons zowel het plezier van het rijden als het bewonderen van het landschap vergalt. Let wel, hier is geen complot werkend, maar spelen bekwame lieden met de juiste hefbomen zodat hun plannen werkelijkheid worden en wij geacht worden blij te zijn. Op dat vlak moet men naar "Schoenen Torfs" van de bekende Wouter Torfs kijken. Ik gun hem en diens familie het geboekte succes, maar vrees dat ze mee zullen zorgen voor een verdere leegloop van de oude winkelstraten.

De lelijkheid van Vlaanderen? Ach, soms ben ik ook wel eens geneigd daarin mee te gaan, maar toen Bob van Reeth sprak over de KBC-toren bij Gent, de architect ervan een sukkelaar noemde, vond ik dat niet enkel overdreven, maar zelfs misplaatst. Ik vroeg mij af waarom zo een toren noodzakelijk beantwoorden zou aan de behoeften van de bank, maar anderzijds staat de toren buiten de stad, op een terrein waar andere gebouwen staan, zoals de Ikea en Flanders Expo die me niet geheel bevallen. Maar, men had in Gent ruimte nodig en dan kan men leven met de geboden oplossing. Het bouwen aan grote steenwegen, omdat de familie er nu eenmaal grond heeft, heeft inderdaad geleid tot vormen van lintbebouwing die men vooral niet graag ziet. Toch vernam ik van een ingenieur-landschapsarchitect  (VPRO-zomergasten) dat we alert moeten zijn voor de juridisering van het ruimtelijk beleid. Juristen kunnen bepalen wat wettelijk mogelijk is, het zijn ingenieurs die het probleem bekijken, analyseren en dan de opdrachtgevers proberen te overtuigen van wat voor ingrepen nuttig zijn of optimale resultaten kunnen leveren, als en indien.

Laten we het zo stellen, dat al die klagers over lelijk België of verslommerd Holland -waaruit het hart steeds harder wordt weggedrukt - in plaats van in stand gehouden - juist iemand als Adriaan Geuze het oor niet zullen lenen, net omdat men telkens zegt dat ingenieurs de stoottroepen van het grote geld zijn, terwijl deze man net uitlegt dat de overheid, nadat ze een bestuursapparaat met een opvallende staat van dienst - Afsluitdijk, Flevopolder, Oosterschelde.. - hadden afgebouwd om het vooronderzoek en het planmatig analyseren van mogelijkheden aan de particuliere sector zijn gaan overlaten machteloos geworden is tegenover het geld van grote investeerders en studiebureaus.

Daarmee zijn we terug bij het verhaal van Karl Drabbe die ontslag kreeg, terwijl op het oog zijn werk meer dan behoorlijk mocht en mag heten. Ten gronde lijken we eens te meer gevangenen van aannames die niet meer overwogen worden en gokken zonder enige voorkennis. Het onderwijs zelf blijkt nog het meest in de greep van algemene concepten, terwijl men zegt, naar Rousseau, werk op maat te willen leveren, terwijl dat zelfs niet kan, niet hoeft ook. De omgang met de leerling m/v kan op maat zijn, de over te dragen is wat die is en daar moet nu net de leerling mee verder. Laat ons proberen het debat aan te gaan over deze kwesties, niet vanuit het grote gelijk, maar met aandacht voor wat de omstandigheden vergen én aan mogelijkheden in petto hebben. Dat wil zeggen dat we niet vanuit algemeen geldende regels denken, maar die hanteren om concrete vraagstukken op te lossen, zoals een ingenieur doet.

Het leidende principe? Burgerschap.  Bepaald niet te begrijpen als onderworpenheid aan enige instantie, kan men het concept wel begrijpen als een scala van mogelijkheden om zowel de eigen positie goed in te schatten als die van anderen en te begrijpen dat we naast particuliere belangen ook gedeelde, ook gemeenschappelijke belangen hebben te beantwoorden. Het gebruik van de openbare ruimte en de invulling van onze (woon-)behoeften blijken op dat vlak belangwekkend en toch altijd nog te weinig uitgewerkt, overdacht. Burgerschap kan men dus niet zomaar altijd op dezelfde manier vorm geven, want er schuilt ook aandacht voor omstandigheden in, voor casuïstiek.

Bart Haers



Reacties

Populaire berichten