Alexander von Humboldt en de Verlichting



Kritiek



Von Humboldt en de rede
De Verlichting aan het werk


Deze afbeelding geeft weer hoe Humboldt
op de flanken van de Chimborazo merkte
dat de planten van de voet tot de boomgrens
de verschillende klimaatzones van tropisch tot
toendra weergaven. Het Geografisch
Informatiesysteem bouwt in doorgedreven
vorm verder op die waarneming en
intuïtie ineen. 
De vraag is en blijft hoe we omgaan met de planeet aarde en hoe we het beste prangende problemen oplossen. Dat blijft een kwestie waar we niet afdoende over discussiëren, wel voortdurend oekazes over uitbraken en niemand laat na de andere te verketteren. De kwestie is niet of de visie van Alexander von Humboldt nog steeds zou gelden, want dat zou afbreuk doen aan zijn navolgers - zij die zich door werken geïnspireerd wisten -  die onderzoek deden, aangespoord door hem, maar niet altijd op dezelfde resultaten uitkomend; in de wetenschappen en zeker de generalistische zoals Humboldt die bedreef, gaat het werk van de voorgangers in vele gevallen wel verloren, omdat men denkt te volstaan met de laatste bevindingen, maar de ontwikkeling van een discipline kan onderzoekers veel leren over de eigen positie ten aanzien van de kwestie die men behandelen wil.  

De weg die Humboldt ging zou in het tijdperk waar men voortdurend over wetenschappelijke scholing als basis voor innovatie redekavelt, best eens instructief kunnen zijn, al zal men niet de genade kennen van de grote ontdekkingen te kunnen doen, die hij heeft aangedragen. Hij liet niet na te publiceren en te communiceren over zijn bevindingen zodat hij een enorme briefwisseling heeft nagelaten. Kan men stellen dat wetenschappelijk onderzoek op dit niveau in deze tijd onmogelijk zou zijn, dan blijkt het volgens Andrea Wulf wel zo uit te pakken dat de natuur als object vooral voor klimaatonderzoekers wel nog van belang is of wie de diversiteit hoog in het vaandel zou voeren, maar het verhaal van de bijen laat ook zien dat we er allemaal belang bij hebben dat de natuurlijke diversiteit intact zou blijven. De oude discussie over het beschermen van soorten dan wel het behouden qualitate qua van zo groot mogelijke biotopen en ecosystemen rond een sleutelelement, een boom of ander organisme dat een geheel van krioelend leven, fauna, flora, schimmels herbergt, dat op zich weer voor virussen en bacteriën een voedingsbodem vormt, komt helaas te zelden aan bod.

In de loop van de afgelopen decennia is men toch gekomen tot het inzicht dat biotopen beschermen beter is dan afzonderlijke soorten vogels en planten - al kan het soms wenselijk zijn een specimen extra te beschermen, maar men mag dan niet vergeten dat men zo natuurlijke (on-)evenwichten verstoort. Nu, dat doen mensen sowieso, bedacht Alexander von Humboldt, want de mens ging nogal eigenmachtig om met de omgeving, zeker ver van de gebieden waar ze met de routines van landbouw en wegenaanleg vertrouwd waren. Humboldt kende de schrale omgeving van Brandenburg, wist ook dat er elders landouwen waren waar de aarde milder was en meer vrucht kon dragen en tegelijk, toen hij per koets door Rusland reed merkte hij hoe traagzaam slechts het landschap veranderde: hoe ze ook raceten door de Russische vlakten, het bleef alles alsmaar bekend en hetzelfde. De oudere reiziger Humboldt die naar de Himalaya wilde, had vrede te nemen met een trip door de Euraziatische vlakten. Toch heeft zijn benadering van de natuur school gemaakt en ging Charles Darwin in zijn hangmat op de Beagle zowat slapen met de werken van Humboldt en stond hij er ook mee op, was hij bedrukt dat hij de vulkaan Teide op Tenerife niet kon beklimmen, wegens de stormen op dat ogenblik in het gebied. Hij zou dus niet helemaal in de voetsporen van Humboldt treden? Maar wat hij wel kon en deed is kijken, niet naar een soort, een facet, maar de vele facetten van eenzelfde werkelijkheid bekijkend, kwam hij tot bijzondere inzichten, die leidden tot wat we nu de evolutietheorie noemen.

 De verspreiding van de inzichten van de natuurvorser lukte wellicht omdat hij naast een doorgedreven methodische benadering, voortdurend allerlei metingen doen met de instrumenten die hij mee had genomen,  ook de schoonheid en de dynamiek van wat hij ontdekt had, kon overbrengen bij zijn publiek, zowel in zijn boeken als lezingen. Fanny Mendelsohn woonde lezingen bij van Alexander von Humboldt die hij eerst aan de universiteit hield, maar wegens onvoorzien succes in een groter auditorium ging geven. Hij had na zijn reis naar Zuid-, Midden- en Noord-Amerika zoveel materiaal over de natuurlijke omgeving, over de soorten en natuurlijke de vaststelling over het bestaan klimaatzones en hoe dat ook op de flanken van hoge bergen af te lezen, dat hij jaren doende was het allemaal te verwerken zonder "het" uit te melken. Zoals hij in de Andes kon vaststellen dat op de flank van een gebergte planten naar soort opklimmende elkaar opvolgen, van tropisch tot toendra, bracht hij dat over via de bekende - is het nog wel bekend - Natürgemälde, waar hij de hele opeenvolging van zones uitwerkte. Op school kregen we dat als bewezen kennis, maar het verhaal van de ontdekkingsreizigers in de Andes had wellicht nog meer interesse voor de benadering kunnen opwekken.

Het klimaat heeft dus een grote invloed en bovendien, zo ontdekte von Humboldt uit eigen onderzoek en onderzoek van anderen, want het heeft te maken met de positie ten aanzien van de evenaar en vervolgens ook speelt de lengtegraad mee, in die zin dat de klimaatgordels niet eenduidig verspreid zijn, maar dat bergen en zeeën, stromingen hun invloed uitoefenen. Lag dat alles mathematisch en onveranderlijk vast, dan zou er geen ontwikkeling van soorten zijn en niet voor niets laat Andrea Wulf zien dat Darwin wel heel goed ingelezen was in het werk van Humboldt. Maar, hij was zo gefascineerd dat hij in eerste instantie niet geheel naar de natuur leek te kunnen kijken zonder er von Humboldt bij te halen. Onderweg zag hij vaak de bevestiging van de inzichten, ook al omdat hij verschillende malen langs de kusten van Zuid-Amerika is gevaren. Het is die vaststelling mijnerzijds, die me opmerkzaam maakte voor de wijze waarop we naar natuuronderzoek kijken: we moeten ons wapenen met beschikbare kennis, maar niets levert dat op als het onze eigen observaties belemmeren zou. Zelf kijken en toch ook omgaan met de massa data die hij verzamelde en liet verzamelen, is dus de opdracht. Lag het alles vast, omdat het systeem stabiel zou wezen, dan zou men van leven niet kunnen gewagen, in die zin is de natuur dynamisch en net niet stabiel.

In 1828 riep hij in Berlijn een congres samen waar de wetenschappers geacht werden ook met elkaar van gedachten te wisselen en elkaar niet met een kachelpook te lijf te gaan. Men had gezamenlijke maaltijden en het congres zelf zorgde voor een stroom uitwisselingen van inzichten. Als dat geen bijdrage vormt aan de vooruitgang van de wetenschap, dan zal men ver moeten zoeken. Humboldt zou nog een stap verder gaan en nadat hij in 1801, 1802 via Bogota en Quito door de Andes   met Aimé Bomplan was gereisd en vulkanen had beklommen, ontdekte hij, tot ergernis van Goethe zoals die later aangaf, dat het vulkanisme beduidend meer invloed had op de vorming van bergen dan afzettingen van de zee, het zogenaamde neptunisme, waarbij Humboldt wel een vermoeden had van de continentendrift. Nogal wiedes, denken we dan, want hoe zou de zee via afzettingen een bergketen als de Alpen hebben kunnen vormen, terwijl de kennis omtrent platentektoniek pas halfweg de vorige eeuw als deugdelijke theorie snel ingang vond, terwijl Alfred Wegener aan het begin van de eeuw de continentendrift had voorgesteld als hypothese - wetenschappelijke inzichten hebben soms een lange incubatietijd, want kaartenmakers als Abraham Ortelius had al vastgesteld hoe Zuid-Amerika qua vorm past in de westkust van Afrika. Wel is het zo dat er kalkrotsformaties zijn die achterbleven toen de zee, door veranderingen van klimaat en van geologische bewegingen zich terugtrok uit bepaalde gebieden - in termijnen van miljoenen jaren te rekenen, want in die zee leefden massa's schaaldiertjes die op de lange duur bij afsterven hun omhulsel achterlieten op de zeebodem en ja, vele kleintjes maakten een groot. Maar om de hoge rotsformaties en bergketens te vormen is er meer nodig. Hoe zou men nu dus tot een synthese van de verschillende inzichten kunnen komen over hoe onze aarde gevormd is? In twintig lijntjes komt men niet zo heel ver.

Dankzij de Mercuriusovergang op 9 november 1802 lukte het Humboldt de exacte positie van Lima op de lengteas van de aarde te bepalen en leverde zo een kunststukje af. Vandaag doen geologen nog zelden aan astronomisch onderzoek - hoewel ze vaker bij onderzoek van nieuwe onderzoeken in de ruimte betrokken zijn dan men zou denken en omgekeerd zullen astronomen de aardse omstandigheden minder vaak onderzoeken, tenzij om een ideale observatiepost te kiezen, in de Andes of elders op bergtoppen met weinig licht- en luchtvervuiling. Maar een uitbarstende vulkaan kan voor een troebel zicht zorgen. Hier kan dus alleen een multi- en interdisciplinaire aanpak tot nieuwe inzichten voeren.

Gaan we dan nog in op de vaststelling dat Humboldt in Petersburg voorstelde om overal te wereld waar mogelijk waarnemingen te doen over het aardmagnetisme, dan zien we hoezeer hij tot het inzicht was gekomen, ondanks zijn ervaringen met de Napoleontische oorlogen en de houding van zijn broer Willem, de taalkundige, en de Pruisische koning na de veldslagen bij Jena en Auerstadt, 1806, waar zij de nationale zaak uiteraard aanhingen, terwijl hij bleef geloven in de Republiek der wetenschappen, waar internationale samenwerking van enorm belang was en is. Kortom, Humboldt schonk de wereld een nieuwe benadering, al kan het best dat er al vroeger via briefwisseling veel uitwisseling was geweest, vond hij dat dit veel directer en uitgebreider moest kunnen.

De weg die het onderzoek is gegaan, met Darwin en anderen, lijkt erop gericht geweest te zijn het persoonlijke werk voorop te stellen, vaak omdat men hun stoutmoedigheid niet altijd goed verdragen kon, want wie een oude waarheid onderuit haalt, komt ook vaak tegenwerking tegen. Darwin had twintig jaar nodig om alle mogelijke hinderpalen, ethische en persoonlijke maar ook wetenschappelijke te slechten die de publicatie van de inzichten, gekend als "The origin of species" kon presenteren - toch had hij al in 1839 een vrij volledig beeld van wat in zijn "the origin of species" aan de orde komen zou, terwijl Humboldt vaker zijn publicaties uitgebreid de wereld toestuurde, waarbij gezegd kan worden dat de vele volumes ook vooral banden, volumes met data bleken, zodat anderen ze konden controleren. Over de bergketens, de Orinoco en andere bevindingen lazen de Europeanen met groot enthousiasme, zoals ze na 1841 met Kosmos begon, dat vanaf 1845 begon te verschijnen, veroverde hij ook de wereld.

Toen de ouder geworden Claude Levy Strauss geconfronteerd werd met de vraag wat hij dacht over de strijd van de Kannaken in het Franse overzeese departement Papoea-Nieuw-Guinea, zegde hij dat hij vertrouwd was geraakt met de bewoners van het Amazonegebied, maar niets zinnigs te melden had over de Kannaken. Het was een bevreemdende uitspraak, die des te meer opvalt omdat Humboldt niet aarzelde opinies te delen, over kolonialisme en exploitatietechniek, of het ontbreken ervan. Humboldt begreep ook wel dat het ene en het andere niet zomaar vergelijkbaar zijn maar tegelijk zag hij hoe de slavernij in de VSA heilloos moest heten. Nauwelijks een jaar na zijn overlijden, begon in de VSA de secessieoorlog tussen de Unie en de gefedereerden met als inzet het recht op slavenhouderij - de handel was al nagenoeg verboden.  Dat hij de Amerikaanse overheid inlichtte over een fout inzake de afgrenzing van territoria in het diepe zuiden tussen Mexico en de VS na een oorlog zou leiden tot een immense gebiedsuitbreiding van de VS, mag ons ook niet ontgaan.

Humboldt vertegenwoordigt met andere woorden een vorm van Verlichting en van het hanteren van de Rede, die ons wel moet aanbelangen. Zijn benadering van de werkelijkheid, van wat hij kon vaststellen beruste op uitgebreide en herhaalde waarnemingen, maar tijdens zijn verblijf in Jena en Weimar, waar hij met Goethe niet enkel over mijnbouw sprak, ontdekte hij bij de filosofen en denkers, schrijvers aldaar dat wetenschappelijk onderzoek meer was dan met data goochelen. Met Friedrich Willhelm von Schelling deelde hij blijkbaar de gedachte dat natuur en geest wel degelijk deel waren van eenzelfde werkelijkheid. Het blijft intrigerend te zien dat men Schelling die het systeemdenken niet echt genegen bleek, nog nauwelijks ernstig lijkt te nemen, terwijl die een natuurfilosofie ontwikkelde waarin de objectieve werkelijkheid van de natuur en de opvattingen over het ideale, de geest of transcendentale filosofie elkaar aanvullen. De natuur is dus niet begeesterd, maar doorheen het onderzoek zou de eigen dynamiek en dus ontbreken van stabiliteit, ontbreken ook van volmaaktheid, eigen aan vele vormen van ideaaldenken ofte idealisme niet ontkend hoeven te worden, terwijl dat idealisme als mogelijkheid van het menselijke denken niet a priori met die natuurlijke onvolkomenheid hoeft te botsen: men kan het ideale denken en de natuur als zodanig erkennen en zelfs waarderen. Het ontwikkelen van illusies is dus inherent aan het denken zelf.

Omdat de natuur voor Humboldt geleidelijk een reeks van data werd, over hoogten en diepten, over temperaturen en regenval, over voorkomende planten of soorten, zou men kunnen aannemen dat hij de natuur als onttoverd bejegende. Wellicht kan men dat gemakkelijk aannemelijk maken, maar de vraag is of Humboldt op die manier aan het meten om te weten was geslagen.

        De toenemende intellectualisering betekent dus niet een toenemende       kennis van de levensomstandigheden waaronder men leeft. Maar zij         betekent iets anders: het weten ervan of het geloof eraan dat men, als      men maar wilde, het altijd te weten zou kunnen komen, dat er dus       principieel geen geheimzinnige onberekenbare machten zijn die ertussen         zouden kunnen komen, dat men veeleer alle dingen - in principe - door         berekenen beheersen kan. Dat betekent de onttovering van de wereld. Niet meer zoals de wilde, voor wie zulke machten bestonden, moet      men naar magische middelen grijpen om de geesten te beheersen of        gunstig te stemmen. Maar technische middelen en berekening       volbrengen dat. Dit in het bijzonder betekent de intellectualisering van        de wereld.

Max Weber, Wetenschap als beroep, München 1919

Het blijkt mogelijk, zoals Weber ook aangeeft om aan die aanname dat men alles kan meten en zo berekenbaar en dus beheersbaar maken kan grenzen aan te brengen. Een ingenieur werpt een brug over een rivier, weet de stroming te overwinnen en vindt oplossingen voor hoge waterstanden, zodat mensen met droge voeten de rivier kunnen oversteken en weten dat de brug er zonder aardbevingen of beschietingen altijd zal liggen, als men het kunstwerk weet te onderhouden. Die beheersing kan men best waarderen. Weber vond het problematisch als men daarmee, zoals Schelling en Humboldt moeten hebben overdacht, dat men het vanzelfsprekend acht alles onder controle te kunnen hebben, want Humboldt had onder meer aan het Valenciameer ontdekt, dat ongeremde ontbossing schadelijk was voor de landbouwproductie en dus onbedoelde neveneffecten ressorteerde, oftewel, van controle en beheersing was er geen sprake. Men leze de Faust II waar de inpoldering van nieuwe landouwen beschreven wordt, om te beseffen hoe we voortdurend handelen vanuit precies de illusie van grote of totale controle. De discussie over het verbieden van bepaalde herbiciden, glyfosaat, laat zien dat het wellicht mogelijk moet zijn producten in te zetten, waarbij men goed nagaan zal hoe gevaarlijk producten zijn, meten dus en vervolgens die meetresultaten ernstig weet te nemen.

Het valt op dat we vandaag voortdurend rapporten voorgeschoteld krijgen, waaruit blijken moet hoe slecht we het doen, als het om natuurbehoud gaat, maar als men met oud nieuws afkomt, over de roofzucht van katten of het verdwijnen van vinken en mezen, dan merkt men dat er echt iets ontbreekt in de onderzoeksmethodes. Menselijk handelen is niet goed voor de natuur, dat weten we al langer, maar het valt op dat mensen die de klimaatzaak bepleiten nieuwe technologieën, technologie als zodanig afwijzen. Is het aanwenden van ggo in de landbouw echt schadelijk? Proeftuinen vernielen brengt ook niets op. De kritiek van von Humboldt aan het adres van de exploitatie door de Spaanse kolonisator in Zuid-Amerika, waarbij hij er op wees dat paters van een missiepost een schildpadsoort zo goed als uitgeroeid hadden omdat ze alle eieren gingen roven, want die konden ze gebruiken voor hun kaarsen. Hij vond dat er een nuttige middenweg te bedenken valt, waarbij er toch nog nakomelingen zijn en wij goed gebruik maken van wat de natuur in petto heeft. Doorgedreven exploitatie is schadelijk voor wie exploiteert, voor de natuur en legt een hypotheek op de toekomst. Von Humboldt draaide zelden rond de pot, al wachtte hij wel eens het geschikte moment af om zijn inzichten mee te delen. Het gaat dus niet aan die inzichten niet te brengen.

Tomas Sedlacek heeft de aandacht gevestigd op wat in de oude verhalen, onder meer uit de bijbel waar goed beheer ook inhield dat men landbouwgronden nooit helemaal zou uitputten, onder meer door een braaklegging van akkers elke de zeven jaar, zoals later Karel de Grote in Capitularia de raad gaf het drieslagstelsel toe te passen. Later ging men stadslatrines uitlegen en de menselijke uitwerpselen in de tuin- en landbouw gebruiken. Verrijking van de grond, maar ook daar, zo is gebleken, heeft men overdreven. De ontdekkingsreiziger ontwaarde wel de mogelijkheden van guano, vogelmest, die in de loop van de 19de eeuw naar Europa werd gebracht om de landbouw natuurlijk te bemesten.

Von Humboldt leefde tijdens zijn reizen in Venezuela en elders zeer sober, rijst en bananen en af en toe een stukje vlees, maar hoe hij in de salons in Parijs en Berlijn leefde is niet geheel duidelijk. Hij werd, ondanks zijn ziekelijke jeugd en tropenjaren 90 jaar oud. Hij zal wel geluk gehad hebben, maar op de een of andere manier moet hij een optimale levenswijze gevonden hebben.

Humboldt beoefende een vorm van redelijkheid, waarbij hij begreep dat eenduidige benaderingen altijd zichzelf uithollen. Zette hij Simon Bolivar op weg om zich van een dandy te ontpoppen tot een vrijheidsstrijder, hij vond naderhand dat Bolivar wel een goed strijder was - enfin, hij kon mensen mobiliseren - maar hij slaagde er niet in een goed bestuurder te worden. Wat dat had moeten zijn? Humboldt vond de politiek in Pruisen en Oostenrijk, Metternich maar niets, met censuur en verklikken, want dat zou nergens toe leiden. Nadat rond 1806 - 1813 Pruisen een moment kende van politieke en intellectuele vernieuwing, met onder meer Hardenberg en Stein zu Stein, zou na de val van Napoleon de angst voor revolutie de vorsten in Europa bewegen elke revolutionaire idee eronder te houden. De lezingen van Humboldt zelf waren op zich al een negatie van de politiestaat. Voor de koning van Pruisen was Humboldt intussen een diamant in de kroon geworden zodat deze zich wel een en ander kon veroorloven.

Humboldt was dus geen eenzijdige naturist, dat wil zeggen iemand die zich met de natuur inliet omdat hij gehad had met de mensen en het mensdom, maar hij vond ook dat men als mensen over vermogens beschikt, die verder reiken dan zich bezatten en domweg doen wat mogelijk is. Ik gebruik het woord naturist als een houding van onredelijk verheerlijken van de natuur zoals die is, Humboldt wilde begrijpen, maar eerst en vooral observeren en dan kwamen er antwoorden, of gewoon inzichten. In Faust I en Faust II lijkt Goethe die manier van denken in de figuur van Faust te hebben vertolkt.

Humboldt, zo las ik deze uitgebreide biografie en ook de biografie van diens inzichten, gaf aan de Verlichting vleugels en het komt me voor dat hij zo niet enkel onderzoeksmethodes inbracht die later door onder meer Darwin nuttig werden aangewend: door over veel data uit verschillende domeinen van kennis te beschikken, kon hij verklaringen en verklaringsmodellen ontwikkelen die ver de eigen ratio van dat ene domein overstijgen. De ratio zelf werkte bij hem, maar door zo dicht te blijven bij wat hij kon waarnemen en wat hij zich herinnerde te hebben gezien, liep hij niet vast in monocausale benaderingen die men vandaag in de publieksversie van wetenschappelijkheid zo vaak aantreft. De relatie tussen genen, DNA en ziekten? Alsof de bacteriën waarmee we in symbiose leven ook geen invloed hebben, laat staan omgevingsfactoren. De dag dat men de oorzaak van borstkanker meende te kennen, bleek ook de dag dat er meerdere soorten kanker en ontwikkelingsmodellen van de ziekten te bestaan. Schuld en beladenheid, erfelijkheid worden dan moeilijke kwalificaties, waar men zo niet zo heel veel mee kan uitrichten.

Humboldt gaf en geeft wat mij betreft aan de Verlichting als historisch fenomeen en als beweging in het denken een parfum van durf en gedrevenheid, die men in de vele discussies dezer dagen over de Verlichting niet meer aantreft; men heeft de verlichting gedogmatiseerd en het denken zelf, als activiteit opgeofferd aan zekerheden. De reiziger die op een bergrichel uitkijkt naar de top van een vulkaan, de Chimborazo, maar die niet kan bereiken en toch terugkomt met een totaal nieuw inzicht, dat is wat mij betreft wat men de Verlichting moet noemen: het avontuur, de durf en ook het wel het genoegen iets van de wereld te zien dat men nog niet kende. Verlichting en dogmatiek? Neen, toch maar niet. Overigens had hij wellicht van Herder vernomen dat men de verschillen inzake flora tussen Andes en Amazonegebied best eens beter onderzocht konden worden. De Naturgemälde laten zien dat hij meer bereikte dan alleen maar een verklaring.  De rede is een vermogen van mensen, dat zich niet gemakkelijk vatten of te betrappen laat, tot het in onze handelingen en woorden tot uiting komt.

Bart Haers










Reacties

Populaire berichten