Plus est en vous: allmensch

Recensie


Goede mensen
Allmensch en het streven naar beter


Bijschrift toevoegen
Alicja Geschinska; Allmensch. Van middelmaat tot Meesterschap. Academia Press 2016. in: Reeks: Karakters. Filosofie en literatuur in Zakformaat. 39 pp. € 7,99

Alicja Gescinska blijft naarstig op zoek naar wat mensen beter kan maken, zonder het voor hen te willen oplossen. Zij gaat te rade bij filosofen van deze tijd en voorheen, om aan te geven waarom we vandaag soms de indruk krijgen dat mensen er zich gemakkelijk van afmaken. Toch is het net de vraag of mensen bereid zijn met middelmaat vrede te nemen, voor zichzelf. Allmensch is geen Jedermann, niet zomaar iemand die op alles ingaat en zich laat meedrijven, maar precies op zoek gaat naar mogelijkheden om zichzelf te ontwikkelen. Wat we doen, willen en dat omdat we overwegen dat het goed is, dat het beter maakt, onszelf maar ook de omgang met anderen, aldus Gescinska, kan men in een woord passen: "Timshel", Gij kunt het.

In deze tijden spreken over een betreurenswaardig verzinken in de middelmaat botst op wel meer tegenwerpingen, wat de auteur er niet van weerhoudt dit punt aandachtig onder de aandacht te brengen. Middelmaat is onontkoombaar in de mate dat we ons daarbij verlaten op statistiek en op bijvoorbeeld meten van het IQ. Middelmatigheid aanwrijven gebeurt wel vaker, waarbij we onszelf op een piëdestal zetten en anderen voor onwetend houden of onkundig. Maar er is een middelmaat van de geest, waarbij men vooral betracht salonfähig door het leven te gaan en absoluut niet origineel te willen lijken. Sommigen gaan dan wel net proberen uit te blinken en denken dat ze meningen moeten spuien waarvan ze menen dat anderen ervan huiveren en ervoor op de vlucht slaan. Meestal valt dat dan "vet" tegen, want we zullen net dergelijke tafelspringers verwaand vinden maar willen er zelf niet voor onderdoen. Waar het dan wel over lijkt te gaan? Over onverschilligheid en het ontbreken van bereidheid er iets aan te doen. Het volstaat niet te zeggen dat men niet tegen onrechtvaardigheid kan, maar of men er zelf iets wil doen, meer nog, of men zelf rechtvaardig wil handelen.

Maar hoe we kunnen komen tot meesterschap en dus aan de fatale middelmatigheid ontkomen, blijft daarmee wel onbesproken, betreurt Alicja Gescinska want men vindt dat we ons niet te zeer moeten uitsloven. Klopt dit wel, want beleven we niet vaak genoeg dat mensen zich uitgesproken perfectionistisch opstellen, waarbij goed alles behalve goed genoeg mag heten, echter het gaat erom dat meesterschap en perfectionisme niet sporen met elkaar. Met Allmensch laat Gescinska een filosofie op de voorgrond komen die uiteraard ook met concepten, categorieën en definities werkt, maar tegelijk weet dat die benadering, die op het snijvlak van juist dan wel fout functioneren, zonder te negeren dat men over het beleefde leven zelf te spreken heeft. Martha Nussbaum heeft in haar onderzoek naar politieke emoties al kunnen betogen dat we ons niet mogen verstoppen achter de idee dat het vooral angst en macht zijn die in de politiek een rol spelen. In het bijzonder stelt ze ook betrokkenheid als mogelijkheid voor en dus ook zoiets weemakends als naastenliefde. Deze inzichten waar ook Fernando Savater en Richard Sennett vanuit hun eigen zeer verscheiden vertrekpunten bij uitkomen, kan men ook als respect voor te stellen zijn. Wat is dat dan weer?

Het zeer beknopte essay dat Gescinska ons schrijft, het heeft wel iets van een brief of adres, laat ons toe te begrijpen dat wie we zijn nooit datgene kan zijn dat naaktgeboren op de wereld komt, zonder opvoeding of vorming volwassen zou worden. Allmensch is een aansporing te worden wie we ten beste kunnen zijn. "Plus est en vous"? De kwestie komt in verschillende passages aan bod en blijkt dezer dagen in het publieke debat door bekende lui afgewezen te worden. Wie we echt zijn komen we maar te weten als we ons inspannen onze vermogens optimaal uit te werken en dat geldt niet enkel onze handigheid of intellectuele vermogens. Bovendien hoeven niet allemaal op dezelfde manier uit te blinken, maar kan juist de verscheidenheid aan ontwikkelde vermogens de samenleving heilzaam blijken.

Goedheid des harten zal wel niet vaak voorkomen in de actuele debatten, maar als Martha Nussbaum spreekt over affiliatie, maar ook over praktische rede, waarmee ook Gescinksa uitlegt dat we als mensen ons betrokken kunnen weten bij het welbevinden van anderen, het zich rekenen tot de wereld van anderen en anderen in onze wereld, leefwereld toelaten. De praktische rede laat dan toe, vermoed ik, dat we een manier vinden om dat wat we denken te betekenen en te zijn ook vorm te geven. In de discussies sinds ik met onder meer utilitaristen als John Stuart Mill kennis mocht maken, was er altijd die ene vraag die open bleef, wat betekent dat nu voor mij? Kan ik daar in feite iets mee. Het gaat over de vrijheid die we als een definitie opvatten, niet als een ervaring en daar zit na lectuur de betekenis van Allmensch in, want we krijgen geen beeld van superieure mensen - ethisch of sportief, intellectueel of anderszins  - te zien maar precies mensen die weten tot de bescheiden middelmaat te behoren en er toch in slagen van dat grijze, duffe leven iets te maken.

Daarom begrijp ik het pleidooi als een poging van de filosofe om mensen ruimte te bieden, mentale ruimte om zonder te streven naar perfectie vooral meesterschap te bereiken ook in het leven. Wat dat betekenen moet, legt de auteur dan weer niet in concreto uit, maar we kennen allicht wel mensen die op de een of andere manier onze verwondering weten te wekken omdat ze "ondanks de omstandigheden" toch iemand blijken te zijn. De judotrainer die op zijn 80 jaar nog op de tatamis, judomat komt, ons leert dat fair play loont - toen was de man, net als wij jonger - of de schoolmeester die ons leert genieten van verhalen en lezen. Er zijn er wel meer, maar vaak spreekt men er niet over.

Het hoort niet, schreef Susan Neiman ergens voortdurend aanhalingstekens te gebruiken om woorden een bijzondere betekenis te geven (noch om ironietekens overdadig rond te strooien) maar soms moet men er wel beroep op doen. In het perfectionistische streven mogen de omstandigheden er niet toe doen, voor de working class hero doen ze er natuurlijk wel toe. Sociale achterstelling was vijftig jaar geleden veel groter en toch werd er toen wel gestreden voor meer rechtvaardigheid en toch zeurden ouders niet als hun zoon of dochter wilde studeren. De inzet van de ouders om hun kinderen een goed leven te laten leiden was groot, zoon of dochter waren zich daar niet altijd bewust van en lieten het al eens afweten. Maar goed, de omstandigheden, dat is de eigen aanleg, de omgeving en wat mensen elkaar vertellen over wat we van het leven mogen verwachten. Ook nu ziet men dat mensen het niet halen en andere met vlag en wimpel mooie successen boeken, maar ook wel goede mensen worden, niet echter per se "Gutmenschen". Het volstaat inderdaad niet te streven voor anderen als goede mens van Aaigem bekend te staan, maar in wezen dat te doen waar men zelf achting voor geeft, wat men als passend beschouwt, ook als er geen ideaalvoorstelling van te maken valt.

Mag ik dan besluiten dat Alicja Gescinska met deze schets van Allmensch een recept aanreikt tegen een verblindend perfectionisme, maar vooral voor een vervuld leven, waarin we elk met eigen mogelijkheden en in gegeven omstandigheden niet in luiheid en zelfbeklag verwijlen, maar integendeel onszelf overtreffen kunnen. Soms lijkt dat wat bijvoorbeeld sociale wetenschappers ontgaat, dat hun onderzoeken naar wat mensen van waarde achten of waar ze belang aan hechten, henzelf in wezen onberoerd laat. Ook al omdat men met cognitieve categorieën van wat het goede leven zou zijn, over de beleving van bijvoorbeeld haat, afkeer, afgunst en hoe men zelf ook weet dat men met anderen wel over de baan kan, valt er veel moeilijker te redekavelen.

Want men kan mensen bezweren te leven zonder haat, te leven in een "zonderhaatstraat" dat is tegelijk zo hoog gegrepen en ook zonder voorwerp dat men er zich geen blijf bij weet. Misschien zijn de redenen van de haat van Mevrouw L. tegenover deze politicus of beweging gegrond, maar kan ze er niet veel over vertellen. Anderzijds kan het inderdaad zo zijn dat iemand gehaat wordt, of een vertegenwoordiger van een groep, die men nooit ontmoet heeft voorwerp wordt van haat, al kan men alleen vage redenen bedenken. Vraag is nog of men wel weet wat haat is. Men kan er proberen een definitie van te geven, maar geen enkele omschrijving kan het ervaren van haat weergeven. Zo is het ook met andere gevoelens gesteld, de wenselijke en de (sociaal) ongewenste.

Overigens komen we hier opnieuw terecht bij de gedachte die uitdrukt dat we iets kunnen, dat we beter kunnen dan we doorgaans doen: Timshel. Ook dat is niet tastbaar en dat is al meteen wat filosofie vermag en meer nog, waar mensen toe in staat zijn. Alleen is dan de vraag: hoe weten we wat goed is en voor wie is het dan goed? Dat is dan een kwestie van oordeelsvermogen en het bewustzijn dat we droeve neigingen kunnen onderkennen, zoals Spinoza heeft aangegeven. Begeerte kan in het algemeen goed uitpakken, als men weet hoe men eraan tegemoet kan komen zonder schade aan te richten. Alleen, hier kan de rede en het idee van waarheid maar beperkt soelaas bieden, omdat de rede ons wel op het pad kan brengen, maar waar het om gaat, zou wel eens die oceaan van feitjes en inzichten kunnen zijn die we niet via de zuivere rede kunnen bevatten. Dus als we weten dat we niet per se tot het kwade geneigd zijn, dan is het altijd nog goed enigszins overdacht te werk te gaan en af te wegen wat die andere die in het geding kan zijn, zodat er ook nog eens gesproken moet worden.

Heeft zo een pleidooi voor Allmensch, zoals we bij Gescinska lezen valt geeft aanleiding tot een vormgeving via het procrustesbed, wel integendeel, het komt erop aan te betrachten een homo universalis te worden, zonder dat men daar ooit helemaal in te slagen. Mozart, Einstein en Rubens, het zijn uitzonderingen en genieën, maar een Allmensch laat ons de gemiddelde persoon zien, die boven zichzelf en de omstandigheden uit stijgt, net door dat betrachten. Men hoeft niet te slagen om te volharden. Waarom Alicja Gescinska hier zoveel aandacht aan besteedt, kan eruit voortkomen dat ze de onverschilligheid en luiheid om zich heen heeft gezien en er de zwakke plekken van begrepen heeft. Let wel, wanneer men het betoog van Gescinska doorneemt, ontkomt men niet aan de gedachte dat de bejegening van de andere, de nabestaande of vreemden nog altijd iets is dat men niet automatisch zal opbrengen, maar opvoeding vergt. Daarom blijft het me een raadsel dat men voortdurend over rechtvaardigheid spreken wil, maar niet over rechtvaardig handelen, want dat moet men leren, met vallen en opstaan. Het abstractum lijkt helder, maar in de praktijk gaat het wel moeizaam. Of nog, men kan denken een held te zijn, maar in voorkomend geval niets doet, dan kan men hoogstens zuchten doodmoe te zijn of zeven kinderen te laste te hebben.  


Bart Haers  





Reacties

Populaire berichten