Niet terug naar de Nachtwakerstaat
Reflectie
Van Nachtwakerstaat tot
Welvaartsstaat en weer terug
De situatie verschilt weliswaar tussen België, Nederland, Frankrijk en Duitsland, maar in al die landen lijkt er een politieke onzekerheid te leven over wat we moeten willen dat de staat op zich neemt. De onvrede van burgers zou de democratie ondergraven, maar burgers menen dan weer een grote afstand, een kloof te ontwaren tussen het leven van hen en de club van politici die zichzelf goed bedienen en soms immuun lijken voor enige verantwoording. Het is en blijft een oud zeer voor wie zich de verkiezingen van 24 november 1991, Zwarte Zondag, herinneren kan toen men verklaringen zocht voor het succes van toen nog het Vlaams Blok. Ook de klassieke partijen evenwel speelden mee in het schouwtoneel dat politiek heet en er waren al eens schandalen. Toch kan men ook op een andere manier over het politieke spreken en nagaan wat ertoe doet. Helpt het na te denken over een kerntakendebat?
Voor zo lang als ik me kan heugen, spraken mensen,
burgers met enige dédain over politici, ook dus tijdens de fameuze gouden jaren
zestig. In stripverhalen zagen we Nero en de zijnen, Jan Spier en diens klanten
al eens klagen over de grijpgrage politici, veel beloven en weinig klaar
krijgen, het was ook toen altijd hetzelfde liedje, net als de levensduurte.
Achteraf gezien waren die klachten niet echt in lijn met wat we kunnen
waarnemen, want lonen en salarissen namen toe, mensen konden zich huizen kopen,
auto’s en waar mogelijk werden bestaande huizen bij de tijd gebracht, met
badkamers, douches en eventueel een ligbad. De idee van een gouden tijd leefde
wel, zeker na de Grote Expo’58, toen mensen een blik hadden kunnen werpen op de
toekomst en hoe het leven eruit zou zien, met wasmachines, vaatwassers,
stofzuigers en gas- dan wel elektrische fornuizen en ovens. De tijd werd ook
goedkoper, dat wil zeggen, men kon op vakantie en een paar weken wegblijven met
de kroost.
Toch zou men zich vergissen die plotse welvaart en de
snelle modernisering van de samenleving toe te schrijven aan gericht beleid,
want veel van wat er zich afspeelde, bleek voor politici even magisch als voor
burgers en zelfs voor economen. Hun struikelsteen was dat ze wilden uitzoeken,
zoals in een laboratoriumsetting hoe een economie functioneert, een gesloten
systeem laat zich analyseren, maar een open, complex systeem laat op zijn best
correlaties zien, recurrenties kunnen ook helpen, maar toch, de toename op
twintig jaar tijd, tussen 1945 en 1965 van welvaart, rijkdom, tekenen van
welstand, ook bij “gewone mensen” was al indrukwekkend, tegen 1985 was de
dynamiek nog eens versneld en waren mensen reizen gewoon geworden, zodat,
inderdaad, in 2005 vliegtuigreizen banale verplaatsingen waren geworden, maar
vakanties werden ook korter en moesten vooral geslaagd zijn. De foto’s werden
niet meer ontwikkeld, maar gepresenteerd als diapresentaties, volkomen
automatisch.
Men kan zich niet voldoende rekenschap geven van de
veranderingen waarin de generaties van boomers tot die van de millennials hun
levens zagen afspelen en waar ze met het grootste gemak gebruik van wilden maken,
zodra het een common good geworden was. Dat brengt mee dat eenmaal onze
telefoon losgemaakt was van vaste lijnen, zodra we berichtjes konden verzenden
via sms het reactievermogen eindeloos versnelde, maar het denken en overwegen
van wat juist zou zijn, erbij inschoot. Dus diende men nieuwe vormen van
stalking op te nemen in de strafwetgeving, om mensen te beschermen.
Wellicht werd dat de grote strijd voor politici, voor
sociologen en journalisten na te gaan wat het welbevinden van burgers kon
verstoren en kreeg men schrik voor de angst van burgers, die hun verwachtingen
niet ingelost (meer) zien, omdat de omstandigheden veranderen en niet iedereen
evenveel vette brokken kan krijgen uit de vleespotten. De schrik zat er na 1991
goed in, maar de analyses stelden teleur, omdat men niet geloofde dat de
samenleving echt onderhevig zou kunnen zijn aan een grote, gedeelde angst. Toch
kan men vaststellen dat mensen vreesden voor prestigeverlies en ook, hoewel
minder expliciet, voor verlies aan contact met de omgeving. Het werd toen niet
duidelijk dat de middenklassesamenleving – zoals Raymond van het Groenewoud het
zingt – leidend was maar tegelijk zeer divers en zeer breed was geworden. De
media, vrouwenbladen hadden het een soort leven aangeboden, waar mensen zich
best in wilden vermeien. Televisiereclame vandaag lijkt wel paneuropees met
dezelfde (kleine) kwesties die spelen in het leven van mensen en die het
ultieme geluk in de weg staan. Dat precies was wat politici en sociologen niet
tijdig zagen aankomen, zoals het feit dat tussen 1995 en 2015 het aantal
singles in snel tempo toenam, vanwege allerlei omstandigheden, waarvan
scheidingen er maar een is. Ook bracht de crisis van de jaren zeventig tot
halfweg de jaren 1980 niet enkel werkloosheid en soms frustraties, maar een
deel van de samenleving dat in goede jobs zat, kon goed boeren. Kortom, het beeld
is niet eenduidig en dat was het toen ook niet, toen nochtans zwaarwichtige
maatschappelijke beslissingen genomen werden.
De taken van de Karolingische staat waren eenvoudig,
zegt men graag, maar naar verhouding met de beschikbare middelen viel dat aardig
tegen en dan zwijgen we nog over de mobiliteit. Karel de Grote reisde zijn rijk
rond te paard, liet zijn zendgraven naar de verste uithoeken trekken, maar was
vooral voortdurend bezig rivalen uit te schakelen en het rijk uit te breiden,
tot voorbij de Elbe, waar volgens de oorlogsleider de barbaren, ook bekend als
de Saksen woonden. Widukind kreeg naderhand mythische contouren, maar
uiteindelijk werden de Saksen gekerstend. Doch belangrijker is dat het gebied
deel kreeg aan de Europese cultuur en mee de verdere uitbreidingen naar het
Oosten mogelijk maakte. De Karolingische staat kan men geen staat noemen, al
begon Karel de Grote wel met wetgeving en een begin van handhaving maar de
grote veranderingen in samenleving tussen 800 en 1800 blijken klein bier
vergeleken met wat er tijdens de Koude Oorlog in West-Europa gerealiseerd is
geworden. Maar tegelijk kwam de kritiek op dat bestel er vrij snel, waarbij
zelfs het bestaan van een samenleving werd ontkend. Mevrouw Tatcher vond dat er
ook geen alternatief is voor haar beleid, wat helemaal vreemd is, want het is
juist aan de politiek en de politieke verantwoordelijken om keuzes te maken en
dus alternatieve besluiten tegen elkaar af te wegen.
Uit de hofraad van vorsten, de curia regis of anders
curia ducis, curia comitis, groeide in de loop van eeuwen een complex bestel
van instituties, zoals parlementen, c.q. rechtbanken, die de rechterlijke
opdracht van de vorst vormgaven, zoals in de Franse Geschiedenis duidelijk
werd, toen die parlementen ook wetgevend wilden worden, wat de vorst, die
zichzelf zag als bron van het recht en van de wet niet kon aanvaarden.
Uiteindelijk groeide uit dat conflict de Franse Revolutie, waarna het parlement
de soevereine emanatie van de natie werd. Een legitimatie “from above” werd een
“legitimatie from below”. Maar wie nu naar de politiek kijkt, krijgt de indruk
niet langer dat de legitimatie berust op een legitimatie vanwege de natie, het
volk, al is dat een beladen begrip. Daarbij komt dat men vaak ziet dat
ontevredenheid ontstaat op basis van het gevoel iets ontnomen te worden dat men
nooit heeft gehad. Wat men wel heeft, een zekere welvaart en mogelijkheden om
het leven naar eigen inzicht te leiden en vorm te geven, krijgt heel wat minder
aandacht en het is zo evident dat we die mogelijkheden kunnen aanwenden, dat we
er niemand dankbaar om hoeven te zijn.
Meer nog, onze inspraak in het politieke gebeuren
lijkt op een dubieuze manier zowel toegenomen als ingeperkt, omdat men kritiek
wel eens wil afdoen als zurigheid of sinds kort als gebaseerd op fake news. De
scholing van burgers is toegenomen en zelfs al zou de kwaliteit van het
onderwijs wat gedaald zijn, het aantal mensen dat hoger en universitair
onderwijs met vrucht heeft gevolgd is nooit zo hoog geweest, maar de
communicatie tussen politici en burgers is ten prooi gevallen aan puerilisme,
verkinderlijking, ook al omdat journalisten geloven dat mensen niet volgen als
berichten te complex worden. Maar de werkelijkheid is nu eenmaal weerbarstig en
moeilijk te sturen, omdat de weerstand binnen groot is, kan men aanvoeren, maar
ook omdat de inzichten over wat er leeft en broeit in een samenleving niet
overzichtelijk te maken vallen in detail, alleen op hoofdlijnen. Het is de
vergissing van Plato, die tot tweemaal toe faalde om in Syracuse een ideale
staat op te bouwen. Zijn idealistische concept valt na te lezen in de Politeia,
waar mensen evenwel niet zo goed weg mee weten, al wordt er vaak naar verwezen.
Ook Aristoteles dacht, een generatie later na over de aard van de staat en zou
Alexander de Grote beginselen van de goede vorst bijbrengen, maar of het veel
uithaalde, valt te bezien. Na hem zou Jean-Jacques Rousseau met zijn ideeën
over de “Volonté Génerale” en het sociaal contract de almacht van overheden
legitimeren, voor het goede doel.
Het punt is dat de staat een constructie is, die
langzaam en steeds verder uitwaaierende takken en wortels kreeg, die al eens
aan de waarneming lijken te ontsnappen, meer nog, men slaagt er niet altijd
meer in doel en doelmatigheid van al die “lichamen” die samen het schip van
staat vormen te toetsen. In die zin is de neiging om steeds meer belang te
hechten aan toepasbare middelen voor surveillance van individuen mensen murw
slaat. De autoriteit van overheidspersonen, zelfs van oom agent brokkelt niet
af, ze verdwijnt gewoon en dat juist bij mensen die op de een of andere manier
gebaat zijn bij goede politiediensten, om de verloedering van wijken en
stadsdelen tegen te gaan. Maar dan moet men ook goed kijken naar ongewenste
effecten van gentrification, het verbeteren van wijken omdat er een nieuw
publiek neerstrijkt. Voor de stadsbestuurders is dat uiteraard een gunstige
invloed, vaak omdat er bijkomende belastinginkomsten uit voortkomen. Het nadeel
is dat men verschuivingen ziet en verloedering in andere wijken, of dakloosheid
en ook een zeker ressentiment omdat inwoners zich in de steek gelaten voelen. Dus
zal een stadsbestuur zich over gentrification niet veel vragen stellen en pas
na verloop de ongewenste gevolgen onder ogen nemen, zonder een antwoord te
vinden. Natuurlijk is het best mogelijk dat het algemene welvaartsniveau kan
toenemen, maar dat lijkt dezer dagen een onmogelijkheid, omdat inkomens uit
arbeid precair worden en vooral niet meer stijgen.
Er speelt nog iets anders mee en dat is het beroep dat
men gemakshalve doet op waarden en normen, waarbij de normen van de
intellectueel geschoolde middenklasse als leidraad dienen en zelden in vraag
gesteld worden. De “wet op het regiem van den alcohol” aangenomen in 1919 was
een poging drankmisbruik te beperken door de verkoop van gedistilleerde drank,
lees jenever in cafés te verbieden want wie er thuis wilde van genieten, moest
grote eenheden van twee liter kopen, want, was de gedachte, de dronkenlap kon
zich nooit zo een fles kopen, wegens de accijnzen die erop rustten. Nu waren in
vele landen al langer acties bezig tegen dronkenschap en voor geheelonthouding,
omdat men de ellende van den armen weet aan gebrek aan beheersing en de neiging
tot drankmisbruik als aangeboren blijken van degeneratie zag. Dat de ellende
van de werkliedenklasse te wijten was aan lage lonen en onzekerheid over
inkomsten, door de almacht van fabrieksbazen, was voor de socialist Vandervelde
geen issue, maar bovendien konden hij noch zijn collegae bevroeden wat het
leven van arbeiders en werklozen te bieden had aan pleziertjes. Normen en
waarden zijn belangrijk als sokkel voor een goed samenleven, maar men merkt dat
ook nu weer die normen en waarden als evidenties worden gepresenteerd, waarover
niet van gedachten gewisseld hoeft te worden.
Zo is het ook nuttig te blijven nadenken over hoe men
de staat wil zien functioneren. De Nachtwakerstaat van de Negentiende eeuw en
waar men nog steeds van droomt in bepaalde kringen, kan nooit de taken
volbrengen die men er dezer dagen van verwacht, omdat men de staat opgetuigd
heeft voor veel aangelegenheden die burgers van belang achten. De samenleving
zelf ook tijdens de negentiende en twintigste eeuw kreeg een nieuwe gestalte,
waarbij het individu op de voorgrond trad, maar waarbij maatschappelijke connecties
van toenemend belang werden, maar de organisatie van bedrijven, van het
middenveld ontwikkelde zich doorheen die twee eeuwen van overzichtelijke
organisaties tot heel complexe en grootschalige organisaties die maatschappelijke
diensten en producten voortbrachten. De discussie over de rol van landbouw en
hoe die landbouw georganiseerd is, met inbreng van grondstoffen uit alle delen
van de wereld, werd in de loop van decennia met steeds nieuwe argumenten
gevoerd, waarbij het leven en dus inkomen van de landbouwer niet altijd de
eerste zorg bleek.
Het zou wenselijk zijn als de openbare omroep eens een
poging ondernam het landbouwbeleid na WO II onder de aandacht wist te brengen,
waarbij De Graanrepubliek van Frank Westerman best mee het verhaal kan
schragen, net omdat Westerman ons introduceert bij Sicco Mansholt, die als
Landbouwcommissaris bij de EEG-Commissie onder meer de sanering van de al te
kleine landbouwbedrijven op het oog had, met het oog op efficiëntie en meer
leefbare bedrijven. Dat het Landbouwbeleid Boterbergen en Wijnplassen,
Vleesoverschotten zou genereren was wellicht niet helemaal voorzien, dat zo de
landbouwproductie in Afrika uit balans gehaald werd evenmin. Maar er waren ook
gevolgen voor het ruimtegebruik door de landbouw, omdat de grootschalige ruilverkavelingen
de erosie van akkers versterkte, onder meer omdat boeren de oude houtwallen
gingen rooien, wat voor de biodiversiteit nadelige gevolgen had. Nu zijn er ook
nog andere gevolgen, onder meer omwille van de stikstofcrisis, de moeilijke
preventie van epidemieën die de veestapel bedreigen en de vraag wie de
verliezen van de sector moet dragen.
Het blijft altijd weer de vraag naar de “private vice”
en de “public benefits”, want bij de kleine en grotere schurkenstreken van
individuen zou volgens Bernard Mandeville het algemeen belang voordeel halen en
dus zou de welvaart van velen toenemen. Uiteraard gaat dit niet om regelrecht
crimineel gedrag, wel zal Mandeville het vooral gehad hebben met moraalridders
en geheelonthouders, met mensen die fanatiek de leefregels van de fatsoenlijke
mens naleven. Te veel fatsoen in de samenleving bedacht de Londense arts van
Nederlandse afkomst - na confrontaties van zijn vader met de schout van
Rotterdam over de interpretatie van de Dordtse Synode waren vader en zoon
Mandeville uit Nederland naar Londen vertrokken - kan de samenleving tot
stilstand brengen, want uiteindelijk, op flessen getrokken, kan elke poging om
de natuurlijke gang der dingen te wijzigen als een inbreuk op het goed fatsoen
beschouwd worden.
Voor de politiek en politici is deze gedachtegang van
belang dat misdaadpreventie, wat aanbevelenswaard kan zijn, niet mag ontaarden
in een voortdurend, al naar gelang de technologie het toelaat in een volkomen
controleren van burgers, opdat ze niets zouden uitvreten dat het algemeen
belang kan schaden, want overwegende dat ongezond leven de grote multinationale
hamburgertenten heeft groot gemaakt, zou men tot de sluiting van die
eetgelegenheden moeten besluiten; men verkiest de verantwoordelijkheid bij
mensen te leggen die verlekkerd, verslaafd zijn geraakt dan wel gemaakt aan die
rare producten – enfin, ik vind ze oneetbaar. Voor mij hoeft men die zaken niet
te sluiten, maar men moet ook niet verbaasd zijn dat er tal van mensen op
vrijdagavond de nodige porties inslaan in de drive-in en vervolgens thuis
zitten te smikkelen, want andere mensen gaan dan naar een glitterchique
visrestaurant en komen buiten met een klein hongertje. Het is maar de vraag of
de overheid gerechtigd is het gedrag van individuen te sturen, omdat men dan
invasief ten aanzien van de private levenssfeer moet optreden.
Mensen die pleiten voor nudging, duwtjes in de goede
richting geven, menen vaak tegelijk dat men hun privacy moet respecteren, maar
vinden wel dat overheidsinstanties invasief mogen inbreken in het gedrag van
burgers, als dat gebeurt ter preventie van ziekte en sociale marginalisering. De
doelstellingen zijn zeker behartigenswaardig, maar sluiten elkaar uit, want als
men mensen de vrijheid toekent, bij wet om het leven naar eigen inzicht te
leiden, ongeacht de risico’s die men voor zichzelf loopt, dan kan men niemand
verplichten ten koste van mijn genoegen, gezond te gaan leven. Net omdat we
geneigd zijn de discussie in absolute termen te voeren, redelijkheid en
compromissen afwijzen, kan men slechts moeizaam tot gedeelde inzichten komen en
gezamenlijk de hand aan de ploeg slaan, terwijl die muizenstapjes misschien
sneller tot resultaat leiden dan wachten tot men met surveillance iedereen kan
dwingen. Heeft de coronapandemie in Vlaanderen niet laten zien dat een grote
meerderheid van de burgers de richtlijnen in verband met de lockdown goedschiks
hebben gevolgd, zij het niet altijd rigoureus. De cijfers gingen uiteindelijk
omlaag en tegen de zomer leek de bevrijding nabij, tot de tweede golf kwam, omdat
mensen, jongeren zich niet meer aan de regels wilden houden en de handhaving mislukte.
Tot het voorjaar bleef de ellende duren, toen vaccins soelaas begonnen te
bieden, maar ook hier weer de neiging om de overheid en in dit geval de
farmaceuten te wantrouwen. Dat het subliem was dat in nauwelijks 8 à 9 maanden
een nieuw vaccin gebruiksklaar voorhanden kwam en de pandemie inperken, zorgde
blijkbaar voor wantrouwen. Met het gevolg dat we nu zien, dat er een vierde
golf op komst lijkt, zij het uitgesproken minder hevig, maar toch. En de
overheid kan niet bereiken dat voldoende mensen zich laten vaccineren, behalve
in Vlaanderen en delen van de EU – 75% vaccinatiegraad bereikt - maar waar
mensen het wel willen, haalt men ruim boven de 80 %, terwijl er zoveel weerstand
is, de immuniteit op groepsniveau niet bereikt wordt, al kan de herd immunity wel
bereikt worden als veel van de niet gevaccineerden al besmet zijn geweest en
zonder erg erdoor heen gekomen.
Bij dat alles geldt dat mensen niet altijd zien hoe
wetgeving tot stand komt, hoe de overheid al dan niet de urgentie van een
probleem ziet en hoe allerlei partijen – deelnemers aan het voorbereidende werk
– aan de tekentafel zitten. Officieel komen de wetten uit de parlementaire
stemming, maar het parlement is – zoals sommige politici wel eens klagen – uit het
parlement, maar er zijn (on)democratische systemen waar het parlement geen
initiatiefrecht heeft, het spreekt voor zich dat een parlement in volle
bevoegdheid ook zelf het initiatief moet hebben om zelf wetten voor te stellen.
Neemt de regering of een lid van de uitvoerende macht het initiatief, dan is
het een wetsontwerp. Nu horen we sinds tijden niet meer over dit onderscheid,
lijkt het erop dat de regering bijna alle wetgevende initiatieven neemt, ook al
omdat de redactie ervan nogal complex geworden is, want vaak betekent een
nieuwe wet uitvaardigen een oude of bestaande wijzigen.
Wie bepaalt of een nieuwe wet nodig is, blijft altijd
nog gissen, maar formeel is het vaak de regering, een enkele keer de Kamer,
zelden nog de senaat. Zelden evenwel is het de regering die met een idee voor
een nieuwe wet op de proppen komt, of een nieuw decreet, maar zijn het belangengroepen,
vakbonden, artsenorganisaties of wat u zich maar kan indenken, die suggesties
doen, die allerlei insiders in het politieke gebeuren zoals adviseurs
influisteren wat zogenaamd hoognodig is. Niet zelden komen academici of ondernemers
bij elkaar in loges, serviceclubs en andere organisaties samen om voorstellen
aan te dragen, vaak in het verborgene, maar ooit zal er toch over gesproken
worden. De nieuwe wetgeving omtrent abortus was twintig jaar voorwerp van
discussie, ook in de media, ook met berichten over artsen die in hechtenis
genomen werden, omdat ze niet zelden zelf stelden een abortus, meer dan een
doorgaans te hebben uitgevoerd. Pas in 1991 was de kogel door de kerk voor de
politici, maar koning Boudewijn verzette zich tegen het tekenen van de wet wat
tot een bijzondere Kamerzitting aanleiding gaf.
Men kan nu wel zeggen dat er teveel politieke
mandatarissen zijn, omdat er wel veel niveaus zijn waar burgers voor gekozen
worden, van de gemeente- en provincieraden, de regionale parlementen – in Franstalig
België zijn er dat zeker voldoende, maar in Vlaanderen is er alleen het Vlaams
Parlement en worden er 17 leden in het Brusselse Parlement verkozen – en dan is
er nog het Europese Parlement waar België ook 21 zetels kan afvaardigen, de
materies waarover parlementairen mee moeten van gedachten wisselen en finaal
over stemmen, al is het de fractie en de Partij die zegt of ze rood, groen of
onthouding moeten stemmen. Belangrijker is dat het parlement in deze tijd over
veel moet kunnen meepraten, ten gronde moet men ook aantonen, als fractie dat
men voldoende kennis en inzicht in huis heeft en daar wordt publiek graag aan
getwijfeld. Maar willen we als burgers niet dat het parlement over vele zaken
tot besluitvorming komt of dat regeringen “krachtdadig” ingrijpen? Het is niet
vanzelfsprekend dat burgers van vele markten thuis zijn en bovendien, zo bleek
in Nederland met de Kindertoeslagenaffaire hoe moeilijk het is voor een
parlementslid tégen de wil van regering en administratie in te gaan. Overigens,
zoals Pieter Omtzigt meegaf, de hele aanpak van fraude begon niet met vaststelling
van fraude, maar met het aanmerken van risicogevallen, zonder dat burgers de
kans kregen hun onschuld te bewijzen, wat ineens ook een frauduleuze aanpak is,
want burgers genieten ipso facto van het vermoeden van onschuld en in dit geval
dienden de diensten van financiën aan te tonen dat er werkelijk fraude
vastgesteld wordt. De aanleiding was de zogenaamde Bulgarenfraude, die publiek
werd via RTL-Nieuws en via KRO-Brandpunt. De Bulgaren die werden opgespoord in
hun thuisland toonden trots wat ze hadden kunnen kopen met het geld dat ze ontvingen
voor zorg- en huurtoeslagen, zonder daar effectief recht op te hebben – ze vertrokken
tijdig uit Nederland…
Het gevolg was dat de regering en de Tweede Kamer
dergelijke nalatigheden wilden vermijden en maar helemaal doorpakten, zodat het
kon gebeuren dat brave huismoeders – zo leek het toch alleen maar om hen te
gaan – voor 20.000, 30.000 ontvangen toeslagen voor vermeend frauduleus ingediende
aanvragen dienden terug te betalen, zonder een bewijs van Fraude, in een keer
en zonder kans op beroep. Bovendien ging de administratieve rechtbank daarin
mee, zodat niet alleen de grondwettelijke onschuld werd genegeerd, ook bood de
rechterlijke macht geen bescherming tegen een staat die haar boekje te buiten
ging. Sommige reacties luidden en luiden dat de overheid nu eenmaal ook
kinderopvangtoeslagen moet voorzien, maar bovendien dat een verklaring op eer
vanwege sommige burgers niet veel zou voorstellen.
De Nachtwakersstaat zou dit problemen niet kennen,
zegt men dan, want die zou geen subsidies uitreiken. In deze tijd evenwel, waar
men huismoeders uit de precariteit, bestaansonzekerheid wil halen en
houden en de kansen op beter werk wil aanreiken, kon de kinderopvangtoeslag
vrouwen helpen om werk en gezin te verzoenen. De hardvochtige aanpak van burgers,
zonder bewijs van schuld of nalatigheid werd door Pieter Omtzigt en Renske
Leijten voortdurend via Kamervragen en schriftelijke vragen aan de orde
gesteld, tot men, de regering, maar ook de administratie moesten toegeven dat
ze voortvarend en hardvochtig te werk waren gegaan. Maar herstelbetalingen
kwamen er niet, nog niet in afdoende mate, omdat de administratie die de zaken mismeesterd
hadden ook voor die herstelbetalingen diende in te staan. Dus volgden en volgen
er alweer Kamervragen, tot ergernis van de ontslagnemende premier.
Het gaat niet enkel om kennis in deze van juridische
regels en zelfs niet om de politieke consensus, want zoals Omtzigt had
aangegeven, de Bulgarenfraude gaf duidelijk aanleiding tot nauwkeuriger
handelen, wel om het inzicht hoeveel schade maatregelen kunnen meebrengen, als
er geen enkele communicatie meer mogelijk is tussen overheid, in hoofde van de
ambtenaren en het publiek, in de eerste plaats de slachtoffers. Dat er ook nog
eens sprake was van etnisch profileren kan gelden als bezwarende omstandigheid,
maar ook als blijk van administratieve bedrijfsblindheid. Men doet, zoals een
Vlaams minister zich wel eens laat ontvallen de dingen, omdat het kan. Is dat
voldoende argumentatie om feilen van de overheid te verantwoorden?
De overheid is de afgelopen vijftig, zestig jaar
steeds meer gaan betekenen in het leven van mensen, omdat men vond dat de
welvaartstaat impliceerde dat niemand zou achterblijven. Toch komen kwesties
als woningnood en maatschappelijke achterstand door de eigen bijdrage van
mensen als vanzelfsprekend te beschouwen, zelfs in het geval van zwemlessen,
omdat de scholen dat niet meer tijdens de lesuren geregeld krijgen. En dat is
dan weer het gevolg van toenemende hygiënemaatregelen, zorg voor mensen die
last kunnen krijgen van de vochtigheid in het zwembad – hoe verzint men het? – of
andere mogelijke vormen van onveiligheid. Wie gelooft dat de staat elke
kiezelsteen op uw of mijn pad moet wegnemen, vergist zich, maar het valt vooral
niet te rijmen met de gedachte dat men vrij wil wezen en vrijuit leven. Er zitten
te weinig filters op het uitvaardigen van wetgeving, zeker als het om strovuurwetten
gaat, maar ook over wetgeving die na rijp beraad tot stand komt, valt de vraag
te stellen of ze überhaupt gehandhaafd kan en zal worden. Men heeft het wel
eens over symboolwetgeving, maar na een schietpartij een grote inzamelactie
afkondigen, waarna mensen hun vuurwapens in het geding binnenbrengen om te
laten vernietigen, zal wellicht niet de schietgrage en gevaarlijke figuren
raken, die hun wapens graag buiten beeld van politie en overheid houden. Het
valt op dat we weinig geduld hebben met de overheid en zeker als we menen dat
er fouten in het spel zijn, maar de watersnoodramp deze zomer zelf was een
probleem van heirkracht, het lenigen van de noden van de behoeften van wie
getroffen is, daar is de overheid, zijn de overheden mee verantwoordelijk voor.
Er kwamen brandweerteams uit Antwerpen en Oostende, Gent en andere
brandweerzones maar ze kregen geen duidelijke opdracht en konden niet altijd
veel doen in de eerste uren. Het probleem was en is niet dat er geen eenheid
van commando zou zijn, maar integendeel dat er te weinig overleg is, in tijden
dat men oefeningen zou kunnen organiseren, wat de brandweerlui ook graag
willen, om in geval van nood adequater te kunnen optreden. Dan zwijgen we nog
over de beperkingen die aan de Civiele Bescherming – minder kazernes, minder
personeel maar dezelfde (onvoorzienbare) opdrachten, want wie kan voorspellen
wanneer er een meteoriet op een chemische installatie zou neerstorten?
Er wordt ook wel eens geklaagd over gebrek aan visie
bij de regering, maar we weten intussen dat er vele groepen en belangen zijn
die het oor van de ministers zoeken te vinden en via kabinetten of
parlementsleden vragen opwerpen of verzoeken indienen waarna een carrousel op
gang komt, met aan het eind de debatten in commissies van het bevoegde
parlement, met nazicht door de Raad van State, het Grondwettelijk Hof, Rekenhof
en altijd komen vaste adviesorganen aan bod, zodat nieuwe wetten doorgaans gedragen
blijken. Of dat zou het geval moeten zijn, maar als we kijken naar het gebruik
van pesticiden en herbiciden in de landbouw, dan zien we dat doorgaans alleen
een nieuwe verbodsbepaling medegedeeld krijgen, vaak alleen met de reden dat
het risico op ziekte onaanvaardbaar zou zijn, omkleed. Of er alternatieven
binnen handbereik zijn, wordt niet altijd goed uitgezocht, maar vooral de zorg
die eraan ten grondslag ligt, kan op verschillende manier verholpen worden. Dat
chemische bedrijven hun producten vrij willen zien circuleren en aangewend
worden, mag niet verbazen, maar de discussie start vaak bij onderzoeken door
gezondheidsinstanties en productieanalyses, waarbij ecologisch bewogen groepen
vaak de alarmbel luiden.
Net omdat de overheid zoveel zorgtaken op zich heeft
genomen en in een moeite doorgeschoven naar organisaties die nu wel
geprofessionaliseerd zijn, maar lange tijd op vrijwilligers en vrijgestelden draaiden.
Nu ziet men, in Nederland net als in België dat het vrijwilligerswerk eruit
geduwd is, maar ook de vertrouwensband van het personeel met de leden – die consumenten
werden – is verdwenen. Het idee dat scholen te klein zouden zijn voor goed bestuur,
leidde tot steeds grotere scholengroepen, die evenwel de leerlingen noch de
leraren v/m aan zich weten te binden, behalve als het om scholen gaat met
bijzondere opdrachten, zoals de kunstscholen of de topsportscholen, maar ook
zij verloren veel autonomie. Efficiënt omspringen met overheidsmiddelen is
zeker van belang, maar efficiëntie afmeten, laten ook grote bedrijven zien,
valt niet altijd af te lezen en in het onderwijs blijft het merkwaardig dat men
resultaten tracht te meten per jaar, maar de grote meting kan pas enkele jaren
na het behalen van attesten of diploma’s, wanneer blijkt dat de leerlingen het
wel goed in het hoger onderwijs of op de arbeidsmarkt. Te grote scholengroepen
laat toe dat het management belangrijker wordt dan de bestaansreden zelf, goed
onderwijs verstrekken en leerlingen alle kansen geven om iets van de
schoolloopbaan te maken.
De nachtwakerstaat is ondenkbaar geworden, maar hoe de
staat de vele taken kan opnemen en naar behoren vervullen en vooral de juiste mensen
bereikt, blijft nog altijd voor stof tot discussie zorgen. Roomt de overheid
veel middelen af van belastbare inkomsten, dan vergeet men al eens dat de
overheid ook veel middelen distribueert, direct in termen van inkomsten voor
personen, gezinnen, de veel geprezen herverdelende rol van de overheid. Via subsidies,
ook aan bedrijven en culturele organisaties voor lovenswaardige doelen, zoals
Onderzoek & Ontwikkeling, zodat men de economische ontwikkeling kan
stimuleren. Ook stopt men heel wat geld aan infrastructuur, om personen- en
goederenvervoer in veilige omstandigheden te waarborgen, dus vooral onderhoud,
al heeft men dat gedurende een paar decennia nagelaten dat werk op de agenda’s
te houden, omdat het leuker is nieuwe wegen te openen dan files te veroorzaken
door herstel- en onderhoudswerkzaamheden. Dat veranderende inzichten over
veilig verkeer het herindelen van rijvakken tot gevolg hebben, ligt besloten in
de wijze waarop we onze mobiliteit hebben ingericht. Een nachtwakerstaat kan
niet instaan voor de behoeften van burgers, maar hoe de staat al die taken die
men noodzakelijk acht kan waarmaken en met welke middelen, blijft altijd een
politieke keuze en zorgt dus voor debat, ook al valt het niet altijd met
zekerheid te bepalen wat de beste plannen van aanpak zijn. Opvallend is dat in
de parlementen net dat soort discussies zonder veel zin voor nuance gevoerd
worden en in partijprogramma’s vaak gereduceerd worden tot slogans over de
staat die boven haar stand leeft. De zorg voor mensen met een mentale beperking
laat zien hoe moeilijk het is binnen de grenzen van wat bureaucratisch mogelijk
is, goede zorg en ondersteuning te verzekeren voor gezinnen met zo een persoon
of voor volwassenen die helemaal zijn overgeleverd aan de zorg van
voorzieningen. Daarom mag men hopen dat politici de werkelijkheid belangrijker
achten dan hun ideologische vooroordelen.
De onderwijspolitiek van de afgelopen decennia in
meerdere Europese landen gaf aanleiding tot ontscholing en ontmeestering, maar
omdat de media, journalisten met naam en faam meegingen in het progressieve
onderwijsdiscours, kwam de kritiek van mensen uit de praktijk die dan voor het
gemak als zuurpruimen werden en worden afgeserveerd. Het lerarentekort in het
basis- en vooral secondair onderwijs kan alleen maar het gevolg zijn van de
wijze waarop leraren werden afgeschilderd en de beleving van jongeren dat leraren
van beiderlei kunnen steeds minder echt les mochten geven. Men kan aan lessen
Frans geen plezier meer beleven, noch als leerling, noch als leraar omdat de lessen
opgaan aan primaire kennis over zinsbouw en grammatica. Pas als men
belangwekkende teksten kan lezen, wordt het plezant en gaan de inspanningen
resultaat opleveren. De onderwijswereld is niet meer in handen van schooldirecties
of inrichtende machten, de ouders verloren hun nochtans grondwettelijke
vrijheid de school van hun keuze voor hun kinderen te zoeken en hun kinderen daarin
te schrijven, eventueel na een ingangsexamen – of mag dat ook niet meer? En ja,
er studeren al jaren te weinig ingenieurs af of masters, eventueel leraren
wiskunde, die de knapste koppen kunnen meenemen in de avontuurlijke wereld van
de hogere wiskunde.
Het lijkt erop alsof de discussie over de Nachtwakerstaat
na de coronapandemie van tafel is, maar de discussies over de begroting en over
hoe de overheid kan ingrijpen in de samenleving of dat moet doen, zoals de
Klimaatzaak bepleit, laat zien dat een grondig kerntakendebat aangewezen is.
Het zou ook de waardering voor een democratisch regime zoals we dat kennen
kunnen opkrikken. Maar dan zal men ook over het veiligheidsvraagstuk, met al
die camera’s in de publieke ruimte het hoofd moeten buigen, want vrijheid en
recht op een zekere foutenmarge maken de samenleving pas leefbaar.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten