DSK: het mislukt strafproces van een Libertijn?



Dezer Dagen



Bewijzen, vermoedens en Geloof



Lodewijk van Deyssel, Een Liefde, heet
een naturalistische roman te zijn, maar
was het naturalisme niet vaak een vrijbrief
om erotisch loos te gaan? Was zo een
boek geen poging de beknellende moraal
een hak te zetten en de lezers en
lezeressen werkelijk op ideetjes
te brengen? 
Tinneke Beeckman schrijft over DSK en hoe hij door zijn seksverslaving chantabel en onbetrouwbaar is geworden. Het zich terugtrekken van de burgerlijke partijen bewijst nu net haar stelling, maar dat kon zij net zomin als ik weten, behalve dat het OM er wel geen zin in had. Het 'uliteme' bewijs? Johan Sanctorum schrijft over de vraag of we nu wel nood hebben aan de ultieme bewijzen inzake de aard der dingen, c.q. hoe we er zouden in slagen een schaduw van een schaduw van iets zouden kunnen vinden.

Men kan er mij terecht op wijzen dat ik er een amalgaam van maak, maar toch roepen beide discussies gelijkaardige reflexen op. Ze gaan verder dan wat men op het eerste zich nodig acht, maar verhelderen wel het inzicht. Maar wat hun bijdragen aan het debat vooral gemeen hebben en waar we hen toch wel erkentelijk voor zijn, is de wijze waarop ze de directe en ogenschijnlijke duidelijkheid doorprikken. En gaan wetenschappers, zeker natuurkundigen voor de grote zekerheden, politieke wetenschappers en historici voor een veel minder zeker kennen, dan is het zo dat inzake wetenschappelijke praktijk en politieke praktijk de macht schijnbaar niet van belang is, maar in de ambities van elkeen diep zijn ingesleten en toch vaak taboe heten.

Macht als taboe, ambitie als denkmantel, wantrouwen als breekijzer, dat lijkt voor beide overdenkingen mee te spelen. Want DSK, tja, wat moet zo een man nu, zich voorstellend als een libertijn, maar handelend als een verslaafde, zoals Beeckman schrijft? Hij handelt bij nader toezien precies zoals Theodore Dalrymple beschrijft in verband met de heffe des volks. Natuurlijk bestaat er zoiets als libertinisme en zijn er mensen die er een uitzonderlijk rijk leven uit puren. Maar als het een excuus wordt voor iets anders, het goedpraten van een verslaving, dan komt er altijd iemand   anders bekaaid af. Uit de bijna dagelijkse verslaggeving vorig week over het proces tegen DSK kon men ook vernemen dat een van de dames, waarvan hij betwist dat ze prostituees zouden geweest zijn, maar die heb je ook in verschillende klassen, zich zeer pijnlijk en brutaal behandeld wist.

Libertijns gedrag, is het niet vaak een propagandistisch verhaal geweest, om af te komen van al te veel en al te rigide preutsheid en een al te straf puritanisme? Giacomo Casanova vertelde over zijn prestaties bij jeugdige en andere vriendinnetjes, Pietro Aretino schreef al in de zestiende eeuw over de aantrekkelijkheid van het hoerenbestaan, de onontkoombaarheid ervan, naast zijn meer ernstige werk over kunst en toch ook een wellicht weer een aantal paden bewandeld die wij die later komen, niet goed begrijpen. De scènes van het laatste oordeel zijn bij Bosch, Pieter Paul Breugel wankelen vaak op het randje van het scabreuze en de verbeelding van de hel er los overheen walsend. Maar als iemand in een tijd met veel gedachtepolitie een opmerking wil maken, die gehoord wordt, dan moet die soms net iets anders zeggen. Zonder aanhalingstekens kunnen velen onder ons geen ironie meer begrijpen. Ook DSK zou zich tussendoor van ironie bediend hebben, maar met alles wat we nu weten, kan men het eerder bij cynisme houden.

Intussen verscheen er in NRC een uitgebreid themanummer over hoe de man stilaan aan mannelijkheid inboet en vrouwen steeds meer haar op de tanden krijgen. Dat de emancipatie in haar geheel en tijdens de verschillende golven een verhaal is van verovering van levensruimte - dat wil zeggen, in deze niet alleen in materiële een kamer voor zichzelf afdwingend maar ook de ruimte om eigen keuzes te maken en het leven zelf zin te geven - voor mannen al evenzeer zorgt voor enige nervositeit en onzekerheid, zal men wel aannemen. Hoe of het voor gevolg zou hebben of mannen inderdaad meer eunuch zouden worden, dan zelfs de vrouwen lief is, moeten we toch ook ernstig nemen, zo suggereren de artikelen. Men stelt de ook de vraag naar  wat mannelijkheid nu eindelijk zou zijn in een ideale vorm. Schilderkunst, fotografie en filmkunst doen al van begin af aan heel wat pogingen dat helder te krijgen. Meestal gebeurt dat in een spiegeling met de meest vrouwelijke der vrouwen. Marlon Brando? Kirk Douglas? Dick Bogarde en aan de andere kant? Greta Garbo, Marlène Ditrich en Audrey Hepburn? In de literatuur zien we dat mannelijkheid ook vaak als stereotype en cliché aan bod komt, maar toch zijn er werken die het weten te ontstijgen.

De ridderromans, de Karelromans en de Alexanderromans, er zit ook altijd een zekere zin voor humor en zelfspot in, die ons, geen tijd nemend het door te lezen, wel moet ontgaan. Romans als Amadis de Gaulle, maar ook de Arthur-cycli van Chrétien de Troyes en ook de bijdrage van Jacob van Maerlant geven soms te denken over de idee dat men met een cliché kan volstaan. En in het eerste grote epos uit de Griekse literatuur, de Ilias, zien we dat er tal van mannen aan bod komen, van lafaards over misschien zelfs verwijfde types en dan de volbloed mannetjesputters. In zo een kort bestek lijkt het allemaal simpel, maar terugkerend naar de negentiende eeuw, merken we toch ook dat het thema "wat is een mens" en zeker ook "wat is een man?" een grote aandacht krijgt, zonder dat men zomaar tot een eenduidig antwoord komt, maar precies door de verschillende types beter te presenteren, lieten getalenteerde auteurs zien dat er mogelijkheden zijn. Ik denk daarbij vanzelf aan Julien Sorel, de tragische held van Stendhal die aan zijn ambitie en hoogmoed ten onder gaat, maar wel de liefde en de pijn van de liefde ten volle ervaart.

Daarom kan men zich niet voorstellen dat nu elke man of een eunuch wezen zal of een brutaaltje. Maar de kwaliteiten van een persoon beschrijven zonder al te zeer in de sfeer van de brave hendrikken te komen, terwijl men aan meisjes vertelt dat ze vooral niet op hun kop mogen laten zitten, zoals dat dertig, veertig jaar geleden al het geval was, kan men zonder meer voor onzin houden. Alleen is het wel zo dat men in het onderwijs merkt dat jongens hun kwaliteiten vandaag minder goed gewaardeerd lijken te zien, precies door de vervrouwelijking van het beroep van leerkracht en dan zijn het nog eens.. neen, dat zal wel niet gezegd kunnen worden dat het allemaal blauwkousen zijn, of preutse juffers.

Daarom is een uitstap naar het essay van Johan Sanctorum zeker op zijn plaats: moet men in het domein van wat sommige journalisten en opiniemakers de harde wetenschappers noemen voortdurend gaan voor de falsifiëring dan wel voor de verificatie? Sanctorum heeft het over de kwestie van een deeltje dat alleen geobserveerd wordt als het in het tegendeel zou verkeren, zogenaamde antimaterie. Men vergeve me deze wat oppervlakkige benadering, want we zullen elkaar wel vinden in de vaststelling dat fysica op het niveau van de partikels best complex is. Maar wat Sanctorum naar voor schuift is de vraag of we ons telkens weer tot het laatste detail met een strakke bewijsvoering moeten inlaten. Hij stelt paradoxaal genoeg de notie geloof voorop. De kwestie is des te urgenter, omdat hij daarmee op het oog voeding geeft aan wetenschapsceptici die menen dat wetenschappen ook maar een geloof bieden.

Door in de logica te blijven van Karl Popper en anderen, die het hebben over falisifiëren van hypotheses - hypotheses zijn waar als en zolang  men ze niet kan weerleggen - komt vaak in een lastige bewijsvoering terecht. Men kan ook dat andere aspect, van de paradigma's in kaart brengen en dan kan men "aan het gewone volk" uitleggen dat de evolutietheorie als idee een paradigma is waarin een aantal wetmatigheden gelden, zoals de noodzaak van variëteit binnen een groep, de aanwezigheid van mannelijke en vrouwelijke leden en gepaste aanpassingen aan veranderende omstandigheden (klimaat, voedsel, vocht, parasieten...),  door het vermogen tot veranderen, mutaties op celulair niveau, hoeft men niet elk element als een geloofspunt over te dragen, maar kan men de evolutietheorie wel als een paradigma en de presentatie ervan na 1859 als een paradigmashift voorstellen. Dat men ook de inzichten van Mendel over erfelijkheid kan aandragen, wat nu in het evolutietheoretische discours haast voor de hand ligt, mag daarbij niet uit het oog verloren worden. Wie is de mens? Die bestaat als soort, maar er is geen exemplaar dat volkomen aan het profiel van "de mens" beantwoorden kan en al helemaal niet in psychische zin. De afwijkingen van het basismodel, kennen we genoegzaam, maar al te vaak zien we alleen de afwijkingen in negatieve zin.

We kozen voor dit voorbeeld omdat vele elementen van de evolutietheorie wel met bewijsvoering onderbouwd kunnen worden, maar tegelijk ziet men dat ervan dezer dagen moeilijkheden hebben om de theorie te verzoenen met een godsgeloof. Bovendien heeft het paradigma als implicatie dat het ons zelfbeeld als mensen - zonder God - mogelijk maakt rijk te schakeren.

Kijken we naar de theorie die betoogt dat het heelal voort is gekomen door de expansie van een singulariteit. Alleen, hoe die expansie op gang kwam, hoe vervolgens die expansie zover door kon gaan dat het heelal in 13 miljard jaar de vorm kon aannemen die het heeft, volgens wetenschappelijk onderzoek en hoe dat astronomisch grote met het radioscopisch infieme, vormt op zich een ander paradigma. Het brengt wel met zich dat beide paradigma's, die over het leven en de oorsprong van de materie wel raakpunten hebben, maar de ene vooral met de materie te maken heeft en de andere, tja, met de levende natuur, al horen wetenschappers dat onderscheid niet graag vermeld worden.

Tinneke Beeckman had het dus over het risico dat de seksverslaving van DSK zijn politieke handelen onbetrouwbaar zou maken. Het zou leuk zijn eens zo een evolutionair psycholoog te horen uitleggen hoe normaal de man wel niet is. Immers, van DSK, Jacques Chirac en JFK is gekend dat ze een grote appetijt aan de dag legden. Maar anders dan DSK zijn er betreffende Chirac of JFK weinig verhalen over hardhandig optreden in de bedstonde bekend. Maar ook zal men altijd vrouwen vinden die deze goesting delen. Dit is geen moreel oordeel en de gelijkheid geldt dus ook de appetijt. Waar het om gaat en waar ik Beeckman kan bijtreden is dat wanneer de bedgeneugten te belangrijk worden de rede in slaap kan sukkelen.

Als Sanctorum zegt dat de wetenschap ook altijd een deel mysterie niet ontsluieren zal, dan geldt dat denk ik des te meer voor de menselijke geest, de plaats van emoties in ons handelen en de vraag hoe we zinvol met ons zinnelijke leven kunnen omspringen. Want met die neigingen zit iedereen wel, toch? Alleen, de vraag is of we ze geheel moeten temmen? onderdrukken? Of kunnen we er zo mee te leven dat het ons bestaan, het leven van elkeen die dat wil, kan verrijken? Als ik al enige nostalgie naar mijn jeugdjaren koester, dan was het dat toen de vrijmoedigheid veel ruimte werd gelaten. Bracht het me altijd geluk? Ach, wie wil experimenteren loopt wel eens een blauwtje op. Maar de gecrispeerde toon rond seksuele vrijheid, waar niet de homo-erotiek, de lesbische liefde of gewoon het spel tussen een man en een vrouw... centraal staan, maar precies de rechten van de holebi, waarbij de zin voor zingenot nog nauwelijks in de literatuur aan de orde komt, zoals reeds meer dan een eeuw geleden Lodewijk van Deyssel het lukte in "Een liefde", moet ons wel verontrusten. Pornografie? Misschien, maar het kan een mens wel op gedachten brengen.

Precies omdat het befaamde dertiende hoofdstuk over Mathilde die zichzelf bevredigt, omdat haar eerst geadoreerde man het laat afweten, zoveel consternatie verwekte, kan men altijd weer onderkennen dat men wel libertijns van zinnen kan zijn, ergens blijven we met inhibities opgezadeld. Zou Frederik van Eden het echt gemeend hebben dat de seksualiteit een mooie waterlelie wezen zou maar wat eronder zit, de wortels vies en onnoemelijk? Het kan best en men moet Van Eden er niet voor aansprakelijk stellen. Journalisten die in bladen als Paris Match graag uitpakken met de opzichtige praal van het bekende volkje, kunnen evengoed afgeven op le menu peuple, maar als er ergens een zweem van schandaal te rapen valt, zijn zij er graag bij om de eerste steen te werpen. Nu DSK geen proxenitisme oftewel pooierschap aangewreven kan worden, zal de zaak stilvallen, zal de man zijn belaagsters misschien juridisch vervolgen, maar al bij al is de zaak inderdaad dat zo een man een stem geven voor een publiek mandaat omdat hij socialist is,  het socialisme schade kan toebrengen en vooral de Res Publica.

Bart Haers   




Reacties

Populaire berichten