Wat men het publieke debat noemt

Kritiek

Voltaire > Candide
Het optimisme

Johann Christian Wolff (1679 - 1754) stond
model voor Dr. Pangloss in de conte philosophique
Candide ou l'optimisme van Voltaire. Het laat
zien dat men de termijn Verlichting
best met iets meer aandacht voor
details kan bekijken. 
Waar heb ik nu dat artikel gelezen over Voltaire, Charlie Hebdo en Voltaire's essay over verdraagzaamheid? Ik vond het artikel in de literaire bladzijden van de Morgen en vond het een vrij goed artikel. De idee de rol van een werkelijk bestaande Pangloss toe te lichten, met name over Johann Christian von Wolf te schrijven sprak me wel aan. En tegelijk valt het me altijd wat tegen als men Voltaire herleiden wil tot Candide, want in zijn lange leven heeft hij meer gedaan. Helaas wil men wel eens een aantal keuzes van de man zo onder de aandacht te brengen, dat men hem een beetje kleiner wil maken. Wil ik hem dan beaat adoreren? Daar zou de man hartelijk om lachen en bovendien, dat is precies wat op 11 januari een beetje gebeurd is, toen men Je suis Charlie koppelde aan Voltaire. Zijn leven was lang en soms kwam hij opportunistisch uit de hoek. Toen hij Candide schreef was Voltaire een man in goede doen, ongeveer zestig jaar oud en dus al lang aan de weg aan het timmeren. Voltaire was iets ouder dan Louis XV, had een verbanning achter de rug en een flirt met Frederik II de Grote van Pruisen en probeerde hij zelfs Madame de Pompadour te cotoyeren. Ook Roger Pearson vond dat aspect van Voltaire wat triestig, maar de man zou tegelijk niet nalaten de protestantse familie Chasal in Toulouse bij te staan met pamfletten en processen.

Toch kan men op de Wikipedia-pagina lezen dat Voltaire een antisemiet zou zijn geweest. Niemand kan perfect zijn, natuurlijk, maar ik heb de indruk dat men wel eens citaten aan Voltaire durft toe te schrijven, waar hijzelf een bepaalde visie van zijn tijd weergaf. Ik kan de discussie verder niet beslechten, omdat ik in mijn omgang met Voltaire dat aspect niet ben tegengekomen. Bovendien kan men de periode waarin de publicist leefde, nagenoeg de hele 18de eeuw, zien als een periode waarin Joden een grotere toegang vinden tot de Europese cultuur dan voordien het geval was geweest. Assimilatie en in Nederland een gevrijwaarde plaats en we weten dat Voltaire enige tijd in de Republiek heeft geleefd. Het kan dus maar een keer zo zijn dat sommige mensen teksten gaan fileren zonder context of intenties van de auteur grondig in overweging te nemen, maar goed, als het zo zou zijn dat Voltaire een bijna even erge antisemiet was als men op die pagina beweert, dan mag dat toch wat meer gestoffeerd worden. En ja, Voltaire was geen heilige.

Maar toen hij Candide schreef, was Leibniz al ad penates, onderzocht Voltaire waarom men toch zo graag wilde beweren dat het leven goed en welgevallig kan zijn. Voor zichzelf zou hij dat zelfs zonder veel problemen kunnen denken, puissant rijk als hij was, maar hij vond dat er teveel mis ging. Voor hem was optimisme niet echt aangewezen, maar hij kende, zo blijkt, een man die de visie van Leibniz verder had uitgewerkt, Johann Christian von Wolf(f), die het optimisme tot levensleer had uitgewerkt, maar ook, net als Voltaire problemen had met de macht van de (protestantse) kerk in Halle, Pruisen en ook heeft hij over het staatsrecht enige nieuwe inzichten gebracht. Von Wolff of Wolf was dus niet echt een tegenstander van Voltaire, maar hij kan wel voor dr. Pangloss model gestaan hebben. Iemand die in de 18de eeuw met Confucius komt aanzetten, moet overigens ook wel meertalig geweest zijn.

En toch valt het artikel ons tegen, want lang voor 1759, toen Candide verscheen had Voltaire al lang en breed de maat genomen van het Franse politieke stelsel, door in zijn "lettres philosophiques" het Britse model aan te prijzen. Daarin stipuleert hij duidelijk dat de macht niet bij het hof hoort te liggen maar bij een echt parlement. Voltaire kon overigens bij leven vaststellen hoe een 'great commoner', een 'grand roturier" als Pitt de hoogste ambten kon bekleden, terwijl de Franse koning beperkt was in zijn keuzes. Nu, we weten intussen dat sommige kleine luiden via een priesterambt een mooie loopbaan konden maken, zoals de kardinalen Dubois en de Fleury. Adeldom vond Voltaire op zich niet problematisch, want zijn beste vrienden behoorden tot de hofhouding, zoals d'Argenson, minister onder Lodewijk XV.

Dat alles laat toe ons af te vragen waarom we aan de ene kant zien dat men luid om de heer Voltaire gaat roepen als de man die de vrijheid van meningsuiting zou hebben gepropageerd, terwijl anderen menen dat hij die voor anderen niet zo hoog achtte, namelijk als ze een andere mening zouden verkondigd hebben. Het bekende apocriefe maxime staat er dan weer tegenover, want hij zou ook de vertolker van een abjecte mening steunen en helpen.

Voltaire leefde in een tijd waarin opinies er steeds meer toe gingen doen en het gemakkelijker dan ooit bleek die ook te verspreiden, want drukken van pamfletten en andere teksten viel makkelijker dan ooit voordien. Bovendien was er ook een publiek voor. Want als we de achttiende eeuw de eeuw van de Verlichting noemen, moeten we niet alleen vertellen  wie de hoofdrolspelers waren, Voltaire, Diderot, Rousseau, Leibniz, Wolff maar ook voor wie ze het konden doen, hun publiek dus. Jean-Christian Petitfils laat zien dat het publiek voor deze werken in Frankrijk zo een 100.000 lezers kon bereiken, maar ook dat er een soort populair circuit ontstond, onder meer toedoen van een reactie op de pauselijke bulle Unigenitus, waarin het Jansenisme nog maar eens veroordeeld was worden. Precies de kring van vader Arrouet, de wettelijke vader van Voltaire, het parlement van Parijs was een broeihaard van het jansenisme, ook al lijkt het erop, aldus Petitfils, dat vele van die juristen aan religie niet echt meer deden.

Het moet dus wel eens op de agenda komen dat die Verlichting inderdaad een hoop veranderingen op gang heeft gebracht waar wij nu de vruchten plukken. Ja, we leerden het eigen tuintje te cultiveren, maar men kan niet zomaar alles wat later gebeurde zoals de Endlösung of het totalitarisme toe te schrijven aan de Aufklärung, want de moderniteit is een proces, een weg die ons als persoon en als samenleving altijd weer voor onvoorspelbare keuzes plaatst. Zijwegen die goed lijken, lopen uit op niets of zijwegen die we voorbijlopen, blijken plots van belang. De ontwikkeling van de Europese samenleving tijdens de 18de eeuw heeft geleid tot democratie, vrijheid, maar ook tot onzekerheid en de gedachte dat we altijd weer bedreigd kunnen worden.

In die zin begin nu te begrijpen waarom Karl Popper ertoe kon komen Optimisme een morele plicht te noemen en hoe aan de andere kant, sinds Popper die uitspraak deed, velen menen dat de man het noorden kwijt was geraakt. Ik denk, ten onrechte misschien, dat een zeker optimisme over de mogelijkheden van mensen ook onmogelijke problemen op te lossen wel gewettigd is en dat men dat best kan inbrengen tegen de gedachte dat alles gedetermineerd is of dat we sowieso aan deze wereld ten onder zullen gaan. In die zin is Candide overigens een mooi voorbeeld van eenduidige receptie. Het kan toch niet anders dan dat Voltaire, zoals altijd met de gedachte "Il faut cultiver son jardin" wel degelijk inging op de gedachte dat we in deze wereld wel iets kunnen betekenen maar dat we al het kwaad dat er is, niet zomaar zullen uitroeien. Neen, Leibniz had het niet juist voor dat God de beste der mogelijke werelden had geschapen, maar hij had het wel bij het rechte eind als hij begreep dat hij als mens het lot deelde van Goudlokje, waarbij een theorie zegt dat wij mensen alleen maar mensen konden worden omdat ergens in een uithoek van een zonnestelsel, de Melkweg de ideale omstandigheden aanwezig bleken om leven te laten gedijen en vervolgens bleek dat leven zich tot complexe organismen te kunnen ontwikkelen.

Het komt mij bizar voor dat mensen als Jonathan Israël en in zijn spoor een Ico Maly menen in die discussies van de achttiende eeuw nu een positie te moeten innemen, want bij gebrek aan grondige kennis bij het publiek, kan dat ertoe leiden dat de teneur en draagwijdte van die debatten aan ons voorbij gaan. Juist de grondige studie van het bewind van Louis XV, maar ook van Maria-Theresia en Frederik II de Grote, Georges II van Hannover ook zoals Jean-Christian Petitfils die brengt, laat zien dat een discussie op het eerste zicht helder kan lijken, dan blijkt bij nader toezien dat de spelers op het terrein de zaak niet geheel helder spelen.

Verdraagzaamheid en tolerantie waren niet altijd evenredig gespreid en men maakte wel eens misbruik van scherpe geesten. Als Charlie Hebdo slachtoffer kon worden van een bloedige raid, dan heeft dat meer te maken met een moderne benadering van de Islam, waarbij de draagwijdte van teksten en verzen vaak zonder context functioneren, want we eigenen ons graag denkbeelden toe zonder na te gaan of de interpretatie gerechtvaardigheid is.  Net daarom verwijzen we met enige aandrang naar de evolutie van het Jansenisme in het Franse politieke debat, want men kan er moeilijk omheen dat deze beweging op het oog wellicht minder conservatief dan wel voor blijk geeft van een mensbeeld dat nauw aansluit bij het calvinistische idee van de predestinatie, maar toch de drager kon worden van een omwenteling die de body politique van de koning grondig zou wijzigen. De body politique, dat is de figuur van de koning in het bestel waarbij de leden van het parlement vonden dat zij boven de Conseil zouden staan. Het blijft een onderbelicht facet van de politieke geschiedenis van Frankrijk. Middelerwijl mag men dan niet vergeten dat in de andere staten en naties in Europa evoluties aan de gang waren en dat discussies elkaar beinvloeden. Zo was Voltaire een verklaard tegenstander van "les Parlements" en de Jansenisten. Tegelijk heb ik de indruk dat zij sommige van zijn inzichten stilzwijgend en in hun voordeel interpreterend overnamen. Het geeft meteen aan hoe boeiend zo een ideeënhistorische benadering wel niet kan zijn. Dan gaat het niet enkel over wat Voltaire zegde, maar hoe het debat evolueerde waarin hij gedurende 60 jaar actief was. Wie doet het hem na?

Hebben we ons in dit stuk over de positie van Voltaire gebogen en de plaats van Candide in zijn omvangrijke oeuvre, dan zou het nodig zijn ook Johann Christian von Wolff beter toe te lichten. Maar voorlopig laat ik het hierbij, met de vaststelling dat er altijd nog wel stukken te zoeken voor de grote puzzel die we leggen.

Bart Haers  



Reacties

Populaire berichten