Geen slaaf van de vooruitgang of van de traditie
Kritiek
De maat der dingen
Fundamentele
zekerheden en ruimte voor twijfel
![]() |
Faust, zoals Johann Wolfgang von Goethe die presenteerde, gaf blijk van een ongebreidelde ambitie alles aan de weet te komen en toch, denk ik, was hij er niet de man naar die kennis gewoon stapelde. |
Het debat over zekerheid versus twijfel verdient het gevoerd te worden, omdat we als mensen, levend in een onvoorspelbare wereld toch voortdurend de raad krijgen op zekerheid te spelen, maar ook te durven, lef te hebben en voor het avontuur te gaan. Het zijn verrassende tegenstrijdigheden, die in het debat tussen Rik Torfs en Etienne Vermeersch culmineren i de kwestie of men voor onze inzichten enkel vertrouwen kan op wat we zeker weten. Want hoever reikt die kennis?
Het gesprek in de
zaterdagkrant leek de twistpunten op een hoffelijke manier badinerend te laten
ondersneeuwen, maar het feit is, denk ik, dat de samenleving vandaag duidelijk
minder ruimte voor onzekerheid laat dan een kwart eeuw of langer geleden het
geval was. In de visie van Etienne Vermeersch, die zo te zien breed gedragen
wordt in de samenleving, schuilt een paradox, want zijn streven naar zekerheid
over de aard der dingen, zet niet aan tot nieuw onderzoek, laat staan tot in
vraag stellen van de bekende orde der dingen. Laat nu net dat de bestaansreden
zijn van het vrij onderzoek en van het vrijzinnig humanisme de afgelopen twee
tot drie eeuwen. Maar tegelijk kan men bemerken dat het rationalisme, waar heel
veel voor te zeggen valt in een aantal opzichten toch wel tot zeer bepalende en
strikte inzichten heeft geleid, die niet altijd meer op observatie gebaseerd
zijn.
Het probleem dat Rik Torfs
naar voor schuift heeft aan de andere kant iets dat naïef moet lijken, omdat we
weten wat we weten, althans, de wetenschappelijke vooruitgang heeft ons tal van
inzichten opgeleverd die voor het vormen van een behapbaar mens- en wereldbeeld
zeer zeker relevant zijn, maar die, zo lijkt het wel, moeilijk tot een synthese
te brengen zijn. Dat valt des te meer op omdat sommigen zich graag bepalen tot
een strikt wetenschappelijk wereldbeeld, als het al geen deterministisch mens-
en wereldbeeld is gebleken. Naïef blijkt Torfs ook als hij de indruk wekt dat
men zomaar zou moeten twijfelen. De vraag is of we vandaag de luxe hebben om
zomaar te aanvaarden dat de dingen betwistbaar zijn. Velen menen dat dit niet
geval is en sommigen menen dat de vooruitgang gaande moet blijven, waarbij die
vooruitgang uiteraard alleen maar ... vooruitgang kan betekenen. De discussie
over de moderniteit blijft hierbij open, maar ook dringt de vaststelling zich
op dat maar weinig mensen onverkort en eenduidig de moderniteit genegen zijn.
Er is ook weinig zeker over wat het beste is voor... iedereen. Voor wie doen we
het dan?
Planologen vormen een
bijzondere groep in de samenleving, omdat zij zelden getroffen worden door
enige twijfel over de juistheid van hun inzichten, maar zelden worden hun
onderliggende aannames onderzocht. In Chicago, beschrijft Richard Sennett,
werden nieuwe wijken met hoogbouw ontwikkeld rond 1930, maar nog geen 40 jaar
later werden die wegens verloederd en
onderkomen weer afgebroken. Volgens planologen zullen de gebouwen wel
afgeschreven geweest zijn, maar Sennett weet te melden dat de druk op het
samenleven van mensen in die sociale wooncomplexen niet van een leien dakje
verliep en dat er overlast vast te stellen viel vanwege jongeren- en andere
bendes. Hij meende dan ook in zijn boek "Respect" dat het nuttig kan
zijn niet enkel te kijken naar wat men uitstekend vinden kan aan de studietafel
maar dat ook nog eens op het terrein werken te toetsen, niet op grond van hoe
mensen zouden moeten wezen en handelen, maar hoe mensen werkelijk zijn.
Kan men daarover op
wetenschappelijk verantwoorde wijze uitspraken doen? Tot op zekere hoogte wel,
zoals het Taylorisme heeft laten zien, of zoals ook psychologisch en
sociologisch onderzoek laten zien. Maar of men werkelijk mensen tot een bepaald
gedrag kan bewegen, blijft nog maar de vraag en hoeveel ruimte mensen van node
hebben om zich wel te bevinden, kan men ook niet zomaar uitvogelen. Feit is dat
het streven mensen in een van bovenaf opgelegd gareel te brengen, doorgaans
niet goed lukt, behalve dan als het een aangenaam gareel is. Het consumeren
werd gedurende vijftig, zestig jaar met goed gevolg via publiciteit aan de
mensen voorgesteld als een autoweg naar het plezier, het genieten en dat liep
van een leien dakje. Ook het intomen van het rookgedrag blijkt behoorlijk te lukken,
maar tegelijk zien we dat mensen wel zonder veel moeite aan hardere drugs
geraken, zoals cannabis en cocaïne. Onderzoeken die uitwijzen dat de Thames en
de Schelde na ontvangen van huishoudelijk afvalwater - zelfs gezuiverd - veel
sporen van drugs meevoeren, krijgen we wel eens te horen, maar behalve van
drugspreventie-experten horen we weinig reacties. Zou men dat fenomeen dan niet
willen inperken, of blijkt dat bijzonder moeilijk. Intussen zorgt het
rookverbod in cafés, net als het zeer repressieve klimaat in verband rijden
achter het stuur voor een ander fenomeen, dat kleine cafés hand over hand
verdwijnen. Natuurlijk zijn er veel oudere uitbaters die van hun bescheiden
pensioen en hun spaarcenten willen gaan leven, maar voor zo een wijk of kleine
gemeente waar zo een café verdwijnt, kan men bedenken dat er ongewenste
neveneffecten aan het licht komen, namelijk dat mensen elkaar niet meer vinden
aan de kaarttafel en vereenzamen. De gezondheidswinst wordt door verlies aan
sociale contacten en toenemende zinloosheid van het bestaan onderuit gehaald.
Vinden mensen dan alleen hun genoegen aan den toog bij Bertha of Zoë?
Natuurlijk niet, maar er zijn er genoeg die al jaren op maandag of dinsdag hun
kaartje gingen leggen en nu plots geen café meer hebben.
De wenselijkheid van het café
in het dorp? Het gaat niet om meetbare grootheden, maar om het samenleven, om
sociale controle enerzijds en uitwisseling van inzichten anderzijds. Zo zuiver
was dat ook niet altijd, maar het verlies van de stamtafel, de borreltafel en het
biljart, dat alles mag men toch niet negeren. Nog eens, hier beweegt zich men
op het terrein van het menselijke handelen, van het samenleven dat men
antropologisch kan beschrijven, maar er bestaan geen exacte formules voor.
De zorg voor het goede leven,
dat altijd ook een persoonlijke zaak is, kan nooit alleen maar een persoonlijke
zaak zijn en de discussie over de inschrijvingsvoorwaarden aan de Hoge School
en universiteiten, de voorwaarden om verder te mogen studeren zijn sinds 1950
grondig gewijzigd en nu hoeft men dus geen Latijn-Griekse humaniora gedaan te
hebben om zich te mogen inschrijven. En wie er zin in heeft een half jaar of
langer te boemelen, zal ook niet geplaagd worden door de rector en zijn
diensten. Maar los van het feit dat het studeren aan de universiteit een dure
aangelegenheid en dus voor elke student die zich inschrijft een voorrecht moet
heten - wat de sociale achtergrond ook is - kan het ook betekenen dat die
student van de cursussen het beste probeert te maken, ook al is niet elke
cursus even spannend. Encyclopedie van de klassieke oudheid? Probeer maar eens
uit al die nota's en dat handboekje van Petit wijs te geraken en toch lukt voor
de gepast ijverige student.
Wat heeft dat nu voor belang voor
de discussie die Torfs van Vermeersch nu en al sinds enige tijd voeren?
Vermeersch stelt dat men als filosoof niet zomaar even wat kan beweren. Wie zal
dat tegenspreken? Alleen blijft de vraag wat de criteria voor hem zijn om iets
waar te bevinden. Hij stelt dat als de wetenschap iets als waar voorstelt hij,
met zijn beperkte verstand, niet bij machte is, eraan te twijfelen en dus dat
feit, dat gegeven als waar moeten aannemen en het derhalve ook in onze visie
mogen aanwenden. Maar als de wetenschapper niet geheel eerlijk geweest is? Of
als we de resultaten niet geheel correct interpreteren, dan ontstaat er een
discussie want het waar bevonden gegeven blijkt voor ons een andere betekenis
te hebben aangenomen, een andere gestalte, dan de wetenschapper die bewijs
leverde voor ogen had staan. Zo kunnen we blind blijven voor de beperkende
omstandigheden waarin een fenomeen als correct kan worden gezien, maar niet
buiten die omstandigheden, bijvoorbeeld die van laboratorium versus het vrije veld.
Het punt is dat
wetenschappelijke inzichten inderdaad een grote, vaak een universele geldigheid
hebben, binnen de biosfeer of de aardse omgeving, dan wel voor het universum
dat wij waarnemen. Daar kan niemand aan voorbij. Wie de wetten van Newton en de
hoofdwetten van de fysica in twijfel trekt, zal daar dus zeer goede argumenten
voor ter tafel moeten brengen. Maar wie de werking van een geneesmiddel, tegen
te hoge cholesterol of een antidepressum wil ter discussie stellen, zal
uiteraard een specialist zijn, maar aan de andere kant, zo blijkt ook, hebben
die experten wel eens belangen zodat zij die de werkzaamheid van het middel in
kwestie eindeloos gaan oprekken, zoals met Relatine - in Nederland en elders Ritalin
- het geval is volgens Trudy Dehue, wat de betrokken experten dan weer als
onzin afdoen. Maar wie zal aangeven wat waar is? Trudy Dehue,
wetenschapsfilosofe, kan een hoop "circonstantial evidence aandragen, zij
kan nooit op een onweerlegbare wijze, tenzij er post- of digitaal mailverkeer
zou bestaan aantonen dat er bewust met de regels van de wetenschappelijk beste
praktijken is gesjoemeld. Toch blijkt er nu ook bij bejaarde mensen, boven de
70 plots ADHD te zijn vastgesteld. Meer nog, Mevrouw Dehue zou op een aantal
criteria van de DSM IV misschien wel positief scoren...
Op het vlak van de fysica en
de scheikunde kan men de juistheid van bevindingen doorgaans moeilijk
weerleggen als leek en ik zal ook niet beweren te twijfelen aan de juistheid
van de Tweede Wet van de Thermodynamica, maar als het op leven van de geest, de
menselijke geest aankomt, zal men de uniciteit van personen maar moeilijk
kunnen negeren. De mate waarin wetgeving voor iedereen geldt, houdt overigens
ook verband met de gedachte dat de uniciteit van personen binnen de menselijke
soort niet onoverzichtelijk zou zijn en dat eenieder er in principe iets van
begrijpen kan. En toch blijkt dat veel menselijk gedrag niet per se rationeel
hoeft te zijn of beter dat gedrag soms zeer goed beargumenteerd kan worden door
de betrokkene, zonder dat derden daar vrede mee nemen.
Het kan ons maar niet
duidelijk worden waarom prof. em. dr. Etienne Vermeersch de aard en de
zekerheid van wetenschappelijke kennis, kennis dus die op wetenschappelijke
gronden en volgens beproefde en opnieuw te beproeven methodes is verworven in
andere gebieden dan die van de klassieke fysica of scheikunde zomaar valabel
wil hebben voor alle andere domeinen. Complexe systemen zoals het weer op aarde
en in alle mogelijke subklimaten kan men soms goed voorspellen, soms slechts
zeer moeilijk en ook economische systemen blijken soms onverwacht heftige
schokken te ondergaan. De zekerheid dat het klimaat in onze regio, het Europese
subcontinent dus, aan verandering onderhevig is, mag men zeer hoog inschatten,
want Emanuel Leroy Ladurie stelde in een kort overzicht van studies van het
historische klimaat in Europa en de wereld vast dat die studies altijd nog met
onbekenden af te rekenen hebben, maar wel degelijk ook op relatief korte
termijn veranderingen kunnen laten zien.
Men zegt gemakkelijk dat zijn
opponent Rik Torfs vanuit een zeer dogmatische uitgangspositie de visie van
Vermeersch bestrijdt, maar hoewel hij het bestaan van zijn god niet loochent en
dat ook aangeeft, kan men zijn visie als een humanistische benadering in
overweging nemen. Cruciaal blijkt dat Torfs, die als jurist en kerkjurist
vooral met casuïstiek doende en dus niet per se op zoek naar universeel
geldende wetmatigheden, die de natuurkunde wel kan formuleren, een andere
benadering vooropstelt . In wezen komt men dan terecht bij de kritiek die
Hannah Arendt aan het adres van haar leermeester Martin Heidegger formuleerde, namelijk
dat deze zich in wezen niet om de wereld zoals die is en mensen zoals die zijn
bekreunde, maar een wereld zoals die behoort
te zijn, waarbij ook nog eens de eindigheid van mensen en dingen centraal staat.
Voor Arendt kan men zich met dat laatste uitgangspunt niet goed verzoenen,
zonder naar mensen te kijken met een grote sympathie, empathie, betrokkenheid.
Etienne Vermeersch sluit, uit
hoofde van zijn filosofische visie niet zozeer het menselijke uit, maar hij kan
het immanente en het contingente in zijn visie niet in aanmerking nemen voor
het formuleren van zijn visie, net omdat het contingente uiteraard weinig
vastigheid in de aanbieding heeft. Rik Torfs daarentegen kan, ook zonder een
beroep te doen op god, dogma's of doctrine een mens- en wereldbeeld presenteren
waarin ruimte is voor twijfel, voor oordeel ook binnen de grenzen van het
tijdelijke en onvolkomene want die twijfel kan men niet vereenzelvigen met het
dubito van Descartes, dat immers zelf alweer een cogito is, dat geen twijfel
meer kan zijn. In die zin kan men de discussie tussen beide heren afdoen als
aangenaam tijdverdrijf, want ze spreken niet over hetzelfde, zelfs niet
sprekende over wetenschappelijke kennis. Torfs presenteert in die zin een mens-
en wereldbeeld waarin de menselijke maat van gewicht is, terwijl Vermeersch de
menselijke maat als ondefinieer terzijde schuift. Lijden is voor Vermeersch
zinloos, zwaar gehandicapte kinderen die nu, dankzij de vorderingen van de gynaecologie
en kennis van zwangerschap en ook van de foetus, het embryo zeer ver gevorderd
zijn, leiden volgens de Gentse filosoof een Wrongfull Life. Met hoofdletters.
Omdat nu zoveel mogelijk is, blijven kinderen in leven die een halve eeuw
geleden het eerste levensjaar niet haalden of zelf niet levensvatbaar geboren
werden. Is de wetenschap dan "wrongfull"? Geenszins, maar de
gevolgen, de effecten van het kunnen, leiden wel eens tot lastige resultaten.
En daar kan men met een wetenschappelijk mens- en wereldbeeld niet veel aan
toevoegen of op afdingen. Zo een kind is er, met alle problemen van dien. Maar
procederen tegen artsen die hun uiterste best hebben gedaan een kind zo goed
mogelijk ter wereld te brengen, lijkt mij ethisch vatbaar voor discussie. Omdat
de rechter het niet-leven niet kan beoordelen, maar omdat die artsen, eens het
gehandicapte kind geboren was de zaak niet meer kunnen terugdraaien.
Rik Torfs ervaart zo te zien
de tragiek van het bestaan en weet dat er hoop uit te putten valt, dat men na
het doorleven van de catharsis tot verlichting kan komen. Etienne Vermeersch
wil dat artsen, wetenschappers het laatste woord hebben en meent dat daarmee
onnodig leed voorkomen kan worden. Of leed onnodig is? Avonturiers op zoek naar
schatten op de route van de VOC en er zwaar gewond uitkomen of die op de
flanken van de Mount Everest hun tenen verliezen wegens bevroren en dreigend
gevaar van gangreen lijden dus niet onnodig? Kinderen die geboren worden door
toedoen van en dankzij het kunnen van artsen, lijden onnodig? Als het leven zo
eenvoudig was, zou er niet zoveel ter discussie staan. Daarom kan ik de visie
van Torfs slechts naïef noemen in de mate die naïviteit gelouterd is geworden
door de ellende die een mens doorheen zijn leven heeft ervaren en die het
geschonden vertrouwen in anderen toch weet te herstellen. Torfs getuigt dan ook
eerder van een "seconde naïvité" terwijl Vermeersch wat de
wetenschappelijke grond voor zijn denken betreft, zelfs als het om het lezen
van teksten gaat,precies van een onversneden geloof in fysica, scheikunde,
biologie etc. blijk geeft. Onversneden vertrouwen in de juistheid van de
methodes en de benaderingen, maar ook dat artsen zich qua resultaten niet
zullen vergissen, toch vooral daar waar de casus cruciaal is. In de geneeskunde
blijkt dat de dingen toch anders kunnen uitpakken, met de beste bedoelingen
overigens. Kan een rechter dan zo een arts veroordelen?
Het komt mij wenselijk voor
dat men de discussie blijft voeren, maar tevens zal men erkennen dat het
erkennen van ons bestaan binnen de grenzen van eindigheid en beperkte
overzichtelijkheid, beperkte stuurbaarheid, juist de hoop in zich bergt dat het
leven net dan overtuigend en beloftevol kan blijken. Daar heeft men geen
godsgeloof voor nodig, wel geloof in zichzelf - waaraan het de Gentse filosoof
niet ontbreekt - en geloof in anderen. Dat laatste blijkt dezer dagen net als
vertrouwen in derden moeilijk te onderhouden en dat is waarom Torfs met zijn
pleidooi voor de twijfel een belangrijke kwestie te berde brengt. .
Men kan dit debat over
zekerheid en de ruimte om de (ver-)dwalen niet enkel aan hooggeleerde heren
overlaten. De inzichten die de wetenschappen ons te bieden hebben, mag men niet
geringschatten, de veronderstelling dat we doorgedrongen zouden zijn tot het
alfa en omega van wat over de aard der dingen kenbaar is, kan men niet zonder
gevaar van zelfoverschatting koesteren. Ten gronde blijft er nog veel te
onderzoeken, maar ook blijft het zo dat die wetenschappelijke kennis en
technologische mogelijkheden niet alleen maar gunstig uitpakken; neen,
onderzoek is nodig en gerede twijfel gerechtvaardigd, zonder dat men zich
daarom a priori tegen die vooruitgang zou verzetten. Het vergt afwegingen en
debat opdat men tot die afwegingen kan komen en dat lijkt prof. em. dr. Etienne
Vermeersch uit het oog te verliezen, maar het debat over het rationele en hoe
we volkomen rationeel met data, observaties en doelstellingen zouden opgaan,
zouden we een ander stuk moeten schrijven. Maar de slaaf worden van de
vooruitgang lijkt me even erg als iemand die de slaaf zou zijn van de traditie.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten