Contingentie als voorwaarde van democratie



Dezer Dagen

Democratie & vertrouwen
beeldvorming en werkelijkheid en de omfloerste democratie


John Duns Scotus, een filosoof die het Platoonse
denken afwees en de contingentie als
basis voor de condition humaine en van
de samenleving zag. Democratie kan niet
zonder vrijheid en dus moet men
denken zonder wereld van ideeën.
Mag ik stellen dat men van democratie een niet geheel correct beeld ophangt als men de politici te veel macht toekent of hen boven de samenleving plaatst.

Een agenda om het debat enigszins te structureren is dan net zo handig, want we lopen al gauw vast in een bepaalde benadering, waarbij het gebeuren ons allengs ontsnapt. Dat wil zeggen dat we een diagnose van de wereld en de samenleving zoals die is en per se een verbetertraject willen opzetten. Vaak ontgaat het ons dan dat er aan de samenleving zoals die tot stand is gekomen ook wel goede ideeën en inzichten ten grondslag liggen. Vandaar dus maar ineens een lijstje op tafel gelegd:

-        Arendt over het denken
-        debat voeren vanuit ideologie
-        Parresia (Foucault) in het politieke debat
-        Chantal Mouffe en de aard van het conflict
-        het belang van de constitutie - grondwet
-        het vastleggen en wijzigen van de agenda
-        betrouwbaarheid van het beleid:
                   - voorspelbaarheid
                   - stabiliteit
                   - handhaving en uitvoerbaarheid
-        de verhouding tot de administratie
-        takenpakket
-        de gelijkheid en uniciteit
-        organisatie van de verantwoording
-        opinievorming: intieme overtuiging van de kiezer

Arendt, Chantal Mouffe, Michel Foucault, ze gingen verder dan het louter politieke debat dat ons soms kan bekoren, soms kan ergeren en dag na dag gevoerd wordt, maar brengen wel inzichten aan die ons kunnen brengen bij een bredere kijk op wat we van een democratie verwachten. Merkwaardig genoeg moeten we dan niet eerst gaan kijken naar wat Arendt vertelt in de "Vita Activa", maar naar haar latere werken, zoals "The life of the mind: thinking" en "the life of the mind: willing" omdat ze uitleg dat wanneer we denken, wel niet geheel bezig zijn met het onmiddellijke, maar wel best kunnen denken over de dingen die zijn en niet ergens een wereld gaan dromen die er niet is, zeker geen ideale wereld. In het andere werk spreekt ze over de wil, over het aanvatten van een taak. Als ik het wel had, bedacht ze ook een derde deel, waarin ze het oordeel zou behandelen, wellicht in de hoop het inzicht te kunnen onderbouwen dat oordelen een belangrijke functie is van ons geestelijk leven. Oordelen laat namelijk ook toe, vermoed ik dan, dat we ook verantwoordelijkheid kunnen opnemen, zoals ze in een essay ontwikkeld had, wat een noodzakelijke voorwaarde is voor elke vorm van bestuur. Men kan dus ook oordelen dat de wereld zoals die is, of onze samenleving op een aantal punten wellicht niet perfect is, maar  dat we ook niet zomaar alles kunnen verbeteren. Want die voorgestelde verbetering eisen ook altijd nog een tegenprestatie en we zijn er ons niet altijd van bewust wie die moet betalen. Het Utopia van Thomas More is daarom wel een geschikte waarschuwing, want hoe mooi we dat Utopia ook vinden, het is een saaie, duffe boel. Een beetje zoals elk paradijs een prijs eist, namelijk die van perfectie, zoals het Aards paradijs, waar de mens zelf nog niets hoefde of kon ondernemen.

Maar dan komen we toch uit bij "Vita activa" van Arendt, want men kan het in een paradijs wel aangenaam toeven maken, als men niet vergeet te werken, te arbeiden en te handelen. Maar men kan met het bestaande bestel leven en daarover hoeven ook geen grote conflicten te ontstaan, maar we zijn mensen en wat eerst bevredigend leek, wordt vervolgens toch wel weer voorwerp van ongenoegen en van strijd.

Want in het leven van een samenleving kan er heel wat strijd voorkomen, gewoon omdat de samenleving steeds weer nieuwe groepen kansen geeft en mensen zelf ook wel streven naar lotsverbetering, soms ook kwaadschiks. Ooit werden voor kleine vergrijpen zware straffen uitgesproken, zoals in het Victoriaanse Engeland, waar brooddiefstal op een overtocht naar Australië kon komen te staan. Tegelijk zien we dat mensen om allerlei redenen gewelddelicten plegen, soms als levensstijl zelfs.

Maar er waren en er zijn opstanden en soms nemen die gewelddadige vormen aan, want er waren ook ideologen die er de hand niet voor omdraaiden om honderden, duizenden zonder vorm van proces via de guillotine naar de andere wereld te helpen. Maar sindsdien hebben we in Europa de politieke moord afgewezen en politieke strijd werd steeds meer een verbaal gevecht, waarbij publiciteit en het bespelen van de media zeker vooraan staan op de lijstjes met vaardigheden van politici: zorgen dat je in beeld komt, zonder daarom voor een domoor versleten te kunnen worden. Goede communicatie? Maar wat moet men dan vertellen?

Men verdenkt politici er graag van de waarheid naar hun hand te zetten en sommige hoogvliegers slagen er vaak in lange tijd een aura van authenticiteit met zich te dragen, terwijl men bij andere haast in hun optreden ziet dat je niet altijd ziet wat men zou moeten zien. Het blijft bevreemden, want al willen we wel dat politici de waarheid en niets dan de waarheid vertellen, soms willen we die niet horen. Natuurlijk gaan we de visie van de ideologische tegenstander gemakshalve afdoen als nonsens of erger, als leugens. Maar dat laatste heet niet echt parlementaire taal te zijn. Edoch, in de wandeling en op allerlei fora gonst het vaak genoeg van uitlatingen die het voordeel hebben dat men niet meer over de zaak zelf hoeft te spreken. Maar Parresia in de politiek, waarheid spreken, komt het ervan? In het heden valt dat moeilijk zomaar vast te stellen, maar toch, men verwijst graag naar onderzoeken zonder dan verder te melden om wat voor onderzoek het gaat.

Maar nemen we voorbeelden uit het verleden, zoals de plaatsing van kernraketten voor de middenlange afstand in Florennes, dan werd de Eerste Minister, Wilfried Martens tijdens een debat in de Kamer verweten dat hij dat niet tijdig gemeld had. De stemming moest nog volgen, dus zou men hem inderdaad hebben kunnen verwijten dat hij minachting aan de dag legde voor het parlement. Maar hij kon niet rechtuit spreken, hoewel de posities duidelijk waren: de regering wilde het dubbelbesluit nakomen terwijl de SP en de PS eerst, als regeringsleden het actieplan hadden goedgekeurd, c.q. praten met de Sovjet-Unie en als stok de raketten alvast plaatsen. Nu, een element had men niet voorzien, want terwijl in het oude Europa de zaken op scherp stonden, begon er in de landen onder de voogdij van Moskou veel te schuiven. Meer nog, Moskou leek even zichzelf niet meer, toen Gorbatshov probeerde het vermolmde bestel nieuw leven in te blazen.

Ook inzake Oosterweel zagen we overigens hoe politici hun inzichten bijstelden, toen hun eerdere engagementen hen van buitenaf zwaar werden aangerekend: Groen en SP steunden de plannen van de BAM volmondig, zelfs zonder een zweem van kritiek - dat was in 2003 -, maar even later kwamen actiegroepen aanzetten en binnen het jaar waren deze partijen om. Spraken ze de waarheid toen ze dansten rond de maquette of toen ze instemden met de oppositie vanuit de samenleving? En spraken die actiegroepen de waarheid? Nu, er waren bij de plannen wel een aantal randvoorwaarden opgelegd zodat het begrip waarheid wel relatief mag heten. In functie van de vereisten had men het best mogelijke plan voorgesteld. De kritiek was dus niet geheel rechtzinnig, wanneer men bepaalde aspecten, zoals het feit dat de hoge brug te dicht bij de stad zou liggen, boven het Eilandje, dan weet men ook dat een eind verder Sevesogebied ligt: de chemische industrie bij de haven van Antwerpen, zodat men niet zoveel ruimte heeft om de oeververbinding aan te leggen, c.q. een tunnel te graven die voldoet aan de vele vereisten en randvoorwaarden. Toevallige omstandigheden? Zo is het nu eens een keertje.

Er bestaat recht op vereniging, er bestaan grondwettelijke vrijheden, die het mensen mogelijk moet maken zich met de publieke zaak in te laten, maar als mensen tegen windmolens in het achtertuin ageren, als men een noodzakelijke ontsluiting van Zeebrugge wil realiseren, dan spreekt men van een nimbysyndroom.  Meestal vinden we dat men er blijk van geeft als een plan dat we goed vinden geboycot worden door burgeractivisten. Het Simon Stevin-project, dat op zee gewonnen stroom naar de gebruiker moet brengen via een hoogspanningslijn (300.000 volt) werd door bewoners afgeketst, bewoners die onder die leiding zou komen te wonen. Nu komt een duurder project met grotere stukken ondergrondse leiding, waardoor ook de snelle uitvoering in het gedrang. Maar nog eens, de vraag kon en mocht gesteld worden.

Het is in dier voege dat men de betekenis van conflicten moet bekijken, zoals Spinoza, Carl Schmidt en Chantal Mouffe benadrukten. Het is evident dat we elkaar niet meer in een duel afmaken. Maar de wijze waarop tegenstanders in politieke en publieke debatten elkaar tegemoet treden, geeft vaak blijk van een grote verbetenheid, waarbij de argumenten van de tegenstanders niet met goede argumenten onderuit gehaald worden, maar ongeloofwaardig voorgesteld worden en de sprekers wordt elk begin van dossierkennis ontzegd. Dat partijen zich eerst committeren en zich vervolgens ervan distantiëren op gronden die niets of weinig met het dossier te maken hebben, waardoor we de indruk krijgen dat die beweging geïnspireerd is door opportunisme. Het punt is dat politici graag met kranigheid uitpakken en vervolgens, als de kranigheid niet goed ontvangen werd of wordt, dan lijkt het moeilijk zonder goede argumenten een inzicht te herzien, zodat ze proberen stilletjes van koers te veranderen, ongemerkt of anders met de fanfare op kop. Maar de argumentatie blijft vaak genoeg in het duister.

Iedereen kan punten op de agenda zetten, maar het zijn vaak de dezelfde groepen die punten op de agenda plaatsen, zoals in het onderwijs, zoals bij het afronden van het netwerk van wegen. Maar men moet de media goed kunnen bespelen, ook de sociale media, wil men punten op de agenda krijgen. Ik denk aan de eis om alle slachthuizen te sluiten en wellicht vervolgens alle veestallen te slopen en het vee langzaam te laten uitsterven. Afgezien van de gedachte dat mensen best zelf kiezen hoe ze eten, al dan niet gevarieerd, mag men aan die actiegroepen toch wel vragen hoe ze hun eigen vrijheid willen vrijwaren dieren niet te laten lijden en anderen die wel graag een kippenbilletje lusten, liefst geen plofkippen... Of ik suchi eet? Ik vind het overbevissen van tonijn een schande, zoals ik ook betreur dat kabeljauw bijna uitgestorven bleek.

Want het probleem met al die discussies is dat men van een regering verwacht dat ze op stel en sprong het beleid wijzigen, zonder zelfs maar de mogelijkheid te baat te nemen een beleidsbeslissing helemaal uitwerking te laten krijgen. Want wie rechtvaardiger belastingen wil, kan ervoor ijveren dat men het progressieve stelsel nog meer activeert, maar dan moet bedenken dat mensen de vorming van hun inkomsten gaan bijsturen, zodat ze officieel minder verdienen dan hun personeel. Ik denk dat men rechtvaardigheid goed moet begrijpen en dat mensen die hard werken en met grote verantwoordelijkheden best goed mogen verdienen, als ze hun job goed doen. Het klopt dan ook dat men de indruk heeft dat ceo's wel eens zonder enige zin voor nuance de hemel worden ingeprezen. Dat geldt bij de grote beoordelaar altijd: de media geven graag cijfers, waarderingen, maar het is niet altijd overtuigend en soms vergelijkt men peren en citroenen.

Met dat al blijkt overigens dat men in het debat heel vaak de administratie vergeet in het functioneren van de overheid, waarbij men graag verwijst naar de spreekwoordelijke onverantwoordelijkheid van ambtenaren of naar hun gebrek aan ambitie - er zijn natuurlijk uitzonderingen, want ook een overheidsmanager kan al eens op het schild gegeven worden. Toch is de rol van een goed werkende, autonome administratie van belang, al zijn er ook grenzen aan die autonomie, omdat anders de politici ondergeschikt kunnen geraken aan de administratie.  

Het mag wel gezegd worden dat we nog een en ander zouden kunnen toevoegen aan onze analyse, mag toch bedacht worden dat we best niet al te lichtvaardig de politici veroordelen, de ambtenaren negeren en de rechterlijke macht van incompetentie verdenken. Wie door omstandigheden met deze actoren te maken krijgt en de mensen die namens en in het ambt van optreden, zal merken dat er niet zo groot verschil te bespeuren valt. De autonomie en neutrale betrokkenheid om oplossingen te vinden voor fiscale vragen en andere kwesties, mag men niet zomaar negeren.

Democratie kan men objectief trachten te beschrijven, maar het mag duidelijk zijn, zoals ook Martha Nussbaum het vaststelde, dat zonder betrokkenheid en inzet, zonder emoties dus, de best rationeel onderbouwde oplossingen vaak onmenselijk zijn en ook het algemeen belang niet dienen. Maar het functioneren van een democratie blijft vanzelfsprekend in hoge mate contingent en zoals Arendt opmerkte, betalen we met het aanvaarden van de contingentie een prijs voor vrijheid wat ertoe leiden kan dat we ook nog eens creatief uit de hoek komen, iets kunnen bezinnen. Daarom is aandacht voor uniciteit van personen, die men niet per se hoeft te haten of overmatig lief te hebben, zo cruciaal voor een democratie. Gelijkheid? Zeer zeker, maar niet zo dat persoonlijke eigenschappen niet ontwikkeld kunnen worden.

Dat verkiezingen met grote ijver voorspeld worden en toch wel eens opvallend anders blijken af te lopen, komt voort uit het feit dat kiezers, met de kennis of het gebrek aan kennis waarover ze beschikken hun afwegingen maken. Dat kan voor sommigen lastig zijn, dat domoren gaan stemmen. Maar kan men zichzelf zomaar wijzer achten dan alle anderen? Het gaat hier zelfs niet over hoogmoed versus nederigheid, wel het besef dat niet iedereen een volledig huis van centrale verwarming kan voorzien op de meest energievriendelijke manier. Daar komen al zoveel vaardigheden en kennis samen, dat het wonderlijk blijft dat we vakmanschap zo weinig achten. Dat, denk ik, geeft die mensen evengoed het recht om te gaan stemmen of zich uit te spreken als iemand die in staat is als advocaat drugsdealernetwerken te verdedigen.

We begonnen bij Arendt, omdat ze ons toelaat dat denken over de toestand, c.q. de democratie en het gevoerde beleid - wat men duidelijk uit elkaar moet zien te houden - niet in het ijle moet gebeuren. Hoger wezen we al op het belang van wat contingentie betekent voor de democratie, maar ik denk dat we er best voldoende de nadruk op leggen - men kan dit lezen als een coda in een partituur. Want in "Het leven van de geest: willen" breekt ze een lans voor John Duns Scotus, die het opnam voor contingentie als de atmosfeer waarin ons handelen en leven zich afspeelt. Arendt stelt met de middeleeuwse filosoof vast dat de vrijheid niet kan bestaan als er geen contingentie zou zijn. De democratie veronderstelt ook contingentie maar als men het heeft over vrijheid, lijkt dat vaak op een vrijheid het juiste te doen, terwijl het voor Arendt eerder uitkomt bij oordelen en verantwoording. Vermits elk raadsbesluit, elke resolutie van zoveel factoren afhangt, kan men niet veronderstellen dat ze de vertaling zou zijn van de enige, eeuwige waarheid. Zo een raadsbesluit refereert evenmin aan een wereld van ideeën, maar komt tot stand als gevolg van overwegingen over de dingen die zijn. Daar lijken niet alle politici en commentatoren zich helemaal bewust van. Wel integendeel, want het gaat niet enkel om de stelligheid van uitspraken, maar ook van de zekerheid dat er geen alternatief denkbaar is.


Bart Haers


Reacties

Populaire berichten