aristotelische ratio of kantiaanse



Reflectie


Zingeving en hoe te leven
Wat we wensen te geloven



In de discussies over wie nu de
waarheid in pacht heeft, vallen
altijd dezelfde namen. Marsilio
Ficino ontdekte de Griekse
wijsbegeerte, onder meer
de neoplatonistische filosofen
en ontwikkelde een nogal eigengereid
mens- en wereldbeeld. Toch wordt
hij ten onrechte vergeten. Maar
we hebben dan ook niet veel tijd
om discussies ten gronde te voeren. 
De discussie over wie de waarheid nu in pacht zou hebben de wetenschapper of de gelovige, brengt pennen in beweging en roept andere vragen op. Het wereldbeeld van de wetenschapper komt tegen iets te staan dat van een andere orde is, namelijk het geloof dat de wereld niet alles is wat het geval is. Men verwijt me wel dat ik het te zeer zou opnemen voor het geloof, maar dat is het punt niet. De vraag is of objectief naar de wereld kunnen en naar medemensen. Hoe begrijpen we onze betrokkenheid bij die wereld?

Studerend op de vraag of en hoe angst in de samenleving het handelen van bestuurders en onderdanen in de Middeleeuwse samenleving kwam ik tot de vaststelling dat naarmate de samenleving complexer werd, de onzekerheid opgevangen werd in een verdere christianisatie, die, naar het woord van Prof. dr. Ludo Milis, meer interiorisatie met zich bracht. Het instellen van de biechtpraktijk was in beginsel een poging om mensen te ondersteunen in hun zelfzorg, maar werd vervolgens een uitgelezen middel voor zielzorg en uiteindelijk tot diepgaande en intieme controle op de biechteling. Het is wel zo dat die controle van middel een doel werd en geleidelijk de kerk besmette met een zekere wellustige drang naar beheersing van het intieme leven. Toch waren het dan weer kerkelijke topfiguren die er tegen gingen protesteren en probeerden de misselijk makende controledrift te temperen.

Er speelt nog iets anders mee, de concepten die mee het christendom vorm hebben gegeven komen uit verschillende culturen en blijken in hoge mate het product van syncretisme, waarin filosofische, religieuze en wereldse tradities aan elkaar verbonden worden. Doorheen de middeleeuwen en nieuwe tijden kwamen er bovendien nieuwe vragen op het bordje van de christelijke leiders, die elkaar ook wel eens rauw lustten, zodat er schisma's uit voortkwamen. Men kan de opgang van de scholastiek niet los zien van de introductie van werken van Aristoteles, via de Arabische en Joodse wereld. In het christendom zit ook een dosis gnosis, die in de veertiende eeuw een herleving kende, via Marsilio Ficino, die ook het Corpus Hermeticum onder de aandacht bracht, een gewrocht uit de tweede eeuw na Christus, niet uit een pre-mozaïsche tijd, zoals Ficino dacht. Ficino werd een beschermeling van de Medici's en huisleraar van de Lorenzo de Medici. Zoals hij waren in de vijftiende en zestiende eeuw wel meer mensen die vonden dat er zich een nieuwe gouden eeuw aandiende, waaraan ze zich met volle teugen laafden en er vervolgens het hunne toe bijdroegen.

De waarheid lag voor velen voor het grijpen, maar het blijkt wel zo te zijn dat mensen als Francis Bacon of Simon Stevin op hun manier de nieuwe wegen uitstippelden. In het debat over de vraag of wetenschap dan wel (christelijk) geloof naar waarheid leiden, zal men toch moeten vaststellen dat tot in de 18de eeuw mensen uit de kerk zelf ook wetenschappelijk actief waren en vaak de weg hebben bereid voor een wereldbeeld zonder god. Zolang we onze aandacht exclusief richten op enkele topfiguren, ontgaat ons ten enenmale de mogelijkheid om het bereik van (nieuwe) inzichten af te meten. Neem de betekenis van de Brabantse omwenteling, 1787 - 1789, die zich richtte tegen de Keizer-Koster, zelf al een drager van nieuwe, verlichte ideeën, waarbij men ons op school leerde dat die door de kerk op gang gebracht werd om de eigen voorrechten in stand te houden. Maar er waren ook clerici die mee tegen Joseph II van Oostenrijk in het conflict aangingen om modernisering van de samenleving mogelijk te maken - de kritiek op Joseph II kwam zowel van conservatieve krachten als van modernisten. De verhoudingen in de Oostenrijkse Nederlanden waren dus niet zo simpel als men het graag voorheeft.

In het jonge België merkte men overigens dat bijvoorbeeld de kleinzoon van Pierre Theodore Verhaeghe, Arthur Verhaeghe terug katholiek werd en tegelijk probeerde die partij(en) te moderniseren. Om welke reden hij, Arthur Verhaeghe opnieuw kerks werd, is mij niet geheel duidelijk, dat hij in zijn werkzame leven mee de neogotiek in Vlaanderen ondersteunde en financierde, is wel duidelijk, net als het feit dat hij vergeefs probeerde de arbeiders om zich heen te verzamelen, want die kozen voor zelforganisatie, zoals het ACV en later het ACW. Overigens, waar de bisschoppen in 1787 in verdeelde slagorde opereerden, kwamen ze na 1830 meer eensgezind uit de hoek, om de crisis van de achttiende eeuw te bezweren. In absolute cijfers zou de aanpak van het bisdom Gent, waar gestreefd werd naar hernieuwde aansluiting met het volk, de eenvoudige mensen of hoe men al die mensen die de snel groeiende stad en het snel industrieel groeiende arrondissement ook wil noemen, in percentage van de bevolking valt het allemaal nog te bezien. De demografische ontwikkelingen maken een afweging niet eenvoudig.

Om maar te zeggen, wat de Zuidelijke Nederlanden en de gedurende lange tijd meest volkrijke provincie, Oost-Vlaanderen aangaat, was er aan de ene kant een beleid van herkerstening, maar kon vanaf de jaren 1860-1880 het socialisme veel mensen achter zich krijgen, waarbij een uitgesproken vrijzinnige levenshouding werd gepropageerd. De strijd om de ziel van het kind? De schoolstrijd in de late negentiende eeuw heeft er wel toe geleid dat de katholieke partij - voor zover ze geen amalgaam was van onderscheiden groepen en bewegingen - 30 jaar lang kon besturen zonder dat liberalen of socialisten in het landsbestuur voet aan de grond kregen.

Na Mei '68 werd het vertrouwen in de wetenschappen serieus op de proef gesteld en in de groene beweging blijft die argwaan bestaan ten aanzien van ingenieurs in het bijzonder. Daarbij speelt het bestrijden van de almacht van bedrijven als Monsanto een grote rol. Wat dan nog te zeggen van de nucleaire energieproductie? Neen, bedankt.

Als we nu dus zien hoe mensen de claim op de waarheid van de wetenschappen of het geloof willen ondersteunen en elkaar bekampen met allerlei argumenten, die niet altijd even sluitend blijken, dan is het toch wel nuttig te begrijpen dat de ontkerkelijking zelf het gevolg was van succesvolle politieke veranderingen, maar tegelijk, stelt men in Vlaanderen dan toch vast, dat mensen die zelf niet veel meer geven om God of gebod, toch maar kiezen voor katholiek onderwijs voor hun kinderen. De kerken worden danszalen of winkelcentra, woonhuizen, wegens leegstand, maar tegelijk ziet men dat wie gelooft wel eens de neiging niet kan onderdrukken er strakkere inzichten op na te houden dan een halve eeuw geleden het geval was. In Europa,enfin, in Nederland en Vlaanderen blijft dat een randfenomeen, maar het is wel niet onbelangrijk, in de VS gaan gelovigen liefst lijnrecht in tegen wat ze als gevaarlijke nieuwlichterij beschouwen, terwijl vele van die inzichten die ze bestrijden al 100 jaar geleden goed waren ingeburgerd.

Van de weeromstuit gaan mensen als Richard Dawkins en  anderen zich tegen orthodoxiën in het verzet die een plaats blijven geven aan een god. Zij menen dat de natuur perfect verklaarbaar is zonder de inbreng van een of ander superieure horlogemaker, wat moeilijk te weerleggen is. De vraag die zij over het hoofd zien luidt nu eenmaal waarom mensen zich gedurende eeuwen juist aan zo een god hebben willen onderwerpen  en dat had te maken met de ongewisheid van het leven. Contingentie was toen werkelijk voor iedereen een dingetje om zich bekommerd om te weten. Tijdens de achttiende eeuw zou het paganisme een nieuwe bloei kennen, onder meer via de Weimarer Klassik, Goethe en Schiller dus als vaandeldragers.

Nog eens, in de tweede helft van de 20ste eeuw ontstond een klimaat waar men een nooit geziene vrijheid kende om voor deze of gene club te kiezen, gingen ook jongeren zich aansluiten bij allerlei sektes - na de bloei en ondergang van de meeste anarchistische communes - en kregen ook strenge obediënties opnieuw een aanhang van jongeren. De bekering van Cat Stevens tot de Islam zal wel niet onopvallend voorbij zijn gegaan, want al goed twintig jaar ziet men jonge westerse meiden en jongens zich bekeren en daarbij, zoals bij proselieten wel vaker het geval is, strenger in leer blijken dan de meeste moslims die van kindsbeen af in de religie zijn opgevoed. Ook bij de Syriëstrijders valt op dat er nogal wat bekeerlingen actief zijn.

Die openheid om zelf desnoods een amalgaam van opvattingen in elkaar te steken als een levensbeschouwelijk kader lijkt net nu gevaarlijk dicht te slibben. De terugkeer van strakke levensbeschouwelijke opvattingen komt mij opmerkelijk maar daarom niet onbegrijpelijk voor. Het is begrijpelijk in die zin dat mensen zich aan de negatieve aspecten van de gevierde vrijheden zijn gaan ergeren, bijvoorbeeld als ze 'slachtoffer' menen te zijn van de scheve schaatsen die de echtgenoot, echtgenote rijdt en bij de echtscheiding hij of zij die ter goeder trouw was veel aan welvaart verliest. Men kan die vrijheden niet zomaar in vraag stellen, maar als het voor mensen lastig wordt als een derde ervan gebruikt maakt en hen in de kou laat staan, want dat maakt het opnemen van engagementen bijzonder precair. Of men daarom opnieuw naar god moet kijken, zou ik niet weten, maar de kans bestaat wel dat mensen houvast zoeken. Aan de andere kant, de kritiek aan het adres van de kerk over vraagstukken als abortus of geboortebeperking en toepassingen van nieuwe fertiliteittechnieken zorgt ook weer voor een ongemakkelijke houding, want men wil zoveel inmenging niet.

De plaats die religie en levensbeschouwing inneemt in het leven van mensen is niet meer a priori een zaak van onnadenkendheid en gemakzucht, sociale dwang eventueel. Mensen ervaren de leerstellingen van een religie wel eens als een soort bevrijding uit onzekerheid, maar kunnen met bepaalde voorschriften niet uit de voeten. Prof. Vermeersch lijkt zich van die ambivalente houding niet geheel bewust, als hij stelt dat men ethisch gedrag volstrekt rationeel kan funderen, moet funderen, omdat het anders geen goede resultaten zal opleveren. Mensen zijn zich nu eenmaal bewust van de mogelijkheden die ICT te bieden heeft en ook op andere terreinen ervaren mensen de weldaden van de hedendaagse samenleving, maar er zijn er ook in groten getale die net bang zijn voor dat alles, omdat ze vrezen greep te verliezen op het eigen leven.

Wat overigens rationeel juist is, hangt dan nog af of men de weg volgt die Descartes en Kant hebben gewezen, dan wel of men meer pragmatische opvattingen huldigt, zoals reeds Aristoteles die in de aanbieding had. Want daar ligt het kalf dan wel gebonden, dat het begrip rationalisme zozeer aangewend is om een objectiviteit voorop te stellen die in de praktijk wel eens te wensen overliet. Aristoteles begreep dat de rede als instrument niet los kan functioneren van wat we in vivo kunnen observeren. Over het goede leven spreken zonder met de betekenis van bepaalde inzichten voor mensen in vivo te toetsen, bijvoorbeeld als het over geheelonthouding gaat, heeft weinig zin. Zowel Spinoza als Blaise Pascal hadden het door, dat mensen zich niet zomaar laten leiden tot wat in de beste der werelden wenselijk of zelfs dwingend goed zou zijn. Toch  is men geneigd Spinoza als een opvolger van Descartes te zien, terwijl hij op cruciale domeinen anders tegen mens en wereld, tegen de filosofie en het bedrijven van filosofie aankeek dan Descartes. Wel begon zijn interesse met het lezen van Descartes, maar zijn werk, van Spinoza dus, vormt een repliek op wat Descartes die gedurende de zeventiende eeuw wel verguisd werd door de machthebbers, maar bij een publiek van geinteresseerde burgers zeer aantrekkelijk was heeft te berde gebracht. Onder meer de scheiding van materie en ziel die Descartes opnieuw poneerde heeft Spinoza zeer uitdrukkelijk afgewezen. Ook dezer dagen blijkt de ene wetenschapper nog steeds te geloven in een Cartesiaans theater, zoals Descartes dat poneerde en waar Dick Swaab ook bij uitkwam, terwijl andere wetenschappers net begrijpen dat in de materie, c.q. het menselijke brein, ook het bewustzijn gefundeerd is, dus ook het vermogen tot rationaliteit.  Het bewustzijn is (gedeeltelijk) afwezig als het brein niet geheel naar wens functioneert.

Het zijn langlopende discussies tussen wetenschappers en filosofen die onze aandacht kan trekken en ons ervan kan overtuigen de mens te zien als een vat vol mogelijkheden, dat mensen zowel met wiskunde kunnen bezig zijn als met (atheïstische) spiritualiteit, zoals Leo Apostel heeft betoogd. Of er vandaag meer mensen zijn die atheïstisch zijn of antitheïstisch, moet niet de kern van de discussie zijn, wel of we nog bereid zijn het "aude sapere" daadwerkelijk te verwerkelijken. Durven we nog zelf te denken en op het gevaar af, fout te blijken, toch met de werkelijkheid waarin we leven zinvol om te gaan. Antitheïsten lijken wel eens teveel aandacht te besteden aan God, de vader, maar vergeten dat mensen, zij die nog gelovig leven en andere, die zich ontvoogd hebben van de zielenzorg, wellicht best weten dat God in het dagelijkse leven niet zo prominent aanwezig is als zij die het bestaan van zo een god onmogelijk bevinden, voorwenden. Kortom, de vraag is wie nu het meest met God bezig is en vervolgens, of mensen die zich niet om God menen te moeten bekommeren, minder rationeel zouden denken, in de Aristotelische zin en minder in Kantiaanse zin. Kortom, over de ratio kan nog veel verteld worden.

Bart Haers





Reacties

Populaire berichten