Patiënten met de ziekte van Pompe zijn gezien
Reflectie
De
Barmhartige arts
over de grenzen van het
model en
de arts in verdrukking
![]() |
karikatuur of verbeelding? |
Er valt veel te zeggen en toch blijven de
debatten vaak beperkt tot enkele slagwoorden, zonder in te gaan op de
perspectieven voor de toekomst. Er is aan de ene kant een geloof in de nieuwe
neurowetenschappen dat vele mentale en zelfs morele problemen heet te kunnen
oplossen, maar tegelijk zijn er evoluties
gaande, van opleidingen tot de organisatie van de ziekteverzekering en van de
ziekenhuizen die nogal wat vragen oproepen. Moeten we vooruit? Veranderen? En
wat zal de rol van de markt zijn? In het hele verhaal hebben we dan nog maar
zelden oog voor de inbreng van medische ingenieurs, op het niveau van de
productie van apparaten en instrumenten…
Zoals we weten kan men de ontwikkelingen van de
wetenschappen maar volgen voor zover we ook over voorafgaande kennis,
oriënterende inzichten en maatstaven beschikken. Wat hebben leken in deze in
hun mars? Gaat het om toegangsgebieden, kan men zich afvragen of we de
kostprijs voor deze of gene behandeling over hebben, voor onszelf, maar
uiteraard ook voor anderen. Zelfs indien er geen systeem van gemutualiseerde
gezondheidszorgen zou bestaan, zou het wel degelijk voor de samenleving een
vraag zijn of bepaalde mensen wel en andere niet een behandeling kunnen krijgen.
Rechtvaardigheid speelt hier mee, maar uiteraard ook iets zo oubolligs als de
werken van barmhartigheid, waaronder ook de zorg voor zieken en dus de
behandeling van ziekten een prominente plaats heeft. Het komt me voor dat die
ingesteldheid wel degelijk van belang is bij afwegingen over gezondheidszorg.
Bovendien moeten we de verdienste van bijvoorbeeld het model van
gezondheidszorg dat ontwikkeld is geworden na de oorlog goed afwegen, als we
het systeem willen hervormen. Er zijn een aantal demografische en
medisch-technologische ontwikkelingen die de kwestie heel erg urgent maken,
maar evengoed is er een psychoculturele proces op gang gekomen, die ertoe
leiden dat we van artsen heel wat verwachten, meer nog, dat de perfectie het
minimum is wat we menen te mogen verwachten.
De psychoculturele evolutie blijft in het debat
onbelicht, in die zin dat we over de verwachtingen van het leven dat we voor
onszelf in het achterhoofd hebben, maar ook blijken de verwachtingen die ons
voorgeschoteld worden ook niet mis. Een perfect leven leiden? Het kan volgens
sommigen, maar dat een leven op vele terreinen uit balans kan raken of dat we
in onze verwachtingen enigszins ontgoocheld kunnen raken, kan ons meer parten
spelen, dan we geneigd zijn te denken.
De kwestie die we moeten onderzoeken is dus
niet enkel wat de Medische Wetenschap kan bereiken, maar ook is het van belang
te kijken naar de omstandigheden waarin artsen werken. Het is prachtig dat men
zwaar verminkte mensen als gevolg van brandwonden zo kan herstellen dat ze
opnieuw onder de mensen durven te komen of dat iemand een nieuw aangezicht kan
krijgen dankzij de ver gevorderde technieken, maar zonder de vaardigheid van de
arts gaat het niet.
In Nederland loopt er nu een debat over de
vraag of patiënten met een ziekte die alleen via dure geneesmiddelen kunnen genezen
dan wel gevolgd worden en een zekere levenskwaliteit kunnen geboden, wel door
de gezondheidszorg gesteund moeten worden. Te duur? Kan zijn maar is dat een
werkbaar argument? De ziekte van Pompe kende ik niet. Maar vernemen dat de
gezondheidsdiensten er ernstig over denken dat men de behandeling niet meer zou
steunen, via terugbetaling of anderszins wegens te duur, het blijft verbazen.
Ook al omdat de behandeling in Nederland heel wat duurder uitvalt dan in de
VSA. Maar wie krijgt in de VSA die behandeling? Dat werd niet gemeld en evenmin
blijkt waarom de behandeling in Nederland zoveel duurder moet zijn. Dat gaat
dan wellicht over de behandelingsmethode, de opbouw van de ziekenzorg en
wellicht ook octrooien. De ziekte komt niet zo vaak voor en dus is het al niet
mogelijk om geneesmiddelen in massaproductie
aan te maken. Overigens blijkt dat aspect, dat hoe zeldzamer de ziekte, hoe moeilijker
geneesmiddelenproducenten bereid gevonden worden er medicijnen voor te zoeken
en aan te maken, in de debatten een economische aanname, waarover men niet hoef
te spreken.
Als het om gezondheidszorg is, spelen dus heel
wat factoren mee, die ook te maken hebben met de markt voor medische producten
en hoe de overheid daarop heeft in te grijpen, om het geheel beheersbaar en
betaalbaar te houden. Even neerzitten dus en nadenken om tot de
huiveringwekkende vaststelling te komen dat men het maar moeilijk in een
oogopslag kan overzien! Dat facet van de debatten blijft vaak onbesproken,
terwijl men een soort cartesiaanse opdeling van de problematiek maakt, zonder
altijd na te gaan of die opdeling nu wel nuttig is. Maar er zijn vragen te over
wat het betekent in goede gezondheid te verkeren, hoe evident dat ook mag
lijken. Afwezigheid van ziekte en ongemak? Wellicht kan een arts dan zeggen dat
niemand vrij is van (verborgen) gebreken. Maar ook de vraag of bepaalde
gebreken of aandoeningen een goed leven in de weg staan, komt maar zelden aan
de orde, tenzij in patiëntengroepen die elkaar ontmoeten en met elkaar de
mogelijkheden en omgang met de aandoening bespreken.
De zaak is dat het individuele geval waar het
nodig is of waar wel eens eigenaardige wensen aan ten grondslag liggen, moeten
afgewogen worden en artsen hebben hier een verantwoordelijk, maar ook
patiënten. Men krijgt evenwel de indruk dat er een oorlog tussen artsen en patiënten is ontstaan
waarbij de arts niet altijd de perfectie kan leveren die de patiënt verwacht.
En wat als de kostprijs van die wens ook nog eens onmogelijk valt op te
brengen.
We zullen nog vele debatten meemaken over de
vraag hoe en of we met onze gezondheid dienen om te gaan. Elders hadden we het
al over de vraag die Sloterdijk ons voorlegt, met name of we preventieve
gezondheidszorg zover kunnen drijven dat persoonlijke leven volkomen in dienst
van die gezondheid komt te staan. Martha Nussbaum vindt alvast dat dit
problematisch kan uitpakken. Vragen genoeg dus.
Het lijkt erop dat we naar geneeskunde kijken
op verschillende manieren, niet enkel als het erom gaat of we zelf patiënt zijn
dan wel een naaste, maar ook en vooral als het algemene plaatje in beeld moet
komen, dat we er de vele aspecten moeilijk van onder ogen krijgen. De
discussies over de persoonlijke bijdrage en de maatschappelijke kost verlopen
dan ook nagenoeg altijd volgens het patroon dat we of goede geneeskunde willen
dan wel dat de overheid er niet teveel geld in hoeft te steken. Aan de andere
kant, als artsen op een specifiek domein met ontzagwekkende vernieuwingen
komen, dan zal men dat luide toejuichen. Maar tegelijk zal de vraag over de
kost in dat geval pas aan de orde komen als iemand er beroep wil doen.
De nieuwe behandelingstechnieken verbeteren
zeer de kwaliteit van het leven maar
hebben voor gevolg dat de lange levensduur ook meebrengt dat er momenten
ontstaan dat de gezondheidszorg duur wordt. Overigens stelt men dit ook vast
bij het verbeteren van de zorg rond vroeggeboorten, waardoor de nazorg voor
kinderen mogelijk wordt die voorheen ondenkbaar was. Toejuichen moet men dit
wel, want men kan de situatie alleen maar gunstig inschatten, zeker voor de betrokkenen,
maar het heeft wel gevolgen voor de organisatie van de ziekteverzekering.
Dat alles roept vragen over de complexiteit van
het hele bestel van gezondheidszorg en dat bovendien emotionele en andere
sentimenten met zich meebrengt. Het feit dat artsen geacht worden de perfectie
te bereiken, waarbij men zowel het uitblijven van fouten, maar ook het bereiken
van een nieuwe gezondheidsituatie die wezenlijk beter zo niet de perfectie
bereikt, waar de situatie ante niet van tel lijkt. Dus als de arts geen fouten
maken, wat juridische aspecten in beeld brengt en bovendien ook nog eens het
perfecte resultaat moet bereiken, dan zal duidelijk zijn dat dit lang niet
altijd bereikt wordt, gewoon, omdat wij, de patiënten zijn wie we zijn en zoals
we zijn.
Overigens kan men van een arts niet verwachten
dat hij of zij die perfectie bereiken zou na een ontoereikende opleiding. De
opleiding is dus behoorlijk lang, 6 basisjaren en vervolgens het opleiden tot
huisarts of specialist. Dat laatste vergt dus vier tot zes jaar en soms zelfs
nog een paar jaar meer, op kosten van de gemeenschap maar ook zonder eigen
inkomsten. En bovendien, anderen hebben tijd om een goed huis te bouwen of te
kopen, zodat die lange opleidingsperiode meer impliceert dan we zomaar op het
oog kunnen waarnemen.
Medelijden met die arme artsen hoeft nu ook
niet, maar men kan gemakkelijker de rekening van een ander maken als men er
geen moeite voor hoeft te doen. De kwestie blijft dat men de kennis niet alleen
maar verzameld door de textbooks door te nemen, er is ook een hele praktijk van
kijken en leren kijken aan verbonden. De routine is van belang en tegelijk het
besef dat de routine niet blind mag maken. Als leek kan ik alleen maar
bewondering opbrengen voor de arts die een moeilijk geval weet te vatten en het
nodige kan doen om de zaak op te lossen. De toegenomen technische instrumenten,
voor diagnose en behandeling maakt het er overigens niet altijd eenvoudiger op.
Het vergt alles studie en nieuwe ervaring. Maar wat kennen we? Artsen in
allerlei reeksen op tv die met een oogopslag een bepaalde breuk of andere
aandoening erkennen.
10 Minuten bij de dokter en die ziet wat er mis
is gegaan. En dan dure medicijnen. We hebben de indruk dat onze kijk op de
geneeskunst nogal dubbelzinnig uitpakt: voor onszelf verwachten we de beste
zorgen, maar menen dat in het algemeen de kosten in de klauw gehouden moeten
worden. Voor de arts is het helemaal anders als hij die mogelijkheden niet
zomaar meer kan aanwenden. Voor hem is de kloof tussen wat men aanprijst als
grote vooruitgang en het besef dat hij deze of gene aandoening niet meer kan
behandelen zoals het hoort, omdat de patiënt niet kan betalen of wanneer
Volksgezondheid een organisatie van de gezondheidszorg als poortwachters heeft
geplaatst bij(de toekenning van) dure behandelingen.
Een generatie geleden in 1979 - 1980 werd door
artsen gestaakt voor therapeutische vrijheid en toch zegde men dat de arts het
deed voor het geld, staken. Men kan zich afvragen of dat misverstand ooit is uitgesproken.
Vrijheid van handelen en van het kiezen van de beste behandeling is al lang
niet meer aan de orde. Meer nog, de openlijke discussie over de behandeling van
patiënten van de ziekte van Pompe, een zeer zeldzame spierziekte, lijkt hier
niet aan de orde te komen. Het gaat om wat Martha Nussbaum tragische keuzes
noemt bij het ontwikkelen van een beleid van cappabilities – we zullen deze
term niet vertalen als mogelijkheden, maar wel als het kader dat we voor
onszelf of voor anderen noodzakelijk achten om een goed en waardig leven te
kunnen hebben. Nu kan men de ziekte van
Pompe wel behandelen maar de kostprijs voor die behandeling lijkt onbetaalbaar.
En er lijken geen redenen om aan te nemen dat er mensen iets aan kunnen
verhelpen dat ze de ziekte krijgen.
Men zal merken dat we steeds weer rond dezelfde
kwesties draaien, precies omdat die zo wezenlijk zijn en tegelijk zal men de
kwesties niet zo zelden samen behandeld zien in de debatten. Men heeft het over
de betaalbaarheid, maar wie vindt dat mensen die kiezen voor het beroep van
arts én van verpleegkundige dat uit louter idealisme horen te doen, vergeet dan
weer dat ze zelf wel oog hebben voor financieel gewin. De tijden dat
vakbondsmensen artsen en tandartsen vragen gingen stellen over hun verdiensten
zijn blijkbaar voorbij, maar dat we over een tien, twintig jaar misschien een
tekort aan artsen zullen hebben, zeker in verhouding tot de gevraagde zorg,
moet ons toch wat behoedzaam maken voor het vormen van een opinie over de vraag
waarom mensen kiezen voor het beroep van arts of verpleegkundige. Men kan er
wee van worden als iemand zegt dat het is om mensen te helpen, maar dat het wel
de ware intentie kan zijn, mag dan weer niet te luid gezegd.
Alleen, tussen de aanvang van de studie en het
behalen van de bul, ligt een lange periode van studie. Bij het leeghalen van de
zolder in het huis van mijn ouders zag ik hoeveel papier die wij, afgestudeerd
aan de universiteit in onderscheiden richtingen als geneeskunde en jurist,
economist – een aantal van mijn broers – en ikzelf als historicus, hebben achtergelaten in huis. Maar dan
vergeet ik nog te melden dat de bibliotheek van wijlen mijn vader ook voor een deel daar onder de hanenbalken was ondergebracht.
Vooral de eindeloze reeks jaargangen van medische tijdschriften,
tandheelkundige tijdschriften mochten we naar beneden halen. Dat bedrukte papier is geduldig, maar als
iemand dan ziet hoe mijn broers, ikzelf, mijn vader elk in het eigen gebied met
die initiële vorming en met het blijvend bezig zijn met de eigen studie,
levenslang leren dus, dan denk ik dat men die hoeveelheid paper wel anders moet
bekijken. Gesloten als ze blijven voor iemand die geen arts is, vormen die
tijdschriften een staal van de ontwikkelingen in het denken en overdenken van
technische mogelijkheden, discussies over wat best available practices zijn,
wat dan weer de vraag oproept wat artsen, tandartsen en anderen ermee
aanvangen.
Vanuit die vaststelling kijk ik dan weer naar
de wijze waarop artsen vanuit mutualiteiten, kenniscentra en andere instanties
opgeroepen worden bepaalde inzichten over te nemen, zonder veel ruimte voor
onderzoek en nog minder voor discussie. De praktijk van de arts zelf, zo lijkt
het, zou verdacht weinig wetenschappelijk zijn en zou vooral op een
kostenefficiënte wijze voor hemzelf verricht worden, zonder dat men aangeeft
dat die arts, wil hij of zij een bepaalde methode anders bekijken, nogal eens
op een njet van de bureaucratie stuit. En anderzijds, we zullen in de media
zelden vernemen dat mensen gelukkig zijn met de goede zorgen van hun
behandelende arts. Waardering en bewondering? En wat met de beroepseer, maar
ook de voldoening die een arts kan putten uit zijn/haar werk?
In deze tijd waarin de budgetten voor
geneeskunde onder druk staan en waar men ook van de artsen een groter
kostenbewustzijn verwacht, wil men tegelijk dat iedereen de beste behandeling
krijgt. En die beste behandeling? De patiënt en diens omgeving kunnen dit maar
afmeten aan de vraag of de ziekte genezen kan worden. Maar we hebben te maken
met aandoeningen als ALS of andere die zich niet zomaar laten behandelen.
Mijn vraag als leek is in wezen zeer eenvoudig:
is het mogelijk een betere samenhang tussen de verschillende aspecten van de
geneeskunde in deze tijden te zien en hoe dat uit moet pakken voor de
volksgezondheid en het persoonlijke welbevinden van mensen? Eenvoudig? Het is
maar hoe men het bekijkt, maar wetende dat het ene streven, bijvoorbeeld naar
betere preventie mensen in hun vrijheid kan aantasten of dat het toekennen van
het recht op dure behandelingen voor enkelen het behandelen van patiënten voor kleinere aandoeningen kan inperken,
draagt ertoe bij dat we met die economische wetmatigheden rekening moet houden.
Maar de economische aspecten mogen niet alles bepalen, zegt men. Anderen beweren
dan weer dat die economische wetmatigheden bepalend moeten zijn. Daarover kan men
blijkbaar maar moeilijk een debat voeren.
Niet alleen dat, ervan uitgaande dat de mens
van nature gezond zou zijn of recht hebben op volmaakte gezondheid, zegt men
dat iedereen altijd behandeling moet hebben tenzij die niet voorhanden is. Een
borstvergroting moet kunnen voor wie eronder lijdt niet gezegend te zijn door
moeder natuur. Als man kan ik de wellicht soms grote nood van jonge vrouwen
niet inschatten, maar als je dan een
jongeman ziet meelopen in de 400 meter hardlopen op prothesen, dan weet je dat
er toch wel nuances aan te brengen zijn. Wat vooral problematisch blijkt, is
precies die zucht naar perfectie, van het perfecte lichaam tot het perfecte
brein. Wat gegeven is, daar kunnen we niet meer mee verder. Voor zover ik het
begrijp, maakt men van sommige behandelingen een grote zaak in de media, waar
het niet gaat om leven en dood, maar gewoon omdat graadje meer perfectie.
Onderzoek naar nieuwe behandelingen, naar verbetering
van het fysisch welzijn moet men ondersteunen, maar de overheid slaagt er niet
in de onderzoekslaboratoria van de farmaceutische sector de kans te geven ook
ziektebeelden te bekijken die minder aan de orde zijn. Mevrouw Trudy Dehue gaf
terecht aan, volgens een zegsman, dat er in de onderzoeken naar depressie en de
behandeling, naar de werkzaamheid van bepaalde (nieuwe) medicijnen de
winstoogmerken de wetenschappelijke intenties en zelfs creativiteit frustreren.
Het mag duidelijk zijn, hier spreekt een leek
inzake geneeskunde, inzake staatshuishoudkunde en gezondheidsbeleid. Kortom,
een volslagen onbetrouwbare appreciatie van de gang van zaken dus? Het punt is
net, denk ik dan met Richard Sennett dat de verschillende specialiteiten – de
term is gemunt door Edward Douwes Dekker aka Multatli – niet met elkaar lijken
te converseren laat staan diepgaand van gedachten te wisselen. Er wordt wel
onderhandeld, in verschillende overlegcircuits over Onderzoek en ontwikkeling,
over behandelingsprotocollen en over honoraria, over best practices en over hoe
men de patiënten of toekomstige patiënten moet sensibiliseren. Stellen dat er
niets zou gebeuren, kan dus niemand. Maar, de vraag die we ons stelden was wat
de plaats van de arts in het geheel nog is, gaat parallel met de kwestie wie
het plaatje van de vele aspecten van de gezondheidszorg nog overziet.
Respect opbrengen voor de arts, niet omwille van
zijn of haar diploma, volstaat niet, begrijpen dat die, als het goed is, met
heel veel zorg probeert soms moeilijke aandoeningen naar best vermogen te
behandelen en daarbij de patiënt duidelijk kan betrekken bij die behandeling,
die soms veeleisend uitpakken voor die laatste, vind ik minstens zo belangrijk.
We geloven allen dat lijden afbreuk doet aan
het bestaan van een persoon. De zoektocht naar geluk impliceert dat we elk
lijden uit de wereld helpen. Maar behalve dat dit voor mensen zeer belastend
kan werken, dat de idee ontstaan kan dat we altijd schuld zouden hebben aan ons
lijden, ook al ligt dat besloten in het genetisch materiaal waarmee we
opgetuigd zijn, ook al kan het liggen aan de morsige manier waarop we met het
milieu zijn omgesprongen, moet ook een zekere rekkelijkheid betracht worden,
ten aanzien van de lijdende mens. Leven we niet om te lijden, verre van zelfs,
dan is het wel zo nuttig onszelf niet wijs te maken dat we kunnen leven zonder
lijden. Overdreven gebruik van sommige gaven van de natuur zoals tabak of drank
nemen we dan zelfs niet overweging. Het menselijk organisme is zo wonderlijk en
tegelijk kwetsbaar, dat we moeten weten dat er veel kan gebeuren, een en ander
fout kan lopen. Dan, denk ik, komt de arts op de proppen met kennis en kunde.
Maar we moeten voor een simpele aandoening… juist, via kranten en bladen,
televisie en etc. krijgen we voortdurend de boodschap dat er geen simpele
aandoeningen bestaan. De ene zegt dat we niet te lang mogen wachten, de andere
dat er medische overconsumptie is. Waar ligt de juiste maat van aanwenden?
Afscheid neem ik dan ook graag met de gedachte
dat een zekere stoïcijnse onverstoorbaarheid over kleine dingen de
levensvreugde kan vergroten, zeker als we weten dat er toegewijde artsen en
verpleegkundigen zijn die ons best willen helpen als het erom spant. Niet enkel
onszelf maar ook de anderen, mensen die we niet kennen of niet kunnen dan wel –
inderdaad – zouden willen kennen. Die geneeskunde is er en over de
mogelijkheden die aan zoveel mogelijk te verdelen, moet ernstig gesproken
worden. Vertellen dat het geld er niet (meer) is, geldt niet, wel hoe men het
kan organiseren dat patiënten geholpen worden. We zijn dat ook verplicht aan de
artsen die met zoveel overgave hun werk doen en er zich met vreugde aan
toewijden. Want van die artsen hangt het dan wel af, als we er erg aan toe
zijn. Van barmhartige artsen en niet van beknibbelende bureaucraten?
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten