Voorbij de theorie de werkelijkheid
Reflectie
Op weg naar een dwangsamenleving
Voor
het behoud van het systeem
![]() |
Betoging in Wenen a.d. 1931 voor de wereldvrede |
Al enkele maanden zit iets mij
niet lekker. Of nee, het is al langer dat ik mij afvraag of onze concepten nog
wel gepast zijn voor de situatie waarin we terecht zijn gekomen. Had ik het al
over een pleidooi voor een burgerinitiatief omtrent de Euro, dan is er nog wel
meer dat onze aandacht vergt. Begin dit jaar hoorde ik toe hoe Dirk Verhofstadt
met Hans Achterhuis in discussie ging over zijn bemoeienissen met het essay van
Karl Popper, “The open society and its ennemies”. Een andere auteur, Friedrich
von Hayek schreef in dezelfde chaotische tijd “The road to slavery” en beide
auteurs zochten een uitweg uit de gevaren van totalitarisme. Het ging erom,
denk ik, dat de zaak toegespitst werd op de vraag hoe of wij onze vrijheid
zouden verliezen als bepaalde (rechtse) ideologieën het zouden halen en hoe we
met dat rechtse, niet-liberale gedachtegoed moeten omspringen. Hans Achterhuis
nam wel wat afstand tot de inzichten van Karl Popper, maar het bleef knagen dat
we niet over de situatie hic et nunc spraken noch spreken. Een gesprek in een Brugs
koffiehuis met een ingenieurarchitect en zijn gade, een lerares bij de
Jozefienen, wekte mijn aandacht opnieuw op en brengt me ertoe enkele
kanttekeningen bij dat debat aan de orde te brengen.
Pijnpunt is op de eerste
plaats het feit dat men bijvoorbeeld geen rekening wenst te houden met
kritieken op Von Hayek en Karl Popper, die terecht onder de indruk waren van de
gevolgen van de machtsgreep van reactionair rechts, of was het utopisch rechts
in het Oostenrijk van de jaren tussen 1930 en 1938. Tony Judt en Timothy
Snyder, die uitgebreid de inzichten van Karl Popper en von Hayek onder de loep
namen, brengen een fundamentele kritiek in de benadering van zowel von Hayek,
die vreesde voor de inperkingen van de vrijheid die ons bedreigen zouden als op
de visie van Karl Popper dat de open samenleving alleen op die manier zou
bedreigd worden die we kennen van Hitler en de NSDAP. Het scherpst haalt Judt
uit naar von Hayek, die meende dat elk staatsingrijpen aanleiding kan geven tot
verlies van controle van de burger op het eigen leven een begin van verlies aan
vrijheid en mogelijkheden zou vormen. Nu kan ik met Tony Judt inzien dat in de
bewuste periode Links al uit het stadsbestuur van Wenen en het landsbestuur was
verdreven. De problemen waarmee Oostenrijk na 1919 werd geconfronteerd? Een
voormalige grootmacht ziet zich plots teruggebracht tot een klein natiestaatje, federaal
georganiseerd nog wel, wat tot emotionele spanningen kon leiden die de
problemen van links en rechts verre overstijgen. De militarisatie van de
samenleving vormt een van die specifieke elementen uit de tijd waarin Stefan
Zweig ging wanhopen aan de zin van zijn bestaan in een wereld die nergens meer
verbonden leek met de wereld van gisteren. Links en rechts koesterden utopische
denkbeelden. Tony Judt zal in een andere context aangeven dat bepaalde
idee-fixen van links, na de jaren zestig zeer moeilijk te verdedigen vallen.
Met andere woorden, kritiek op von Hayek en Karl Popper brengen betekent nog
niet dat men dan maar meegaat met het discours van de sociaaldemocraten. Dat
brengt mij ertoe de discussie van Karl Popper, zoals Dirk Verhofstadt die
wenste te voeren in wezen anachronistisch te vinden. Karl Popper kon inderdaad
vrezen dat we bij het voetstoots aannemen van een aantal geloofspunten van de
sociaaldemocratie, in zekere zin wel goed bestuurd zouden worden, maar dat het
met de fundamentele vrijheden gedaan zou zijn. Overigens, ook in deze kon Tony
Judt, gezien zijn ervaringen in de Kiboets in Israël best wel begrijpen dat een
organisatie best niet teveel macht over individuen en personen krijgt en niet
zo ver gaan kan dat het elke zin voor initiatief en persoonlijke ontplooiing kan
pretenderen te sturen.
In de periode waarover we het
tot hier hebben, schreef Hermann Hesse een naar mijn oordeel sublieme
distopische roman, “Das Glasperlenspiel”, vertaald als “het Kralenspel” waarin
hij onder meer de bereidwillige ondergeschiktheid aan een leefregel beschrijft,
met het doel het Kralenspel verder te ontwikkelen. Het wordt Jozef Knecht
geleidelijk duidelijk dat zijn levenswijze en inzet voor dat Kralenspel, zelfs en
vooral als drager van het hoogste ambt , dat van Magister Ludi… in hoge mate
steriel was geworden. De weg die hij aflegt wordt onder meer bepaald door
contacten met wat er dan resten zou van de oude orde van de Benedictijnen en
het besef groeit bij hem dat de oude kloosterorde zich wel degelijk heeft
kunnen hervormen doorheen de tijd. Continuïteit en flexibiliteit – op het oog
ontbreekt die uiteraard maar dat is de scherpe ironie van Hesse – zo leert
Knecht, kunnen niet zonder afwijkingen van de norm en het wijzigen van de
regels. Creativiteit in plaats van eindeloze reproductie.
Maar het laat ons wel toe iets
op te merken over de wijze waarop Dirk Verhofstadt en anderen naar dat verleden
kijken, een moeilijk rechtlijnig te interpreteren kijk op het interbellum, geïsoleerd
van haar verleden en vooral van haar toekomst. Als we de kritiek van Ferdinand
Domela Nieuwenhuis op de organisatiedrift van de sociaaldemocratie in het
algemeen en van de SPD, maar ook van de BWP-POB om de toenmalige Nederlandse
SDAP – Sociaaldemocratische arbeiderspartij – bekijken, dan gaat het er net om
dat Domela Nieuwenhuis de partij een ambitie aanwrijft die veel verder gaat dan
wat goed is voor de betrokkenen, de arbeiders die men verheffen wil. De
organisatie is geen doel op zich? Natuurlijk niet, hoor ik alom en toch, men
slaagt er wonderwel in om partijen te vormen die het gedachtegoed, de ideologie
zo scherp inpeperen, toen, maar op het oog ook nu, dat de achterban niet zou
bestaan uit goed opgeleide mensen die goed nadenken kunnen. En buiten de
partijen? Ook daar ontstaat een zekere vermoeidheid, want het discours van de
partijen komt de aandachtige burger goed en wel de oren uit. Geloofwaardigheid
is evenwel niet de belangrijkste reden, wel het besef dat de politici in een tunnelvisie
handelen, die het hen onmogelijk maakt de zaken anders te gaan bekijken, laat
staan zich de zaken anders voor te stellen en dus al helemaal niet om meer
geëigende oplossingen in overweging te nemen.
De idee over de
dwangsamenleving, minder scherp misschien dan Von Hayek’s “Weg naar de Slavernij”,
dan toch ook wel min of meer puttend uit het denken in datzelfde interbellum en
later, komt ons belangwekkend voor omdat we tot de vaststelling gekomen zijn
dat arbeid niet meer vrij lijkt te maken en dat de ontplooiing van het individu
ondergeschikt blijkt aan maatschappelijke doelen zoals het in stand houden van
het pensioensysteem, de economische groei en de solidariteit. De betekenis van
arbeid in het leven van mensen blijkt vandaag van ondergeschikt belang, maar
ook ziet men dat wie werkt, behalve dan de zogenaamde topmanagers, eindelijk
van geen betekenis meer zou zijn. Een goede hartchirurg? Als het niet de beste
is, dan is het maar een nobody. Een jurist die met zorg zijn of haar cliënten
adviseert en al eens durft de eigen verdiensten op de achtergrond te schuiven?
Ach kom, dat kan toch niet redelijk of wijs zijn. Iemand die een eigen zaak van
bijzondere kleding begint? Ach, het is geen groot merk, geen Zara, toch? Maar
Zara mag dan een goed gerund bedrijf zijn, niemand hoeft dus daarom naar die
keten of naar H&M.
De verdienste van het
kaderlid? Van de ambachtsman? Het lijkt erop dat we dat allemaal van geen tel
hoeven te vinden, als het niet top is, dan heeft het geen betekenis. In de
kunsten is het natuurlijk niet anders, want daar komt alleen de supermegaster
nog aan de bak. Iconen zijn het dan wel, of er echt zoveel betekenis aan
gehecht hoeft te worden, blijft nog maar de vraag. Het fenomeen heeft evenwel
wel maatschappelijke gevolgen, die men wel eens aan een vorm van meritocratie
wil wijten, waarbij men het hebben van een diploma, liefst meerdere aan
prestigieuze scholen, zoals Harvard, Yale of ENA, Oxbridge etc. belangrijker
acht dan de kwaliteiten van de betrokkene. Men zou hier de fatale ongelijkheid
van kunnen hekelen, maar dat lijkt me niet zinvol. Erger is het met name dat
men de kwaliteit van “gewone” mensen, in het oude Frans van Voltaire “Le menu
peuple” oftewel het klootjesvolk gewoon zelfs maar niet in overweging wenst te
nemen.
Zelf vind ik het belang van
“verdienste” een belangrijk gegeven, maar een diploma van een bijzonder
instituut mag dan op zeker ogenblik een aanzet tot kwaliteit zijn geweest, op
een bepaald moment is niet meer de houder van het diploma van belang, wel het feit
dat men specifieke bul in handen heeft, een MBA van Fontainebleau bijvoorbeeld,
al is het vandaag eerder nuttig om een Vlerickboy te zijn. Enfin, ook daar
speelt precies de imagebuilding van het instituut een grotere rol dan nodig
voor de studenten en hun rol in de samenleving, als ondernemer, als public
servants bijvoorbeeld.
Het gaat er niet om of iemand
22.000 € verdient als commissaris in de EU-Commissie, de hoogste communautaire
instantie van de EU. Het gaat om de vraag of die mensen met hun opdracht iets
aanvangen. Maar net deze EU-commissarissen zijn vandaag meer dan ooit gevangen
van het bestel, zoals ook overheidsmanagers dat blijken te zijn. Hun mission
statement klinkt altijd weer fraai, maar
de criteria om hun optreden aan dat statement te toetsen zijn doorgaans te vaag
en, helaas ook, niet altijd voldoende op de realiteit geënt om er iets mee aan
te kunnen vangen.
Een verklaring ligt zeker in
het feit dat ze in een hofhouding zijn opgenomen met een specifiek jargon als
“targets”, “economic growth” of “sociale vrede”, maar niet meer bij machte zijn
verbeelding aan de dag te leggen om, zoals Franklin D. Roosevelt met de New Deal het voor heeft gedaan. Ook in
Europa kwam er pas een zekere verlichting van de crisis toen men de geforceerde
budgettaire orthodoxie wist te temperen en erin slaagde publieke werken op gang
te trekken. De groei van de VSA tussen 1933 en 1945 is gigantisch te noemen,
maar Roosevelt en zijn opvolgers hebben toen voor een zeldzaam open samenleving
gezorgd, waar mensen met verdienste echt aan de slag konden en bovendien in hun
beroepsleven uitblijken om zo ook maatschappelijk aanzien te krijgen. Het
onderwijs was toen een van de instrumenten die ertoe leidden dat jongeren niet
vanzelf in de fabriek van Henry Ford II, III of IV terecht kwamen. Maar ook
werd het persoonlijke leven anders ervaren, naarmate er meer gebruiksartikelen
ter beschikking kwamen, mixers, wasmachines, stofzuigers en wat al niet meer.
Het leven werd minder een slavernij, zeker voor de huisvrouwen. Het valt
overigens op te merken dat zowel na WO I als WO II in vele landen, waar de
vrouwen waren gemobiliseerd voor het beroepsleven in de oorlogsproductie, na de
oorlog plots weer naar de haard verwezen werden. Juist tijdens het Interbellum
was dit niet enkel een zaak van rechtse conservatieven, in tegenstelling tot
het beeld dat we telkens weer voorgeschoteld krijgen.
Vatten we de problematiek
samen dan moeten we ons vandaag niet zozeer vragen stellen over de weg naar
slavernij van von Hayek, of van Poppers “Open society and its ennemies” zoals
die zich aftekenden in het concrete verleden van het Weense interbellum en de
wel zeer harde confrontatie daar en toen tussen links en rechts, waarbij ook
Links over stoottroepen beschikte. De vragen over de open samenleving van
vandaag én morgen gelden andere mechanismen, die te maken hebben met dezelfde
kwesties maar in een andere maatschappelijke en politieke cultuur. De zaak kan
men het best zien in het licht van de open samenleving die we in de jaren
zestig tot begin jaren 1990 hebben gekend. Met het einde van de Koude Oorlog,
anders gezegd, het einde van de scheiding van Europa door het IJzeren gordijn
en de Muur van Berlijn als specifieke vorm van afscheiding, kwam ook een einde
aan de ideologische ondersteuning van de open samenleving. De problemen die de
vergrijzing met zich zou brengen werden toen al onderkend, maar vormden zelden
voorwerp van diepgravende discussie. De onverwachte babyboom in het eerste
decennium van deze eeuw werd ook al niet helemaal goed onderzocht of besproken,
waardoor in sommige steden de scholen geen plaats kunnen bieden aan de
leerlingen die zich (verplicht) aanbieden. Maar het onderwijs zelf werd ook
anders bekeken, want plots diende men het onderwijs te zien als een instrument
van ongelijkheid bevorderende mechanismen in de samenleving, terwijl nog maar
net tevoren iedereen geloofde en aannam dat het onderwijs net de sociale
mobiliteit in de samenleving kon bevorderen. Accent op Talent, zo heette een
publicatie waarin de Koning Boudewijnstichting en andere organisaties ons
wilden overtuigen dat het onderwijs voor iedereen gelijke kansen moet inhouden.
Dat is voor ons al enige tijd voorwerp van zorg, want hier komen visies met
elkaar in botsing, die zelden goed besproken en toegelicht worden.
Het gaat erom dat men op een
specifiek domein dat zowel maatschappelijke als persoonlijke, particuliere
invloed uitoefent, zonder meer denkt te mogen kiezen voor een maatschappelijk
belang, c.q. de gelijkheid van allen. Is de discussie gerechtvaardigd of
gelijkheid op dit domein, van de vorming inderdaad de grootst mogelijke
rechtvaardigheid zou voortbrengen, dan blijft het vooral de vraag of men
jongeren de kansen kan ontnemen hun talent voor talen, wiskunde, wetenschappen
of kunsten niet te laten verkennen. De gedachte dat het rechtvaardig zou zijn
dat niemand boven de andere zou uitsteken, krijgt veel steun van mensen die qua
loopbaan en mogelijkheden misschien niet helemaal hun evenknieën zijn, maar
toch elk hun weg maken in het leven. Het is, niet anders dan in de tijd van
Domela Nieuwenhuis een spreken namens en ten behoeve van… de gewone mensen,
zonder dat die echt in het debat betrokken worden. Een belangrijke dame uit het
Vlaamse onderwijsveld, mevrouw Van Hecke meent zelfs te mogen stellen dat men de onderwijshervormingen niet mag
overlaten aan het publieke debat. Nu wil het toeval dat die dame behoort tot
een generatie die als eerste zo massaal zo lang naar school is mogen gaan. In
de jaren 1970 was het onderscheid tussen humaniora en technisch onderwijs
inderdaad groot, maar dat had te maken met de verschillende snelheden waarmee
jongeren in de onderscheiden opleidingen in het leven stonden. Aangezien velen
van hen op veertien of zestien gingen werken, was de kans niet denkbeeldig dat
zij ook vroeger eigen geld in handen hadden en ook vroeger in dancings of
andere gelegenheden met het ware leven in contact kwamen. Toen de leerplicht
verlengd werd tot 18 jaar, ontstond een nieuwe situatie waarbij jongeren
verplicht binnen het systeem dienden te blijven tot die leeftijd ook als ze
liever gewoon zouden werken met hun handen. Toen al gold het adagio dat men de
schoolloopbaan voor iedereen gelijk hoorde te maken, als blijk van de wil een
rechtvaardiger samenleving in elkaar te boksen. Maar als de kloof vandaag
tussen de leerlingen van het BSO en het ASO nog steeds behoorlijk groot is, dan
ligt dat alweer en nog steeds in de toekomstperspectieven die men koestert.
We moeten een kleine zijsprong
maken, naar een domein dat met opgroeien alles, maar met educatie niet per se
te verbinden valt. Het gaat om de vraag hoe jongeren met hun ontluikende
seksuele intuïties omgaan. Uiteraard, we weten het, vroeger was er de kerk en
haar verboden. Zou dat werkelijk de enige rem geweest zijn? Sinds de jaren 1960
is de aanvaarding dat jongeren hun spelletjes gaan spelen steeds verder
gevorderd en dat kan men terecht als een bevrijding van de autonome persoon
zien. Dat dit verhaal niet voor iedereen even gemakkelijk verloopt ligt ook wel
voor de hand. En toch, hoe vaak zal men niet aan jonge knapen, veertien jaar of
meisjes van 13 vragen hoe ver ze al gevorderd zijn. De veronderstelde gedachte
is dat zij er al mee bezig zijn. Nu, kijkt men goed rond, observeert men met de
nodige distantie jongeren, dan blijkt dat zij op zeer verschillende momenten
toe zijn aan het ontdekken van de sensualiteit en van de vele facetten van de
liefde.
Die ongelijke snelheid doet
zich voor iedereen voor, ondanks het feit, ondanks de steeds grotere druk voor
eenieder om mee te gaan in diezelfde weg, zonder eigen voorkeuren te
ontwikkelen of te leren genieten van het leven. De druk de vrijheid volop te
beleven kan tot een dwang leiden, die we zeker op het vlak van de consumptie
zien. Het gaat steeds sneller en men moet steeds weer meegaan, want zelfs
restaurantbezoek lijkt, nog meer dan een kwart eeuw geleden niet enkel een zaak
van (bescheiden) prestige, maar vooral, in de attitude tot een soort kritische
beoordeling waarbij het genieten van de opgediende schotels wel degelijk wijken
moet voor een soort arrogantie te weten hoe het moet. Het genieten van de spijs
en de drank, zoals van de liefde wordt gemeten, gekwantificeerd en wie er niet
genoeg aan doet…
Het lijkt een omweg, maar het
brengt ons midden in de vele kleine en grote discussies van deze tijd, die
voortdurend steekvlamgewijs de gemoederen lijken te beroeren. Daarbij is de
dwang zich goed te voelen een uitgesproken axioma, maar evengoed heeft men het
oordeel klaar over wie zich niet zo best blijkt te bevinden. Verliezers? Kan
men geen kant mee op en niemand moet er veel om geven. De winnaars, vooral de
superwinnaars moeten we koesteren. Maar hoe wordt je in godsnaam een winner?
Ach, voor de een door hard te werken, maar velen lijken winnaars te worden als
anchor of presentator van een televisieprogramma. Anderen die er veel voor over
hebben hun wens of droom, hun inzichten waar te maken, krijgen om allerlei
redenen niet die mogelijkheden, maar men vindt hen pathetisch als zij daarover
zeuren.
De kern van de zaak is dat het
menselijk kapitaal aan mogelijkheden op allerlei wijzen vooral gekwantificeerd
worden en soms zijn er onderzoekers die er een slaatje uit slaan en gegevens
produceren die aan het beoogde mensbeeld voldoen. Dat vandaag mannen van mannen
en vrouwen van vrouwen kunnen houden en dat niet meer geheim hoeven te houden,
alvast niet voor de naasten, kan men winst noemen, dat ze officiële
gezinsbanden kunnen aangaan belet niet dat ze hun achterstelling blijkbaar nog
niet helemaal hebben kunnen wegwerken, maar tegelijk blijken velen die
achterstelling zelfs niet te begrijpen. Het normale leven? Het is voor velen
iets dat ze naar eigen inzicht proberen waar te maken, met modellen voor ogen.
Meer dan een generatie geleden
worden we vandaag geacht het persoonlijke tegelijk te pimpen en toch is er een
dwang tot conformeren, die het niet eenvoudig maken de balans te vinden tussen
dat meegaan met de anderen en het onderhouden van het persoonlijke,
particuliere en dus vanzelfsprekend contingente. Maar kijken we beter toe, dan
zien we dat er de afgelopen decennia zoveel mensen zijn opgeleid, professioneel
en zeker ook via het deeltijds kunstonderwijs, die als volwassene nog altijd,
ondanks (drukke) beroepsbezigheden, met muziek, woordkunst of beelden bezig te
zijn. Het zijn vormen waarin we ons kunnen uitleven zonder daarom meteen
belangrijke dingen te doen, van het niveau van Goya of Rubens, Mozart of Pierre
Bokma.
We hebben een zekere waardering
voor deze lieden terwijl we merken dat de criteria van succes vandaag te maken
hebben met massaconsumptie, wat zelfs in de klassieke muziek tot verenging van
de scoop leidt. Het maken van lijstjes speelt daarin een rol. De beste boeken,
de grootste schilders, de belangrijkste iconen uit de pop en de beste films. De
finesses van wat buiten die canons valt, zo lijkt het me, ontgaan ons dan ten
enenmale. Zelfs in het geval van Brel, een productief singer-songwriter zien we
maar enkele chansons. Aan de andere kant maakt men dan weer een persoon tot een
soort alwetend orakel van de Franse cultuur, dan wel kiezen we een kunstpaus
die ons zal vertellen dat de ene Jan Fabre uiteraard beter is dan die andere krabbelaar.
Mediamensen kiezen hun sanseveria’s die over alles en nog wat hun mening mogen
geven, te pas en vaak te onpas.
Er ontstaat tussen de
slachtoffers van het embourgeoisement, opgevoed en zich vormend nadien in een
klassieke sfeer, met een snuifje Aufklärung en een druppeltje gauchisme uit de
goede jaren 1960 en 1970 en critici van de middenklasse een steriele spanning
omdat die laatste zelf zo een proces ondergaan hebben, evenmin zonder er de
overtuigende dynamiek aan te geven of eraan te ontlenen. Het probleem van de
levensvervulling stelt zich, maar de bewerktuiging ervan, lijkt in de loop van
de jaren steeds meer in verval te raken of minstens in diskrediet.
Levensvervulling wordt zelfs door filosofen steeds meer als futiel en van geen
belang voor de samenleving voorgesteld. Sloterdijk besloot tot de term prosument om aan te geven dat we na
afloop van de gouden kwarteeuw na wereldoorlog II in een soort dwangpositie
terecht gekomen waren. We dienen te werken om te kunnen consumeren, maar we
moeten ook consumeren om onszelf en anderen werk te geven.
De volgende stap hebben we nu
bereikt. Natuurlijk kan men van mensen verwachten dat ze een of andere zin
ontwikkelen tot solidariteit met anderen. Het hele systeem van de sociale
zekerheid, pensioenen, ziekteverzekering, werkloosheid en de vele andere
facetten ervan zijn van belang en hebben mee die gouden eeuw mogelijk gemaakt.
Maar nu stoot men op de grenzen ervan en ontstaat een situatie die ik als een
dwangsamenleving beschrijf. Het gaat niet meer om het leven van Janneke en
Mieke, maar om de vraag hoe zij bijdragen aan het systeem. Hoe belangrijk dus
het systeem als verworven mag heten, de oude les van Ferdinand Domela
Nieuwenhuis, maar ook de overwegingen van Hermann Hesse komen mij voor de
geest: hoe kunnen we het systeem in stand houden en tegelijk ervoor zorgen dat
het persoonlijke en particuliere er niet aan geofferd hoeft te worden, laat
staan eraan onderworpen wordt?
Bovendien, de discussies die
we nu voeren over dat systeem gaan al eens voorbij aan de mogelijke
contraproductieve aspecten ervan, zoals een hoge belastingdruk en het groeiende
onbehagen van de middenklasse, die zich steeds meer gemarginaliseerd weet, zoals
ook Barak Obama heeft onderkend. Dat proces wuift men hier weg met vormen van
arbeiderisme, waar naar mijn inzicht een Domela Nieuwenhuis voor gehuiverd zou hebben,
te meer omdat die arbeiders nu net mee de middenklasse vormen. Toch blijven de
vakbonden blind voor de mogelijkheden die een bondgenootschap met de
middenklasse, die van de kaders en de zelfstandigen zou kunnen vormen.
We zullen een aantal facetten
van deze verkenning verder moeten uitwerken. Maar het mag duidelijk zijn dat we
op een aantal punten de vraag opnieuw zullen moeten stellen: Leven we werkelijk
nog in een vrije samenleving?
Bart Haers
U eindigt uw overdenkingen met de vraag of we nog in een vrije samenleving leven.
BeantwoordenVerwijderenDoor het woordje “nog” suggereert u eigenlijk dat zulks ooit wel degelijk het geval was.
Bent u historicus?
Tegen de geplogenheden in laat ik de vraag staan, omdat de kwestie precies voor een historicus niet zonder belang is. Er valt veel voor te zeggen dat de vrije keuzemogelijkheden altijd wel enigszins beperkt geweest zijn, maar toch in menig opzicht heb ik de indruk dat niet enkel de jaren van 1950 tot 1990 een vrijere samenleving kenden. De terminus 1950 mag vreemd lijken, omdat we vandaag steeds weer de gedachte voorgehouden krijgen dat de vrijheid toen beperkt was: fatsoensnormen, sociale controle, disciplinering wogen toen zwaar en dan moeten we nog vaststellen dat materiële mogelijkheden die de vrijheid frustreren nog niet echt ingeburgerd waren. Maar in menig opzicht werden, als we afgaan op het steeds groeiende aantal studenten die zich toen aan hogescholen en universiteiten aanboden dat mensen op sommige fundamentele vlakken steeds groeiende vrijheden kenden. De fatsoensnormen werden behoorlijk ondergraven, heb ik de indruk als men de groei van de uitgaansmogelijkheden en ook wel betere informatieverstrekking. Kortom, wat zich toen aandiende was op vele vlakken en vorm van toenemende vrijheid voor steeds meer mensen. De volgende stap? Na 1990 werd de strijdbijl tussen Oost en West, de SU en de vrije wereld, begraven. Maar ook werden fatsoensnormen op een andere manier opnieuw tot leven gewekt en moet men zich afvragen of de toename van de electronische media op zich voldoende is gebleken zich beter te informeren.
BeantwoordenVerwijderenU zal het met mij eens zijn, voor een historicus is het soms verdomde moeilijk de zaak met een ja of nee te beantwoorden, gewoon omdat er ook in verband met een simpel woord maar een complex begrip een en ander te zeggen valt en een eenduidige benadering niet altijd afdoende duidelijke antwoorden kan bieden.