Wandelend door het domein van de wetenschappen
Recensie
Wat we begrijpen
Van de natuur
(-wetenschappen)
![]() |
De cover van het boek vond ik niet terug, maar dit beeld van Newton speelt een mooie rol, bijna als het tympaan in "De naam van de Roos". |
Klaas Landsman. Requiem voor
Newton. Contact 2005. 399 pp. Prijs? Momenteel helaas niet meer op de markt.
Al enige tijd zien we telkens
weer mensen hoog opgeven met causaliteit en het feit dat de dingen in de natuur
gedetermineerd zijn. Anders, zo meent een filosoof, zijn de dingen niet meer
voorspelbaar. Klaas Landsman heeft in zijn roman geprobeerd aan de lezer
duidelijk te maken dat we ons van de wetenschappen veel mogen voorstellen, maar
dat er vaste en definitieve antwoorden zijn op alle vragen, zo begrijp ik, is
het laatste waar we het over mogen hebben.
Voor we ons met de inzichten
van de roman inlaten, want daar gaat het hier om, moeten we het hebben over de
vormgeving. Veel kritieken en recensies zijn er niet gekomen en ik weet niet of
de auteur nog zo veel interesse hebben zal in wat een historicus over dit boek
te vertellen heeft. Ik kocht het in 2005 en las het toen, wellicht net iets te
verstrooid op mijn avondlijke treinritten. Ietwat te verstrooid om het belang
van het boek onder de aandacht te willen brengen. Maar al die tijd stond het in
de bibliotheek en dacht ik eraan dat ik het boek aan anderen hoorde aan te
bevelen. De vorm van de roman is die van de ideeënroman en in die zin zijn de
gebeurtenissen en de personages, de dramatis personae getekend in functie van
het opzet van de roman, aantonen dat we met de wetenschappelijke inzichten
vandaag echt wel niet zo zeker van ons stuk kunnen zijn maar tegelijk dat zowel
de mathematica van de fysica als de theoretische natuurkunde bijzonder
fascinerend zijn.
Sommigen zullen de figuren,
inclusief de hoofdfiguur als bordkartonnen janklaassens weglachen. Men zal erop
wijzen dat niemand zo spreekt en dat de hoofdfiguur echt wel een nerd moet
wezen. Maar juist de protagonist komt mij voor een onhandige Harry te zijn en
bepaalde menselijke feeling te ontberen. Zelfspot? Het zou zo maar eens een
keertje kunnen. Pas toen ik dat doorhad, onder andere door een inaugurale rede van
de auteur te lezen en diens fascinatie voor John van Neumann, inderdaad de man
van de von Neumann-architectuur van de computer, kon ik begrijpen dat hij
zichzelf echt niet als een hele grote in het domein wenste te presenteren. Maar
ook de andere figuren waren, behalve de authentieke personen die in de
wetenschappen een rol spelen en gecanoniseerd zijn geworden, naast Newton,
Einstein, Euler ook meer hedendaagse figuren zoals Steven Hawking of Martinus Veltmann,
Tini voor de vrienden, want zij worden voor zover levend en wel, in hun
karakteristieke voorkomen getoond. De auteur is niet altijd even welwillend
voor corrifeeën als Stephen Hawking, terwijl de man die het standaardmodel mee
vorm gaf, Martinus Veltmann een ietwat vriendelijker bejegening krijgt.
Met andere woorden, de auteur
vergast ons op eindeloze dialogen, monologen en soms wel zeer gedateerde
gebeurtenissen, zoals een concert van Neil Young en Bob Dylan in Hide Park, of
een wedstrijd van de Engelse nationale sport, door de koloniale bevolkingen met
plezier overgenomen, Cricket dus. Of is het Wicket? Maar hoe kan men de
complexe inzichten als de Kopenhagen interpretatie van de kwantummechanica, de
discussie tussen Bohr en Einstein en andere zaken uit de doeken doen, als men
de lezer niet met voor hem of haar onbegrijpelijke wiskundige taal wil
overvallen? Het doel is de lezer op de hoogte brengen van wat er speelt in het
domein van de wetenschappen en hoe we daar als leken mee om kunnen gaan. Slaagt
de auteur erin? Voor een deel is deze recensie daar een antwoord op. Tegelijk
ben ik er mij van bewust dat bepaalde aspecten van de actuele onderzoeksvelden
echt bijzonder moeilijk te verstouwen zijn en wil ik ook niet de pretentie aan
de dag leggen het hele verhaal van Landsman te hebben begrepen.
Om die reden denk ik dat het
goed is aan het einde van deze beperkte reeks kanttekeningen te proberen aan de
hand van de huidige discussie over economie aan te geven waarom het wel van belang
is waarom we begrijpen dat de wiskundige vertaling van natuurkundige inzichten
een vorm van abstractie mogelijk maakt die zelfs inobservabelen van de
natuurkunde een plaats geven. Aangezien pas onlangs het Higgs-deeltje of
Higgs-boson zou zijn waargenomen en dit voor de natuurkundigen alvast een
aanwijzing is dat het theoretische – niet het wiskundige – model waaraan
Veltmann een grote bijdrage heeft geleverd wel eens goed zou kunnen zitten.
Verder is van belang bij onze
kanttekeningen dat de auteur zelf een positie heeft in het hele debat, want hij
werkt vanuit de wiskundige benadering aan de fysica en verder probeert hij,
zoals ook blijkt uit de inaugurale rede aan te geven dat de kwantumfysica een
wiskundige taal vergt waarover veel natuurkundigen niet beschikken – meent
Landsman. Bovendien meent hij ook nog eens een keer dat er tussen de klassieke
fysica en de kwantummechanica een minder evident verband bestaat dan men als
leek meent aan te mogen nemen. Sinds ik over de uitbreiding van de klassieke,
newtoniaanse fysica heb gehoord, zowel in de humaniora als later aan de
universiteit en via allerlei pogingen tot zelfstudie, is me altijd bijgebleven
dat de vraag zich opdrong hoe de kwantumfysica zich nu eindelijk verhouden zou
tot de klassieke natuurkunde, de wetten die Newton dus beschreven had om de
bevindingen van Copernicus, Kepler en Galilei hadden vastgesteld. Kortom, aldus
onze zegsman, bleef er zelfs al omtrent Newton een zeker onbegrip hangen. Je
kon de traagheidswetten en andere facetten wel begrijpen, de wiskunde volgen,
maar hoe zat de relatie met die observaties over het heliocentrisme, over de
kromme baan van de planeten en uiteraard waarom ze dan nog eens ellipsvormig
hoorden te zijn en niet beantwoordden aan de perfectie der dingen, de cirkel. Nu
lezen we in dit boek dat de kracht van Newton precies erin bestond wel de
wiskundige verbeelding te hebben de zaken juist te beschrijven.
Dit boek laat zien dat niet
iedereen bij machte is de wiskundige verbeelding aan de dag te leggen om
fysische fenomenen in een gepaste taal aan de man te brengen, te vertalen in
wiskundig passende taal dus. Kan men de banen der planeten nog wel begrijpen
omdat sinds de Sumeriërs voor de zichtbare planeten vrij betrouwbare
waarnemingen zijn gedaan en dat de gestalten van de maan best voorspelbaar
zijn, voor een domein dat moeilijk te observeren is, dat van de energieën die in
het spel zijn, de zwaartekracht in de eerste instantie, omdat Newton die als
eerste kon formuleren, valt dat al heel wat moeilijker bevattelijk uit te
leggen. Landman vergast ons op een aantal considerabilia die de beschrijving
van de eliptische baan van planeten beschrijven. De evidente baan is de rechte,
maar een object kan van die baan afgeduwd of getrokken worden als er een sterke
kracht op uitgeoefend wordt. We weten nu, zoveel jaar na de publicatie van
Newton dat de zwaartekracht in wezen een zwakke kracht is, maar toch vergde het
nog enig denkwerk om de ellips te beschrijven en vervolgens de verklarende wet
juist vorm te geven.
Maar sinds de moderne
wetenschappen met mensen als Constantijn en Christiaan Huyghens en anderen hun
vermoedens gingen beschrijven, was er altijd de vraag hoe men dat ging
vastleggen. Ook al omdat de observaties steeds preciezer bleken uit te pakken,
door het gebruik van lenzen, ontstonden nieuwe problemen, namelijk over de
wijze waarop we de dingen waarnemen, het licht in de eerste plaats. Dat was en
blijft voor mij altijd een heerlijk punt, omdat ik enigszins mismeesterd was
door de goede oude Johann von Goethe, die me over het licht allerlei had
wijsgemaakt, althans, dat schreef en zegde men. Nu ik onder andere Philipp van
Loocke, maar ook Jean-Paul van Bendegem en dus ook deze ideeënroman van
Landsman heb doorgenomen, meen ik te begrijpen dat wat Goethe vond over het
licht in onze termen niet wetenschappelijk mag heten, maar dat zijn
bemoeienissen over de betekenis van de kleuren dan ook in een ander perspectief
gezocht kan worden. Sommigen zullen ons allicht ondragelijk en zelfs
lichtzinnig welwillend vinden. Maar we hebben intussen begrepen dat inzichten
over wat wetenschappelijk mag heten niet voor eens en altijd vastgelegd moet
heten. De inzichten veranderen. Dat de wiskunde een uitstekende taal vormt om
het uit te leggen, zal meespelen dat andere formuleringen of talen misschien
niet helemaal adequaat lijken. Dat Landsman zelf meent dat men niet zomaar kan
beweren dat elke wiskundige formulering in het gebied van de natuurkunde
sowieso in natuurkundig én in wiskundig opzicht adequaat mag heten, lijkt het
me best de moeite waard te vermelden. Maar de zaak kan ik als leek ook niet a
priori op scherp stellen. Hoe zou een historicus, met een beperkte bagage in de
wiskunde zich daar een adequaat beeld van kunnen vormen? Niet dus.
Causaliteit, zo blijkt uit dit
boek, blijkt een probleem te zijn dat minder evident is dan sommige vrienden
van de wetenschappen willen voorhouden. Precies de kwantummechanica heeft
aangetoond dat men het in sommige experimenten, zelfs gedachte-experimenten
moeilijk kan hebben over een begintoestand, omdat we die nauwelijks kunnen
bevroeden. Ook de logica blijkt hierbij niet behulpzamer dan de gewone taal
zelf. De kwestie blijkt namelijk dat we in gewone omstandigheden een causaal
verband laat vermoeden tussen gebeurtenis A en gebeurtenis B in wezen volkomen
onafhankelijk van elkaar voor te vallen. Post quem ergo propter… In deze
vernemen we ook dat wie stelt dat de Big Bang heeft plaats gevonden, bij Steven
Hawking ook de argumenten kan vinden waarom dit niet het geval geweest is.
Zelfs over de betekenis van
wat determinisme en indeterminisme betekent, blijkt dat omzichtigheid niet
alleen geboden is, ook hier speelt duidelijk mee dat de lezer gaande de
gesprekken en leesoefeningen van de ik-figuur zich er rekenschap van geeft dat
als men de bepaaldheid van de baan van een komeet of de posities van
exoplaneten misschien wel zeer behoorlijke berekeningen kan maken, maar dat het
wat betreft de plaats van elektronen in een waterstofatoom al een eind
moeilijker wordt zich daar een voorstelling van te maken. Bij complexere atomen,
zo blijkt dan, zijn de kwantumgetallen van de elektronen kenbaar, maar kan men
ze niet zomaar berekenen in het atoom. De prachtige banen van een elektron in
een waterstofatoom of andere atomen kennen velen uit de lessen fysica, maar het
blijkt eerder om een presentatie te gaan. Interessant is ook dat bij
determinisme en indeterminisme de kwestie van de begintoestand altijd een
moeilijke aangelegenheid blijkt.
Want, men kan de deeltjes wel beschrijven, maar men kan de posities om redenen van de eigenschappen van het elektron, van de elektronen in atomen niet zomaar gaan bepalen. Het hele debat, waarbij Bohr, Einstein, Schrödinger en Heisenberg, maar dan vergeten we Podolsky, Born, maar vooral moeten we John von Neumann wel noemen. Het is niet dat deze oefeningen van deze mensen nergens op stoelen, wel integendeel, de gedrevenheid om zich een adequaat van een werkelijkheid te vormen die op het oog en zelfs voor de sterkste microscoop onzichtbaar blijft, bevindt men zich in een dimensie die toch maar weer beschreven wordt in de euclidische meetkunde en krijgt men zelfs te horen dat men ook meerdimensionale ruimtes kan beschrijven met de middelen van de klassieke meetkunde. Maar, zo blijkt ook, die benaderingen bevinden zich in een werkelijkheid die men slechts in abstracte termen kan kennen. Daar is niets mis mee, als men maar weet dat die benaderingen voortkomen uit fundamentele vragen, over het licht, corpusculair of golf, over interferentie en superpositie maar dat die antwoorden niet per se meer met experiment of observatie te maken hebben. Althans, observatie die we ons als leken kunnen voorstellen.
Toen de nieuwe
deeltjesversneller bij Genève werd opgestart, waren er brave lieden die meenden
dat men zwarte gaten zou kunnen produceren of ongewild creëren. Nu blijkt dat
men met het afvuren van deeltjes op elkaar het verwachte en innig verhoopte
Higgs-boson heeft opgemerkt. Over de tijdsruimte die dat gebeuren innam, dat
kan zelfs een oogopslag nog niet waarnemen. Het is zoals de lui die in
Westerbork met een radiotelescoop het heelal afspeuren en aan de hand van
waarnemingen cijferreeksen doorvorsen om die ene anomalie te vinden die
verhelderend zou zijn en nieuwe informatie zou brengen.
Daarom blijkt ons de these van
dit boek en de inaugurale rede in Nijmegen wel belangwekkend, omdat Klaas
Landsman ons voorhoudt dat men in de beoefening van de wiskundige natuurkunde,
zijn vakgebied niet gemakzuchtig, erger zelfs, niet laf mag worden. In meer
algemene termen zou men kunnen stellen dat men vandaag in de alfa- en
bètawetenschappen gemakkelijk in de comfortzone opereert. We merken dat er in
het wetenschappelijke bedrijf vandaag een obligate toon klinkt, een grondtoon
die de verworvenheden boven twijfel verheffen wil, zeker naar het bredere
publiek. Het past hier mijn bemoeienissen met het werk van Ilja Prigogine en de
weerklank die dat kreeg, onder meer in een colloquium van de universiteit Gent
in de jaren 1990 in herinnering te brengen. Het ging over fractalen en over de
mogelijkheid van indeterminisme in het systeem. De gedachte van entropie werd
daar verder ontwikkeld, had ik de indruk en het boeide me te zien hoe in de
natuurkunde de idee van de elegante, in wiskundige termen gegoten inzichten
vatbaar bleken voor een blijvende discussie over wat er gaande is als men de
werkzaamheid van sommige wetten beter gaat bestuderen.
In deze wetenschappelijke
roman komt de discussie over Heisenberg en diens ontwikkeling van de
kwantumfysica uitgebreid aan bod net als diens bemoeienissen met de Duitse
atoombom ons wel kan boeien. Maar de krachtigste figuur hoewel altijd indirect
is finaal John van Neumann die als wiskundige wel stappen zetten wilde. Vooral
diens vermogen om de wiskunde die nodig was om de kwantummechanica te beschrijven
te ontwikkelen blijkt voor Klaas Landsman verbluffend en op zich ook weer een
begin te hebben gevormd van nieuwe inzichten.
Van de Hilbert-ruimte tot de
discussie over de superposities, het komt allemaal voorbij. En de vraag is dan,
wat ik als leek voor ogen houden kan, na lectuur van dit werk? Kijkend naar de
wijze waarop men op zeer doorgedreven wijze economische fenomenen in wiskunde
gaan vatten is, waarbij men modellen ontwikkelde en tegelijk simulaties
probeerde te maken – de twee benaderingen blijken minder samenhang te vertonen
dan men doorgaans denkt – gaan uit van aannames, die zeker in het vlak van de
macro-economie wel verhelderend blijken, maar niet altijd de voorspellende
kracht hebben… hier past het omzichtig te zijn, maar toch denk ik dat Klaas
Landsman het niet oneens zou zijn met de gedachte dat een deel van de
economische wiskunde te zeer in de comfortzone evolueert en te zelden de
marges, de grenzen van de mogelijkheden opzoekt.
Hoeven we te verwijzen naar
toxische derivaten op de financiële markten waar bankiers weinig van begrepen.
De mensen die de formules opstelden om slechte kredieten opnieuw te verpakken,
voeren er wel bij, maar het banksysteem als geheel de zogenaamde reële economie kreunen er nog
onder. Joris Luyendijck zoekt op de Londense beursvloer – enfin, in de city –
naar mensen die hem kunnen uitleggen waarom de bankiers doen wat ze doen. Dat
die bankiers beroep doen op goed opgeleide en meer dan schrandere wiskundigen
ligt voor de hand. Maar als aan het einde van de rit die banken opgezadeld
blijken met onverkoopbare beleggingsinstrumenten waar geen marktpartij nog van
wil, dan wordt de publieke overheid de partij die de schuld mag dragen, ten
koste van het algemene beleid. Maar eerlijk is eerlijk, wie de evolutie van de
begrotingen bekijkt, zal merken dat de overheid over geen enkele elasticiteit
meer beschikt. Besparingen? Mobiliseren van de private spaargelden zou
misschien een betere aanpak voor de crisis zijn. Niet enkel door de vraag aan
te zwengelen, want we weten dat het resultaat daarvan beperkt zou kunnen zijn.
Ondernemingszin aanwakkeren?
Maar hoe kan je een model ontwikkelen dat de bereidheid om eigen middelen in te
zetten te verdisconteren valt. Uiteindelijk is men, zoals Steve Jobs het zegde,
te gedreven – als ondernemer – om zich alleen op de rationele berekeningen te
baseren. Dat wil zeggen dat men op basis van aannames over wanneer het
interessant in financieel opzicht wordt zelf risico’s te nemen probeert te
voorspellen hoe het zit met het ondernemingsklimaat. Moeilijk te kwantificeren
omgevingsfactoren, zoals de kwaliteit van de wetgeving, integriteit van de
(fiscale) ambtenaren en rechtszekerheid in het algemeen, worden ook wel in
rekening gebracht, maar de modellenbouwers stellen ook wel vast dat op een
zeker niveau van abstractie de economische werkelijkheid hen toch weer kan
ontsnappen. Nu, die modellenbouwers en de resultaten van hun onderzoek blijven
bijzonder waardevol, maar dan moet de markt, die van kranten en bladen daar wel
op een geëigende manier mee om willen springen. Hier merkt men dat in de hoop
de zaken zo overzichtelijk mogelijk voor te stellen de zaken al eens in het
honderd lopen. De stijging van intrestvoeten voor landen in moeilijkheden kan
men gemakkelijk genoeg begrijpelijk maken, de oorzaken van deze problemen,
bijvoorbeeld voor Griekenland waar de staat zelf niet kon garanderen dat
ambtenaren zich integer gedroegen en van burgers, zeker de elite ook niet
voldoende aanzetten kreeg daartoe, wel integendeel, moet ons wel tot nadenken
stemmen. In Spanje blijkt de vastgoedbubbel te maken te hebben met een
financiering van de huizenbouw die economisch gezien voor de aannemers wel
gunstig kon uitpakken, maar de reële waarde van de veelvuldig en snel
aangelegde woonwijken niet ten goede kwam. Hoe men die variabelen in een
bruikbaar model kan gieten, werd mij tot heden niet uitgelegd. Maar ook hier
was de verleiding van het snelle geld, voor enkele marktpartijen misschien wel
de beste garantie voor een fout lopen van de zaak. Blijft de vaststelling over
dat een markt beschrijven in economische, c.q. wiskundige termen best uitdagend
moet zijn, maar dat men zoveel aannames in het model dreigt op te nemen, die
aan het eind de bruikbaarheid van het model beperken wat de voorspellende
kracht betreft. Dat het inzichtelijk wel verhelderend werkt, blijkt dan weer
wel.
Het besluit mag dan ook luiden
dat het boek van Klaas Landsman, Requiem voor Newton echt wel aan te bevelen
valt voor wie zich eens met dit aspect van de hedendaagse fysica wil inlaten of
de discussie wil aangaan of wat we uit de wetenschappelijke inzichten opsteken,
kunnen hanteren voor ons wereldbeeld. Sommigen geloven dit onwrikbaar en ik zal
hen geen steen werpen, maar toch lijkt het mij dat het menselijke, beladen als
het is met talloze andere, niet wiskundige maar emotionele aannames, zelfs al
geloven we strikt rationeel te denken, de overhand vaker halen dan ons lief is.
Om daarin een evenwicht te vinden zijn andere observaties van doen.
Hersenscans? Naar onszelf en anderen kijken en goed uitleggen – maar niet
ouwehoeren – over wat ons beweegt kan het inzicht ook versterken. Niet over de
onzekerheidshypothese van Heisenberg, wel over de vraag waarom Schrödinger aan
één partner niet genoeg had.
Klaas Landsman laat, tot ergernis
van een enkele recensent – maar niet deze jongen –, ook niet na de soms
moeilijke filosofische vragen niet helemaal los, zoals blijkt uit zijn lectuur
van Spinoza’s Ethica, waarin de natura naturans, de natuur die de natuur
voortbrengt en dus ook de wetten, zoals die welke Newton heeft geformuleerd.
Ons begrijpen, voor de wetenschappers op een veel subtieler wijze dan voor de
leek het geval is, van processen, van determinisme en indeterminisme en
causaliteit, laat toe vast te stellen dat eenvoudige voorstellingen van zaken die
subtiele inzichten verdonkermanen. Het gevolg kan dan wel zijn, vrees ik, dat
het wetenschappelijke denken, in het domein van de natuurwetenschappen ons
mens- en wereldbeeld stuurt, zonder dat dit nog per se gelinkt kan worden aan
de door de wetenschappen opgeworpen vragen en inzichten. De communicatie
verzorgen met het brede publiek is voor de wetenschapper een boeiende taak,
maar voor de leek als buitenstaander ook geen vrijblijvende bezigheid. Vandaar
onze poging iets te zeggen over dit boek.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten