Enkele bedenkingen bij een katholiek leven
Kleinbeeld
Uitvaart
van een dame
Wat levenskunst vermag?
![]() |
Neogotisch retabel in de Sint Vincentiuskerk te Eeklo. Laatste resten van een rijk Roomsch leven in Vlaanderen? |
Gisteren droegen we een dame, een tante, ten grave, enfin,
ze zou gecremeerd worden. Hebben we daar bezwaren bij? In feite gaat het om een
energievretende operatie en de vraag is of het niet menselijker is de
afgestorvene de rust te gunnen en het terugkeren tot stof en as aan de natuur
te laten. Een eenvoudige kist zonder metalen bekleding, in een eenvoudig graf…
Mocht u dit ouderwets en conservatief vinden, dan denk ik dat de argumenten
voor crematie misschien toch niet zo op duurzaamheid gericht zijn. Geen ruimte?
Zo een mooi park, met vele bomen en een goed geordende chaos van graven, dat
vind ik wel mooi. En voor wie het wil, nog
eens verwijlen bij de geliefden die ons verlieten, heeft ook wel iets.
Maar goed, gisteren werd dus een eenvoudige
kist binnen gedragen in de neogotische kerk in Eeklo. Tijdens de rustige
dienst, bedacht ik me dat zo een ritueel om de overgang van het leven naar..
voor de enen een nieuw leven, voor anderen het onherroepelijke einde wel mooi
is. De gedachte dat men een geliefde persoon zonder boe of ba zou laten
verdwijnen, kwam me opeens heel eng voor. En ook, de vorm waarin men dat
afscheid wel eens giet, komt me soms wel protserig voor dan wat in zo een
eenvoudige kerkdienst aan de orde is.
Maar u gelooft toch niet meer de grote
geloofswaarheden? Dat is ook zo, of liever, van sommige van die waarheden heb
ik nog wel een idee, maar ook, denk ik, zijn er van die gebeurtenissen in het
leven, die wel iets meer sier en tooi verdragen dan alleen een zomerse
barbecue. Maar kan je dan, niet meer gelovend in de onfeilbaarheid van de paus
of de onbevlekte ontvangenis van de maagd, de wederkomst van de heer en de
onsterfelijkheid van de ziel, de ene en almachtige god, kan je dan wel met goed
fatsoen in een kerk zitten en de dienst bijwonen?
Ter wille van een tante, van een vader kan men
dat wel doen. Ik denk overigens dat die geloofswaarheden, die men lang voor
onwankelbaar heeft gehouden, misschien nog niet de kern van dat geloof der
vaderen vormt, maar er gedurende de negentiende eeuw de rationaliserende uitdrukking
van waren. Terwijl ik luister naar de lezing van Paulus aan de christenen van
Korinthe, kwam de gedachte bij me op dat het toch wonderlijk is dat een man zo
doorheen de toen bekende wereld kon trekken en mensen ertoe kon bewegen het
geloof hunner vaderen te verlaten voor dit nieuwe geloof. De kwestie is
natuurlijk dat in die tijden, de eerste eeuw van onze jaartelling velen zich
richtten tot allerlei bewegingen en gezindten, van Zoroasther tot de mysteriën
van Isis en Osiris en daarbij ook nog eens de neoplatoonse gedachten ter harte
namen. Er heerste ook in het Jodendom een zekere animositeit over de juiste
interpretatie van de wetten en de Thora, waaruit heel wat rabbinale wijsheid
voortkwam. En in die Joodse diaspora trok dus een man rond die het verhaal van
de verrijzenis van Christus kwam kond doen en een hele hoop dingen kwam
vertellen, waar een mens niet altijd alles, zelfs maar een begin van begrijpen
kon. Ook anderen zocht Paulus te bereiken. 200 jaar lang, is de indruk,
deed er zich in dat grote rijk dat Rome
geworden was een beweging voor waarin allerlei inzichten en visies, verlangens
en verwachtingen in een aantal nieuwe samenhangende visies werden gegoten. Wie
het christendom bekijkt zoals het in het Concilie van Nicea voor het eerst
officieel wordt gepresenteerd in een Credo, merkt dat er meer is dan de
evangelies, dan de brieven van de apostelen en een eigen verzameling teksten
uit de Joodse traditie. Het credo dat dan wordt voorgesteld stelt uitdrukkelijk
vast dat Jezus Christus effectief behoort tot de Goddelijke natuur en zijn
menswording daar geen afbreuk aan doet, aan God gelijk dus, niet aan god
gelijkend. We weten dat de strijd nooit zou ophouden over die natuur van de
Redder, de gedachte die vaker dan nodig tot stammentwist zou leiden en meer nog
politiek aangewend zou worden. Maar in het gedachtegoed, dat door woestijn- en
kerkvaders zou uitgewerkt worden en waaraan Augustinus nog een aantal zeer
belangrijke inzichten toevoegt, zit veel dat mensen in hun dagelijkse leven
kunnen aanwenden. Onder meer omdat, zoals Michel Foucault ondervond, in de ascese
van de christelijke eremijten en wellicht ook de pilaarheiligen iets van het
cynische leven opnieuw opgenomen wordt. Maar ook omdat een andere, ietwat
gematigder traditie een plaats kreeg, waar Socrates mee verantwoordelijk voor
was, de idee van de zelfzorg. Augustinus zou verder bijvoorbeeld de idee van de
donatisten afwijzen, dat een priester zuiver moeten zijn en volkomen vrij van
zonden. Augustinus vond dit onzin omdat we niet altijd zo gemakkelijk kunnen
oordelen over anderen en zuiverheid niet altijd bij afroep bereikt wordt, maar
misschien wel juist, denk ik dan, door de levenswijze voor te doen.
We weten wel, dacht ik terwijl ik de dienst
verder volgde en nog maar eens de grootse hocus pocus van de transsubstantie
zich zag voltrekken, dat men die gedachte van Augustinus naderhand opnieuw
vergeten was en tot in onze tijd niet enkel van priesters maar ook van politici
en andere mensen een grotere zuiverheid in zeden en houding verwacht dan men
voor zichzelf van belang acht. Het komt me voor dat de idee van het juiste,
onweerlegbare in de kerk om allerlei redenen instrumenteel werd aangewend. De
kwestie heeft te maken met een zuiverheid die mensen niet gegeven is. Toch zou,
zeker aan het einde van het verhaal, een voorlopig einde althans, de kerk
opnieuw te maken krijgen met discussies over de waardigheid van de
ambtsdragers, die de hele idee van zowel Paulus als de christenen in het
algemeen onderuit zou halen.
Als ik naar wijlen mijn tante kijk, hoe ze haar
leven als volwassen vrouw heeft ingericht, dan merk ik dat hier keuzes werden
gemaakt, gekozen werd voor inzet voor mensen in nood, die het institutionele
eerder als een hinderpaal zag. We kunnen vandaag perfect door het leven zonder
geloof, zegt men en daar valt alleen dit op af te dingen dat we niet zonder een
zekere visie op mens, samenleving en de wereld kunnen. Veel van de strijd tegen
de triomfalistische kerk kunnen we wel begrijpen, ook al omdat veel mensen,
religieuzen niet in de laatste plaats van de autoriteit gebruik en ook wel eens
misbruik hebben gemaakt. Maar het zou overtrokken zijn dat dit de regel was.
Nee, het gaat niet op te spreken van de bokken en schapen, want de laatste
decennia heeft de kerk en hebben de bedienaren, priesters nog nauwelijks
autoriteit om die te misbruiken. Een ander probleem speelt wel mee, denk ik,
want de kerk heeft niet nagelaten en laat helaas nog steeds niet na bijzondere
aandacht te besteden aan de seksuele moraal, waardoor mensen tot gewrongen
levenshoudingen kunnen komen. Aan de andere kant hoort men wel eens dat mensen
die van God noch gebod willen weten van die vrijheid gebruik maken Gaan ze
welwillender om dan anderen? Soms wel, soms niet en het hangt uiteraard af van
vele, zeer persoonlijke aspecten. Maar in beide, voor de kerkelijken en de
anderen zijn er tal van rationaliseringen mogelijk om hun gedrag te
verantwoorden, alvast voor zichzelf. Want het is niet omdat men rationeel zegt
te denken over de dingen, dat men ook werkelijk door de rede gedreven is.
Het “In Paradisum” blijft zo een hymne, waar
men altijd de schoonheid van kan blijven ervaren. Het mag dan een volkomen
imaginaire benadering zijn, van engelen en ander gerief, waar de rationele mens
geen boodschap aan heeft. Of toch? Het gaat immers om iets waar de rede maar
weinig over kan zeggen: “… Als we dood zijn is het gedaan…” dichtte Elsschot en
op een of andere opname (youtube) kan men het hem nog zien zeggen. Voor ons is
dat ontegensprekelijk zo. Maar waarom zou niet aanvaarden dat mensen geloven in
een metafysisch concept als de ziel? Omdat die wetenschappelijk gezien niet zou
bestaan? We weten dat er een link is tussen functionerende hersenen en het
bewustzijn, maar hoe die relatie verloopt, weten we niet. Is er hersenschade,
dan ondervindt het bewustzijn daar ook gevolgen van. Nogal wiedes dus, maar zie
je een stervende, die wel nog gedachten heeft, mensen herkent, maar die niet
meer kan uitspreken, dan begrijp je dat het brein op volle gang een
ontzagwekkend iets is. Ook Joke Hermsen wijst op de tegenspraak in hoofde van
hen die menen dat kennis van het brein zoals die ons, of liever neurologen, ter
beschikking staat en waaraan men het inzicht ontlenen wil dat het bewustzijn…
een illusie is. Stel met mij vast dat Einstein eerst mee opriep tot het bouwen
van een atoomwapen, om Duitsland in toom te houden en zo nodig hard aan te
pakken en vervolgens, na de aanvallen op Japan mee geijverd heeft voor een
wijzen op de gevaren van dit wapen. Juist omdat hij zich er rekenschap van had
gegeven dat de aanval veel verwoestender was geweest dan hij had kunnen
bedenken. Nu weten we dat, maar in 1938? Het is een groot probleem dat we niet
goed weten hoe we ons situaties kunnen indenken waar we geen deel aan hebben. En
toch doen we het toch, want hoe kunnen we empathie anders begrijpen dan als het
vermogen de ander en diens aanvoelen in te schatten. Het succes van pestkoppen,
net wat u zegt.
Daarom is het nuttig na te denken over de vraag
hoe we vandaag rites de passages organiseren. Thomas More schreef precies
Utopia om aan te geven dat een samenleving waarin mensen geen uitgesproken
meningen hebben misschien ook niet zo aangenaam is. En wat was de Lof der
Zotheid van Erasmus anders dan – vanuit een andere gezichtshoek – een aanval op
mensen die precies op een domme manier met hun meningen omgaan. Het punt voor
beiden was dat een ideaal van meningloze massa’s enerzijds en mensen met een
fanatieke visie anderzijds voor de samenleving weinig opleveren. Maar mensen
hebben meningen, soms conformistisch, vaak zelfs, maar vaak ook blijkt, originele
opinies, dat wil zeggen dat ze wat voorhanden is verwerken, soms verwerpen om
allerlei redenen, wat ook Walschap heeft bewogen.
Het is mogelijk dat we vandaag, uit de kerk
komend begrijpen dat de dingen heel bijzonder uitpakken. Je ziet mensen die aan
die tante op enig moment of gedurende lange tijd veel gehad hebben, die zich
herinneren willen hoe ze om niet hen bezocht en naar hen luisterde. Ach, wat
helpt het bidden? Het aframmelen van gebeden? Misschien niet voor u, niet voor
mij, maar als je ziet dat mensen naar de Islam gaan omwille van het
structurerende van de praxis van de Islam, dan wordt duidelijk dat mensen dat
nu wel blijken te missen. Maar de jaargetijden werden in Europa in het
kerkelijke leven ingepast en oude gebruiken, plaatsen werden nieuw
gesacraliseerd. Blijft de vaststelling van Ludo Milis dat de bekering in de
diepte een proces van lange adem is geweest en men wel kan gewagen van de
Christelijke middeleeuwen, maar die periode, zeker tot 1100 ook heidens moeten
genoemd worden. In 1215 werd de gedane arbeid bekeken op het grote Vierde
Concilie van Latheranen, waar de administratieve structuur van de kerk werd
vastgelegd en de rol van leken, overheden en de bedienaren van de kerk opnieuw
werden uitgetekend. Ook werd een systeem van kerkelijke rechtsspraak dan
gesanctioneerd, met officialen in elk bisdom die mogelijk misbruiken en
overtredingen van regels zoals het celibaat dienden te onderzoeken en te
beoordelen. Men stelt het, bedacht ik me onderweg naar de begrafenismaaltijd,
vaak voor alsof de Inquisitie in beginsel was bedacht als een systeem van
marteling om aan de waarheid te komen. Natuurlijk was de kerk gericht op het
vasthouden van verworven positie, maar in de periode van dat concilie tot aan
de Contrareformatie had de kerk te maken met heterodoxe opinies, die soms wel
met wortel en tak werden uitgeroeid, soms een taai bestaan konden leiden. De
begijnen in de Nederlanden en later in Vlaanderen en Brabant was zo een uitweg
waarbij een officieel verbod onder voorwaarden tot gedoogsteun werd herleid.
Het moet gezegd, we hebben ook hiervan een zeer eigenaardig beeld, dat die
vrouwen afdeed als juffrouwen die ver van het leven stonden en een beetje dom
leken. Hoe ze echt waren? Hadewijch zou een begijn geweest zijn. Opvallend is
dat in Duitsland en ook bij ons mensen hun leven willen inrichten op het
stramien dat de begijnen hadden uitgewerkt, waarin soberheid en een zekere
afstand tot de wereld voorop staat. Nog ter herinnering, er zijn ook begijnen
op de brandstapel gestorven wegens (vermeende) ketterijen.
Redenen genoeg om de hele kerk en santenkraam
naar de geschiedenis te verwijzen, daar lijkt men niet over uitgesproken. Maar
aan tafel ging gesprek met mijn kozijn, die priester is en de cocelebrant over
wat er is aan de gang geweest dat de kerk zover in de verdrukking is geraakt.
Ik denk dat de kerk te vaak en te lang bijzaken heeft voorop gesteld en
belangwekkende aspecten uit het oog is verloren. Men kan over de betekenis van
het concept goed en kwaad vandaag niet meer spreken maar de bedienaren kunnen
het zich wel aanrekenen dat ze de betekenis van het metafysische concept goed
en kwaad in het bestaan niet hebben weten te vertalen. Kan men
onrechtvaardigheid doen? Niet echt, kan men het systeem onrechtvaardig noemen
en de personen die handelen in dat systeem buiten beschouwing laten? Geenszins.
Men wil al tijden via deontologische codes en andere regelingen het gedrag van
artsen, journalisten en leerkrachten sturen, maar heel vaak blijken die teksten
een poging een goede praktijk vorm te geven, maar niet altijd hebben ze vat op
de dilemma’s waarmee mensen te maken kunnen hebben. Voor de werkelijke dilemma’s
kan men wel een aantal krachtlijnen uittekenen, maar het blijft natuurlijk zo
dat de praktijk vaak veel vergt van de arts of een andere beroepskracht en dat
men die slechts kan leren aanpakken in het leven. Opvallend is bijvoorbeeld dat
experten, bijvoorbeeld pedagogen wel een beroepscode hebben, maar dat de
theoretische onderbouw niet altijd grondig onderzocht wordt van wat ze over het
onderwijs te melden hebben, bijvoorbeeld.
Wat sommigen ook willen beweren, deze tekst
heeft minder te doen met de verdediging van de kerk, dat laat ik graag aan de
professioneel geschoolde apologeten en evenmin ben ik een advocaat van het
verleden, want wat ons aan het hart gaat is de vraag over welke middelen we
beschikken, nog kunnen beschikken om ons leven richting en vorm te geven. Niet
dat we uit zijn op een algehele controle, maar wel dat we merken dat velen
onder ons nu net vaste grond onder de voeten verloren hebben en weinig
instrumenten ter beschikking hebben. Was dan de kerk zo goed? Niet half zo
slecht als velen vandaag beweren, die vergeten willen dat de ziekenzorg, hoe
beperkt de mogelijkheden ook waren wel degelijk verbonden was met de kerk
gedurende eeuwen en dat bijvoorbeeld de zusters van Sint-Jan, het Brugse
hospitaal leefden volgens de regel van Augustinus. Maar ook was er de grote rol
die de kerk tot halfweg de twintigste eeuw speelde in de ontvoogding van
groepen in de samenleving en ook wel van individuen. Dat men veel priesters wilde,
tot op het moment dat de roepingen uitbleven, was geen geheim, maar wie de
evolutie in de colleges en andere instellingen voor onderwijs onder de hoede
van de kerk of ordes, zoals de Jezuïeten bekijkt merkt dat naarmate de scholing
bredere lagen van bevolking aan kon boren en hen naar de humaniora bracht, de
roepingen op niveau konden blijven, terwijl zo een leven als priester een
steeds kleiner deel van de retoricastudenten aan kon spreken. Het gevolg was
wel dat via die weg de graag van geschooldheid van deze samenleving snel is
toegenomen, sneller dan men doorgaans aanneemt.
Maar liever kijken we naar de broeders en
paters die, zoals Maurice Maeterlinck schreef, graag al eens een jongentje
tegen hun toog trokken, maar zelf, zo zegt hij, had ie er geen last van. Zo
ging het in onze schooltijd ook. Behalve een pater prefect was er weinig
aanleiding om de knapen op college te zien aanpappen met de steeds ouder
wordende paters. En of die pater prefect grenzen heeft overschreden? Ik zou het
niet weten en vindt het dus niet oirbaar er verder nog iets over te zeggen. En
waren er de laatste jaren enkele getuigenissen van mensen die aan hun relatie
met deze of gene priester geen nadelige gevolgen ondervonden hadden.
Was de kerk zelf lange tijd een woedebank,
zoals Peter Sloterdijk dat zag, dan lijkt de kerk nu zelf voorwerp van woede en
waar de kerk zelf lange tijd martelaren tot voorbeeld stelde voor de gevoelige
ziel, liet ze toe dat priesters martelaren maakten, niet voor het geloof, maar
als gevolg van hun schadelijke grensoverschrijdende gedrag, martelaren voor het
afwijzen van de kerk. Terecht hebben anderen er op gewezen dat de
slachtoffercultuur de boodschap over misbruik vergemakkelijkte maar dat velen
die boodschap van de slachtoffers graag aannamen om de verdere afbraak van de
institutie zo mogelijk te versnellen.
Nu, mocht er werkelijk een boeiend geestelijk
leven te bespeuren vallen, al of niet rond de vrijzinnigheid georganiseerd, dan
zou men er geen traan om laten, maar het probleem is, denk ik, dat er in deze
samenleving weinig interesse blijkt voor het werk van Marc de Kesel, “Goden
Breken”, of dat de boodschap dat we de slaaf zouden zijn van ons brein, gretig
wordt opgepikt, net zo gretig overigens pikt men de evolutie-psychologie op of
de idee dat de genen alles bepalend zouden zijn voor het individuele karakter
van elkeen. De betekenis van de natuur weegt zwaar door in ons zijn, terwijl de
cultuur, haalt men graag aan, eindelijk maar een dunne laag vernis is. Vandaar
natuurlijk ethische codes, terwijl juist reflectie van elkeen misschien tot een
meer ethische houding kan leiden.
Misschien hebben nu wel een mooie kans een deel
van het verhaal opnieuw op te pikken dat begon bij Socrates en met de navolgers
van Diogenes de cynicus een op het oog overdreven kritische vorm gaf aan wat
men van de filosoof en de wijze mens kan verwachten, namelijk de zelfzorg. Net
die tante van mij had er naar mijn indruk wel blijk van gegeven aan zelfzorg
veel aandacht te besteden. Priesters hadden, vernemen we van Michel Foucault
aan die “epimeleia Heauton”, de zorg voor het zelf, de pastorale zorg, een
paternalistische zorg voor de zielen van de gelovigen zo belangrijk gemaakt dat
de zelfzorg erbij inschoot, voor henzelf, maar ook voor de leken. Men kan zich,
zo bleek aan tafel trouwens ook wel afvragen of die term “leek” eindelijk nog
wel goed de verhoudingen weergeeft. Nu, zoals Jan Dumon het stelt in zijn
lezing over een subversieve kerk, is het eigen aan de kerk dat de inwijding in
de geheimen, de mysteries sterk verscheiden is voor de leek, die moet aannemen
en de priester, die moet doorgeven wat hij heeft geleerd, zonder schadelijke
gevolgen voor de ziel.
Men kan niet anders dan het paternalisme van de
kerk ernstig nemen maar ook zal men merken, bijvoorbeeld in de biografie van
Gerard Walschap ziet men hoe de onderpastoor Jan Hammenecker een stimulerende
rol speelde. Maar dat andere priesters 70.000 Vlaamse huismoeders lieten zweren
nooit een boek van Walschap en dus zeker niet Houtekiet te laten lezen, vormt
dan weer een argument tegen die sturende en inderdaad soms al te
paternalistische kerk.
Nu een van de late getuigen van wat het kan
betekenen een goed katholiek te zijn, mijn tante dus, uitgeleide is gedaan met
alle sereniteit die het lange leven verdient, kan ik ook in alle rust verklaren
dat we ons over het falen en feilen van bedienaren van de kerk en van gelovigen
niet meer zorgen hoeven te maken als we ook niet begrijpen willen wat er dan
wel zo belangrijk aan was. Maar voor deze tijd, voor de toekomst is het
wellicht nuttiger na te denken hoe we ons leven inrichten op het domein van de
reflectie, van de geestelijke gezondheid en hoe we ons kunnen ervan weerhouden
helemaal door de wereld en zaken van alledag te worden meegesleept. Daarbij is
het werk van filosofen, antropologen en psychologen wel heel erg dienstig, want
we weten intussen dat de mens niet altijd zo gemakkelijk weet hoe we zelf en
anderen in elkaar zitten, laat staan hoe we tegen dezelfde dingen aankijken als
anderen en er toch anders mee omgaan.
Pleit ik nu voor een hernieuwde kerk? Dat is
niet mijn bedoeling, maar ik denk wel, meen wel uit te kijken of er uit die
kringen een en ander kan voortkomen. Maar evengoed denk ik er sterk over na hoe
we in een heidense tijd, de onze, opnieuw op een ernstige wijze met inzichten
om kunnen gaan, zoals die van Foucault en anderen. Wat leren we van Leopold
Flam en wat heeft Levinas te vertellen? De onderscheiden en vaak tegengestelde
inzichten hoeven niet per se tot verwarring in de geest te leiden, maar laten
wel toe tot bijzondere inzichten te komen, zoals ik toch met de lectuur van
Erich Fromm heb ervaren of het werk van Peter Bieri of Fernando Savater en er
is natuurlijk nog veel meer. Het gaat om het ontwikkelen van een levensplan,
maar hoe doet men dat? Vertrekken vanuit de eigen leefwereld is niet kwaad als
beginnetje, maar ook niet echt afdoende, want dan komt men er net niet toe de
wereld te leren kennen of precies de kritiek te ontwikkelen over de dingen die
zijn. Het leukste vind ik het als kinderen gaan rederenen over Sint-Nicolaas en
hoe dat in het werk zit. Goed, vaak zijn kinderen ontgoocheld, maar ik denk dat
het een pedagogische ontgoocheling is die goud waard is. Wie vervolgens de
redeneringen bekijkt van hen die de mogelijkheid van het bestaan een God
afwijzen, wordt de ontgoocheling alleen maar groter. Niet omtrent God, want
goed dat hebben we gehad, maar ontgoocheling om die mensen die blijven de oude
inzichten onderzoeken en afwijzen. Zoals ik vroeger al schreef en dat op basis
van inzichten die ik onder meer van Fromm heb geleend, vind ik God een sublieme
gedachte. Maar wie vandaag nog zit te zaniken over de wonderen, zoals het
splijten van de (rode) Zee, of het Manna en de onbevlekte ontvangenis, kan wel
bezig blijven.
Immers, het ging er de auteurs van het Oude
Testament om een handleiding te schrijven voor het onbestendige leven in een
onbestendige wereld. Ook de auteurs van het Nieuwe Testament, schreven een en
ander als poging mensen de hand te reiken over de wisselvallige kansen van het
leven heen. De kerk als instituut is zeer lang een staatsgelijk instituut
geweest wat met betrekking tot de leer en afwijkende meningen gruwelijke
gevolgen heeft gehad. Maar, hoe doen we het nu? Beter? Ik zou het niet zomaar
durven zeggen. De weg naar volwassenheid vandaag is wellicht moeilijker dan
ooit, ook al omdat vele van de voorbeelden die men vandaag voorhoudt, van Mega
Mindy tot David Beckham of Messy, Tom Boonen die even brave zieltjes worden –
wat dan door de feiten weer wordt weersproken – in de voorstelling als een Jan
Berchmans en andere jeugdige heiligen. Of aan de andere kant hebben we iconen
als Madonna, Michael Jackson of zelfs, een decennium geleden de deelnemers aan
Big Brother. Het ontbreekt aan realiteitszin als men in een van die richtingen
gaat zoeken naar hoe we het leven kunnen leven, maar het blijft merkwaardig dat
men weinig inspanningen doet zichzelf en jongeren inzichten bij te brengen over
het goede leven. Romans vandaag gaan over de duistere kanten van het
individuele bestaan, geven niet meer aandacht aan de vraag hoe we met die
donkere kanten van het eigen bestaan om kunnen gaan.
Kortom, begrijpen we dat sommigen vandaag de
kerk absoluut niet nodig hebben om goed te leven, dan merken we toch dat er nu
veel mensen zich afvragen hoe ze met hun leven en de mogelijkheden die het
biedt, kunnen omgaan. Over de oude leerstellingen, van de Stoa of Epicurus,
Spinoza of Erasmus, Montaigne wordt nog zelden gesproken en indien wel, in zeer
algemene zin. Sommigen gaan te rade bij de Dalai Lama of bij de Islam, maar
weinigen zoeken moderne benaderingen om met die moeilijke zaak om te gaan. Dat
blijft ons fascineren, maar we kunnen slechts beamen dat we inderdaad in de
mogelijkheden van technologie en medische wetenschap wel aanleiding vinden om
over het leven na te denken, maar over het hoe horen we minder. Hoeveel boeken
over zelfzorg vindt men overigens? Wel zijn er massa’s publicaties met concrete
aanwijzingen om gelukkig te zijn, goed met de kinderen om te kunnen en een
geslaagde relatie aan te gaan en te behouden. Dat die boeken er zijn en vaak
heel concrete aanwijzingen geven mag verrassen, het succes verbaast mij althans
niet minder. Want uiteindelijk vist men uit een oceaan aan mogelijke
aanwijzingen en mogelijke situaties slechts enkele kort geformuleerde tips die
de mens misschien even kunnen helpen, maar doorgaans finaal op een dood spoor
brengen. De gedachte mag onderzocht waarom men liever dit soort werken aanraadt
dan bijvoorbeeld “Het handwerk van de vrijheid” van Peter Bieri of van Erich
Fromm een werk over de Zelfstandige mens of een reflectie op Job. Boeken,
sommige boeken verdwijnen soms compleet uit het radarbeeld, ook al omdat men
het over vrijheid niet meer hebben wil. En dan is het leven in handen van een
brein, waarvan we nog niet zo heel veel weten of spelen andere determinerende
factoren een rol. Levenskunst, zoals mijn tante op haar manier wist te
realiseren, komt sommigen bijna als een romantische utopie voor. Maar wat rest
er ons anders?
Bart Haers
Ik zal mij niet bemoeien met dit kleinbeeld dat duidelijk en blijkbaar een privé-aangelegenheid is. Met welke motieven u dat op internet gooit is mij overigens een raadsel; maar daarover wil ik het niet hebben.
BeantwoordenVerwijderenHet gaat mij over uw afkeer voor crematie. U schrijft : “In feite gaat het om een energievretende operatie en de vraag is of het niet menselijker is de afgestorvene de rust te gunnen en het terugkeren tot stof en as aan de natuur te laten”. Laat u zich liever begraven? Niemand verbiedt het U !! Maar uw uitlating impliceert dat u het “menselijker” vindt de afgestorvene te begraven dan te cremeren. Uw opmerking impliceert dat crematie de afgestorvene geen rust zou gunnen en het terugkeren tot stof en as niet aan de natuur zou overlaten. Sta me toe dit onzin te vinden. Mijn ouders zijn begraven. Ik betreur dat. Overeenkomstig de maatschappelijke dwang ga ik -met grote tegenzin- ieder jaar omstreeks 1 november naar hun graf. Nooit kan ik de gedachte van mij afzetten hoever het verrottingsproces nu al gevorderd zou zijn en indien we het graf zouden openmaken, wat we te zien zouden krijgen. Zelf wens ik gecremeerd te worden, en dat mijn as wordt uitgestrooid op zee. Telkens mijn kinderen, mijn nabestaanden en zij die met mij verbonden waren,, aan het strand staan van zee of oceaan, staan ze aan mijn graf en zullen ze bedenken hoe ieder menselijk leven slechts een tijdelijke golf is in de oceaan van het leven. Persoonlijk lijkt mij dit meer “menselijk” dan het zich jaarlijks begeven naar een rottend lichaam.
Ik hoef dus niet eens te zijn met de idee dat crematie beter is omdat het sneller en efficiënter zou zijn. De culturen in deze regio, Noordwest-Europa kennen zowel begraving als brandgraven, urnen... Kijk, ik het kan het ermee eens zijn dat het voor de afgestorvene niet zo heel veel uitmaakt. En wat menselijk is, dat ligt niet enkel aan crematie of begraven, wel aan hoe mensen, de overlevenden, tegen de zaak aankijken. En als ik naar het graf van mijn grootouders ga of mijn vader, anderen die mij na waren, denk ik heus niet in de eerste plaats aan dat wat er rest, maar wat mij in herinnering heugt van hen.Maar goed, ik weet dat ik conservatief lijk te denken. En vooral, als ik de huidige funeraire praktijken zie, dan huiver ik soms. Maar een mooi afscheid lijkt me wel zo menselijk.
BeantwoordenVerwijderenOveringes schreef ik dit uiteraard omdat ik die tante hoog inschat, maar ook omdat ik de mening toegedaan ben dat zij op een heel eigen manier invulling gaf aan haar leven. Dat ik het gelovige element niet goed kan invoelen, neemt niet weg dat ik kon en kan erkennen dat het van belang is. Niet in particuliere zin, voor mij en de andere familie, maar als een vorm van wat mij aan het hart gaat, de vorm van zelfzorg die zij heeft mogelijk gemaakt. Of nog, misschien mag men haar leven als kalokatagathia beschouwen.
BeantwoordenVerwijderen