Het brein als terra incognita
Recensie
Kiezen gebeurt in het hoofd
Waarom
de vrije wil
geen
illusie hoeft te zijn
![]() |
Herman Kolk. Vrije wil is geen
illusie. Hoe de hersenen ons vrijheid
verschaffen. Prometheus Uitgeverij 2012. 178 pp. Prijs: 18,95 €
Herman Kolk kende ik niet, tot
ik in de krant De Standaard een bespreking vond van het boek, intussen een
maand geleden. Ik wilde erover schrijven, al was het maar om het een aantal
inzichten beloofde die konden helpen te begrijpen hoe ik de wereld om me heen
begrijpen kan.
Al enige tijd worden we murw
geslagen met de schijnbaar onweerlegbare vaststelling dat we eindelijk geen
vrije wil hebben. Uit onderzoeken immers blijkt dat, al lang voor we onze
vingers knippen in ons brein activiteit te bespeuren valt. Voor veel
neuropsychologen en andere neurowetenschappers aanleiding om te concluderen dat
ons brein autonoom werkt en dat we er dus geen vat op hebben, voor anderen,
zoals Herman Kolk reden om de zaak opnieuw te bekijken. Voor ons zal zijn
conclusie tevens aanleiding zijn voor een bijkomende vraag, met name waarom men
er zo toe besluit dat vrije wil een illusie is. Het gaat om een benadering van
observaties en, zo blijkt ook uit de lectuur van dit boek, een mensbeeld dat
ons beter zou uitkomen.
Herman Kolk baseert zich dus
op hetzelfde soort gegevens, fMRI-scans, EEG’s (elektro-encefalogrammen) zodat
men het niet kan hebben over een filosofisch verhaaltje. Het is de auteur te doen om een
wetenschappelijke analyse van de idee dat we een vrije wil hebben en dat die
idee niet een illusie is, maar berust op waarneming en onderzoek.
De Libet-experimenten on neuroscience of free will waar men
dus de werking van het brein bij het nemen van besluiten en stellen van
handelingen onderzoekt, zouden onmiskenbaar wijzen op de afwezigheid van welke
wil dan ook. Dick Swaab meent zelfs van een neurocalvinisme te mogen gewagen.
Eens een baby de moederschoot verlaten heeft, zijn alle mogelijkheden – of het
gebrek eraan – vastgelegd. Herman Kolf legt omstandig uit dat het ondenkbaar is
dat bij de geboorte het brein al volkomen in een vaste plooi zou zijn gevallen.
Maar ook en belangrijker, bepaalde eigenschappen als de kleur van ogen of het
meekrijgen van zoiets als spiritualiteit hoeven op zich geen beperking te zijn.
En bij de opeenstapeling, zou het kunnen dat de afzonderlijke eigenschappen en
de som zelf de mogelijkheden niet aantast.
De auteur gaat het ook met wat uit de
Libet-experimenten blijkt: Het brein kan een bepaalde opdracht gewoon naast
zich neerleggen en zich bezig houden met andere opdrachten om die aan het einde
bij de uitvoering terug mee te nemen. De 300 milliseconden die nodig zijn om de
opdracht te geven en uit te voeren, aldus de auteur, valt samen met de tijd die
nodig is om het bevel te geven. Er is dus geen sprake met een onafhankelijke
sturing van het brein, wel met de eigen kenmerken van het brein.
Want, zo valt hier te lezen,
het menselijke brein is voor ons ontoegankelijk, behalve via een
gebruikersinterface, met name de taal. Er is de taal waarmee we communiceren
met derden, maar er is ook een taal die we voor innerlijke spraak hanteren.
Voor het brein is de ene spraak niet anders dan de andere. Dat wil zeggen of we
echt spreken dan wel spreken tot onszelf zal hetzelfde gebied van het brein doen
oplichten bij een proefopstelling.
Het probleem laat zich al
raden, namelijk dat men van het onbewuste niet wil weten. Maar wat dan met het
bewuste? Het gaat om aandacht schenken aan iets. In die zin is het niet zo gek
dat we door handelingen te leren, fietsen, zwemmen, groenten à la julienne
snijden tot dat we dat op automatische piloot kunnen. Wat we doen als onze
automatische piloot voor een onverwachte hindernis komen, beschrijft Kolk op
drie manieren, namelijk zoals een kikker die probeert een insect te pakken te
krijgen, of zoals een graafwesp die een krekel in een holletje in de grond moet
krijgen en dan het verhaal van de mens die niet in een lus of loop terecht
komt, maar de situatie overziend de best geschikte oplossing zoekt. De kikker
kan zijn tong uitsteken, of kan springen, dan wel, als er een hindernis blijkt
te zijn opzij stappen. De graafwesp blijkt een bepaalde opeenvolging van
handelingen te hebben om haar eitjes te leggen en daarbij hoort ook het
verdoven van een krekel, het graven van een holletje, het inspecteren van het
holletje en terug eruit klimmen om de krekel over de wand te duwen. Legt men de
krekel wat verder, dan zal de graafwesp de krekel terug duwen tot aan de rand,
het holletje inspecteren en dan opnieuw beginnen.
Het klopt dat sommige mensen
in een loop terecht kunnen komen, maar doorgaans zal een mens bij het herhalen
van acties die niet het verwachte resultaat halen, iets anders proberen, al zit
er in ons dagelijkse handelen ook wel vaker een loop, gewoon omdat vele
handelingen repetitief uitgevoerd moeten worden. Het is een belangrijk aspect
van ons handelen dat we inderdaad de indruk kunnen krijgen dat we heel veel
zonder verder denken kunnen uitvoeren. Rijden over een gekend traject vergt
weinig aandacht, maar blijken er wegwerkzaamheden op een punt waar je nog kan
kiezen dan zal je – middels innerlijke spraak – een alternatief bedenken,
eventueel een andere activiteit in gedachten nemen. Aan het einde van de rit
kom je toe op je plaats van bestemming en kan je alle aandacht richten op de
taken die wachten.
Het is van belang te zien hoe
Kolk op verschillende niveaus de kwestie van de vrije wil als een procedure
ziet van het brein, dat deel is van ons bestaan, ons zijn, maar ons toestaat
via de gekende gebruikersinterface met onszelf te overleggen. Het onderzoek
waarop onderzoekers als Victor Lamme en anderen zich baseren blijkt voor Daniel
Bennett te leiden tot een opvallende inconsistentie, want men kan niet zeggen
dat de vrije wil een achterhaalde idee of een illusie is en tegelijk menen dat
men wel aanvaarden moet, om geen weerstand op te roepen, dat
verantwoordelijkheid wel bestaat, wat dus impliceert dat vrije wil wel mogelijk
is.
Het boek laat in hoge mate toe
te begrijpen dat het brein, waarover we elk voor ons beschikken, ons in staat
stelt, aandacht op te vatten over iets bijzonders, de idee vorm te geven iets
te willen en aan het eind van de rit die wil ook te realiseren. De gedachte
voor Kolf is dat die verantwoordelijkheid iets goeds is. Het probleem dat hij
oproept is dat wie de vrije wil afwijst vooral kijkt naar die gevallen waar men
vanzelfsprekend over verantwoordelijkheid spreekt, bij misdaden – falende
bankdirecteuren lijken dan weer niet aanmerking te komen – maar dat dit bij handelingen
die uiting geven aan zorg voor derden, minder aan de orde komt.
Het gaat er dus niet om, zo
men dat zou denken, dat Herman Kolf hier een bepaald geloof presenteert. Wel
integendeel krijgen we iets gepresenteerd dat men zonder veel problemen
wetenschappelijk kan noemen. Pas aan het eind, als de these van onder meer Jan
Verplaetse aan de orde komt, de verantwoordelijkheid van misdadigers voor hun
daden en dus hun schuld, blijkt dat hij de conclusie van zijn onderzoek te
kunnen vertalen dat een misdadiger weliswaar verzachtende omstandigheden kan
inroepen, maar de schuld, als die bewezen is, ook aan hem toevalt.
In wezen komen we dus terecht
bij een ander mensbeeld. Net omdat Kolk ons confronteert met gekende
onderzoeken, waarbij duidelijk wordt dat de interpretatie van de
onderzoeksgegevens niet per se uit de verkregen resultaten volgt, kan men maar
moeilijk aannemen dat bijvoorbeeld de gedachte aan het indrukken van een knopje
– zoals men tot opdracht gekregen heeft – inderdaad het brein tien seconden zou
wachten. Gesteld dat er een dure vaas op een tafel staat en je ziet dat die
door een stoot dreigt om te vallen, dan kan je proberen die tegen te houden.
Dan denk ik dat gelijktijdigheid van zien en reageren moeilijk via meting te
weerleggen valt. Anderzijds, speelt een jongen met zijn vader tafeltennis en de
vader voelt dat hij te gemakkelijk wint, dan kan die vader proberen wat minder
gefocust te spelen, kwestie van de jongen niet echt te ontmoedigen.
Vrije wil, het komt mij bizar
voor dat men de gedachte dat het een illusie zou zijn zoveel aandacht geven
wil. Laten we wel wezen, Herman Kolk laat ook zien dat het onderzoek van het
brein met EEG en fRMI niet zo gek is, wel integendeel, het laat toe te
begrijpen wat er gebeurt als de bedrading in de hersenen niet helemaal naar
behoren gelegd blijkt. Ook meent de neuropsycholoog meer dan Bert Keizer te
kunnen voortgaan op breinonderzoek. Waar hij andere wegen uitgaat dan Victor
Lamme en anderen, blijkt dat te maken te hebben met de vaststelling dat het
automatische functioneren van het brein niet uitsluit dat we ons bewust kunnen
zijn van bepaalde handelingen, maar tevens dat het voor een vakman of een
pianist soms zeer van belang kan zijn net niet meer op het vingerspel of de
gewone handelingen te hoeven letten. Want dan komt er ruimte vrij voor iets
anders.
Het mensbeeld dat uit de idee
voortkomt dat we niet zomaar gedachteloze wezens zijn zonder eigen vrije wil
zijn, blijkt voor een aantal onderzoekers maar ook voor vele “volgelingen”
onaantrekkelijk. Goed begrijp ik dat niet. Determinisme kan, voor wie iets
afweet van het Jansenisme of Calvinisme toch niet aantrekkelijk wezen.
Wetenschap bedrijven heeft uiteraard te maken met weten, met meten, maar ook
het boek van Kolk laat zien dat men wel moet weten wat men meet. De 300 milliseconden
tussen een hersenactiviteit en een handeling, het indrukken van een knop op een
proefinstelling, blijkt nodig om tot de bedrading tussen het ene hersencentrum
en het andere wel degelijk van node is. Als ik niet hoef te wachten om te
drukken en als ik zelf gewoon kan duwen met de vrije hand, als het nodig zou
zijn, bijvoorbeeld een stopknop van een lopende band, dan zou het resultaat
er wellicht anders uit zien.
Moeten we dan geen vragen
stellen over de onderzoeksmethodes in de neurowetenschappen? Uiteraard moet men
de variabelen kunnen controleren, moet men kunnen nagaan of een bepaalde
proefopstelling misschien verkeerd was uitgewerkt en zo meer. In deze zin is de
kritiek van Herman Kolk ten aanzien van Victor Lamme wel interessant, want hij
verwijst naar het Behaviorisme, dat in de eerste helft van de vorige eeuw veel
aanhang vond in de psychologie. Het gaat om de aanname dat elke handeling
voortkomt uit een stimulus, die van buiten komt en zonder verdere verwerking
een reactie oproept. Ook Lamme blijkt deze gedachte niet vreemd te vinden, want
de visie op de werking van het brein is er een die gelijkt op wat de kikker kan
doen. Voedsel nodig betekent naar een insect happen. Is het insect te veraf dan
wordt het springen. Is er een hindernis, dan een stapje opzij. Zo zou het ook
gaan met mensen. De kritiek op het behaviorisme is altijd geweest, dat de
responses niet altijd aansloten bij de impulsen, omdat soms een hele reeks
handelingen ontstond die wel op de impuls aansloten aan het einde, maar de hele
planning tussendoor was zo omslachtig dat stimulus en reactie uiteindelijk niet
meer op elkaar aansluiten.
Zo bezien is het fantastisch
als men mij laat weten dat sommige ideetjes onzin zijn, want ze behoren tot de
wereld van het voorstellingsvermogen. Maar de auteur toont aan dat mensen
zonder dat voorstellingsvermogen, bijvoorbeeld het gezicht van een geliefde
wanneer die iets onverwachts ontvangt, eindelijk niet tot veel bijzondere
dingen in staat zouden kunnen zijn. Het vooraf bedenken hoe je iemand kan
verrassen kan de milde schenker al blij maken. Als dan het moment suprème komt
en de reactie valt tegen, kan dat een grote opdoffer zijn, want de
voorafbeelding was dus fout. Maar de ontvangende partij kan dan weer die
teleurstelling opmerken en begrijpen dat er een contactstoornis is opgetreden.
Na een hele onderhandeling kan dan de vreugde toch doorbreken of iets anders,
teleurstelling en ontgoocheling. Maar het kiezen van het cadeautje was geen
verbeelding, toch?
In wezen moeten we ons dus
afvragen waar die gedachte vandaan komt dat we niet over een vrije wil zouden
beschikken. De gedachte alle materie deterministisch zou werken kan men niet
terzijde schuiven. Maar als het brein inderdaad een materieel gegeven is, dan
zou men toch kunnen besluiten dat ondanks de beperkte omvang de complexiteit ervan
zo groot is dat voorspelbaarheid eindelijk beperkt is. Maar er is een ander
element dat ook meespeelt, met name de aanname dat wetenschap bedrijven een
kwestie is van nauwkeurig meten en observeren en geen conclusies trekken die
niet in de opstelling besloten liggen. Maar wetenschappelijk onderzoek kan
inderdaad alleen onder duidelijke en controleerbare voorwaarden zodat het erop
lijkt dat er ook maar één verklaring, interpretatie mogelijk is. De vraag is of
de onderzoekers zoals Benjamin Libet wel maten wat ze dachten te meten.
Onderzoeken of men aan de hand van een simpele opdracht of zelfs een
gecombineerde opdracht kan afleiden of
we de zaken bewust, gewild doen, vinden sommigen geen reden tot kritiek. De
interpretatie van de onderzoeksresultaten was steevast dat we ons brein zijn,
dat we er niet zo heel veel aan kunnen veranderen en dat we zeker niet zelf in
staat zijn dat brein te sturen. Het resultaat is dat we opnieuw in het
cartesiaans theater terecht komen, dat er misschien geen homunculus in het
brein zit, maar dat het brein zelf een sturingsmachine is, dat de rest van ons
gestel stuurt. Volgens Herman Kolk is het wel zo dat we niet weten hoe in het
brein verbindingen aan het werk zijn, maar wel kunnen we met de
gebruikersinterface die de taal is op momenten dat we aandacht aan iets besteden
wel degelijk het brein sturen. Net omdat blijkt, uit scans en ander onderzoek
dat bij de voorstelling van een hond en het zien van een hond hetzelfde gebied
in de hersenen zal oplichten.
De vraag is of men zo
inconsistent kan zijn te willen dat iedereen gelooft dat de vrije wil niet
bestaat en daar zoveel energie in steken. Het is niet zo dat we altijd bewust
bezig zijn met wat we doen. Ik kan mij voorstellen dat een renner op training
die de Mont Ventoux oprijdt eens aan het trappen vooral niet denkt aan het
trappen maar wel aandacht besteedt aan zijn reacties op het moment zelf en of
hij ver kan gaan in de verzuring. Zijn aandacht is niet gericht op het fietsen
tot het moment dat hij denkt niet meer vooruit te kunnen. Als hij elke trap
omhoog moet aansturen, dan wordt het pas lastig. Maar zo een renner die vlotjes
de Ventoux oprijdt, moet al een lange training achter de rug hebben en weten
dat hij ook aan de top nog rijden kan.
Het blijft dus een merkwaardig
mensbeeld dat men ons presenteren wil. Het brein zou ons sturen, maar wie het
brein stuurt, blijft onbelicht. Dat wij ons brein zijn, ontkent Herman Kolk
niet, maar hij meent dat de zin te onvolledig is om aannemelijk te zijn. We
zijn onze ervaringen en kunnen alleen met ons brein, via ons brein iets
aanvangen van die impulsen. Maar de hersenen zelf zijn (vooralsnog) terra
incognita. We kennen het niet, maar de gebruikersinterface die de taal is, laat
toe met onszelf om te gaan en met anderen. En dan is het nog de vraag hoe die
relatie met anderen zich ontrolt. Herman Kolk geeft ook hier aan dat mensen
niet op een vijandige manier met elkaar omgaan. Het mensbeeld dat Kolk
vooropstelt lijkt me menselijker, humanistischer dan de idee van Swaab dat ons
brein al volkomen bepaald is bij de geboorte of het brein van Lamme dat er niet
zou in slagen aan impulsen te ontkomen.
De doelstellingen van deze
wetenschappers die dus menen dat het brein, ons brein ons niet toestaat een
vrije wil te ontwikkelen, komen mij vreemd voor, omdat het betekent dat zij een
hypothese of beter een model van het brein hanteren dat niet in staat zou zijn
de complexe ideeën te bieden die ze net nodig hebben om hun onderzoek te doen.
Hoe onze hersenen ons vrijheid verschaffen, lijkt voor hen geen punt, terwijl
het voor Herman Kolk nu precies de kernvraag blijkt te zijn. Het kan dus nuttig
zijn te zien dat Kolk niet hun methode afwijst, maar precies op basis van die
onderzoeken tot een duidelijke conclusie komt dat het onze hersenen zijn, dat
wil zeggen de sinds het begin van het ontstaan van de soort ontwikkelde brein
die ons steeds meer in staat hebben gesteld vrij van de omstandigheden dingen
voor te stellen en te doen. Zou Spinoza gedaan hebben wat hij deed, onder meer
bewust de eeuwige banvloek van zijn Sefardische gemeente zoeken en aanvaarden,
als hij niet geweten had waarom hij dat moest doen. Zou hij zijn ethica more
mathematicae hebben geschreven, als hij niet een voorstelling had gemaakt van
de wereld, God en de mensen als hij er ook niet toe gedreven was dat allemaal
te ontwikkelen. Een mensbeeld ontwikkelen dat die mogelijkheden uitsluit, lijkt
mij een vreemde gang van zaken.
Men kan op grond van de
vaststellingen van Herman Kolk spreken over de verantwoordelijkheid van een
persoon in geval van een misdrijf. Dat is het punt waarop de believers dat de
mens geen vrije wil zou kennen het hardst hameren. De vraag is of die benadering
niet wat eenzijdig is. Vanwege neodarwinisten hebben we ook vernomen dat de
mens niet per se welwillend staat tegenover anderen, soortgenoten. De
evolutionaire psychologie blijkt er vooral op gericht de mens als homo homini
lupus voor te stellen. Maar wie de geschiedenis van de soort bekijkt, weet dat
de mens een sociaal wezen is dat in groepen leefde. De ontwikkeling van het
brein was dan ook geen individueel verhaal maar gebonden aan de evolutie van de
soort. Die soort kende wel geweld, maar zocht ook naar middelen om dat geweld
tegen te gaan. Maar de soort ontwikkelde ook mogelijkheden om het voor zichzelf
beter te hebben. Hoe de verovering van het vuur in het werk gegaan is, kan men
theoretisch wel duiden, maar we weten het eindelijk niet. Wanneer is de soort
effectief een jager geworden, die dieren neerlegde om er eten aan te hebben? In
de verschillende culturen zien we overigens nog wel zeer straffe vormen van
attavisme, zoals het feit het soms niet is toegestaan dat mannen en vrouwen
tegelijk eten. Ook spijswetten lijken niet zo gemakkelijk aan bepaalde
rationele verklaringen te verbinden. Het is dus niet zonder reden zijn dat er
andere verklaringen voor te vinden zijn. Die te maken hebben met wat sjamanen
of andere chefs hebben bedacht om de groep te beschermen tegen werkelijke en
vermeende gevaren en vijanden. De ontwikkeling van de soort blijkt in dat geval
een zeer complex verhaal te zijn. Maar zonder de notie van de vrije wil, die de
oude Grieken, maar ook de Joodse auteurs ontwaarden, is het verhaal wel
helemaal onbegrijpelijk. Men zou dus kunnen stellen, op grond van dit boek, dat
we om de verrassende veelzijdigheid van de mens te vatten met de vrije wil een
goed en eenvoudig argument hebben ter verklaring. De vrije wil kan naar misdaad
leiden en naar wel weldadigheid. Het is niet de enige verklaring voor de aard
van het menselijke handelen, maar is het wel een goede grond voor de
onverwachte wendingen die menselijk handelen kan vertonen. En ja, dan moet nog
aangetoond worden dat dit een zaak van de hersenen is. Precies de
vaststellingen van Libet en anderen, het onderzoek met scans en EEG laten zien
dat dit brein tot heel wat in staat is, maar dat we er vaak niets van weten,
tot het ons bewustzijn binnenkomt, in de vorm van innerlijke spraak. Bewustzijn
en het onbewuste functioneren van het brein sluiten elkaar in die visie niet
uit.
We vinden deze benadering van
Herman Kolk wel best interessant, maar menen dat en hopen dat we er eerlang
meer over zullen vernemen. Want de benadering geeft wel aan waarom we sommige
discussies over de vrije wil niet goed begrepen. Het drukken op een knop en dan
de idee dat de proefpersoon zelf mag kiezen, het leek voor mij geen passende
vorm om vrije wil aan te tonen of bewezen als onbestaande te beschouwen. Op deze
manier laat Kolk zien dat wetenschappers best ook kritisch tegen het licht
houden wat ze in het publiek vertellen. Nu, levert de discussie op dat we zowel
onbewust dingen kunnen doen en anderzijds aan andere zaken heel veel aandacht
besteden, dan heeft dit boek van Kolk ons heel wat bijgebracht.
Bart Haers
Ach sommige mensen kunnen niet leven met de werkelijkheid dat de vrije wil niet bestaat, omdat zulks hun wereld -en mensbeeld onderuit haalt. Pure psychologie.
BeantwoordenVerwijderenDe aanklagers van Nicolaas Copernicus hadden hetzelfde psychologisch probleem. Kolk ondernam geen enkel wetenschappelijk onderzoek; Libet wel. Ik geef de voorkeur aan feiten boven (gekleurde) bedenkingen en “gefilosofeer” in het luchtledige.Maar ach ieder diertje het pleziertje van zijn/haar eigen gelijk.
kijk naar mijn website en zie wat voor wetenschappelijk onderzoek ik doe. Ik heb onder meer bestudeerd hoe onze hersenen fouten corrigeren. Ik observeer daarin dat een conflict tussen wat er verwacht en wat er waargenomen wordt een essentiele voorwaarde is om tot verbetering te komen. Conflict tussen verwachte beloning en verkregen beloning speelt ook bij het tot stand komen van vrijwillig gedrag een essentiele rol; zie hiervoor hoofdstuk 2. Ik beschrijf daar onder meer het onderzoek van Shima en Tanji; vormen hun bevindingen niet zo'n
Verwijderen'feit' waar u de voorkeur aan geeft?
Ik hoef hier niets aan toe te voegen, natuurlijk, behalve het feit dat ik wel in gedachte had, maar niet geschreven, dat sommigen het onderzoek van de een wel en de ander niet voor vol aanzien omdat het de gewenste resultaten niet zou opleveren. In die zin neem ik mij voor nog eens met Stephen Toulmin aan de slag te gaan. Het gaat om de manier waarop we kennis willen accepteren. Vrijheid niet accepteren, omdat het niet past in een deterministisch wereldbeeld vormt zo een probleem. Vrijheid is geen hoer, zoals sommigen menen, wel een belangrijk aspect van de condition humaine. Prof. em. Dr. Herman Kolk laat zien hoe dat op het niveau van het brein functioneert...
VerwijderenDat conflict tussen verwachte beloning (toekomst) en verkregen beloning (verleden) een essentiële rol speelt bij het tot stand komen van feitelijk gedrag, daar kan ik best inkomen; maar in hoeverre het vrijwillig is, dat is maar de vraag. Vrijwillig in de zin dat het geen materiële biochemische oorzaak zou hebben, en derhalve zou gestuurd worden door een immateriële stuurder, dat is maar de vraag. Overigens er is sprake van een “essentiële rol”, maar waarin de rol nu precies zou bestaan; daarover gaat het. Ik geloof niet in gevolgen zonder (materiële) oorzaak. Vrijheid is inderdaad geen hoer, maar een illussie zoals het ik-gevoel een illusie is. Misschien wel kenmerkend (en evolutionair vermoedelijk succesvol) voor onze soort. Ook deze illusie wordt voortgebracht door een materiële biochemische oorzaak. Liever fysica dan meta-fysica.
VerwijderenKan u het verband uitleggen tussen biologie en fysica? Biochemie lijkt me niet altijd zo voorspelbaar, maar goed, allrs wat niet aan uw gedachte over de aard van de dingen beantwoordt, noemt u metafysica. Verder valt er niet niet zo heel veel te vertellen. Of het zou moeten zijn dat we hier met metabiologie te maken hebben.
VerwijderenTypisch voor een jezuïet die in het nauw gebracht wordt in een discussie: Een tegenvraag stellen aan de opponent die totaal naast het onderwerp is. U hoeft niet te antwoorden dat u geen jezuïet bent, maar hun truckjes kent u opperbest. Om het antwoord op uw (dwaze) vraag te kennen hoeft u maar eens te googlen of gewoon naar school te gaan.
VerwijderenIndien je niet ten gronde wenst te reageren, laat het maar wat mij betreft.
Ik zie echt niet wat er naast de kwestie is. Prof. Kolk legt beleefd uit dat in dat brein van mensen verbindingen ontstaan en voortdurend evolueren. Dus aan uw voorwaarde van materiële aard en causaliteit is voldaan. Wat u het ik-gevoel noemt, het bewustzijn komt dus voort uit het functioneren van het brein. Dat u het illusies noemt, weliswaar succesvol, terwijl dat voor prof. Kolk fundamenteel blijkt want het resultaat zelf van de werking van het brein, kan u blijkbaar niet van u afzetten. Ik vind er niets metafysisch aan.
VerwijderenU bent onvoorstelbaar. Professor emeritus Kolk deed onderzoek als neuropsycholoog in Nijmegan, Radboud universiteit. Het lijkt me intrigerend dat u de visie van Libet, Lamme en anderen vergelijkt met de baanbrekende inzichten van Nicolas Copernicus. En uw fulmineren tegen de idee van de vrije wil, klinkt wel pathetisch.
BeantwoordenVerwijderenU blijft verder maar spreken over "De FEITEN" maar alleen al de discussie over de Kopenhagen Interpretatie zou u ervoor kunnen behoeden wat minder hard over feiten te spreken. Dat Prof. em. Herman Kolk geen onderzoek gedaan zou hebben, wordt overigens door de feiten weersproken, want de hoogleraar deed onderzoek naar taal en mentale problemen als afasie en dyslexie. Dus, tja, hij was toch ook een beetje bezig met hersenonderzoek, wel?
BeantwoordenVerwijderenHet blijft mij een raadsel dat u en anderen steeds weer hameren op de feiten, maar zelf al eens vergeten de feiten te checken. Verder is het zo dat feiten hun belang krijgen of verliezen als men ze plaatst in een bepaalde sequens en daardoor ook interpreteert. Maar u houdt duidelijk niet van interpretaties. Dan lijkt u op die Wagner, de factotum van Faust. Maar dat is natuurlijk ook alleen maar een verzinsel. Een subliem verzinsel.