Politiek als langzaam boren in dikke planken
Politiek
en Samenleving
Wat
met de
ongewenste
neveneffecten?
![]() |
Max Weber wordt vaak opgevoerd en het kan opportunistisch blijken. Maar zijn uitspraak waar we hier naar verwijzen kan men best even ter harte nemen. |
Sommigen dromen blijkbaar nog steeds en immer
van een permanente revolutie. De maakbaarheid van de mens en de samenleving? De
maakbaarheid van de mens? Om met dat laatste te beginnen: hoe kan een jongen
van 16 nu zeggen hoe hij worden wil en wat hij daartoe moet doen? Intuïtief
weet ie al een en ander, hoe het vorm te geven, ligt nog niet vast en hij weet
ook niet zeker of hij erin slagen zal. Begeleiding en ondersteuning zijn dan
van node, maar ook enthousiasme van de begeleider. Voor meisjes geldt dit ongetwijfeld
ook, maar die blijken vaker goed mee te gaan in wat hen aangereikt wordt,
scoren alvast beter op school – al moet men toch kijken welke richting zij
volgen. Om tot een overwogen oordeel te komen zal onze jonge knaap of maagd
zich een idee moeten vormen van wat het leven brengen kan en tegelijk merken
dat in de ervaring ervan de kennis komt van wat het betekent. Placet experiri?
Jawel, maar een goede mentor kan geen kwaad.
Het onderwijs verdraagt niet zomaar
hervormingen van bovenaf, denk ik, maar toch is het discours van de permanente
hervormingen – en neen, men moet niet beweren dat er de laatste tien, twaalf
jaar geen grote hervormingen geweest zijn, want ze stonden telkens op de
agenda, behalve tijdens verkiezingscampagnes – een bron van onrust en ook van
frustratie omdat de leerkrachten telkens weer te horen krijgen dat ze het niet
goed genoeg doen.
Het punt is dat we over de opzet van het onderwijs
vandaag niet eens meer een publiek debat voeren, maar dat het een zaak van
experten werd, die, zoals Richard Sennett aangeeft, steeds binnen de veilige
zone blijven van de expertise en de (ongewenste) neveneffecten van hun
beleidsplannen niet in overweging kunnen nemen. Mevrouw Susan Neiman schrijft dan
ook niet zonder reden over de verbroken communicatie tussen de
(onderwijs-)specialisten en het veld, niet enkel het onderwijzend personeel
zelf maar ook de goegemeente van goed opgeleide mensen.
Zij legt dit het helderst uit als zij het heeft
over de problemen die telkens weer
ontstaan tussen de experten en het publiek. Het defensiebeleid toont hoezeer experten
de waangedachte zijn gaan koesteren dat alleen zij kunnen begrijpen waar het om
gaat. In de Verenigde Staten werd dit zover doorgedreven dat de president en
diens administratie volkomen overgeleverd waren aan de inzichten van de
experten. Voor Susan Neiman is Daniel Ellsberg daarom een held van deze tijd, want hij was zeer betrokken bij de oorlog in
Vietnam en was vervolgens goed ingevoerd in het Pentagon en de “Randcorporation”,
een denktank die het defensiebeleid wil stroomlijnen. Omdat hij de foute
redeneringen niet meer kon aanvaarden, haalde hij de drieduizend pagina’s over
deze zaak plus de 4000 pagina’s originele documenten uit de beslotenheid van de
denktank. Het werd een zaak die mee aan de basis zou liggen van het empeachment
tegen Richard Nixon – die deze vernedering ontliep door ontslag te nemen. Ellsberg,
zelf behorende tot de inner circle van experten, specialisten, strategen,
ontdekt dat zij allen op geen enkele manier nog in de mogelijkheid verkeerden
hun eigen beslissingen tegen het licht te houden noch kritiek van
buitenstaanders konden accepteren want die begrepen er dus niets van. Hijzelf
wist van zichzelf dat hij die positie had ingenomen en net daarom kon hij het
risico nemen de informatie publiek te maken. Bas Heijne vond dat Susan Neiman
hem die titel van held niet hoefde te verlenen, want dat heeft iets zijigs,
glads en laat dus verder niet toe er iets van te vinden. Maar heeft hij dat
boek dan wel gelezen, die Bas Heijne? Want het hele verhaal van de Pentagon
papers moet elke rechtgeaarde democraat en aanhanger van transparantie in het bestuur
aan het hart gaan: de ingewijde en goed ingevoerde expert over
beleidsvraagstukken kiest ervoor, nadat hij eerst de oorlog heeft gesteund, de
beleidsfouten die hij, het afgeronde onderzoek bij de hand kan aanwijzen,
publiek te maken. Men heeft deze fase van de geschiedenis van de Vietnamoorlog
zelden onder de aandacht gebracht. Ik wist van het empeachment, had een vage
notie van de Pentagonpapers, maar het verband tussen dat alles was niet
duidelijk. Helemaal onduidelijk was dat iemand die toegang had tot een geheim
rapport het bestaat die openbaar te maken. Vergeleken met Assange is Ellsberg
daarom alleen al zoveel belangrijker. Dat Ellsberg loyaal handelde is dan ook
de grote kwestie? Loyaal aan zijn collegae? Op het oog niet, evident niet met
de opdrachtgever, McNamara. Belangrijker is dat hij vond dat de kennis geheim
houden het publieke debat onmogelijk zou maken. Alleen, we weten vandaag wel
van de studentenopstanden in Stanford en andere universiteiten, maar minder van
de politieke strijd en de moeilijkheden van critici van beleid om aan
informatie te komen. Zo konden de overheidsvertegenwoordigers zeggen dat ze er
niets vanaf wisten, die critici. Het is precies wat Neiman in haar essay
“Morele helderheid” wil laten zien, dat experten vaak zeer betrokken blijken
bij hun expertise maar dat zij vaak niet buiten hun ivoren toren komen, maar
dat klinkt allicht te populistisch. Het gaat niet zozeer om het feit of ze uit de
ivoren toren komen, maar betrokkenheid ontberen met de mensen voor wie ze het
menen te doen, de scholieren, de leerkrachten, de samenleving... Of ze met
andere woorden nog enig idee hebben van wat hun beleid voor de burger zelf
betekent.
Ook Richard Sennett heeft die vaststelling
geformuleerd toen hij zich in
craftmanship de vraag stelde waarom mensen in een bepaalde
beroepsactiviteit vaak niet meer tot iets komen. Ze blijven veilig binnen de
normen die hen zijn aangereikt door hun collegae en zullen niet zo gauw buiten
de lijntjes kleuren. Maar kunnen ze ook
hun activiteit van op een afstandje bekijken, zoals een vioolbouwer zijn viool?
Men vreest van niet, maar toch denkt de socioloog Sennett dat dit ook voor
experten mogelijk moet zijn.
De kwestie is dus, als we terug bij de
onderwijsdiscussie komen, dat de mensen die geacht worden het beleid van het
departement onderwijs vorm te geven, zich in een kring bevinden van mensen die
ingevoerd zijn in één bepaalde onderwijsfilosofie, die erop gericht is iedereen
toegang te verlenen tot alle kennis. Dat dit een op het oog edele doelstelling
is, neemt niet weg dat het ook een bizarre aanname is, want diezelfde
(onderwijs-)filosofie neemt ook aan dat de idee van uomo universale vandaag
onmogelijk is. Toch koesteren zij de niet te temperen ambitie te presteren, dat
wil zeggen, het onderwijs te veranderen. Anders heeft, denken ze, hun
activiteit geen zin. “Stilstaan is achteruit gaan”, zo heet het. Maar omdat ze
menen precies te weten waar het heen moet, kunnen ze natuurlijk niet bevroeden
dat leerkrachten – sommige experten hebben zelf ook een leven voor de klas
gestaan – het niet kunnen weten. Zo is er natuurlijk geen discussie mogelijk
over de doelstellingen want andere stakeholders zijn nog veel minder ingevoerd.
Moet
men in deze aan de scholierenkoepel een stem geven? Weten zij waar ze aan het
aan eind van een middelbare schoolloopbaan verwacht mogen te zullen staan? Het
was wel meegenomen voor de hervormers dat die jongeren meegaan in hun verhaal.
Bizar, want jongeren horen toch kritisch te wezen? Jawel, tegen conservatieven,
niet tegen Progressieven.
Waarom hebben de onderwijsdeskundigen een model gekozen dat men samenvat in “Gelijke
onderwijskansen”, waaraan gedurende jaren steeds nieuwe argumenten zijn
aangedragen? Er is de traditie die John Dewey heeft gestart en in Europa ook
wel volgelingen had naast mensen die op eigen kracht tot vergelijkbare
inzichten kwamen. Daarin werd grote nadruk gelegd op creativiteit. Opvallend is
dat aan het eind van de rit de creativiteit in het onderwijs misschien niet zo
heel veel plaats meer heeft. Aan de andere kant heb je de filosofen die zich
verder hebben gebogen over het sociaal contract, waarmee Hobbes en Rousseau
waren komen aanzetten. John Rawls ging hierin zover en vond dat men niemand mag
meer mocht geven dan wat men niet aan de armsten zou geven. Martha Nussbaum
toont aan dat die benadering te zeer op het maatschappelijke kader gericht is
en te weinig de individuele persoon raakt. Laat ons dus maar vaststellen dat
een rechtvaardigheidstheorie die geen oog heeft voor de individuele persoon
misschien mooi kan lijken en perspectieven openen voor meer rechtvaardigheid,
maar of ze vrijheid en broederschap zou betrekken en er ruimte voor laten,
blijft een vraag.
Net Martha Nussbaum legt uit dat een theorie
die de waardigheid van de persoon centraal stelt een andere benadering van
onder meer onderwijs vergt. Waar in de lijn van Rawls velen wijzen op de
onrechtvaardigheid van het feit dat sommigen wel goed onderwijs aankunnen en
anderen er niet aan toe komen, kan men ook stellen dat het gevaarlijk zou zijn
als men intelligente en leergierige jongeren niet zou aansporen zo ver mogelijk
te gaan in hun kunnen – inderdaad, zoals topsporters. Er valt geen lijn te trekken op
rechtvaardigheid, als men de individuele omstandigheden niet in overweging
neemt. En bovendien, men zegt wel eens dat die migranten, de ouders dan, geen
belang hechten aan het onderwijs voor hun kinderen, maar misschien moet men dat
toch beter onderzoeken. Want er zijn er die er wel in slagen, zoals mevrouw
Rachida Lamrabet.
Inzake onderwijs moeten we inderdaad oog hebben
voor de maatschappelijke aspecten en problemen, maar ook voor de individuele
personen en die moeten stuk voor stuk kansen krijgen. Gezien de uniciteit van
de personen en de diversiteit, kan zo een aanpak niet gelijk zijn voor allen.
Maar ook wat we willen aanbieden aan jongeren zal dan ook afhankelijk van de
beoogde doelstellingen best verschillend uit kunnen pakken. Maar er zit, zoals
Boris Cyrulnik stelt ook Elke Geraerts, doctor in de psychologie aan de Erasmus
Universiteit Rotterdam dat negatieve ervaringen best heftig kunnen zijn, maar
dat de verwerking ervan versterkt kan worden als bijvoorbeeld een ouder of een
leerkracht de veerkracht kan aanboren. Het blijft moeilijk om zomaar over
trauma’s te spreken, omdat er wel degelijke heftige gebeurtenissen zijn, zoals
de scheiding van ouders, of het overlijden van een vader of moeder. De invloed
ervan is moeilijk te voorspellen, maar als men de ervaring van het kind niet
onder ogen nemen wil, dan kan zo een ervaring andere facetten van zijn of haar
ontwikkeling bemoeilijken. Als er dan mensen zijn die de jongere opvangen en
hem of haar weten aan te spreken, dan kan het trauma er wel blijven, maar het
kind krijgt de kans om er zelf mee om te gaan en zelf te leven. Ik denk dat
vele discussies omtrent onderwijs precies die interpersoonlijke interactie,
zeker in de klas- en schoolcontext negeren.
Daarom moet er rust zijn in de tent, de klas,
de school, dat wil zeggen de structuren en procedures moeten voor leerlingen en
leerkrachten helder zijn en hen toelaten zich met de kern van de zaak, het
volgen van de lessen en studeren enerzijds en het aanbrengen van de kennis en
enthousiasme anderzijds en dus ook oog voor interactie. In
zekere zin kan men de aandrang tot hervormen zien als een ambtelijk project,
dat sinds de jaren 1970 in Europa, dus lang niet alleen in Vlaanderen het
klimaat heeft bepaald. Wat waren de doelstellingen? Maar ook, wat was en is de
situatie?
Enigszins gechargeerd kan men stellen dat rond
1965 een beduidend groot deel van de jongens en een groeiend deel van de
meisjes klassieke humaniora ging volgen. Tegelijk waren er toen nog
beroepsgerichte opleidingen van 2 jaar en technische van 4 tot 6 jaar. Je had
ook handelsopleidingen die ook in avondschool opleidingen voorzagen. Wat de noden
van de markt en de ambities van ouders en jongeren betreft zat men dus vrij
goed. Het blijft me verbazen dat men toen ging streven naar een democratisering
door een veranderen van het
onderwijsaanbod. Want men kan er veel over zeggen, over paters die de jongens
geen Walschap of Boon lieten lezen, dan wel het verhaal de Sabijnse maagden en
andere, Coriolanus, de Decemviri of … het was een vrij breed kader. Wat gebeurd
is, denk ik, is dat men nu voor moderne talen relatief weinig auteurs leest.
Frans: Albert Camus, waarom ook niet Houellebecq…
Of moeten we het over het voorstel hebben van
Patrick Loobuyck, die vindt dat men in het middelbaar onderwijs alvast in de
derde graad geen godsdienst meer hoeft te hebben of zedenleer, maar een
gemeenschappelijk vlak, filosofie. We begrijpen dat de leerlingen van het vijfde en
zesde jaar best wel stevig vertrouwd gemaakt worden met de filosofische
stromingen. Maar als we dan kijken wat die filosofie kan behelzen, dan moeten
we ons toch wel afvragen of de methode het doel wel dient.
Wie zou er niet voor pleiten dat leerlingen in
het middelbaar doorheen hun opleiding vertrouwd gemaakt worden met de
belangrijkste teksten uit de cultuur, waarbij men dus ook aandacht zou moeten
hebben voor de Indische tradities, de Chinese en uiteraard de preklassieke
periode in de zogenaamde vruchtbare sikkel. Vervolgens komen dan natuurlijk
teksten aan de orde uit de Griekse filosofie, het Romeinse rechtsdenken en
vervolgens de hele traditie van de Patristiek en scholastiek, de humanisten,
zoals Erasmus, maar ook andere filosofen, Montaigne en goed, de rest van de
traditie menen we te kennen. Hoeveel ervan kunnen en moeten we aan jongeren
meegeven? Laten we eerlijk zijn, niet alle leerlingen kunnen de finesses van de
Aristotelische filosofie of de inbreng van Maimonides opnemen. Maar is het een
overbodige luxe? Is het een overbodige luxe René Girard te lezen of een paar
teksten van Plato? Het behoort tot de Europese traditie en ligt aan de
grondslag van wat Nussbaum een universele verworvenheid noemt, die wel in de
Europese context tot stand gekomen is, maar die in vele opzichten voor ieder
van belang kan zijn.
Het gaat erom dat wie het wil hebben over de
universele verklaring van de rechten van de mens een heel programma voor de
boeg heeft: men kan niet beginnen bij de
geschiedenis van de Amerikaanse “Declaration of independce”, de Franse
Verklaring van de rechten van de mens en de burger en zo verder tot 1948, toen
de UNO een Universele Verklaring van de rechten van de mens afkondigde, gevolgd
door een verklaring van de rechten van vrouwen en ook een verklaring van de
rechten van Kinderen. Het reflecteren over deze belangrijke verklaringen kan
men niet zomaar even tussendoor. Het kan een waardig onderwijsdoel zijn dat
jongeren op de leeftijd van 18 de onderliggende gedachten en twistpunten kunnen
uitleggen die aan die Universele Verklaring van de rechten van de mens ten
grondslag liggen, terwijl het ook geen overbodige luxe is, meent Nussbaum, dat
we bij het uitwerken van een beleid dat die rechten gestand doet, dat men meer
doet dan het invullen van rechten. Of nog, me baserend op haar visie op
capabilities gaat het erom dat men de mogelijkheden aanbiedt voor mensen om
behoorlijk onderwijs op niveau te ontvangen. Dus is het inderdaad van belang
dat dit fundamentele recht in de grondwet staat. Maar dan? Dan komt de vraag
aan de orde hoe men onderwijs zal aanbieden om verschillende talenten en
mogelijkheden voor het latere leven aan te bieden.
In die zin kan men niet zover gaan dat iedereen
hetzelfde onderwijs zou aanbieden. Voor een goed begrip is het duidelijk dat
eeuwen lang een bepaald onderwijs is aangeboden dat merkwaardig uniform was in
Europa, wat gericht op het opleiden van mogelijke bedienaren van de kerk. Ook
wereldlijke heersers hebben vlug genoeg ingezien dat een universiteit – de
kroon op de opleiding – voor hun eigen administratie een noodzakelijke
aanvulling vormde. Men krijgt dan ook de zogenaamde “noblesse de robe” die
omwille van de intellectuele mogelijkheden van de alumni en vaak nog in een
klerikaal ambt voor wereldlijke vorsten belangrijke bestuurlijke taken opnemen.
Vanaf de zeventiende en zeker de achttiende eeuw zal een nieuwe groep mensen de
universiteit bezoeken. Tegelijk zien we dat vanaf de zestiende eeuw in
Vlaanderen en later in Holland, dus los van het Calvinisme steden eigen
onderwijs inrichten en laten inrichten. Daarnaast blijft een deel van de adel
niet achter en zal men vooral zonen, maar zeer vaak ook dochters – vaker dan we
vandaag onderkennen – huisonderwijs geven. Of zou mevrouw De Stael een grote
uitzondering zijn? Of Emilie de Châtelet.
Daarmee ziet men dat het onderwijs inderdaad
zeer functioneel was ingericht, namelijk met het oog op bestuurders. Maar
tegelijk zien we met iemand als Voltaire, of in vroegere periode
Franciscus van den Ende (Antwerpen 1602
– Parijs 1674) was zoon van een wever en werd eerst Jezuïet maar haalde de
eindmeet niet wegens dwalingen en zou uiteindelijk particulier leraar worden,
onder meer van Spinoza. Sociale hinderpalen waren er dus lang niet altijd.
Waarop het onderwijs gericht was, mag duidelijk
zijn, want het had bestuurlijke aspecten, maar toch kan men er niet omheen dat
de ketters zo goed als allemaal een meer dan behoorlijke opleiding hadden en
dat hun afwijzen van de leer van de kerk inderdaad beruste op goede kennis van
de klassieke filosofie. Iemand als Erasmus was weliswaar geen ketter, maar
tegelijk kon hij het niet laten bepaalde standpunten van de heilige stoel te
hekelen. Meer in het algemeen zien we dat vanaf de veertiende eeuw niet enkel
recht (burgerlijk en kerkelijk recht), theologie en wiskunde plus de talen,
Latijn, Grieks en later ook Hebreeuws en zelfs Sanskriet hun plaats kregen,
maar ook de geneeskunde, eerst zonder meer volgens de inzichten van Galenus, een
arts uit de klassieke oudheid, maar later bijgesteld door eigen onderzoek,
waaraan Vesalius zijn bijdrage leverde.
Nog eens, de kwestie die zich vandaag aandient
blijkt te maken te hebben met de vraag waartoe onderwijs kan en moet opleiden
en hoe verschillende opleidingen het best georganiseerd worden. Er is een
misvatting opstaan dat alle opleidingen academisch horen te zijn en verder koestert men de misvatting dat wie geen
ASO volgt minder kansen zou hebben. Men heeft het vaak over het watervalsysteem,
maar als men jongeren de ruimte geeft om positief te kiezen voor een
beroepsopleiding, dan zou men de eigen verwachtingen van leerlingen die ASO
volgen, beter kunnen invullen. Nu is er niet enkel leerplicht, maar ook en zeer
zeker een grote druk om ASO te volgen. Daardoor kan men de eigen vereisten voor
het ASO niet voldoende handhaven en met leerlingen de discussie aangaan om dit
naar behoren aan te pakken. Dat geldt dan ook voor het Beroeps- en technisch
onderwijs.
De hele discussie om alles meer gelijk te
schakelen blijft verbazen, omdat het op geen enkele manier te verzoenen valt
met de noden in de samenleving maar ook en niet in het minst met de
mogelijkheden van jongeren die graag met hun handen werken of technische
installaties bedienen. Uiteraard kan men ook het bijzondere onderwijs, zoals
kunstonderwijs en sportonderwijs, vooral topsportonderwijs niet vergeten.
Men zal dus bij dit debat nadenken over een
gedachte van Max Weber, namelijk dat politiek is als langzaam boren in dikke
planken. Max Weber stelde zich in 1919 vragen over hoe na de val van de keizer
en de revolutionaire periode in Duitsland politici hun werk/beroep konden
opvatten. Het gaat er dan niet alleen om voortdurend onrust te zaaien met
steeds nieuwe plannen, maar ervoor te zorgen dat de politieke besluitvorming
niet losgezongen raakt van de samenleving. Verder is het van belang, zo begrijp
ik, dat politici m/v niet boven de samenleving staan, maar zonder de vox populi
te volgen, wel luisteren naar de kennis die aanwezig is bij de burgers,
medeburgers van de politici. Omgekeend mag men dan ook van burgers verwachten
dat ze met respect voor het ambt de politici ook hun bevindingen kenbaar maken.
Natuurlijk kennen we in dit land een uitgebreid
en goed ingeplant middenveld, van vakbonden tot cultuurfondsen, die de publieke
opinie mee vorm geven. Ook ten gunste van het onderwijs hebben zij de afgelopen
anderhalve eeuw veel inspanningen geleverd, maar nu lijkt het erop dat de staat
de regie helemaal in handen nemen wil. Of dit spoort met de vrijheid van
onderwijs blijft maar de vraag. Maar of men op die manier ook de geslaagde
democratisering van het onderwijs verder wil uitbouwen, moet onderzocht worden.
De doelstellingen die Guy Tegenbos zegt te onderschrijven en waarom hij vindt
dat het onderwijs vooral geen rust mag kennen, bevreemden mij. Net omdat
onderwijs gebaat is met stabiele structuren en duidelijke paden, zowel voor de
leerlingen als voor de leerkrachten en de stakeholders. De onrust die Tegenbos
wil komt mij voor het gevolg te zijn van de gedachte dat men mensen niet moet toevertrouwen op hun eigen
tempo de dingen te doen. Dat ons onderwijs kwaliteit heeft, ook voor jonge
migranten en tegelijk goede toegang biedt voor zowel technische opleidingen als
voor wat men ooit “Humaniora” noemde, waar de leerlingen zelf wel voor onrust
zullen zorgen, voor debat en af en toe eens wat last veroorzaken mag volstaan.
De overheid biedt het best vooral een rustig klimaat waarin leerkrachten met
frisse moed de leerlingen kunnen aanzetten zichzelf te overtreffen en nieuwe
horizonten te verkennen.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten