Wat Europa doen kan

Dezer Dagen

Weerbaarheid
Over defensiebeleid en het debat over
Europese waarden

Beatrice de Graaf bracht deze week bij Knevel en van den Brink
- ja, dat is EO - nog eens te berde dat men niet zomaar
ergens kan ingrijpen. Dat ze alleen over de mogelijkheden voor
den Haag sprak, valt te betreuren, maar valt te begrijpen:
onze nationale regeringen staan nog op hun strepen,
maar soms ontbeert hen de kracht om een vuist te maken. 
Het blijft opmerkelijk dat de specialist van de SP-a, de heer Dirk Van Der Maelen zich erop toelegt het defensiebeleid aan te vallen alsof we inderdaad nog kunnen genieten van het vredesdividend, dat we in de jaren na de val van Muur en het IJzeren Gordijn, dachten te kunnen opnemen in de begroting, maar dezer dagen blijkt in Nederland, waar men evenzeer uitgesproken bespaarde op defensie, dat het publiek niet zo gelukkig is met dat beleid. De legerleiding klaagt steen en been over wat er allemaal niet (meer) kan, maar belangrijker is dat men aan de burgers niet meer kan vertellen dat men de integriteit van de grenzen en het grondgebied kan verzekeren, al weten we natuurlijk dat onze vijanden niet meer aan onze grenzen toeven, of liever dat we nu naast de oude landsgrenzen ook buitengrenzen van de EU hebben en dan moet duidelijk worden dat we die defensie niet meer per se land per land zouden moeten opbouwen, maar de integratie stuit op grondwetten, praktische bezwaren en weemoed naar oude gouden tijden, toen Europa zelf de wereld beheerste.

Het mag duidelijk zijn dat we vooral de gedachte van diplomaten en kenners froisseren, want men wil ons doen geloven dat dit niet kan, dat Brussel, Wenen, Berlijn, Madrid en Parijs, maar evengoed Warschau en Praag, Riga en Helsinki hun eigen defensiebonen willen bijven doppen. Ongetwijfeld hoopt het UK nog een rol van betekenis te spelen en de Force de Frappe zal zich ook niet zomaar in een Europese context inschrijven. Aan de andere kant, grotere verwevenheid zal de soft diplomacy, die de harten van anderen buiten Europa wil bereiken, wellicht ook ervan overtuigen dat we bereid zijn dat Europa ook zelf met voldoende weerbaarheid te bedenken. Het verschil tussen Europa als een culturele entiteit in de onderscheiden mondiale culturele sferen, die elkaar ook altijd weer deels overlappen, en Europa als politieke entiteit, kan men al niet altijd maken, maar meer nog geldt dat Europa als een gedachte gemeenschap vooral na de twee wereldoorlogen een eigen identiteit kreeg, vanwege anderen, maar ook geleidelijk een eigen zelfbewustzijn ging ontwikkelen. Dat leidde er toe dat een deel van de Europese politieke opinie zich ging beroepen op de mensenrechten en politieke rechten van burgers overal ter wereld. Aan de andere kant werd er een ideeëngoed ontwikkeld dat zich vertaalde in een besmuikt moreel superioriteitsgevoel. Wie aan dat Europese zelfbewustzijn geen deel leek te hebben, leek zich in een eigen nationalisme op te sluiten, maar zeker na 1989 kan deze veronderstelling niet meer zonder goede argumenten geponeerd worden. Hoe dan ook krijgen we toch  maar geen greep op de idee dat we onze belangen met Bulgaren, Kroaten, Grieken en Portugezen...

Laten we wel wezen, Europa is nog altijd geen politiek-culturele entiteit, met dank ook aan de herdenkingen van WO I. De wreedheden van de Duitse troepen in België wil ik niet negeren, maar de wijze waarop men in de media dag na dag de gebeurtenissen verslaat alsof het allemaal nog of alweer actueel is, kan ons er niet toe brengen dat er sinds 1949 en dus vooral na 1989 een andere verhouding bestaat tussen Duitsland en de buurlanden. Bovendien, maar dat zal men altijd weer ontkennen, hanteert men, historici als Sophie de Schaepdrijver voorop, de idee dat Duitsland de oorlog begonnen is en er de morele verantwoordelijkheid voor draagt. Zelfs zonder hierbij te refereren aan het werk van Christopher Clark, moet men erkennen dat het vredesverdrag van Versailles, waarin de morele schuld van Duitsland aan de Grote Oorlog gestipuleerd is, een uitspraak geeft die door de historicus ernstig onderzocht moet worden. Maar ook weet men dan dat John Meynard Keynes over de gebeurtenissen in Versailles geschreven heeft en er de grove onachtzaamheid van in de kijker heeft gesteld. Ik bedoel niets meer dan dit: de oorlog is gevoerd zoals hij gevoerd is, daar helpt niets aan, maar het front tussen Nieuwpoort en Diksmuide was wellicht, eens de linies ingenomen waren het rustigste deel van het hele Westelijke front. Maar we hebben er dus nog altijd geen idee van hoe er het aan de andere fronten aan toeging, aan en op de Stelvio, het Servische front en verder naar Oekraïne en Polen toe, maar ook aan de oevers van de Zwarte zee en de Darnadellen. Ons front? Het is een deeltje dat ons zozeer interesseert dat we nauwelijks enige empathie aan de dag leggen voor wat elders gaande was.

De visie op Europa ontwikkelen, waarin de oorlogen als een strijd om hegemonie van de grootmachten van toen wordt beschreven, komt niet van de grond, waarbij het diplomatieke handelen van de Quay d'Orsay, Moskou en het Auswärtige Amt bekeken worden, maar ook Wenen, Londen, de kleinere landen, want dat lijkt allemaal niet relevant. Het spijt me zeer, maar sommige historici zijn wel erg eclectisch als het erop aan komt te begrijpen dat wat relevant is, altijd weer een zaak van keuzes die de feiten zelf afdwingen, niet van de voorkeuren van de onderzoeker afhangen. Clark beschrijft onder meer het staatsbezoek van Raymond Poincaré, de Franse president die zelf ook Buitenlandse zaken voor zich reserveerde in juli 1914 aan Moskou aflegde, maar in de gesprekken over het begin van de oorlog komt dat niet aan bod. En een paar jongens die voor 1 - de Vlaamse openbare omroep - de fronten afliepen, hadden het over het kleine maar dappere Servië tijdens de oorlog. Over de koningsmoorden in 1904, de connectie met Frankrijk geen woord en nog minder over het feit dat de Serviërs van hun regeringen niet veel te verwachten hadden, want besturen had voor die lui maar een betekenis, alle Serviërs onder een bestuur krijgen en een Groot-Servië uitbouwen. Oostenrijk-Hongarije was voor Frankrijk, Servië en Moskou een vervelend geografisch detail, maar hoewel er in vele delen van het rijk nationalistische acties opgezet werden, kwam tegelijk een cultuur tot ontwikkeling die niet alleen aan Wenen verankerd kan worden, want Tsjechië, Bohemen dus en Slowakije, ook het actuele Kroatië streefden naar een eigen statuut, zoals Boedapest dat had, maar dat bleven interne conflicten, die er wel voor zorgden dat Frankrijk kon beweren dat de Dubbelmonarchie geen reden van bestaan meer had. Dat is niet een eenmalige gedachte, maar recurrent beleid geweest, met stevige leningen aan Servië als instrument.

Het blijft van belang hierop terug te komen omdat de idee dat landen weerbaar zijn en moeten zijn, om het welzijn van hun burgers te ondersteunen en te vrijwaren, de kern vormt van de soevereiniteit. Wie evenwel nu beweert dat alleen het Nationalisme in Duitsland opgeschroefd zou zijn geweest - ook Heinrich Mann en zijn broer Thomas hebben in hun jonge jaren aan een nationalistisch tijdschrift meegewerkt en beide hebben er respectievelijk voor en na de oorlog afstand van genomen -, blijft blind voor wat elders gaande was want ook in Frankrijk, Italië, Rusland ook had men hevige aanhangers van het eigen ras. Die term zal velen verbazen, maar de wreedheid van de Duitse troepen in augustus 1914 in België had te maken met een rassentheorie die onderscheid maakte tussen bijvoorbeeld het Vlaamse en het Waalse ras, terwijl sinds 1850 de migratie tussen beide landsdelen al indrukwekkend was. Ook in Frankrijk en Duitsland zwijmelde men als het over het eigen ras ging. Superioriteit claimen op onzekere gronden, zoveel is zeker, maar het maakt deel uit van onze cultuurgeschiedenis en het past niet de donkere bladzijden weg te redeneren.

Als het over Europese waarden gaat, valt op dat sommige aanhangers van enige vorm van Islamisme graag verwijzen naar de kruistochten, zeker die van 1096 maar ook die van 1191 waren bepaald bloederig, maar de verovering door troepen die in de 8ste en vooral 9de eeuw op verovering uitgingen, mag ons evenmin ontgaan. Het waren bloederige aangelegenheden en men kan er nu geen schuld of morele verantwoordelijkheid aan verbinden. De geschiedenis begrijpen zonder morele verontwaardiging op te wekken, het blijft moeilijk. Maar het heden bekijken zonder te begrijpen dat we dat aan onze nazaten verplicht zijn juist te handelen, ligt nog veel moeilijker.

Europa, aldus René Cuperus in de Volkskrant stelt vast dat Europa niet tot weerbaarheid bereid blijkt. Links in Vlaanderen wil niet dat het Belgisch leger nieuwe jachtvliegtuigen zou aankopen, dat zou dom zijn, maar ervan afzien zou evengoed nalatigheid zijn. Alleen, mocht er nog sprake zijn van een streven naar een nog grotere integratie van de militaire systemen, dan zou men kunnen zeggen dat België misschien beter in andere domeinen kan investeren, maar de grootste verrassing wat mij betreft is dat ook links alleen maar een enge visie op antimilitarisme uit, terwijl een Willy Claes, voormalig Secretaris-generaal van de NATO zijn Atlantische overtuiging nooit onder stoelen of banken gestoken heeft. Welnu, de dingen zijn veranderd en de vraag is of Europa kan blijven schuilen onder de militaire paraplu van het Pentagon. Mij dunkt dat Europa hier wel degelijk verantwoordelijkheid op te nemen heeft. Maar het klopt evenzeer dat de diplomatieke tradities in Europa nog niet zover zijn en experten gaan nu eenmaal niet uit van wat na te streven valt. Dat realisme, denk ik, kan men begrijpen, maar het laat onverlet dat burgers zelf ook de discussie gaan voeren over wat Europa zal moeten doen of kunnen doen. De discussie over een gemeenschappelijke defensie is minstens zo noodzakelijk als de vraag hoe we omspringen met de sympathieën van sommigen in onze samenleving voor de Islamitische staat. Sommigen gaan er metterdaad voor en dat moet men afkeuren, verhinderen, maar dan...


Het is van belang dat we hierover dus een open gesprek aangaan, want Europa is in de ogen van derden al lang een geopolitieke realiteit, maar zelf blijven we in verspreide slagorde opereren. Dat gebrek aan gemeenschapszin binnen Europa kan ook het gevolg zijn van een gebrek aan inzicht in de intellectuele tradities in Europa, waarvan het humanisme wellicht de meest hooggestemde, maar ook stimulerende is. Weerbaarheid en humanisme vormen evenwel een moeilijk begrippenpaar, lijken elkaar soms wel uit te sluiten. Wie weerbaar wil zijn, lijkt zich in de ogen van de humanisten - ik heb het hier niet over de tegenstelling tussen gelovigen en vrijzinnigen - al gauw een militarist en verblind door het militair-industrieel complex. Maar net René Cuperus onderzocht dit en kwam tot de bevinding dat een weinig slagkrachtig Europa haar overtuigingen te grabbel gooit of nog: Europa moet bereid zijn voor de waarden die ze hoog zegt te houden in het geweer te komen, iets op het spel durven zetten.

Sinds ik met de figuur van Auguste Beernaert en de vredesbeweging rond 1900 in aanraking kwam, waarbij ook een Andrew Carnegie betrokken was als geldschieter aan de orde kwam, is mijn denken over het gebroken geweer altijd een moeilijke zaak geweest: vrede die men niet bewaren wil leidt tot onderdrukking. Afzien van agressieve plannen, maar tegelijk een betrouwbare defensie opbouwen die mogelijke tegenstanders op afstand houden, maakt deel uit van de uitoefening van de staatsmacht. Europa en de VSA kwamen er ook toe ideële waarden in te roepen om het leger in te zetten, maar dat lang liep lang niet altijd goed af, omdat men die expeditietroepen doorgaans geen passend mandaat gaf. Peace keaping forces konden of mochten niet handelen en zowel in Rwanda als in Sebrenica liep dat grondig fout, omdat de tegenpartij van die logica afweet en de tandeloze troepen echt wel aan het lintje weten te houden.

In zekere zin was de hele toestand, eerst in Libië en vervolgens in Syrië best verwarrend, want in het eerste land ging Europa op vraag van een filosoof Bernard-Henri Lévy - zo leek het althans - voortvarend te werk, maar nu, een jaar of wat later, blijkt dat het allemaal nergens toe heeft geleid - met in afgeleide orde een stroom van bootvluchtelingen op de stranden van Lampedusa en pogingen tot binnendringen in de Spaanse enclaves Ceuta en Melila. Maar in Syrië mochten we om geopolitieke redenen niets doen en nu maakt de wereld kennis met een nieuwe beweging, die behalve ideologische of religieuze bevlogenheid ook nog eens weet hoe men de zaak moet organiseren, managementtechnieken. De terroristen werden dus bijna een staand leger. Overigens, een andere opmerking, Moskou zou Tsjetsjenen inzetten om in Oekraïne tegen de legitieme regering in Kiew te vechten.

Europa heeft geen antwoord, zo zegt men, maar iemand als Alexander Pechtold wist in "Buitenhof" wel te vertellen dat men niet te zachtzinnig moet optreden, dat wil zeggen, we moeten ter harte nemen wat we van belang achten, niet enkel materiële belangen, maar ook ideële waarden, al kan het een met het andere in conflict komen. Feit is dat in Vlaanderen de discussie over een vorm van weerbaarheid altijd weer gepolitiseerd wordt, waarbij men ofwel, zoals het Vlaams Belang deed, de eigen "zuivere" samenleving wilde beschermen, maar aan de andere kant vond men dat men tolerantie moet opbrengen voor anderen, zonder de eigen waarden aan de orde te stellen. Noch de ene noch de andere benadering kan mij overtuigen. De materiële belangen op individueel en collectief vlak zal men niet nalaten te behartigen, maar, net als Henri Krop stelt, wij als burgers hebben er belang bij dat de overheid met de buitenwereld op een adequate wijze omgaat: vriendelijk en welwillend als het klimaat er zich toe leent, maar tegelijk moet men een vuist kunnen maken.

De discussie over de vraag of een imam het jihadisme mag uitleggen en verantwoorden in een interview, blijft een belangrijk vraagstuk. De meeste mensen zullen 's mans woorden wel weten te wegen, want de moord op James Foley kan men niet verantwoorden door welke context ook, want de man was ongewapend, maar hij was voor de jihadi's een interessante figuur.

 Maar kijken we wel goed naar onze medeburgers die zelf moslim zijn? Er zijn wel degelijk mensen die de geweldcultus van de jihadi's genegen zijn, maar de anderen  koesteren doorgaans naast een onderlinge solidariteit en ook al hebben ze ten aanzien van Europa ook wel enkele grieven, waar we niet altijd oog voor hebben, ze vinden dat ze hun zegeningen wel moeten tellen en waarderen. Grieven zoals de politiek ten aanzien van dictaturen in het verleden, net als de heftige reactie toen in Algerije het Islamistisch front de verkiezingen dreigde te winnen, al kon men de ingreep van het leger wel duldden, moeten we aanvaarden en het proberen recht te zetten; maar een goed antwoord voor Algerije is het niet gebleken, want de Gewapende Islamisten namen het over van de politieke beweging, met veel geweld tot gevolg. Die onzekerheid over de uitkomsten van buitenlands beleid, lijken we in het publieke debat niet goed te kunnen vatten.

Voor Europa is het geen eenvoudige taak na te gaan hoe het best handelt in de nabuurstaten, want het is duidelijk dat de huidige instroom van vluchtelingen via Italië het gevolg is van het bijna nalatige beleid ten aanzien van Libië: men heeft een dictator uitgeschakeld, maar men had geen beleid voor erna, zoals dat ook in Irak het geval is geweest, zodat men de relatieve orde van de dictator verving door de voorwaarden waarin chaos en dus willekeur het overnamen. Een democratie vestigen, een staat opbouwen blijft een complexe aangelegenheid, waarover in kringen van ontwikkelingswerkers niet zo vaak gesproken lijkt te worden. Men wil bepaalde principes huldigen en vergeet dat men ook over de middelen moet nadenken. Was niet ingrijpen in Libië dan beter geweest? Wellicht had men eerst een goed strategisch plan inbegrepen een goede nazorg moeten uitwerken, zoals Beatrice de Graaf niet ophoudt te verkondigen.

De wortels van de Jihad liggen niet enkel in rancune tegen "het Westen"  maar putten uiteraard met genoegen uit de ressentimenten bij de inwoners van die landen en spreken graag jongeren van hier aan, die ergens op zitten te wachten, om groots en meeslepend te kunnen leven. We hoeven dat niet goed te keuren, niet te accepteren, maar wel moeten we voldoende empathie opbrengen om hen tot andere inzichten te bewegen. Sinds 11 september is ook duidelijk geworden dat niet enkel jongeren in de marge van de samenleving vatbaar zijn voor de ideeën van de Jihadi's, van welke obediëntie ook. Wat hen drijft, zouden we kunnen erkennen, maar hier ontbreekt een bredere en diepere kijk op onze eigen geschiedenis. Zoals Stefan Zweig schrijft in zijn nagelaten geschrift, de wereld van gisteren, waren er plots, in de jaren 1930 jonge mannen graag bereid zich aan te sluiten bij een groep, groepen die hen het aanzien gaven, dat ze tot dan toe moesten ontberen. Overigens, ook in Ferguson, de VS lijkt die dynamiek van achterstelling tot een explosieve situatie te kunnen leiden. Voor wie mee is, voor wie zich niet achtergesteld weet, zal het wel moeilijk zijn, die keuzes te begrijpen: het is gemakkelijk voor mensen die het goed stellen zich te beheersen, maar de werkelijkheid is, dat juist zij zich vaker dan nodig bedreigd voelen in hun voorrechten. En toch, net jongeren die het relatief goed stellen, blijken vatbaar voor een discours over rechtvaardigheid en dan lijkt de revolutie de beste weg, of terrorisme omdat te herstellen.

Weerbaarheid moet dus niet verward worden met angst voor mensen die ineens hun rechten komen opeisen, vaak legitiem, maar niet altijd op de beste wijze. De discussie over de revolutionaire geest, die in de jaren zestig welig tierde, lijkt helemaal stilgevallen, net op het moment dat dit wel ad rem zou zijn.  Daarbij is de vraag die Albert Camus stelde: zullen we revolutionair zijn tot we zelf de macht hebben? Of zullen we een geest van weerstand en weerbaarheid onderhouden die ons niet tot speelbal maakt van de gebeurtenissen en beslissingen van anderen? Camus vond dat mensen best gerevolteerd door het leven kunnen gaan, maar als men de revolutie, de feitelijke revolutie start, zal men vaak te laat begrijpen dat men vervolgens zelf weerstand en opstandigheid bij anderen oproept, als men vergeet waarom men tegen het zittende gezag in opstand is gekomen. Zijn benadering is veeleer persoonlijk en zal dus voor revolutionaire bewegingen en de leden ervan op luchtfietsen lijken, maar tegelijk is het van belang dat zijn visie ons ertoe aanzet na te denken over hoe we tegen de eigen samenleving aankijken en tegen de internationale evoluties. Het is niet alleen boeiend, maar zeker ook uitdagend, omdat hij mij er toe inspireerde om over opstandigheid na te denken en over de vraag waarom "verontwaardiging" voor politici geen afdoende inspiratiebron kan zijn.

Tot slot is het daarom van belang dat we weten wat we in onze cultuur van belang achten en hoe we daar verder mee omgaan. Het is ook een vraag naar de wijze waarop we die hier over het voetlicht brengen en ook anderen, die in weinig benijdenswaardige omstandigheden moeten leven kunnen overtuigen van het belang van die waarden, maar ook hoe die handen en voeten te geven. Met Beatrijs de Graaf kan ik pleiten voor beter doordachte strategische plannen van aanpak, kan ik ook onderschrijven dat men ook inzicht moet hebben in het opbouwen van de staat. Maar zoals Alexander Pechtold stelde, vergt het ook een grotere dosis weerbaarheid, zowel inzake bestedingen voor defensie, het militaire apparaat, maar ook de culturele weerbaarheid moeten we onder ogen zien: een kritiek van de westerse samenleving en cultuur mag men niet terzijde laten, maar wie daarna vervolgens het kind met het badwater weggooit, zal zich moeten afvragen hoe we dan de vele aspecten van onze cultuur, die we bij benadering kunnen benoemen als "vrijheid, gelijkheid en broerderschap", maar ook de traditionele vrijheden horen daartoe én dus ook het recht op goede informatie, kunnen onderhouden en levendig houden. De vermarkting van informatie op zich hoeft geen probleem te zijn, maar de kwestie is, zoals we zien rond wapendracht in de VS vaak instrumenteel en dan komt dat recht op goede informatie in gevaar. Overigens, ook goed onderwijs en betrokken leraren horen dan bij het pakket. Kritisch denken, zo luidde het in mijn jonge jaren, maar soms lijkt het erop dat we dat achterwege zijn gaan laten, om geen twist te veroorzaken. De oude tegenstellingen tussen gelovige katholieken, christenen en vrijzinnigen blijft men koesteren, maar de betekenis van de Islam in Europa en hoe daarmee om te gaan, blijkt ook nu weer een heel ander debat op te leveren, of net geen.

Daarom vond en vind ik het nodig deze discussie over weerbaarheid opnieuw onder de aandacht te brengen. Maar het mag een onsje meer zijn, zoals David van Reybroeck in "Zomergasten" liet zien: spreken over enthousiasme, over bevlogenheid mag ook. Onze (vrije) tijd niet verkloten, zoals Sam Dillemans welluidend sprak.

Bart Haers




Reacties

Populaire berichten