Waarom ons denken fascineren kan

Reflectie

De vrije wil en het toeval
Waarom we altijd weer zoeken naar zekerheid

Thales van Milete, die bekend werd
van vele inzichten, maar ook omdat
een melkmeid hem zag struikelen in
een kuil op het strand, terwijl de
hemel afspeurde. Dat zou de idee
hebben voortgebracht dat filosofen
te vaak met hun hoofd in de wolken
leven. 
Herman Kolk schreef voor de Groene Amsterdammer een essay dat op  29 mei verscheen. Ik denk dat het de moeite waard is er melding van te maken, omdat de auteur ons enkele bedenkingen voorhoudt die in het publieke debat niet altijd aan bod komen.

Ik zou het kunnen hebben over de filosoof die in de put valt, zoals Thales van Milete overkwam en mij ook wel eens, maar dat lag dan aan de dame met wie ik op het strand van den Haan wandelde en praatte of gewoon flaneerde, kijkend naar de zee. Maar soms geviel het wel dat ik denkend in een putje struikelde, maar vallen, neen.

Hannah Arendt vraagt zich af in haar boek, het leven van de geest: denken, hoe het komt dat sinds Plato filosofen de gedachte niet konden loslaten dat filosofie niets te maken zou hebben met de werkelijkheid die we beleven in het dagelijkse leven. Met Michel Foucault moeten we wel vaststellen dat de zelfzorg een belangrijk thema is, dat niet enkel door de kerk is genegeerd, maar ook door de latere filosofen van de Verlichting. Het probleem, zo dunkt mij, bestaat erin dat we het leven als een onoverzichtelijke serie van te voorziene en vaak niet te voorziene gebeurtenissen willen zien. Het contingente, zo moet men bedenken, is deel van het menselijke leven maar niet van de filosofie, doorgaans toch.

Herman Kolk volgt een ander pad, maar het is niet minder interessant, want ook hij gaat uit van de vaststelling van Arendt dat we kunnen denken over wat zich afspeelt, ook al is het al enige tijd geleden of ook al zou het zich nog moeten afspelen. Want uit neurologisch onderzoek is gebleken dat we ons van alles kunnen inbeelden, werkelijke dingen, onwerkelijke ook, maar dat is maar een deel van wat mensen kunnen bedenken. In die zin inspireert de filosofie de neurologie, wat meteen ook tot de veronderstelling aanleiding geeft dat wie de filosofie wil afdoen als spelen met ideetjes, voor zijn beurt gesproken heeft. Toch zijn er wetenschappers en filosofen die menen dat men hoogstens wat kan grasduinen in die ideetjes, want echte betekenis hebben ze nooit gehad. De vraag is natuurlijk wat zij dan verstaan onder betekenis. Alleen al de eenvoudige vaststelling dat in den beginne alle denken en onderzoeken van de werkelijkheid filosofie heette te zijn, zowel de vragen over de aard der dingen als de vragen over wat het goede leven is, zou hen ertoe kunnen bewegen wat minder hard van stapel te lopen.

We lezen in het stuk ook een prachtig debat over de vraag waarom filosofen en neurologen zich ergeren aan het feit dat we niet  enkel vrij kunnen zijn in ons denken, maar ook nog eens in ons handelen. Daarvoor moet men wel even terug naar de kwestie die Kolk aandraagt:

“We kunnen ons ook in gedachte inleven in een toekomstig liefdesavontuur. Zo krachtig is ons voorstellingsvermogen dat zelfs onze geslachtsorganen erdoor beroerd worden. Tot slot kunnen we ook met abstracte voorstellingen omgaan en nadenken over een werkelijkheid die we nog nooit hebben waargenomen. Een heelal dat zich oneindig uitstrekt, bijvoorbeeld.”

Ik denk dat Herman Kolk, die als neuroloog zelf wel thuis is in het breinonderzoek terecht aangeeft dat de bedrading die ons brein is wel functioneert op een eigen wijze, maar dat het moeilijk vol te houden valt dat het ik er niets mee te maken zou hebben of eraan ondergeschikt is. Het gaat, zo lijkt het wel, om een samenspel tussen wat we in onze omgeving beleven of vernemen, hoe we het opslaan en hoe het soms à propos terug komt maar ook wel eens op het verkeerde moment.

Het blijft opvallend dat de argumenten tegen de vrije wil en tegen het voorstellingsvermogen van het brein, of liever, het voorstellingsvermogen dat in het brein aanwezig lijkt en dat niet altijd precieze aanleidingen van node heeft, net op de causaliteit botsen. Als ik het essay van Herman Kolk goed begrijp is het namelijk zo dat het brein inderdaad aangestuurd kan worden door het ik, omdat het ik in staat is niet enkel met dat voorstellingsvermogen om te gaan, maar ook er iets mee aan te vangen. Arendt, zo lezen we, had het over de gift van de metafoor om ons denken materie te geven, om abstracte begrippen behandelbaar te maken. Het is dus datgene wat ergens in het ijle zweeft ook het nodige gewicht geven opdat we het tastbaar maken, zonder dat het daarom echt tastbaar wordt. Kolk laat zien dat de argumenten tegen de vrije wil net door het gebruik van metaforen ook wel eens wat verwarrend zouden kunnen werken. De geschiedenis zou volgens sommigen aantonen dat de geschiedenis niet volgens duidelijke lijnen of volgens een vaste causaliteit verloopt, maar, zo lezen we, er is geen groot plan in de geschiedenis, omdat elkeen die er part en deel aan heeft uiteindelijk vanuit eigen plannetjes vertrekt. Een groot plan, dat alles zou verklaren, blijkt moeilijk houdbaar en dus kan men net aan het ontbreken van een mogelijkheid grote lijnen te zien in de geschiedenis afleiden dat mensen wel degelijk vrij zijn in hun handelen.

Hoe we met de omstandigheden omspringen blijft dan natuurlijk een verhaal dat we best beter zouden onderzoeken, zoals de auteur van het essay laat weten. De filosofie kan de breinonderzoekers blijkbaar inspireren, maar ook kan, vermoedt Herman Kolk, goed breinonderzoek heel wat vragen, die al sinds zowat 2500 jaar steeds weer opgeworpen werden, van een antwoord voorzien, maar de auteur laat in het midden wat voor vragen hij in gedachten heeft.
Of toch niet? Want hij laat zien dat de moeilijkere vragen voor de filosofie misschien niet de wetenschappen zijn, de epistemologie, zoals Michel Serres die beoefende. De moeilijker vragen zijn die welke gaan over de mogelijkheid ons gedrag bij te houden of te sturen. Als men het goed leest, dan blijkt Kolk ons uit te nodigen na te gaan denken over hoe we inderdaad beter aan zelfzorg kunnen gaan doen, door beter te begrijpen hoe we op emoties reageren en ermee kunnen omgaan. Want als we er goed over nadenken, dan begrijpen we dat moeilijke omgang met anderen vaak voortkomt uit het onvermogen om die ander goed te begrijpen, maar ook begrijpen we onszelf niet altijd even goed. Het plannen van iets, omdat we een doel willen bereiken is een deel van het verhaal. De andere kant, denk ik, is dat we ons niet altijd een goed beeld vormen van wat we echt in gedachten hebben of willen.

Het kan vreemd lijken, maar het onderwijsdebat laat zien dat het verleidelijk is een groot plan uit te werken, maar moeilijker valt het in de praktijk te laten functioneren zoals voorzien. Het gaat immers om iets dat uitgedacht werd en wordt aan kantoortafels, maar niet altijd getoetst werd noch wordt aan wat in de klas gebeurt. Men vergeet ook dat jongeren een zetje best kunnen gebruiken om er iets van te bakken. Het kan dus geen kwaad beter na te denken over de houding van jongeren. Men kan natuurlijk beweren dat de samenleving veranderd is sinds de jaren 1980, toen de computer razendsnel huiskamers ging veroveren. Maar het laat zich raden dat het gebruik van die nieuwe technologie de omgang met kennis moeilijker maakt, hoewel onze eerste gedachte is dat de kennis net gemakkelijk toegankelijk is. Alleen, er zijn geen andere dan kwantitatieve benaderingen op het internet. Een item dat 100.000 keer bezocht is zal meer waard zijn dan iets dat nauwelijks honderd keer bekeken werd. Bovendien blijkt het niet evident meer doorgedreven kennis te verwerven aangezien uitgevers de filosofie van het internet om redenen van winstoogmerk om hals hebben gebracht. Er valt veel te vinden, maar men moet de juiste zoektermen vinden.

Het denken, leren denken vergt veel aandacht. Het is daarover dat we ons vragen kunnen en moeten stellen. Lees ik de tekst van Herman Kolk goed en heb ik in het achterhoofd nog iets mee van Arendts reflectie over het denken, dan vinden beiden het ook niet van belang verstoken hoe we denken. Terwijl Arendt nu net vindt dat een filosoof die zo benomen is door de eigen gedachten, dat hij in een kuil op het strand zou vallen, misschien niet zo erg relevant hoeft te zijn, meent ook Kolk dat zo een denken misschien niet helemaal thuis is in de wereld. Arendt stelde daarom wel vast dat als we denken, even afwezig zijn uit de werkelijkheid, maar daarom niet, zoals Plato het voorstelde over de werkelijke, transcendente dingen hoeft te denken. Met andere woorden, Arendt raadt aan in ons denken de focus te leggen over de dingen die ons omgeven en ons beroeren. Want het denken over onze wereld, meent Arendt is het belangrijkste, het is geen vrijblijvend kijken, maar gaat uit van de betrokkenheid. In die zin is het denken van Arendt best wel uitdagend, omdat ze laat zien dat de klassieke filosofie wel eens de weg verloren lijkt te hebben in de metafysica.

Herman Kolk maakt tot slot begrijpelijk dat de kennis van het brein en het denken over het brein, best onze aandacht mag opeisen. Als het denken een activiteit is van het brein en ons toelaat oude vragen te behandelen maar ook nieuwe vragen op weet te werpen, waar het breinonderzoek vandaag niet aan toe lijkt, dan valt het mij op dat de voorstelling als zou het brein een voorwerp zijn dat los staat van het lichaam en derhalve geen uniek orgaan, maar een algemeen en voor iedereen identitiek orgaan, dat hoogstens wel eens stuk kan gaan. Arendt die zeer veel belang hechtte aan de uniciteit van de persoon, zal de gedachte wel niet onwelkom zijn dat het brein nu net deel is van de persoon en uniek voor elkeen. Alleen, dezer dagen wil men de gelijkheid promoten en moet iedereen dus gelijkgeschakeld worden. Sinds een Romeins senator ooit het maatschappelijk bestel voorstelde als een lichaam en waar elkeen als persoon eigen en onderscheiden bijdragen te leveren heeft. Natuurlijk kan een verstandig mens die kijk van die Romeinse senator Menenius Agrippa niet accepteren, want dat is veel te organisch. Toch is het van belang dat we vandaag opnieuw gaan kijken hoe mensen op een eigen manier kunnen bijdragen aan het eigen welzijn en zo aan het algemeen belang. Als men, zoals Dick Swaab nog in een weekblad laat geloven, de mening is toegedaan dat na de geboorte alles al vast ligt, wat zeer dicht lijkt aan te leunen bij  de predestinatieleer, waarna men zich nog eens afvragen kan hoe omstandigheden, sociaaleconomische, culturele, intellectuele ingrijpen in het bestaan en dus op het denken van mensen. In die zin kan men maar moeilijk aannemelijk maken dat mensen niet kunnen niet denken. Alleen – en daar zijn we weer – moet dat denken met grote zorg verlopen. Of men daarbij alleen oog moet hebben voor de logica, blijft dan nog maar de vraag. Een strikte logica volgend kan men immers ook in een doodlopend straatje terecht komen.

Met dat alles wilde ik aan het artikel van Herman Kolk net daarom aandacht besteden, want hij brengt ons opnieuw bij de les: ons denken is niet zomaar een spel, maar het blijft van belang dat we hoe dan ook denken en dat nadenken of vooruitdenken kan ons veel baat bijbrengen, maar als we het niet goed aanpakken, als we gaan tobben of utopietjes voor onszelf gaan projecteren, kan het ook lastig uitpakken. Daarom is het niet zonder zin dat we meer aandacht geven aan het vormen van de geest.

Bart Haers



Reacties

  1. Allerlei beslissingen die wij zogezegd weloverwogen nemen zijn in werkelijkheid spontane reacties van delen van ons brein waarover wij niet de minste bewuste controle hebben. Ze gebeuren nog vooraleer wij ons ervan bewust zijn en onze bewustwording is niet veel meer dan een rationalisatie achteraf, een interpretatie die wij geven aan wat wij doen om heel andere en volkomen onbewuste redenen.
    Wat voorafgaat aan onze handelingen en zelfs voorafgaat aan onze gedachten, fantasieën, verwachtingen, doelstellingen enz. is een vrijwel automatisch proces waarbij allerlei elementen met elkaar worden verbonden zonder enige tussenkomst van ons bewustzijn. En dit louter biochemisch proces wordt bepaald door onze fysiologie, de lichamelijke kenmerken van onze hersenen en de rest van ons lichaam; door genetisch factoren; door onze individuele ervaringsgeschiedenis sinds onze conceptie en door de interactie met onze omgeving na de conceptie. Wij zijn het resultaat van onze individuele en zelfs van onze voorouderlijke voorgeschiedenis. (Dat is ook wat Swaab bedoelt met zijn uitdagende titel “wij zijn ons brein”).
    De bewuste en rationele vrije wil zoals de oude filosofie en psychologie en ook het christendom ze dachten (en wat het christendom betreft, nog steeds denken), bestaat inderdaad niet, maar dat wil niet zeggen dat onze daden willekeurig zouden zijn. Integendeel zelfs: er is een hoge mate van conditionering en van determinisme, van automatisme, van oorzaak en gevolg.
    Er is geen zwevend wolkje door u “het ik” genoemd dat stuurt. In tegendeel, wat door u “het ik” wordt genoemd is een bijprodukt van onze breinactiviteit, dat verdwijnt bij uitschakeling van deze breinactiviteit. (Dat dit bijprodukt zou voortbestaan na de dood is al helemaal absurd).
    En predestinatie is een religieus begrip dat met de discussie over de vrije wil niets te maken heeft, tenzij u een gelovige bent. En geloof is geen wetenschap.
    Ofwel hebt u de boeken van Viktor Lamme en Dick Swaab niet gelezen, ofwel hebt u, door uw vooringenomenheid er niets van willen begrijpen.
    Tenslotte: wat het onderwijsdebat te maken heeft met het debat over de vrije wil is voor mij een raadsel…Ik meen evenveel als mijn kleine teen met de stelling van Pytagoras.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ik heb het boek van Dick Swaab dus wel gelezen en ook van jan Verplaetse en er zijn redenen om aan te nemen dat hun visie op de werking van het brein niet op alle vragen een antwoord heeft. Het ik als bijproduct van onze breinactiviteit - dat uiteraard niet kan voortbestaan na de dood - ligt voor u voor de hand. Alleen, zoals Herman Kolk schrijft in het stuk waarover ik spreek, kan men wel degelijk vragen stellen bij de voorstelling van het brein zoals Swaab, Lamme en anderen die voorstellen. Het probleem is namelijk dat men het onverwachte handelen van mensen niet kan verklaren als u uitgaat van strikt determinisme. Voor de rest, ik ben wellicht nog een beetje in de ban van het oude geloof, maar heb er voldoende afstand van genomen om niet al te vooringenomen tegen deze dingen aan te kijken. En jawel, het debat over onderwijs gaat wel degelijk over dezelfde kwestie, want zoals in het artikel te lezen valt, kan men pas goed slagen in het onderwijs, als men er als leerling zelf een idee van heeft wat men wil gaan doen. In de voorgenomen hervormingen besteedt men weinig aandacht aan het bijbrengen aan leerlingen wat ze werkelijk kunnen willen. Maar ja, als de vrije wil niet bestaat en te maken heeft met het opbrengen van de volharding kan men met onderwijs niet veel bereiken. Of zoals Swaab zegt, we kunnen na de geboorte niets meer veranderen. Of om te besluiten: u gelooft in een volkomen determinisme, maar het is nog maar de vraag hoe dat uitdrukking komt.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. - “Het probleem is namelijk dat men het onverwachte niet kan verklaren als u uitgaat van strikt determinisme.” Schrijft u. Ik zie helemaal geen enkel probleem. Je redeneert naast de kwestie. Wat bedoel je met het onverwachte ? Er bestaat geen onverwachte en het hoeft derhalve niet verklaard te worden. Wat jij onverwacht noemt is perfect te verklaren door de wetmatigheden die ik hierboven beschreef.
    - “Voor de rest, ik ben wellicht nog een beetje in de ban van het oude geloof, maar heb er voldoende afstand van genomen om niet al te vooringenomen tegen deze dingen aan te kijken.” Dat betwijfel ik dus ten zeerste. Uw (religieuze) vooringenomenheid ligt te schitteren in de zon!
    - Komaan zeg, het debat over het onderwijs heeft hier niets mee te maken. Je kan alles met alles verbinden, maar slechts tot aan de grens waar het belachelijk wordt.
    Enfin je hebt op je eigen website uiteraard het laatste woord, daar kunnen we niet tegenop.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. U heeft het over wetmatigheden? Als je bedoeld dat Spinoza effectief gezegd heeft dat alles in een eindeloze reeks van causale relaties verbonden is, dan zou u ook kunnen weten dat als het op menselijk gedrag aankomt, binnen het contingente het onvoorspelbare even zwaar weegt als wat u voor wetmatigheden houdt. U kan kan niet altijd voorzien wat de ander zal zeggen of doen.
    Mijn vooringenomenheid, mijn waarde heeft niet veel meer te maken met het oude geloof, maar goed, als u in een digitale waan verkeert, kan ik daar weinig aan doen. Ofwel gelooft men in die oude santenkraam ofwel in een wetenschap die alles verklaart. De wetmatigheden die u ziet, blijken soms verrassend complex. Nu, in dat kader vind ik dat overdreven simplisme ook geen goede benadering. Anders gezegd, u hebt karaktertrekken van de oude pastoors, die alles voor zeker wisten.
    En ja, voor u zal de onderwijshervorming best beantwoorden want ook die plannen van Pascal Smet zijn gebaseerd op te eenduidige benaderingen. Maar goed, het is voor mij een uitgemaakte zaak dat men inderdaad volgens sommige nutteloze elitaire kennis wil afwijzen en zo mensen kansen ontnemen.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Leuk dat lezers over de gehele wereld kunnen oordelen over de validiteit en het niveau van uw en mijn argumenten. Ik ben er alvast gerust in.

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie plaatsen

Populaire berichten