Op de vleugels van euforie


Reflectie

 

Optimisme, realisme, cynisme

Mogelijkheden, geen morele plichten

 

Bij het bezoek van de kleine synagoge in Oswiecim, Polen,
viel me de gedragen verantwoordelijk op, maar ook de
stilte en het gebrek aan bezoekers. Toch gaf mij dat
centrum een heftige indruk van hoe vitaal mensen
met de ervaring van de Endlösung kunnen omgaan. Dan
verwordt optimisme tot iets bijzonder oppervlakkigs.
Je weet niet wat je leest, want we horen zoemen de beloften van politici, we horen ook dat politici fundamenteel vrolijk willen zijn of andere die optimisme uitstralen een morele plicht noemen en vele kandidaten weten ons te vertellen wat zij zullen aanvangen, meer nog, zij weten, zoals de eerste beste verkoper van stofzuigers of auto's te vertellen wat we nodig hebben. Een verkoopster van de betere lingerie weet wel beter, je moet eerst goed kijken, luisteren voor je een vrouw kan vertellen wat ze nodig heeft.

Maar goed, le pied dans le plat, optimisme is zo iets gevaarlijks: alles komt goed? Hangt ervan voor wie. En dan nog, wat is dat, goed? Wenselijk, utopisch, idyllisch... zinvol, boeiend... of gewoon aangenaam? Het zal wel iets van dat alles zijn, maar wie beter toekijkt, merkt het gebrek aan verbeelding op, wanneer het op welbevinden aankomt. Optimisme? Het geloof in wat mensen vermogen, lijkt me eindelijk belangwekkender. Optimisme, zo voelde ik het aan na een bezoek aan Oswiecim, lag in de kleine synagoge in het stad, dat we bezochten, want het bezoek aan het museaal geworden kamp, was een deceptie. Geen moment leken mensen zich die verhalen te kunnen verbeelden die daar abrupt en zonder reden, tenzij de kwade wil van mensen voor een uitdagend systeem hadden gekozen, waardoor zij, die lang hun zorgeloze leven hadden geleid, plots als niet-mensen werden gepresenteerd. Misschien is het dat wel, denk ik, dat me enigszins huiverig maakte voor de uitgesproken oproep tot optimisme, wat dat ook mag inhouden en hoe het ook mag uitwerken.

Optimisme kan men overigens niet reduceren tot euforie, verschilt er gewoon hemelsbreed van. Optimisme veronderstelt niet enkel dat de wereld zoals die is de beste der mogelijke werelden moet heten, meer nog, het wordt hoe dan ook nog beter dan het al is. Voltaire heeft die kijk van Leibniz vakkundig de grond ingeboord, maar hij vond wel dat we best bezig kunnen zijn met aanleg en onderhoud van het eigen tuintje. De man die in Cirey en later nabij Genève intens met tuinaanleg bezig is geweest, wist waarover hij het had, namelijk dat de vorm van leven die mensen kennen, ervaren best veel in petto kan hebben, maar tegelijk ook altijd weer op grenzen botsen kan, zal. Candide is voor velen een verre echo geworden, waarbij men niet meer het filosofische verhaal zelf leest, maar er commentaren over hoort. Alwetendheid is voor Voltaire een vorm van pedanterie, maar tegelijk is het van belang voor hem goed te onderzoeken. In die zin kan men Voltaire en Goethe wel met elkaar verbinden, want bij Goethe speelt dat onderzoek een groter belang dan men, althans wie Goethe verwijt een oude pruik te zijn die zich als een god boven alles verheven boven de mêlee van Wagners - niet de componist - die van alles bij elkaar zoeken zonder er ooit wijzer uit te worden. Noch Goethe noch Voltaire waren in wezen pessimisten, laat staan cynisch ingesteld, maar optimisme, dat ging hen wat te ver.

Toch zou het zo zijn dat optimisme vleugels geeft, maar de vraag is of men er kan mee vliegen en waarheen het dan wel gaan zal. Optimisme over wat de mens bewerken kan, na de Endlösung, na de Goelag en andere gebeurtenissen, de oorlog in Joegoslavië, de genocide in Rwanda is toch wel wat cynisch. Niemand kan ooit uitsluiten voor zichzelf niet tot wreedheid in staat te zijn. De experimenten van Milgram geven er aanleiding toe, maar ook ervaringen in het dagelijkse leven.

Hoe we in de wereld staan, hangt niet af van ons optimisme, maar van andere aspecten van onze betrokkenheid bij het leven zoals het is. Men kan de ander als de Hel beschouwen, maar men kan zich ook spiegelen in de ander, men kan de andere als een uitnodiging zien en men kan hoe dan ook proberen met die ander ergens heen te willen. We zijn vandaag, zegt men mij, wel verplicht de erfenis van de Verlichting te omhelzen, maar als ik zie wat men er zich dan bij zou moeten voorstellen, dan bedank ik daar feestelijk voor: 1°) leven zonder god in de hemel? Moet kunnen; 2°) gelijkheid van man en vrouw? Ik hoor het sommige liberalen graag zeggen, maar hun daden laten niet altijd veel respect vermoeden; 3°) Scheiding van kerk en staat? Dat betekent dat de kerkelijke leiders niet mogen proberen het landsbestuur te beinvloeden, maar evenmin kan de staat in de inhoudelijke boodschap van die kerk ingrijpen, ook al menen we dat er hier grenzen aan zijn. Maar de scheiding van Kerk en Staat betekent ook niet dat we geen debat over levensbeschouwelijke kwesties zouden aangaan. Als een gelovige, liefst geen Jehova, maar goed, mij aanspreekt dan kan het zijn dat er iets aan de orde komt dat me wel beroeren kan. En ook vrijzinnig humanisten hebben soms een interessant verhaal. Maar Ludo Abicht, onderscheiden met de Arkprijs van het Vrije Woord had een punt toen hij zich afvroeg wat de inbreng van het vrijzinnig humanisme dezer dagen kan zijn. In de wandeling, zo stelde Patrick Lateur vast, durven mensen wel eens grof te doen over geloof en vrome lieden, terwijl men tegelijk tolerantie predikt, wat ook mij al langer is opgevallen. Zinvol spreken over de condition humaine, individueel en voor grotere entiteiten, tot en met de wereldbevolking, kan niet, denk ik zonder criteria om wetenschappelijk aanvaardde inzichten te evalueren. Voor sommigen volstaan de feiten, maar, welke feiten hebben dan hun belang? Ik heb nog geen liberaal geschrift gezien over het essay van Tomas Sedlacek, behalve dan dat vanwege Liberales. Maar een recensie van drie paragrafen, het zegt genoeg over de waardering. Van groter belang is het vast te stellen dat een debat over een werk als dit blijkbaar niet de brede media haalt en debat betekent niet per se sprekers laten opdraven die er zeer verschillend over denken, maar, zoals auteurs in de Verlichting plachten te doen, uitgebreide briefwisseling op te zetten om inzichten te onderzoeken. Zo kan men meewerken aan die goede wereld van morgen.

Nu, dit probleem, van de plaats van levensbeschouwingen in onze cultuur en van de vermeende achterlijkheid van godsgeloof, christelijk of anderszins, spoort in wezen niet met het ideaal van tolerantie. De kwestie is bij wijlen acuut, als bijvoorbeeld een Britse premier, Cameron, maar ook Tony Blair, met hun geloof gaan uitpakken. Toch blijft de vraag hoe men zonder een min of meer gearticuleerde levensbeschouwing verder moet, want de dingen die we voor waar aannemen, of ze nu passen in een rationalistische traditie dan wel in een ander geloof, dan nog kan dit voor personen en groepen van mensen een eigen dynamiek ontplooien, die veel verder gaat dan het wat vage optimisme waar men naar verwijst. Karl Popper had goede redenen om te bepleiten dat optimisme een morele plicht zou moeten zijn, toch zeker na afloop van de Tweede wereldoorlog. Maar als men nu met een uitspraak als deze uitpakt, zal men toch wel even moeten aangeven waar het over gaat.

Vond Popper het voldoende dat men ja zegt tegen het leven, zonder verder uit de luie zetel te komen? Of stond zijn optimisme in het teken van de wil een goede, liberale democratie uit te bouwen? Voor zover ik het begrepen heb, ook bij een commentator als Tony Judt, was Popper inderdaad de mening toegedaan dat men excessen zoals het (Oostenrijkse) fascisme, later omgeturnd tot nazisme, maar had kunnen vermijden als men inzicht had gehad in wat werkelijk goed en enthousiasmerend werkte, maar met Jacques van Doorn kan men vaststellen dat die beweging inderdaad veel... optimisme kon opwekken. Stefan Zweig wist in "Die Welt von Gesteren te vertellen hoe de Beweging bij jonge mensen veel enthousiasme en optimisme op wist te wekken door jonge, goed geklede jongelui in blitse auto's te laten rondrijden naar de dorpen. Maar ook elders waren er bewegingen die veel enthousiasme en optimisme wisten te genereren, zoals het enthousiasme dat Hendrik de Man of de beweging van Cardijn, de Kajotters, de Vlaamse Beweging.

Ook bleek voor Popper en voor Judt dat de sociaaldemocratie in Oostenrijk op een aantal terreinen, steken heeft laten gevallen, door een gebrek aan perspectief. Maar zowel het fascisme als de actieve sociaaldemocratie hadden zelf positieve boodschappen en wat Popper, volgens Judt vergat, was dat Oostenrijk niet door toedoen van Links in het fascisme verzeild is geraakt, maar erger, dat alle politieke partijen na 1928 geleidelijk de onbestuurbaarheid van het land in de hand hadden gewerkt. De weg naar het (verkozen) slaafdom, waarover von Hayek sprak, was net zozeer gegrond in de niet te bevestigen observatie dat het links was dat de dictatuur zou hebben mogelijk gemaakt.

Niemand hoeft afbreuk te doen aan de betekenis van Karl Popper en stellen dat zijn observatie over optimisme niet op historisch te argumenteren inzichten terug te voeren is. Maar wellicht is het wel van belang te begrijpen dat Popper begrepen had dat de politieke actoren in de jaren 1920 en 1930 zo vijandig stonden tegenover elkaar en zo weinig heel lieten van de inzichten van anderen dat het wantrouwen in het politieke helemaal onderuit ging. Maar er is meer, als ik zelf ook wel belang hecht aan optimisme, dan niet als een vaag begrip dat alles goed komt, omdat we er dan geen idee van hebben wat goed  wel moet betekenen. Goed kan alleen in een collectief perspectief bezien worden, of enkel op het niveau van het persoonlijke handelen en het persoonlijke welbevinden. De kwestie is dan hoe die elkaar ondersteunen en ook wel van elkaar afhankelijk kunnen zijn.

Maar toch komt ook dit in gedachten als men het over "Goed" heeft, in de zin: alles komt goed, namelijk dat die goede toestand zelf wellicht geen blijvende staat van optimaal welbevinden kan zijn. Teveel factoren kunnen immers, ook als de situatie goed heet te zijn, het evenwicht verstoren en dan wordt het weer zwoegen en jakkeren om de toestand op orde te krijgen. Want moeten we niet vaststellen dat een samenleving altijd wel een beetje een troep is, waar niet altijd lijnen te trekken vallen en waar geen mooi portret van te maken valt. In die zin is optimisme allerminst gewettigd, zou men denken, maar optimisme maakt misschien wel deel uit van eigenschappen en attitudes van mensen in een dynamische samenleving.

We kunnen overigens ook niet aan de vraag voorbij, meen ik, of optimisme tot ongebreidelde dadendrang kan leiden, hoeft te leiden? Men verwijt conservatieven wel eens, uitgesproken conservatieven dat ze de klok terug zouden willen zetten, maar de werkelijkheid is eerder dat conservatieven de samenleving ook wel een zooi vinden, maar er zit ook veel goeds in, dat het behouden waard is. Progressieve ideologen daarentegen koesteren een uitgesproken negatieve visie op de samenleving en de staat waarin mensen en groepen zich bevinden, want er deugt ten enen male niets aan. Cruciaal is dat conservatieven doorgaans nog enig vertrouwen hebben in mensen, burgers, terwijl progressieve politici en commentatoren menen dat de mens veel bijsturing behoeft. Ook dat is een opvallend punt van verschil in waardering, de ene benadering spreekt over mensen en individuen, de andere hebben het over de mens, over dé mensen, alsof men zich zomaar een ideaalbeeld van de mens kan vormen.

Dan blijkt dat ideaalbeeld ook nog eens ontstellend negatief ook. Zou Karl Popper, zouden vele liberalen vandaag ook niet behept zijn met dat idee dat mensen ernstig bijgestuurd moeten worden, want behept met allerlei mankementen? In die zin toveren liberalen wel vaker een paradox te voorschijn: we moeten geloven in de burgers, in hun ondernemerszin maar tegelijk hebben ze veel sturing nodig. Voor Links is die houding meer in de lijn van de verwachtingen, zoals kerkelijk gelovigen de neiging zouden kunnen hebben dat mensen paternalistische sturing nodig hebben.

Nu de verkiezingen naderen, merken we dat politici, maar ook politieke wetenschappers deze discussies liever niet aan de orde stellen, omdat dit de mooie verhalen die men vertellen wil in de weg zou staan. Maar wie de kritiek van de liberalen op de Vlaamse Regering van Kris Peeters, merkt dat die kritiek 1°) gericht was op de begroting; 2°) op onderwijshervorming; 3°) op meer uitgaven in de sector van welzijn, zoals opvang van gehandicapten, wachtlijsten in de zorg etc. en 4°) dat men er zo te zien niet in slaagde aan te geven hoe men begrotingsdiscipline en andere verwachtingen met elkaar zou verzoenen. Mijn kritiek aan het adres van de VLD was gericht op het feit dat ze blind bleef voor de keuzemenu's die de Vlaamse overheid op het dashboard had staan. Overigens, was het ook de Open VLD die vond dat de Vlaamse regering mee diende te werken om de eisen van de EU inzake begroting te kunnen halen, waarbij de andere entiteiten, Brussel en Wallonië op het oog ontzien werden.

Mag men zeggen dat de Vlaamse regering er een succes van maakte? Ik weet bij God niet welke criteria men hanteren zou om het ene, succes, dan wel het andere, falen, te argumenteren. De wereld is sinds 2009 redelijk veranderd en een aantal bruikbare criteria zijn ook van karakter gewijzigd, maar bovenal vraag ik mij af, waarom in deze tijd, waarin we ons bewust  zijn van het feit dat politiek beleid deel heeft aan de samenleving, maar lang niet de enige bepalende factor is,  wel vooral een continubedrijf moet heten, dat altijd functioneert en vaak aan interne wetten onderhevig is, een eigen dynamiek kent - waar politici zich op het oog wel bij bevinden, maar er niet altijd in slagen even hun eigen handelen tegen het licht te houden -  die politiek zich enkel in dadendrang kan uiten. Ook Luc Huyse meent dat de politiek en dus politici minder macht hebben over de dingen en over mensen dan sommigen zouden wensen, maar voor hem betekent dat ook dat andere krachten te veel gewicht in de schaal werpen. De vraag is dan of die grote actoren, zoals banken, zoals oligopoliebedrijven, Monsanto bijvoorbeeld, er niet toe leiden dat de dynamiek van de samenleving erbij zou inschieten. Maar hier wordt het ook weer moeilijk, want wat een evolutie mochten we niet beleven sinds 1979? Inzake beschikbaarheid van kennis, computers en andere telecominstrumen bleek die voor ons, als gebruikers zeer zeker heilzaam; ook geldt dit voor de vooruitgang van de geneeskunde en moeten we de vreugde om het ontdekken dat het Higgs-Englert-Brout-boson niet enkel theoretisch bedacht was kunnen worden maar ook effectief geobserveerd in het CERN in herinnering roepen?

Als het om optimisme gaat, moet de politiek niet zo heel luid roepen, maar kunnen ze er wel toe bijdragen dat burgers niet voortdurend gewezen worden op hun tekortkomingen. Natuurlijk moet men oom agent vooral op straat zien, waar hij of zij het jonge volkje kan stimuleren en eventueel vermanen, maar men heeft de Gemeentelijke administratieve sancties in het geroepen omdat de samenleving, door migratie maar ook vanwege snelle verstedelijking van het platteland, omwille van andere levensverhalen, met onder meer nieuw samengestelde gezinnen, zeer veranderd was. Minstens evenzeer van belang is het feit dat we in het spoor van de antiautoritaire cultuur in een crisis van wellevendheid terecht waren gekomen, terwijl het gerecht de vele zaken niet meer kon bolwerken. De politiek heeft, op vraag van burgers ongetwijfeld geprobeerd de onveiligheid terug te dringen, maar op zo een manier dat plots burgers elkaar ervan konden betichten overlast te bezorgen. In die zin is de evolutie sinds 1979 wellicht wat minder rooskleurig, maar als we de verklarende factoren goed overzien, valt op dat er heel wat problemen aan de hand zijn, die maatschappelijk gesproken niet eenduidig zijn, maar dat we niet blind kunnen blijven voor ontwikkelingen ten goede vertonen.

Eerder heb ik er al op gewezen dat men burgeractivisme zeer kan waarderen, maar dat het soms voorvalt, zoals in verband met de discussie sinds 1995 rond de ontknoping van het verkeer rond Antwerpen, waar actiegroepen met onweerlegbare argumenten de goegemeente bestookten, tot blijkt dat het met die onweerlegbaarheid niet zo snor zit, want sommige argumenten kunnen ook gelden als reden om de Antwerpse ring rond te maken. Dat geldt overigens ook voor de discussie over het project Seine-Schelde-West dat de binnenvaart moet vernieuwen en versterken, waarbij uiteraard een vlottere ontsluiting van de zeehaven te Zeebrugge van belang is. De tegenstanders brengen allerlei argumenten tegen, maar sommige blijken in de weging toch niet zo zwaar uit te vallen. Alleen, in het debat komen de argumenten van het Groot Gedelf als authentiek over, terwijl de argumenten van Waterwegen en Zeekanaal NV omwille van het belang van dat bedrijf - want het is bedrijf met de overheid, wij dus, als belangrijkste aandeelhouder - vanzelfsprekend als verdacht worden voorgesteld. Het helpt het debat niet vooruit, maar als men ziet hoe in beide debatten de partijen en individuele mandatarissen op lokaal en hoger vlak hun posities net ook bepalen op grond van de sympathie die men heeft voor de burgerinitiatieven, dan wordt het echt wel moeilijk om een en ander onderscheidend te behandelen. De overheid heeft een stevige vinger in de pap, maar in het publieke debat blijkt men vooral die partij te wantrouwen. Zou men zonder zo een vehikel kunnen om het waterwegennet op niveau te houden?   

Natuurlijk kan men met goede argumenten stellen dat de schatkist van de staat een lek mandje is, waar veel geld verdwijnt zonder goede redenen, alleen zal men vaststellen dat als men alle overbodig geachte uitgavenposten heeft afgetoetst bij de bevolking, er van die verhoopte besparingen en structurele vermindering aan recurrente uitgaven niet veel sneuvelen. Wat mij niet raakt, raakt misschien wel mijn buur. En misschien laat het me eerder onberoerd, maar misschien ook niet en ontstaat er over die ene weldaad van de overheid toch enige beroering. Mag men dan niets doen? Het is het meest complexe probleem van onze tijd hoe we de zaken op orde zullen houden, financieel en het meemaken dat de staat door zowat iedereen aangesproken wordt om hulp en bijstand en dat op grond van goede wetten; op zich is het een noch het andere problematisch, maar helemaal zeker is het niet of we het allemaal kunnen realiseren. En dat nu is het probleem van de partij die ons op de vleugels van euforie wil meeslepen, want wie stellen wil dat we optimisme moeten betrachten, kan meteen ook prozac meegeven.

Slogans hebben zo hun beperkingen en verkiezingsboodschappen al helemaal, maar toch, de kwesties die spelen, belangen ons op verschillende manieren aan en meerdere niveaus, in onze particuliere levenssfeer, maar ook bijvoorbeeld in de open, de publieke ruimte, want het vrolijke land van ontelbare cafés, bars, eethuizen in allerlei soorten en gewichten, lijkt in de greep van veiligheid, gezondheid en zekerheid, plus fiscale fairplay, enfin niet altijd van de fiscus als instituut en daarover moeten we nadenken. Transparantie en een overdaad aan regelgeving, werkt dat wel?

Wat politici in campagnemodus voor ogen staat, hoeft geen uitleg, maar het kan geen kwaad als burgers hen feedback geven. Gouden bergen beloven? Een rozenvingerig ochtendgloren? De volmaakte samenleving? Het klinkt alles mooi, maar zelfs niet aanlokkelijk. Goed beleid weet ook de zegeningen te tellen en vervolgens te zien hoe we een en ander op orde kunnen houden. De actuele retoriek, waarbij of het behoud of de revolutie op weg naar de beste der werelden, dat pakt denk ik, niet. Tene quid bene? De Romeinen wisten het wellicht ook wel. Vandaag is het maar de vraag of we weten wat goed is. Want als we willen dat het beter wordt, zullen we toch moeten zien dat we het kind niet met het badwater weg laten spoelen.

Bart Haers

Reacties

Populaire berichten